Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY4997

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
200.100.827-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease; bewijswaardering kantonrechter; tegenstrijdige getuigenverklaringen; [ appellant ] niet geslaagd in tegenbewijs van – voorshands bewezen – feit dat zijn echtgenote met bestaan van leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze bij brief van 4 februari 2003 te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ woonplaats ] , gemeente [ gemeente ],

APPELLANT,

advocaat: mr. F.P.A.M Uytdewillegen te Maren-Kessel,

gemeente Oss,

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.

(rechtsopvolgster onder algemene titel van de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [ appellant ] en Dexia genoemd.

Bij dagvaarding van 13 december 2011 is [ appellant ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector Kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 14 september 2011, onder zaak- en rolnummer 816993 DX EXPL 06-3354 gewezen tussen hem als eiser in conventie/verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie, alsmede van de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 1 oktober 2008, 10 maart 2010 en 12 januari 2011.

[ appellant ] heeft bij memorie tien grieven aangevoerd, producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, samengevat, dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen voor zover de door [ appellant ] in eerste aanleg ingestelde vorderingen zijn afgewezen en deze alsnog volledig zal toewijzen, met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente.

Daarop heeft Dexia bij memorie geantwoord, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [ appellant ], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis van 10 maart 2010 onder 2.1 tot en met 2.5 en het bestreden eindvonnis onder 1.1 tot en met 1.9 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1 [ appellant ] heeft, voor zover in hoger beroep van belang, met de rechtsvoorgangster(s) van Dexia een viertal overeenkomsten tot effectenlease gesloten (hierna gezamenlijk: de leaseovereenkomsten):

- op of omstreeks 26 september 1997 een overeenkomst genaamd Feestplan, nummer [ nummer ] (hierna: leaseovereenkomst I);

- op of omstreeks 10 december 1998 een overeenkomst genaamd WinstVerDriedubbelaar, nummer [ nummer ] (hierna: leaseovereenkomst II);

- op of omstreeks 24 juni 1999 een overeenkomst genaamd

WinstVerDriedubbelaar, nummer [ nummer ] (hierna: leaseovereenkomst III);

- op of omstreeks 16 november 1999 een overeenkomst genaamd Legio I.B.* Plan, nummer [ nummer ] (hierna: leaseovereenkomst IV).

3.1.2 Op grond van de leaseovereenkomsten heeft [ appellant ] geldbedragen van Dexia geleend, waarmee aandelen zijn aangekocht die hij van Dexia heeft geleast. Over de geleende geldbedragen was [ appellant ] rente verschuldigd. De leaseovereenkomsten zijn inmiddels geëindigd. Gedurende de looptijd van de leaseovereenkomsten heeft [ appellant ] rente en deels aflossing betaald en dividend ontvangen.

3.1.3 Ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten was [ appellant ] gehuwd met [ A ] (hierna: [ A ]). [ A ] heeft geen (schriftelijke) toestemming verleend tot het aangaan van de leaseovereenkomsten. Bij brief van 4 februari 2003 heeft [ A ] met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de leaseovereenkomsten vernietigd en terugbetaling gevorderd van alle door [ appellant ] betaalde termijnen binnen een termijn van veertien dagen. Dexia heeft de vernietiging niet geaccepteerd en is niet tot terugbetaling overgegaan.

3.1.4 Voordat [ appellant ] de leaseovereenkomsten aanging, had hij met Dexia in 1996 reeds een tweetal andere effectenleaseovereenkomsten gesloten, genaamd Winstverdubbelaars. Deze eerdere overeenkomsten zijn in 2001 geëindigd, waarna voor [ appellant ] een batig saldo resteerde van in totaal € 8.174,52.

3.1.5 Na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van dit hof heeft [ appellant ] een opt-out verklaring afgelegd, als gevolg waarvan hij niet gebonden is aan de bij die beschikking verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

3.2 Op grond van de hierboven weergegeven feiten heeft [ appellant ] een vordering tegen Dexia ingesteld. Deze vordering strekt, kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog van belang, tot verklaring voor recht dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en tot veroordeling van Dexia tot (terug)betaling aan [ appellant ] van de door hem betaalde bedragen, te vermeerderen met rente en kosten alsmede tot het ongedaan maken van zijn registratie bij het Bureau Krediet Registratie te Tiel op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van Dexia in de kosten.

3.3 Dexia heeft (onder meer) als verweer gevoerd dat het recht om de leaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW te vernietigen, is verjaard. Daartoe heeft Dexia aangevoerd dat [ appellant ] de op grond van de leaseovereenkomsten verschuldigde bedragen heeft voldaan van een zogenoemde en/of-rekening die tevens op naam staat van [ A ]. Dexia stelt dat [ A ] derhalve op de hoogte is geraakt van de leaseovereenkomsten met ingang van het bankafschrift waarop de eerste betalingen ten behoeve van de onderscheidenlijke overeenkomsten staan vermeld. Er dient dan ook vanuit te worden gegaan dat [ A ] meer dan drie jaar voordat zij bij brief van 4 februari 2003 de leaseovereenkomsten buitengerechtelijk heeft vernietigd op de hoogte was van het bestaan ervan, aldus Dexia.

3.4 Met als uitgangspunt dat op Dexia de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van het beroep op verjaring, heeft de kantonrechter overwogen dat hetgeen Dexia heeft aangevoerd het (bewijs)vermoeden wettigt dat [ A ] door kennisname van één of meer bankafschriften kennis heeft gekregen van het bestaan van de leaseovereenkomsten, zodat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat het vernietigingsrecht van [ A ] is verjaard. Vervolgens heeft de kantonrechter [ appellant ] conform diens aanbod in de gelegenheid gesteld tegen dit (bewijs)vermoeden tegenbewijs te leveren en [ appellant ] en [ A ] als getuigen gehoord.

3.5 Gelet op hetgeen de getuigen hebben verklaard en partijen daarover nog nader hebben verklaard, heeft de kantonrechter geoordeeld dat [ appellant ] er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen dat [ A ] door kennisname van één of meer bankafschriften kennis heeft gekregen van het bestaan van de leaseovereenkomsten en dat derhalve het beroep op verjaring van Dexia ten aanzien van de leaseovereenkomsten slaagt. Dientengevolge heeft de kantonrechter de op het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW gebaseerde vordering van [ appellant ] afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van het resterende saldo van de door Dexia opgestelde eindafrekeningen voor elk van de vier leaseovereenkomsten, zoals door Dexia in reconventie gevorderd.

3.6 [ appellant ] heeft tegen de tussenvonnissen van 1 oktober 2008 en 10 maart 2010 geen grieven gericht, zodat hij in het hoger beroep tegen die vonnissen niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

3.7 De grieven 1 tot en met 7 van [ appellant ] zijn gericht tegen de bewijswaardering door de kantonrechter en de grieven 8 tot en met 10 tegen diens daaraan verbonden gevolgtrekking dat [ appellant ] er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen dat [ A ] door kennisname van één of meer bankafschriften kennis heeft gekregen van het bestaan van de leaseovereenkomsten zodat het beroep op verjaring van Dexia succes heeft en de vordering van [ appellant ] met betrekking tot de BKR-registratie moet worden afgewezen. Het hof zal allereerst de grieven 1 tot en met 7 bespreken die zich lenen voor gezamenlijke behandeling.

3.8 Volgens [ appellant ] heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat zijn verklaring en die van [ A ] met betrekking tot de inzage van [ A ] in de bankafschriften van de en/of girorekening zowel op zichzelf als ten opzichte van elkaar inconsistent, tegenstrijdig en daarmee onvoldoende geloofwaardig zijn. Eveneens heeft de kantonrechter volgens [ appellant ] ten onrechte overwogen dat de getuigen geen aannemelijke reden hebben gegeven voor het verzwijgen van de leaseovereenkomsten en dat [ appellant ] geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het verzwijgen van de uitkeringen in 2001 op de twee eerder afgesloten Winstverdubbelaars.

3.9 Het hof stelt voorop dat de termijn van de verjaring van de vordering van [ A ] tot vernietiging van de leaseovereenkomsten is gaan lopen op het tijdstip waarop zij daadwerkelijk bekend is geworden met die overeenkomsten en dat op Dexia de stelplicht en bewijslast rust van de feiten waaruit de bekendheid van [ A ] kan worden afgeleid, zoals ook de kantonrechter – terecht - tot uitgangspunt heeft genomen. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de feiten in deze zaak op zichzelf het vermoeden rechtvaardigen dat [ A ] vóór 4 februari 2000 met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden. De betalingen aan Dexia voor de leaseovereenkomsten zijn gedaan van een en/of-rekening op naam van [ appellant ] en [ A ], waarbij het hof er bij gebreke van concrete aanwijzingen voor het tegendeel vanuit moet gaan dat de betalingen voor de vier leaseovereenkomsten zijn gedaan van één (en dezelfde) en/of girorekening, althans van meerdere en/of-rekeningen.

Aangezien in het algemeen ervan mag worden uitgegaan dat rekeninghouders kennis nemen van op hun rekening betrekking hebbende bankafschriften, heeft dit ook voor [ A ] te gelden.

3.10 De vraag is of [ appellant ] erin is geslaagd tegenbewijs te leveren en het bewijsvermoeden te ontzenuwen, gelet op de door de getuigen afgelegde verklaringen zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang beschouwd. Anders dan de kantonrechter die de getuigen heeft gehoord, is het hof voor zijn oordeelsvorming volledig aangewezen op de in de processen-verbaal opgenomen verklaringen en op de wijze waarop de kantonrechter deze verklaringen in het licht van het door [ appellant ] te leveren tegenbewijs in zijn vonnis heeft gewogen en beoordeeld. Het hof past dan ook behoedzaamheid. Met inachtneming van deze beperking schaart het hof zich achter de bewijswaardering van de kantonrechter, waarbij het hof tevens in aanmerking neemt dat [ appellant ] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de weergave van de getuigenverklaringen in het proces-verbaal van 27 juli 2010. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.11 Zoals de kantonrechter gemotiveerd heeft uiteengezet en ook het hof heeft kunnen vaststellen, zijn de verklaringen van [ appellant ] en [ A ] op onderdelen tegenstrijdig. Waar [ appellant ] heeft verklaard dat [ A ] bijna niet op de bankafschriften van de girorekening keek en haar loon controleerde aan de hand van de loonstrook, valt uit de verklaring van [ A ] op te maken dat zij de afschriften van de girorekening bekeek om te zien wat er op kwam en wat er weer vanaf ging en dat zij inzage had in de bankafschriften omdat haar salaris op de girorekening binnenkwam zodat zij kon controleren wat de bestedingsruimte was. Niet alleen doen deze tegenstrijdigheden afbreuk aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen maar ook valt op basis van de verklaring van [ A ] geenszins uit te sluiten dat zij, ook bij het slechts bekijken van de rekeningafschriften om de bestedingsruimte te controleren, kennis heeft genomen van de vooruitbetaling van fl. 4.000,- voor leaseovereenkomst II en aldus op de hoogte is geraakt van het bestaan van deze leaseovereenkomst. Het komt het hof onaannemelijk voor dat een dergelijk aanzienlijk bedrag zou zijn ontsnapt aan de aandacht van [ A ] die, naar zij zelf heeft verklaard, de saldowisselingen op de bankafschriften bekeek (“Ik zeg u dat ik wel op de afschriften keek om te zien wat er op kwam en wat er weer vanaf ging.”)

3.12 Eveneens heeft de kantonrechter op goede gronden, die het hof onderschrijft, kunnen oordelen dat de getuigen geen aannemelijke reden hebben gegeven voor het verzwijgen van de leaseovereenkomsten. Dit geldt temeer nu ook [ appellant ] naar voren heeft gebracht (alinea 18 MvG) dat [ A ] de bestedingsruimte op de girorekening controleerde, hetgeen [ A ] als getuige reeds heeft verklaard. Zowel de afschrijving van het hiervoor genoemde bedrag van fl. 4.000,- als de bijschrijvingen van de uitkeringen in 2001 op de in 1996 afgesloten Winstverdubbelaars zijn aanzienlijke bedragen die direct van invloed waren op het saldo en de bestedingsruimte van de girorekening. Het hof acht het onaannemelijk dat dergelijke bedragen aan de aandacht van [ A ] zijn ontsnapt.

3.13 Gelet op een en ander is [ appellant ] niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs.

3.14 Voor aanvullend tegenbewijs zoals door [ appellant ] aangeboden ziet het hof geen aanleiding nu [ appellant ] niet nader heeft toegelicht waarom hij zichzelf en [ A ] opnieuw als getuigen wil doen horen, hetgeen op zijn weg had gelegen (HR 19 januari 2007, LJN AZ3178).

3.15 Slotsom is dat de grieven 1 tot en met 7 falen. De overige grieven behoeven derhalve geen behandeling meer. De bestreden vonnissen van 12 januari 2011 en 14 september 2011 zullen worden bekrachtigd. [ appellant ] zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep moeten dragen.

4. Beslissing

Het hof:

verklaart [ appellant ] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de tussenvonnissen van de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2008 en 10 maart 2010;

bekrachtigt het tussenvonnis van 12 januari 2011 en het eindvonnis van 14 september 2011 van de rechtbank Amsterdam;

veroordeelt [ appellant ] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Dexia begroot op € 1.815,- aan verschotten en € 894,- aan salaris, alsmede in de nakosten, begroot op € 131,- wegens nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris van de advocaat en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken kostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, E.M. Polak en R.Tj. Terpstra en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2012 door de rolraadsheer.