Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY5010

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
200.100.508/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BV5646
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2992, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis dat door de Russische overheidsrechter is vernietigd. Hoofdregel en uitzondering. Het hof wenst deskundige voorlichting over de inhoud van het Russische recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2013/51 met annotatie van mr. J.J. van Haersolte-van Hof
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.100.508/01

18 september 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonende te [ plaatsnaam ], [ land ],

APPELLANT,

advocaat: mr. J.Ph. de Korte te Amsterdam,

t e g e n

de vennootschap naar het recht van de Russische Federatie

OJSC NOVOLIPETSKY METALLURGICHESKY KOMBINAT,

gevestigd te Lipetsk, Russische Federatie,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.A. Leijten te Amsterdam.

De partijen worden hierna [ appellant ] en NLMK genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Bij op 16 januari 2012 ingekomen beroepschrift is [ appellant ] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2011, in deze zaak onder zaaknummer/rekestnummer 491569 / KG RK 11-1722 gewezen tussen hem als verzoeker en NLMK als verweerster. Daarbij heeft [ appellant ] negen grieven tegen de beschikking aangevoerd (waarbij grief 6 uiteenvalt in negen subgrieven), bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de beschikking zal vernietigen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, haar verzoek zal toewijzen, met veroordeling van NLMK in de kosten van het geding in beide instanties en in de kosten van het nader te noemen beslag.

1.2 Bij verweerschrift heeft NLMK de grieven bestreden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, naar het hof begrijpt, dat het hof de beschikking zal bekrachtigen en [ appellant ] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

1.3 Partijen hebben nadere producties aan het hof toegezonden, met begeleidende brieven. De (doorgenummerde) producties van [ appellant ] lopen door tot productie 105 en die van NLMK tot productie 47. Zijdens [ appellant ] is een gedingstuk toegezonden, getiteld "akte toelichting".

1.4 Op 12 juni 2012 is de zaak mondeling behandeld. Partijen hebben daarbij de zaak doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van pleitaantekeningen, die zij hebben overgelegd.

1.5 Ten slotte is beschikking aangezegd.

2. Beoordeling

2.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder rov. 2.1 tot en met 2.9 een aantal feiten vastgesteld.

Die feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het hof zal een aantal aanvullende feiten vaststellen als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, mede gelet op de in het geding gebrachte producties.

2.2 Tussen partijen staat het volgende vast.

2.2.1 NLMK is een in Rusland gevestigde rechtspersoon naar Russisch recht die de grootste werkgever is in de Russische regio Lipetsk en die internationaal operereert als staalproducent. Een deel van de aandelen in het kapitaal van NLMK wordt verhandeld op de aandelenbeurs in Londen.

De overige aandelen, de meerderheid, worden gehouden door [ A ]. [ A ] is tevens eigenaar van overslaghavens in Sint Petersburg en Tuapse. Hij bekleedt voorts een hoge functie bij het Russische staatsbedrijf United Shipbuilding Corporation (scheepsbouw) en heeft middellijk een belang in het Russische staatsbedrijf Freight One (vervoer over het spoor).

2.2.2 [ appellant ] heeft de [ X ] nationaliteit en woonplaats in [ land ]. Hij is een internationaal opererende zakenman.

2.2.3 Zowel [ A ] als [ appellant ] staat vermeld op een door het Amerikaanse tijdschrift Forbes opgestelde lijst van miljardairs.

2.2.4 Op 22 november 2007 zijn [ appellant ] en NLMK een schriftelijk vastgelegde overeenkomst (hierna: de koopovereenkomst) met elkaar aangegaan. Daarbij heeft [ appellant ] 50% plus één van zijn aandelen in het kapitaal van het door hem opgerichte Russische staalbedrijf OJSC [ Y ]-Group (hierna: [ Y ]-Group) verkocht aan NLMK tegen een op basis van een in de koopovereenkomst opgenomen formule te bepalen koopprijs.

Artikel 5 van de overeenkomst vermeldt onder meer (in Engelse vertaling):

"[ appellant ] and OJSC [ Y ]-Group herein confirm to OJSC NLMK that all guarantees and representations specified in Annex 3 are valid as per the date of the Agreement, unless otherwise stated."

Aan de overeenkomst is een bijlage 3 gehecht, getiteld "Representations and guarantees".

2.2.5 Op 4 december 2007 zijn de in de koopovereenkomst bedoelde aandelen aan NLMK geleverd.

2.2.6 Op 10 januari 2008 heeft NLMK aan [ appellant ] een voorschot op de koopprijs betaald van omstreeks 7,3 miljard roebel.

2.2.7 Op 22 december 2009 heeft [ appellant ] op de voet van een in de koopovereenkomst opgenomen arbitraal beding een arbitraal geding tegen NLMK aanhangig gemaakt bij het International Commercial Arbitration Court at the Chamber of Commerce and Industry of the Russian Federation (hierna: het scheidsgerecht). [ appellant ] heeft in dat geding gevorderd dat NLMK wordt veroordeeld tot betaling van omstreeks 14,7 miljard roebel, zijnde het volgens hem resterende deel van de koopprijs. NLMK heeft tegen die vordering verweer gevoerd. Op haar beurt heeft NLMK gevorderd dat [ appellant ] wordt veroordeeld tot terugbetaling van omstreeks 5,9 miljard roebel, zijnde het bedrag waarmee het betaalde voorschot volgens haar de koopprijs overtreft. [ appellant ] heeft tegen die vordering verweer gevoerd. In de arbitrale procedure hebben de vertegenwoordigers van [ appellant ] het standpunt ingenomen dat [ appellant ] niet aan bijlage 3 van de overeenkomst is gebonden, omdat hij die bijlage niet heeft ondertekend.

2.2.8 Sinds maart 2011 wordt [ appellant ] in Rusland strafrechtelijk vervolgd op verdenking van fraude. Onder meer is op 28 maart 2011 in Rusland een strafzaak tegen [ appellant ] ingeleid op verdenking van fraude in het kader van de aandelentransactie met NLMK en is bij een op 17 juni 2011 gedateerd stuk in Rusland een strafzaak tegen hem ingeleid op verdenking van misleiding van het scheidsgerecht in het arbitraal geding tegen NLMK.

[ appellant ] heeft strafklachten ingediend tegen [ A ] en tegen bij [ Y ]-Group betrokken personen. Deze klachten hebben niet tot strafvervolging geleid.

2.2.9 Bij vonnis van 31 maart 2011 (hierna: het arbitraal vonnis) heeft het scheidsgerecht NLMK veroordeeld tot betaling aan [ appellant ] van omstreeks 8,9 miljard roebel in hoofdsom, met afwijzing van het over en weer meer of anders gevorderde. Daartoe heeft het scheidsgerecht bij wijze van meerderheidsstandpunt van arbiters [ B ] en

[ C ], en in afwijking van het minderheidsstandpunt van arbiter [ D ], vrij vertaald uit het Engels en verkort weergegeven, het volgende overwogen:

Volgens de berekening van [ appellant ] bedraagt de koopprijs van de aandelen in [ Y ]-Group omstreeks 22,1 miljard roebel. [ appellant ] heeft zijn berekening gebaseerd op gegevens die hij bij [ Y ]-Group heeft opgevraagd, aangeduid als Basisgegevens 1. Volgens de berekening van NLMK bedraagt de koopprijs omstreeks 1,4 miljard roebel. NLMK heeft haar berekening gebaseerd op gegevens die zijn ontleend aan de financiële verslagen van een aantal groepsvennootschappen waaronder [ Y ]-Group. Beide partijen hebben zich onvoldoende ingespannen om de berekening binnen de overeengekomen termijn af te ronden. Daarmee hebben partijen risico's genomen waarvan zij in gelijke delen de gevolgen dienen te dragen. De koopprijs moet daarom worden berekend als de helft van de som van de op grond van Basisgegevens 1 berekende koopprijs en de op grond van Basisgegevens 2 berekende koopprijs. Met inachtneming van het betaalde voorschot komt dit erop uit dat NLMK omstreeks 8,9 miljard roebel aan [ appellant ] dient te betalen.

2.2.10 Tegen het arbitraal vonnis staat geen arbitraal hoger beroep open.

2.2.11 Bij gedingstuk van 7 april 2011 heeft NLMK een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis aanhangig gemaakt bij het Arbitrazh Court of the city of Moscow (hierna: het Arbitrazh Court). In het gedingstuk van 7 april 2011 heeft NLMK, vrij vertaald uit het Engels en verkort weergegeven, het volgende aangevoerd:

a. [ appellant ] heeft NLMK welbewust misleid over de waarde van de aandelen;

b. Het scheidsgerecht heeft geweigerd de relevantie van de door [ appellant ] in de koopovereenkomst verschafte "warranties and representations" en de geldigheid van Annex 3 bij de koopovereenkomst te onderzoeken. Het heeft geoordeeld dat het betoog van NLMK dienaangaande niet van belang is voor de beoordeling van de vordering;

c. Op grond van het voorgaande is sprake van "fraud", hetgeen een schending oplevert van de openbare orde en aldus een vernietigingsgrond.

[ appellant ] heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.12 Op 27 april 2011 heeft [ appellant ] met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam ten laste van NLMK conservatoir beslag doen leggen op de door

NLMK gehouden aandelen in het kapitaal van

NLMK International B.V.

2.2.13 Op 17 juni 2011 heeft NLMK in de Russische vernietigingsprocedure een aanvullend gedingstuk ingediend. De overgelegde Engelse tekst bestaat uit 29 pagina's, exclusief bijlagen. Bij dit gedingstuk heeft NLMK aanvullende vernietigingsgronden aangevoerd.

2.2.14 Naar aanleiding van dit aanvullende gedingstuk heeft [ appellant ] herhaaldelijk bij het Arbitrazh Court verzocht om enkele dagen uitstel van de mondelinge behandeling. Dit uitstel is geweigerd. De mondelinge behandeling heeft op

21 juni 2011 plaatsgehad in een zitting die ongeveer vijf uur heeft geduurd. Aan het eind van die zitting heeft het Arbitrazh Court bij mondelinge uitspraak het arbitraal vonnis vernietigd.

Het Arbitrazh Court heeft geen inzage gehad in het arbitragedossier, omdat NLMK geen toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van dat dossier aan het Arbitrazh Court.

2.2.15 Het Arbitrazh Court heeft zijn uitspraak van

21 juni 2011 op 28 juni 2011 schriftelijk gemotiveerd.

Die motivering houdt, verkort weergegeven en vrij vertaald uit het Engels, het volgende in:

a. De deskundigen [ E ], [ F ] en

[ G ], die [ appellant ] hebben bijgestaan in de arbitrageprocedure, werken bij de Ural State Law Academy, hetzelfde instituut als waar arbiter [ C ] werkt. Deskundige [ E ] is rector van dat instituut en bekleedt daar aldus een hogere functie dan arbiter [ C ].

De deskundige [ H ] werkt bij de State and Law of the Russian Academy of Sciences, hetzelfde instituut als waar arbiter [ B ] werkt. Deskundige [ H ] bekleedt daar een hogere functie dan arbiter [ B ].

De arbiters hebben van deze banden tussen de partijdeskundigen en de arbiters geen melding gemaakt aan partijen. De samenstelling van het scheidsgerecht is daarom niet in overeenstemming met hetgeen partijen daarover zijn overeengekomen. Dit levert de eerste vernietigingsgrond van het arbitraal vonnis op.

b. Het onderwerp van geschil houdt verband met de geldigheid van een aandelenoverdracht. Het geschil is daarom volgens de Russische wet niet vatbaar voor arbitrage. Dit levert de tweede vernietigingsgrond op.

c. De methode waarop het scheidsgerecht de koopprijs heeft vastgesteld (de helft van de som van de op grond van Basisgegevens 1 berekende koopprijs en de op grond van Basisgegevens 2 berekende koopprijs), is in strijd met Russisch dwingend recht inzake koop. Dit levert de derde vernietigingsgrond op.

2.2.16 De zaak is bij het Arbitrazh Court behandeld en belist door N.V. Shumilina, rechter in dat gerecht. Dezelfde rechter heeft de arbitrale vonnissen vernietigd die aan de orde waren in de zaak [ I ]/[ J ] (Hof Amsterdam

28 april 2009, zaaknr. 200.005.269/01, LJN BI2451,

JOR 2009/208, TvA 2010/5 en HR 25 juni 2010,

zaaknr. 09/02566, LJN BM1679, NJ 2012/55).

2.2.17 Bij uitspraak van 1 september 2011 van het

Arbitrazh Court is [ Y ]-Group op verzoek van NLMK in staat van faillissement verklaard.

2.2.18 Zowel [ appellant ] als NLMK heeft een rechtsmiddel tegen het vonnis van het Arbitrazh Court ingesteld bij het

Federal Arbitrazh Court of the Moscow District (hierna: het Federal Court). Op 26 september 2011 heeft het Federal Court het bestreden vonnis bekrachtigd.

2.2.19 Het Federal Court heeft zijn uitspraak van

26 september 2011 op 10 oktober 2011 schriftelijk gemotiveerd. Uit die motivering blijkt dat het Federal Court het oordeel van het Arbitrazh Court met betrekking tot alledrie de vernietigingsgronden onderschrijft.

2.2.20 Op 10 november 2011 heeft [ appellant ] tegen de beslissing van het Federal Court een rechtsmiddel ingesteld bij het Supreme Arbitrazh Court of the Russian Federation te Moskou (hierna: het Supreme Court). Bij beslissing van

30 januari 2012 heeft het Supreme Court hierop afwijzend beslist. De motivering van deze beslissing houdt, verkort weergegeven en vrij vertaald uit het Engels, het volgende in:

a. De door het Arbitrazh Court en het Federal Court vastgestelde omstandigheden wijzen erop dat het scheidsgerecht heeft verzuimd informatie te openbaren over de banden tussen arbiters en personen die zijdens [ appellant ] ingebrachte stukken hebben ondertekend. Dit levert een vernietigingsgrond op.

b. Daarnaast is zowel het Arbitrazh Court als het Federal Court tot de juiste conclusie gekomen dat het scheidsgerecht heeft verzuimd de aard te onderzoeken van de transactie waarop de vordering was gebaseerd. Op grond hiervan heeft het scheidsgerecht een onjuiste conclusie over zijn bevoegdheid getrokken.

c. De klachten van [ appellant ] doen een beroep op omstandigheden die niet zijn vastgesteld door het Arbitrazh Court of het Federal Court. Zij zijn gericht op een nieuwe feitenvaststelling. Dit gaat de taak van het Supreme Court te buiten.

2.2.21 [ appellant ] heeft het Constitutional Court of the Russian Federation verzocht om de grondwettigheid te onderzoeken van Russische wetsbepalingen die in de vernietigingsprocedure zijn toegepast. Bij beslissing van 21 december 2011 heeft het Constitutional Court geweigerd [ appellant ] te horen op dit verzoek en geoordeeld dat zijn beslissing op dit verzoek "final" is.

2.3 In dit geding heeft [ appellant ] de voorzieningenrechter verzocht, zakelijk weergegeven, om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging te verlenen van het arbitraal vonnis, primair onvoorwaardelijk en subsidiair indien NLMK geen bankgarantie zal verschaffen zoals nader gespecificeerd in het verzoek, met veroordeling van NLMK in de kosten van het geding en in de kosten van het op 27 april 2011 gelegde beslag, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht. De grieven onderwerpen het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.4 [ appellant ] heeft aan zijn verzoek artikel 1075 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten grondslag gelegd. Die wetsbepaling luidt als volgt:

"Een in een vreemde Staat gewezen arbitraal vonnis waarop een erkennings- en tenuitvoerleggingsverdrag van toepassing is, kan in Nederland worden erkend en ten uitvoer gelegd. De artikelen 985 tot en met 991 zijn van overeenkomstige toepassing voorzover het verdrag geen afwijkende voorzieningen inhoudt en met dien verstande dat de voorzieningenrechter van de rechtbank in de plaats treedt van de rechtbank en de termijn voor hoger beroep en beroep in cassatie twee maanden bedraagt."

2.5 Met partijen is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak het Verdrag van New York 1958 (Trb. 1958, 145) van toepassing is. NLMK heeft onder meer een beroep gedaan op artikel V, eerste lid, aanhef en sub e, van dat verdrag. Die bepaling luidt in de Nederlandse vertaling (Trb. 1959, 58):

"Artikel V

1. De erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraak zullen slechts dan op verzoek van de partij tegen wie een beroep op de uitspraak wordt gedaan, geweigerd worden, indien de partij tegen wie een beroep op de uitspraak wordt gedaan, het bewijs levert:

(a) (...)

(b) (...)

(c) (...)

(d) (...)

(e) dat de uitspraak nog niet bindend is geworden voor partijen of is vernietigd of haar tenuitvoerlegging is geschorst door een bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welks recht die uitspraak werd gewezen.

2. (...)"

2.6 Het Arbitrazh Court is aan te merken als bevoegde autoriteit in de zin van artikel V, eerste lid, aanhef en sub e, Verdrag van New York 1958. Voor het slagen van het beroep van NLMK op die bepaling is niet nodig dat het hof in deze procedure bevoegd is de tenuitvoerlegging te bevelen van de uitspraak van het Arbitrazh Court. Evenmin is daarvoor nodig dat NLMK in of buiten deze procedure aan een Nederlandse rechter erkenning en/of tenuitvoerlegging van die uitspraken heeft verzocht of zal verzoeken. Voor zover de grieven van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen zij.

2.7 Voor het slagen van het beroep van NLMK op die bepaling is evenmin nodig dat de uitspraak van 21 juni 2011 van het Arbitrazh Court gezag van gewijsde heeft verkregen. Het Verdrag van New York 1958 stelt die eis immers niet (ook niet in artikel VI) en ook overigens is er geen rechtsregel aan te wijzen die deze eis stelt. Indien die uitspraak geen gezag van gewijsde heeft verkregen, is dat ook geen reden om de onderhavige zaak aan te houden.

2.8 Nu het Arbitrazh Court het arbitraal vonnis heeft vernietigd, geldt in beginsel dat het verzoek van [ appellant ] moet worden afgewezen op grond van artikel V, eerste lid, aanhef en sub e, Verdrag van New York 1958. Ter beoordeling staat of in dit geval een uitzondering moet worden aanvaard.

2.9 Een uitzondering moet worden aanvaard indien voldoende sterke aanwijzingen bestaan dat aan de vernietigingsprocedure bij de vreemde overheidsrechter als geheel beschouwd in het concrete geval zo essentiële gebreken kleven dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak. Op deze uitzondering geldt weer een uitzondering - zodat artikel V, eerste lid, aanhef en sub e, Verdrag van New York 1958 dan toch weer toepassing vindt - indien voldoende aannemelijk is dat indien de zaak eerlijk zou zijn behandeld, die behandeling ook tot vernietiging van het arbitrale vonnis zou hebben geleid.

Het hof ontleent de bevoegdheid en de verplichting om dit een en ander te toetsen aan het commune Nederlandse internationaal privaatrecht, dat de openbare orde van Nederland beschermt, alsmede aan artikel 6 EVRM (vergelijk: EHRM 20 juli 2001, no. 30882/96, (Pellegrini/Italië).

2.10 Als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Dit geldt in beginsel ook voor buitenlandse rechters. Daarbij is van belang dat terughoudendheid is geboden bij de beoordeling door de rechter van de ene staat van de vraag of de rechter van een andere staat partijdig is en/of zich laat beïnvloeden door een afhankelijke relatie met de uitvoerende macht van die andere staat.

2.11 In de zaak [ J ]/[ K ] heeft het hof in rov. 3.8 tot en met 3.8.10 bronnen aangehaald die deels betrekking hebben op de mate van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Russische overheidsrechter in het algemeen. [ appellant ] heeft in deze zaak onder meer naar die bronnen verwezen. Uit die bronnen komt een zeer zorgelijk beeld naar voren, met name waar het geschillen betreft waarbij aanzienlijke belangen zijn gemoeid die de Russische staat als de zijne beschouwt. Dit doet in zaken waarin de Russische overheidsrechter betrokken is en belangen als hiervoor bedoeld aan de orde zijn, afbreuk aan het hiervoor in rov. 2.10 weergegeven uitgangspunt. Niettemin is voor het aannemen van een uitzondering als hiervoor in rov. 2.9 bedoeld slechts plaats indien de aanwijzingen die daartoe aanleiding geven, voldoende specifiek betrekking hebben op het concrete te beoordelen geval.

2.12 De hiervoor onder rov. 2.2.1 tot en met 2.2.3 vastgestelde feiten (ten aanzien van de personen [ A ] en [ appellant ]), ook wanneer zij in samenhang worden beschouwd met de hiervoor onder rov. 2.2.8 vastgestelde feiten (ten aanzien van strafprocedures) en de hiervoor onder

rov. 2.2.16 vastgestelde feiten (ten aanzien van de persoon van de rechter), zijn ontoereikend om de slotsom te kunnen rechtvaardigen dat de Russische staat, of belangen van de Russische staat, de rechtsgang van de onderhavige vernietigingsprocedure heeft of hebben beïnvloed met als gevolg dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak. Er kan dus niet reeds op grond van die feiten en omstandigheden een uitzondering als hiervoor in rov. 2.9 bedoeld worden aangenomen. Ook overigens beschikt het hof thans over onvoldoende gegevens uit objectieve bron met betrekking tot de personen [ A ] en [ appellant ], het optreden van de Russische staat in strafzaken en/of de persoon van de rechter die de vernietiging heeft uitgesproken, om de hiervoor omschreven slotsom te kunnen rechtvaardigen.

2.13 Het hof dient thans te onderzoeken of de wijze waarop de Russische vernietigingsprocedure is behandeld, zelf aanwijzingen oplevert die meebrengen dat de hiervoor in rov. 2.9 bedoelde uitzondering moet worden aangenomen. Hiertoe acht het hof noodzakelijk dat een of meer onafhankelijke deskundige(n) het hof voorlicht/voorlichten, met name over de inhoud van het Russische recht. Het hof is daarom voornemens een deskundigenbericht te gelasten. De zaak zal naar de rol worden verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het aantal en de persoon/personen van de deskundige(n), de te stellen vragen en het voorschot. Eerst zal [ appellant ] een memorie kunnen nemen en daarna NLMK.

2.14 Ten aanzien van de persoon/personen van de deskundige(n) wordt partijen verzocht naar eenstemmigheid te streven. Voorts wordt partijen verzocht zich uit te laten over de mogelijkheid om het Internationaal Juridisch Instituut aan de R.J. Schimmelpennincklaan 20-22 te Den Haag in te schakelen.

2.15 Het hof is voorshands voornemens de volgende vragen te stellen aan de deskundige(n):

a. Hadden de arbiters naar Russisch recht de verplichting om aan partijen mede te delen dat zij werkzaam waren bij dezelfde instellingen als personen die als partijdeskundige bij de arbitrageprocedure betrokken werden? Zo ja, wat is naar Russisch recht het rechtsgevolg van een schending van deze verplichting? Heeft de omstandigheid dat de arbiters geen mededeling hebben gedaan van dergelijke banden naar Russisch recht het rechtsgevolg dat de samenstelling van het scheidsgerecht niet overeenstemt met hetgeen is overeengekomen? Zo ja, levert dat naar Russisch recht een vernietigingsgrond op?

b. (indien de deskundige ook op dat gebied deskundig is):

In hoeverre bestaat er academische vrijheid of soortgelijke onafhankelijkheid tussen personen die werkzaam zijn bij de Ural State Law Academy? Is deze instelling te vergelijken met een universiteit? Dezelfde vragen gelden ten aanzien van de State and Law of the Russian Academy of Sciences.

c. Is een geschil over de hoogte van de koopprijs van aandelen naar Russisch recht aan te merken als een geschil over de geldigheid van een aandelenoverdracht? Is een geschil over de hoogte van de koopprijs van aandelen in een geval waarin de aandelenoverdracht mogelijk niet geldig is, vatbaar voor arbitrage?

d. Is de door het scheidsgerecht gehanteerde wijze van vaststelling van de koopprijs in strijd met Russisch dwingend recht inzake koop? Kan de door het scheidsgerecht gehanteerde wijze van vaststelling van de koopprijs gezien worden als de vaststelling van de overeengekomen koopprijs c.q. als de vaststelling van een redelijke koopprijs? Levert strijd met dergelijk dwingend recht een vernietigingsgrond op?

e. Zijn de afwijzingen door het Arbitrazh Court van uitstelverzoeken van [ appellant ] naar aanleiding van het aanvullende gedingstuk van NLMK van 17 juni 2011 in strijd met het Russische recht? Welke rol speelt de omstandigheid dat [ appellant ] in hoger beroep alsnog in de gelegenheid is gesteld in te gaan op dat aanvullende gedingstuk en op hetgeen het Arbitrazh Court daarover heeft geoordeeld?

f. Is het overeenkomstig het Russische recht dat de overheidsrechter geen kennis heeft genomen van het arbitragedossier op de grond dat een van partijen daarvoor geen toestemming heeft gegeven? Had de overheidsrechter naar Russisch recht gevolgen moeten verbinden aan de weigering om die toestemming te geven?

g. Is het overeenkomstig het Russische recht dat het Arbitrazh Court onmiddellijk mondeling uitspraak heeft gedaan na een vijf uur durende mondelinge behandeling?

h. Heeft u verdere opmerkingen die voor de beslissing van het hof van belang kunnen zijn?

Partijen wordt verzocht zich over deze concept-vraagstelling uit te laten.

3. Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 16 oktober 2012 om [ appellant ] in de gelegenheid te stellen zich bij memorie uit te laten over de hiervoor in rov. 2.13 tot en met 2.15 genoemde onderwerpen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin,

R.H. de Bock en M.A.J.G. Janssen en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 18 september 2012.