Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2740

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2012
Datum publicatie
09-11-2012
Zaaknummer
23-002381-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BI0842, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:356, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

medeplegen van liquidatie vanuit bestelbus op parkeerplaats brugrestaurant A4. Verklaringen medeverdachten vinden steun in elkaar en in objectieve bewijsmiddelen en zijn voldoende betrouwbaar en geloofwaardig. Niet relevant wie dodelijk schot loste.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002381-09

datum uitspraak: 7 november 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 10 april 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-740656-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1960],

adres: [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2011, 30 maart 2012, 25 juni 2012 en 24 oktober 2012, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:

- de door de rechtbank onder het 3e en 5e (op blad 5), 13e (op blad 11), 17e en 18e (op blad 12) bullet point genoemde bewijsmiddelen terzijde stelt;

- de overige bewijsmiddelen overneemt, met terzijdestellingen, aanvullingen en toevoegingen zoals hieronder vermeld;

- de hierna onder 5, 6, 10 en 12 weergegeven bewijsmiddelen toevoegt;

- de gronden die de rechtbank overigens aan haar bewijsbeslissingen ten grondslag heeft gelegd gedeeltelijk terzijde stelt, aanvult en verbetert als volgt.

Omwille van de leesbaarheid heeft het hof alle bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen hieronder volledig weergegeven.

A.

Bespreking van enkele in hoger beroep gevoerde verweren en ingenomen standpunten met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van moord. De raadsvrouw heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

* er is geen steunbewijs voor de verklaringen van [S.] en [v. E. ] dat de verdachte aanwezig is geweest bij het brugrestaurant

Er is op 13 februari 2007 twee maal door een telefoonnummer dat aan [S.] wordt gelinkt, gebeld naar de verdachte. Die twee gesprekken duurden bij elkaar nog geen halve minuut. Bovendien zijn de gesprekken niet getapt en weten we dus niet wat er toen is gezegd, zelfs niet of er iets is gezegd. Uit niets blijkt dat deze gesprekken verband hielden met de moord op [slachtoffer]. Uit de telefoongegevens blijkt verder slechts dat de verdachte zich die dag heeft bewogen van Rotterdam naar Amsterdam en weer terug naar Rotterdam. Het feit dat de telefoon van de verdachte onderweg een zendmast in Badhoevedorp heeft aangestraald, is volstrekt onvoldoende om hem op de parkeerplaats bij het brugrestaurant te plaatsen.

Ook forensisch onderzoek heeft geen steunbewijs opgeleverd. Van de verdachte, die gedurende vijf uur in die bestelbus zou hebben gezeten, is in die bus geen enkel (DNA-)spoor aangetroffen. De verklaring van de verdachte dat hij die dag op eigen gelegenheid naar Amsterdam is geweest, is niet onaannemelijk.

* de verklaringen van [S.] en [v. E. ] zijn onvoldoende betrouwbaar en geloofwaardig

De verklaringen van [S.] en [v. E. ] zijn in een zeer laat stadium afgelegd op een moment dat het dossier was afgerond. Die verklaringen zijn bedoeld om de verdachte te belasten en zichzelf te ontlasten. Niet kan worden uitgesloten dat de verklaringen zijn afgestemd. Door bemiddeling van derden - [huisvriend] en de vorige raadsman van [v. E. ] - zijn [S.] en [v. E. ] in de gelegenheid geweest intensief met elkaar van gedachten te wisselen met betrekking tot de inhoud van het dossier. Een alternatief en plausibel scenario is dat [S.] en [v. E. ] alleen hebben gehandeld en dit verhaal hebben verzonnen om zelf vrijuit te gaan. De verklaringen zijn in strijd met objectieve bewijsmiddelen. Het door onafhankelijke getuigen gegeven signalement komt niet overeen met het postuur van de verdachte. Ten slotte geldt nog dat de juistheid van het de verdachte aangewreven motief geen steun vindt in de stukken van het dossier.

Subsidiair heeft de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - nog het volgende aangevoerd.

* er is geen bewijs dat de verdachte de schutter was

Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de verdachte de schutter was. [v. E. ] heeft twee mannen met bivakmutsen gezien, van wie er één een wapen in zijn handen had, terwijl [S.], naar eigen zeggen, het neerschieten van [slachtoffer] niet heeft gezien.

* er is geen bewijs voor het medeplegen

Er was sprake van een worsteling tussen [slachtoffer] en de twee mannen, totdat opeens, zonder enige waarschuwing, een schot werd gelost. Nu onduidelijk is wie in het onderhavige geval de schutter was en of de andere aanwezige(n) zich bij het opzet van de schutter hebben aangesloten, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van moord op [slachtoffer].

Hij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De medeverdachten [S.] en [v. E. ] hebben beiden verklaard dat de verdachte op 13 februari 2007 gedurende ruim vijf uur op de parkeerplaats bij het brugrestaurant in de witte bestelbus aanwezig is geweest. In die tijd heeft [S.] de bus een aantal keren verplaatst in de richting van de auto van [slachtoffer] en heeft [v. E. ] een aantal keren de bus verlaten om voor de in de bus aanwezige personen iets te eten en/of te drinken te halen. Omstreeks 22.00 uur zijn twee personen (de verdachte en een vierde man), voorzien van bivakmutsen en in ieder geval één vuurwapen, via de schuifdeur uit de bestelbus gestapt en in de richting van de nabij zijn auto aanwezige [slachtoffer] gelopen. Na een korte schermutseling is die [slachtoffer] met een opzetschot in het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan hij - kort daarna - is overleden. Direct na die schietpartij is de bus met daarin [S.] (als bestuurder), [v. E. ], de verdachte en de vierde man (als inzittenden) weggereden. Dat de verdachte op 13 februari 2007 op die parkeerplaats aanwezig is geweest, blijkt niet alleen uit de verklaringen van [S.] en [v. E. ], maar vindt ook steun in objectieve onderzoeksgegevens, in het bijzonder in het communicatieonderzoek.

Overwegingen en oordeel van het hof

1. De verdediging heeft in de kern haar verweer in eerste aanleg in hoger beroep herhaald.

De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij de enige gebruiker is van de telefoon met het nummer [eindigend op * 720]. Hij heeft ook het volgende gezegd. Hij weet niet meer wat hij op 13 februari 2007 heeft gedaan, maar is kennelijk - gelet op de bewegingen van zijn telefoon - die dag naar Amsterdam geweest. Hij komt daar wel eens, bijvoorbeeld om zijn zoon, die in Amsterdam Zuid-Oost woont, te bezoeken. Dat zijn telefoon op dezelfde tijden dezelfde palen heeft aangestraald als de telefoon van [v. E. ] is toeval. Hij heeft die dag niet bij [S.] en haar in de Mercedes-bestelbus gezeten.

Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig om de volgende redenen.

Weliswaar is op zichzelf niet ondenkbaar dat de verdachte toevallig op dezelfde dag als [S.] en [v. E. ] naar Amsterdam zou zijn gegaan, bijvoorbeeld om zijn zoon te bezoeken in Amsterdam Zuid-Oost, maar de verdachte heeft dit slechts als veronderstelling geopperd. Amsterdam-Zuidoost ligt geenszins in de buurt van de Johan Huizingalaan en de Plesmanlaan, straten die in Amsterdam-West zijn gelegen. Ook de gebruikelijke route van Rotterdam naar Amsterdam-Zuidoost doet deze locatie niet aan. De verdachte heeft geen andere verklaring gegeven voor het feit dat zijn telefoon zich in de middag in de directe omgeving van de Johan Huizingalaan en de Plesmanlaan heeft bevonden. De verdachte heeft immers niet verklaard dat hij in dat deel van Amsterdam iemand heeft bezocht, of daar is geweest, terwijl dit een deel van de stad is waar bezoekers niet toevallig plegen te komen. Dat de verdachte zich niet zou herinneren waarom hij zich die dag aldaar in Amsterdam (en overigens op de andere aangestraalde locaties) heeft bevonden omdat zijn verhoor geruime tijd na die datum plaatsvond, zoals de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, acht het hof daarbij niet aannemelijk. Het betrof een dag waarop zijn oom op gewelddadige wijze om het leven was gebracht. Onder die omstandigheden kan het haast niet anders dan dat de verdachte daar, zo hij daar niet betrokken bij zou zijn geweest, kort nadien van op de hoogte is gekomen en zich heeft gerealiseerd dat en met welk doel hij op die dag daar vlakbij in de buurt was. In ieder geval weegt deze verklaring niet op tegen de zeggingskracht - en derhalve de bewijswaarde - van de gegevens van de mobiele telefoon van de verdachte.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Het hof constateert dat, blijkens hun beider telefoongegevens, de verdachte en [v. E. ] zich niet alleen gelijktijdig van Rotterdam naar Amsterdam verplaatsten, maar ook dat zij gelijktijdig in de directe omgeving van de Johan Huizingalaan te Amsterdam waren. Korte tijd later bevond de verdachte zich in de omgeving van de A10 en de A4 te Badhoevedorp, kennelijk gaande in zuidelijke richting, waarna de verdachte kennelijk zijn telefoon heeft uitgeschakeld. Dit was ongeveer 16 minuten vóór het tijdstip waarop de Mercedesbus op het niet ver daar vandaan (naar van algemene bekendheid is: ongeveer 12 km verderop, aan de andere (oostelijke) kant van de A4) gelegen parkeerterrein bij het brugrestaurant arriveerde. Een dergelijke tijdsspanne past naar het oordeel van het hof bij de tijd die de rit tussen beide plaatsen ongeveer vergt. Het hof beschouwt een en ander, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, als voldoende steun voor de verklaring van [v. E. ].

Met betrekking tot het verweer dat de verdachte niet aan de door onafhankelijke getuigen opgegeven signalementen voldoet overweegt het hof als volgt.

De getuigen hebben uiteenlopend verklaard over het postuur van de mannen met de bivakmutsen. Een aantal van hen heeft verklaard over grote, forse mannen, anderen echter over mannen met een gewoon postuur. De getuige [T.] heeft gesproken over een lengte van ongeveer 1.75 meter en een gedrongen postuur, in welke omschrijving de verdachte wel ongeveer past. Het hof heeft daarom bij het vormen van zijn oordeel geen acht geslagen op de desbetreffende door de verdediging bedoelde onderdelen van die verklaringen.

Met betrekking tot het verweer dat geen sporen van de verdachte zijn aangetroffen in de bestelbus overweegt het hof dat het ook dit gegeven niet van betekenis acht, nu deze bus eerst geruime tijd na het plegen van het feit is aangetroffen en doorzocht. Na zoveel tijd kunnen eerder aanwezige sporen immers zeer wel zijn verdwenen.

Met betrekking tot het verweer dat [S.] en [v. E. ] dit feit alleen zouden hebben gepleegd, overweegt het hof ten slotte dat dit niet alleen niet aannemelijk is vanwege het feit dat [v. E. ] in de avond van 13 februari 2007 tijdens het wachten bij het brugrestaurant met twee draagtassen en drie beker terugkomt, hetgeen wijst op de aanwezigheid in de bus van meerdere personen, maar ook wordt weerlegd door de verklaring van [getuige A], die direct na het schot hoorde dat de bus werd gestart en daarna dat de schuifdeur werd dichtgeslagen, waarna de bus wegreed. Een en ander vond plaats in een zo kort tijdsbestek dat ook dit past bij het scenario dat er meer dan twee mensen in de bus zaten, zoals [v. E. ] en [S.] hebben verklaard.

2. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachten [S.] en [v. E. ]

Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat behoedzaam moet worden omgegaan met de verklaringen van medeverdachten, zeker in een geval als het onderhavige waarin die medeverdachten zich lange tijd op hun zwijgrecht hebben beroepen en waarin een zekere afstemming van hun verklaringen niet kan worden uitgesloten. Dit brengt echter niet zonder meer mee dat daarom de afgelegde verklaringen wegens onbetrouwbaarheid en ongeloofwaardigheid terzijde moeten worden gesteld.

Het hof stelt vast dat [v. E. ] om haar moverende redenen op 13 mei 2008 haar stilzwijgen heeft doorbroken met een brief aan het openbaar ministerie. Niet is gebleken dat de inhoud van die brief tot stand is gekomen na direct overleg met [S.] dan wel dat [S.] van de verzending van die brief door [v. E. ] op de hoogte was. Het hof voegt daaraan toe dat, als wel van vooroverleg sprake is geweest, dit nog niet hoeft te betekenen dat het in die brief gestelde onjuist zou zijn. Het hof acht het, gelet op het feit dat [v. E. ] minstgenomen in algemene zin wist dat [S.] zich in het criminele milieu bewoog en mogelijk door het afleggen van deze verklaring gevaar heeft gelopen en loopt, niet aannemelijk dat zij zomaar iemand heeft aangewezen als medepleger van de moord op [slachtoffer]. Het hof stelt voorts vast dat [v. E. ] sindsdien in de kern eensluidend heeft verklaard en dat haar verklaringen passen bij de bevindingen uit het telecom-onderzoek en bij hetgeen op de beelden van bewakingscamera's van het brugrestaurant A4, de Kentucky Fried Chicken (KFC), de Febo en het Hotel A4 is waar te nemen, als hierna te melden. Ten slotte heeft [S.] de door [v. E. ] weergegeven gang van zaken bevestigd, in ieder geval voor wat betreft de aanwezigheid van de verdachte in die bus op de parkeerplaats op 13 februari 2007.

Uit de telecom-gegevens is voorts gebleken dat de verdachte op 13 februari 2007 telefonisch contact heeft gehad met [S.] en dat zijn reisbewegingen passen bij de reisbewegingen van [v. E. ] en [S.]. Het hof acht de door de verdachte gegeven uitleg, namelijk dat sprake is van een toevalligheid, zoals hiervoor bij de bespreking van het betreffende verweer reeds werd overwogen, niet aannemelijk.

Het hof komt dan ook tot de slotsom dat, nu de verklaring van [v. E. ] steun vindt in objectieve bewijsmiddelen, in (voor wat betreft de aanwezigheid van de verdachte op die parkeerplaats) de verklaring van [S.] én in de reisbewegingen van de verdachte en de verdachte voor dit laatste geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, de verklaringen van [v. E. ] voldoende geloofwaardig en betrouwbaar zijn om deze te bezigen voor het bewijs.

Dit geldt ook voor de verklaring van [S.]. Ook zijn verklaring vindt steun in diezelfde objectieve bewijsmiddelen en in de verklaring van [v. E. ] en ook hij is bij zijn verklaring op dit punt gebleven.

Het verweer wordt verworpen.

B. De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

1. De verklaring van de getuige (tevens medeverdachte) [v. E. ], afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 maart 2009.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ken de [verdachte] als[bijnaam]. Ik ken hem via [S.]. [S.] en ik hebben [verdachte] op 13 februari 2007 in Rotterdam opgehaald. Daarna zijn we naar Amsterdam gereden. Daar zijn [S.] en [verdachte] uitgestapt. Op een gegeven moment kwamen ze terug naar de bus (het hof begrijpt: de witte bestelbus Mercedes Sprinter met [kenteken]) met een vierde man. Toen zijn we naar het brugrestaurant te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, gereden. Daar hebben we met z'n vieren in de bus gezeten. Ik zat voorin en [S.] zat naast mij. [verdachte] zat achterin met de vierde persoon. Op een gegeven moment heb ik drinken gehaald bij Kentucky Fried Chicken. Ik heb het mee teruggenomen naar de bus. Ik stapte toen in naast de bestuurder; [S.] zat naast mij en achterin zaten [verdachte] en de vierde man. Toen is de eerste persoon uit de bus gestapt en die is richting van [slachtoffer] gelopen, van wie ik inmiddels weet dat hij [slachtoffer] heette. Daarna is de tweede persoon ook uitgestapt. Toen is er geschoten, waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen. In de bus spraken ze Papiaments. Naderhand vertelde [S.] mij dat [slachtoffer] vermoord was door [verdachte].

2. Een proces-verbaal van verhoor 10 juli 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [[...]] (Deel 22A, B: 142 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 juli 2008 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [v. E. ]:

Ik was op 13 februari 2007 in Rotterdam. Ik zat met [S.] in de bus. We hebben toen een man die ik ken als [verdachte] opgehaald in Rotterdam. Met zijn drieën zijn we in de bus naar Amsterdam gereden. Ergens in Amsterdam zijn we gestopt. [S.] en [verdachte] zijn uitgestapt. Ik bleef in de bus, terwijl [S.] en [verdachte] de straat inliepen. Op een gegeven moment kwamen ze terug met een derde man. Met zijn vieren zijn we in de bus weer weggereden. We reden weer richting Rotterdam over de A4. We stopten bij het brugrestaurant. We bleven daar een beetje hangen. Op een gegeven moment kwam die [slachtoffer]. Ik wist niet goed wat we daar nu deden. Er werd steeds Antilliaans (het hof begrijpt: Papiaments) gesproken. Ik versta die taal niet. Ik zag een man bij een auto. Later bleek dat dit [slachtoffer] was. Ik zag dat de zijdeur van onze bus openging en dat er een man uitstapte en naar [slachtoffer] toe liep. Ik zag dat [slachtoffer] het portier van zijn eigen auto opendeed. Ik zag dat toen een tweede man achter uit onze bus stapte en naar de twee mannen toe liep. Plotseling hoorde ik een schot. Ik had daarvoor al gezien dat de eerste man die uit de bus was gestapt een vuurwapen bij zich had. De beide mannen waren in ieder geval hetzelfde, donker, gekleed. Ze droegen ook alle twee bivakmutsen. Ik zag dat na het schot de mannen weer in de bus stapten en wij reden weg in de richting van Amsterdam. We stopten bij een NS station waar de beide mannen uitstapten.

We reden weer richting Rotterdam. Ik had zelf het idee dat we op iemand stonden te wachten, omdat we daar maar doelloos bleven staan. Normaliter maakt [S.] altijd een afspraak buiten de auto. Ik blijf dan altijd wachten in de bus totdat [S.] weer terugkomt. Ik vond het wel vreemd dat we nu in de bus bleven. Toen ik terugkwam van de Kentucky Fried Chicken deed [S.] het voorportier open. Ik zag dat de bijrijdersplaats vrij was en [S.] knikte dat ik kon komen zitten. Ik ben toen naast [S.] gaan zitten. Ik zag dat er achter in de bus twee personen zaten. Ik begreep dat [verdachte] achter in de bus was gaan zitten naast man drie. Toen ik eten had gehaald, bleek dat de bus verplaatst was. Hij stond vlak voor de Kentucky Fried Chicken.

Op het moment dat ik de schuifdeur van de bus open hoorde gaan, keek ik uit mijn portierraam naar buiten. Ik keek schuin achterom, in de richting van de opening aan de zijkant van de bus. Het ging heel snel. Ik zag een man uit de bus stappen. Ik zag dat hij een bivakmuts op had en dat hij een vuurwapen in zijn hand hield, naar beneden gericht. Hij liep direct op de man, [slachtoffer], af.

Toen de eerste man bij [slachtoffer] kwam, gooide [slachtoffer] zijn portier open. Het ging allemaal heel snel.

Het was secondewerk. Het waren drie mannen donker gekleed. Op een gegeven moment verplaatsten ze zich naar achter, achter de wagen van [slachtoffer]. Toen hoorde ik die knal, dat schot. Direct daarop zag ik de twee mannen terug komen lopen naar de bus en weer achter in de bus stappen. Daarna reden we de A4 weer op.

3. De verklaring van de getuige (tevens medeverdachte) [S.], afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 maart 2009.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Dat is [verdachte] die hier als verdachte in de zaal zit. Dat is de [verdachte] over wie ik heb verklaard dat hij [slachtoffer] op 13 februari 2007 heeft doodgeschoten.

Ik heb [D.] boven in het brugrestaurant gezien. Ik ben toen helemaal naar achteren gelopen.

We zaten met z'n vieren in de bus. Dat ben ik, [v. E. ], [verdachte] en een man van wie ik de naam niet wil noemen. [verdachte] heeft mij verteld dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Toen [verdachte] de bus inkwam zei hij dat hij op [slachtoffer] had geschoten.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 14 februari 2007, in de wettelijke vorm opgemaakte door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar […] (Deel 03, ZD1:035 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 13 februari 2007 omstreeks 22:15 uur kreeg ik, verbalisant, opdracht te gaan naar de A4, alwaar op het parkeerterrein iemand zou zijn neergeschoten. Ter plaatse zag ik een man op het wegdek liggen schuin achter een groene personenauto, merk Renault, [kenteken]. De man lag op zijn buik. Uit zijn achterhoofd kwam een bloederige massa en er lag een plas bloed naast zijn hoofd. De man bewoog niet meer en haalde geen adem meer. Toen het personeel van de gearriveerde ambulance de man omdraaide, zag ik dat de man een gaatje in zijn voorhoofd had. Het ambulancepersoneel verklaarde dat de man was overleden. Op een afstand van ongeveer twee meter van het slachtoffer lag een patroonhuls.

5. Een proces-verbaal van verhoor van de [getuige A], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [[...]] (deel 03, ZD1: 137-138).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 februari 2007 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige A]:

Ik zag opeens mannen met een bivakmuts op. Ik zag dat een man in zijn zij werd geslagen. Ik zag dat die man tegen een auto werd gedrukt. Ik zag dat de man een schop kreeg in zijn knieholte waardoor hij door zijn knieen zakte. Ik zag dat er een pistool tegen zijn hoofd werd gezet en hoorde een knal. Ik zag dat de man neerviel. Ik stond op een afstand van 30 a 40 meter. Ik heb geen pistool gezien. Ik heb uit de knal die ik heb gehoord opgemaakt dat het een pistool moest zijn. Voor dat die knal kwam zag ik een hand vanaf de zijkant in de richting van het hoofd van het slachtoffer gaan. Gelijk hierop hoorde ik de knal. Het was de rechterhand. Met de linkerhand hield hij het hoofd van het slachtoffer vast. Het hoofd van het slachtoffer was toen al onder de dakrand van de auto.

6. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 februari 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [[...]] (deel 03, ZD1: 134-135).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 februari 2007 de weergave van de telefonisch tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige B]:

Ik heb bijna alles gezien. Ik stond er ongeveer 15 meter vanaf. Ik zag dat er uit een witte Mercedes Sprinter geheel in het zwart geklede personen kwamen. Ik zag dat zij zwarte bivakmutsen droegen. Ik zag dat zij richting een persoon liepen. Ik zag dat deze man een klap op zijn lichaam kreeg en vooroverboog. Plotseling hoorde ik een schot uit die richting en zag dat die persoon in elkaar zakte. Ik heb de man voordat het schot klonk nog horen.

7. Een deskundigenrapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door arts en patholoog R. de Visser op 7 maart 2007 (NFI-nummer 2007.02.14.002, sectie nummer 2007-053/R009, los document).

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Obductieverslag

Op 14 februari 2007 heeft dr. R. Visser, arts en patholoog, de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van een onbekende man, dood aangetroffen op 13 februari 2007, omstreeks 22.15 uur, teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.

Uitwendige schouwing

Letsels: aan de rechterzijde van het achterhoofd was een grote huidwond met een stervormig patroon en opgeworpen huidranden, met een afmeting van circa 5 bij 5 cm.

Ter plaatse van de linkerwang op korte afstand van de linkerneusvleugel bevond zich een licht onregelmatig huiddefect met een afmeting van circa 0,75 bij 0,75 cm van waaruit met een sonde gesondeerd kon worden tot aan het stervormige defect in het achterhoofd.

Inwendige schouwing

De schedelbeenderen (27): er was een complexe breuk van de schedelbasis en er waren meerdere breuklijnen over de bovenzijde van de schedel. Er was tevens een ronde tot lichtovale conusvormige perforatie van de schedel rechts zijwaarts met een buitendiameter van 2 cm en een binnendiameter van 2,5 cm.

De hersenen (29): er was uitgebreide beschadiging c.q. verbrijzeling van de basale zijde van de rechterhersenhelft alsmede de rechter kleine hersenhelft met gedeeltelijke beschadiging van de hersenstam en subtotale klieving van het verlengde ruggenmerg.

Schotkanalen (35): er was één perforatiekanaal verlopend van rechtsachter (vermoedelijk inschot) naar links voorwaarts (juist naast de linkerneusvleugel).

Epicrisis

Bij sectie bleek een tweetal letsels ter plaatse van het hoofd. Gelet op de vorm van de letsels, maar vooral het voorkomen van donkerkleurige materie (schotresten?) diep in de stervormige huidbeschadiging en de vorm van de schedelperforatie past het beeld het meest bij een opzetschot rechts/achter en een uitschot ter plaatse van de linkerwang. Schotrestenonderzoek op schotrichting en schootsafstand is inmiddels ingezet. Het doorschot ging gepaard met ernstig schedel- en hersenletsel en inademen van bloed en (opgebraakte) maaginhoud. Het snel intreden van de dood wordt door voornoemd schotletsel (waaronder ernstig schedel- en hersenletsel) zonder meer verklaard.

Conclusie

Bij NN, een man van 80 kg lichaamsgewicht en 168 cm lichaamslengte, wordt het intreden van de dood verklaard door ernstig hoofd- en hersenletsel als gevolg van een doorschotletsel.

8. Een proces-verbaal identificatie dactyloscopisch spoor van 16 februari 2007, in de wettelijke vorm opgemaakte door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar […] (Deel 21, paragraaf 15, pagina 079 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Het Regiokorps Kennemerland verzocht op 15 februari 2007 het Korps Landelijke Politie Diensten, Unit Dactyloscopische Identificatie, om dactyloscopische signalementen te vergelijken met het doel de identiteit van het slachtoffer vast te stellen.

Daartoe werd een vingerafdrukkenblad verzonden.

Na onderzoek op 15 februari 2007 werd bericht ontvangen dat de vingerafdrukken op het verzonden vingerafdrukkenblad geïdentificeerd zijn op afdrukken aanwezig in het landelijke bestand onder de navolgende gegevens:

[slachtoffer]

9. Een deskundigenrapport schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Haarlemmermeer op 13 februari 2007, opgemaakt door ing. S.B.C.G. Chang op 21 mei 2007 (Deel 21, paragraaf 23, pagina 120 e.v.).

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Uit het onderzoek aan het onderhuids weefsel [1.016], genomen uit de verwonding in het achterhoofd van het slachtoffer [slachtoffer], zijn aanwijzingen verkregen op een vrijwel zekere inschotverwonding.

Het aangetroffen sporenbeeld op het weefsel en de folies wijzen, in combinatie met de bevindingen van de patholoog, op een schootsafstand van 0 cm (opgezet schot).

Uit het onderzoek aan het huiddeel [1.016], gemerkt A, en genomen uit de linkerzijde van het gelaat van het slachtoffer, zijn aanwijzingen verkregen op een vrijwel zekere uitschotverwonding. Dit past bij de bevindingen van de patholoog.

10. De verklaring van de getuige [[...]], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 30 maart 2012.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ga u zo beelden tonen van bewegingscamera's, dat wil zeggen camera's die alleen opnames maken wanneer binnen hun bereik beweging plaatsvindt. Een beschrijving van wat er op de relevante tijdstippen gebeurt, is te vinden in het hoofdproces-verbaal TGO Valk vanaf pagina 15 (deel 01: algemeen deel).

Ik toon nu de beelden van 13 februari 2007 omstreeks 22:12 uur, kort voor de schietpartij.

Te zien zijn [T.], [D.] en [slachtoffer]. [slachtoffer] loopt in beeld van rechts naar links naar zijn auto.

De witte Mercedes bestelbus, die op naam staat van [v. E. ], staat op dat moment aan de rijbaan geparkeerd, de auto van [slachtoffer] staat in een parkeervak met zijn neus in de richting van de zijkant van de bestelbus geparkeerd. De voorzijde van de bestelbus bevindt zich ter hoogte van de auto van [slachtoffer]. Als [slachtoffer] bij zijn auto aankomt, gaat de schuifdeur van de bestelbus open en stappen er twee (onherkenbare) mensen uit. Er vindt een schermutseling plaats rondom de auto van [slachtoffer]. Hierna lopen de twee personen terug naar de bus en stappen in. De schuifdeur gaat dicht. De bus staat nog even stil en rijdt dan weg.

De indeling op het terrein is als volgt. Gekomen vanaf de snelweg (richting Den Haag) rij je het parkeerterrein op. Links van het parkeerterrein ligt eerst de FEBO, dan het brugrestaurant en ten slotte de Kentucky Fried Chicken (hierna KFC). Aan de rechterzijde van het parkeerterrein is het Van der Valk Hotel gelegen.

Om 16.59 uur komt een witte Mercedes, type Sprinter bestelbus met [kenteken], het parkeerterrein oprijden. De grijze Hyundai Tucson van [D.] is geparkeerd in een vak op de eerste rij. De bestelbus wordt geparkeerd in de derde rij, links schuin achter de Hyundai. De auto van [slachtoffer] staat ook in de derde rij geparkeerd maar dan, gezien van het brugrestaurant, verder naar rechts. Om 18.25 uur gaat aan de rechterzijde van de bestelbus een deur open en stapt er een persoon uit. Op dat moment staat de auto van [slachtoffer] nog op het parkeerterrein. De auto van [D.] is weg. De persoon, naar later blijkt [v. E. ], loopt naar de KFC en plaatst daar een bestelling. In de tijd dat zij op haar bestelling wacht, wordt de bestelbus verplaatst. De bestelbus staat een aantal minuten stil bij de ingang van het Van der Valk Hotel en rijdt op de rijbaan richting de snelweg voor de FEBO/brugrestaurant/KFC langs. De bestelbus wordt op de rijbaan, niet zijnde een parkeervak, geparkeerd. Om 18.33 rijdt de bestelbus achteruit over die rijbaan en parkeert in één van de laatste parkeervakken (schuin tegenover de ingang van het brugrestaurant en tegenover de ingang van de KFC). Vervolgens is te zien dat een persoon komt aanlopen met tassen. Vermoed wordt dat dit [v. E. ] is. Zij loopt voor de bestelbus langs. Even later pikken de bewegingscamera's een persoon op, die over de rijbaan loopt in de richting van het A4 brugrestaurant. Dit blijkt [S.] te zijn. Hij gaat de roltrap op en gaat richting het La Place-restaurant. Hij verblijft daar zo'n twintig minuten en loopt dan weer terug naar de roltrap. Onderaan de roltrap staan op dat moment [D.], [T.] en [slachtoffer]. [slachtoffer] staat achter [D.] en [T.]. Terwijl hij de trap afloopt lijkt [S.] deze personen te zien. Hij draait om en loopt de trap weer op en het restaurant weer in. Na ongeveer drie minuten komt hij weer naar buiten. Hij loopt richting de bus en stapt aan de bestuurderszijde in. Dit was omstreeks 20.45 uur.

Om 21.59 uur loopt [v. E. ] wederom naar de KFC, plaatst een bestelling en stapt weer in de bestelbus. Vanaf 18.25 tot het moment van het incident bevindt de bestelbus zich dus in een van de parkeervakken gelegen aan de wegrijroute in de richting van de snelweg. Daarna is de bus nog kleine stukjes naar achteren verplaatst, wanneer er ruimte vrijkwam. De bestelbus is gedurende deze gehele periode in de directe nabijheid van de auto van [slachtoffer] gebleven.

Desgevraagd antwoord ik dat er vanaf de parkeerplaats één wegrijroute is om weer op de A4 te komen. Daartoe moet men via de in- en uitgang van het parkeerterrein recht tegenover de ingang van het brugrestaurant rijden en vervolgens rechtsaf slaan en voor de KFC langs rijden.

11. Een clusterproces-verbaal camerabeelden van 17 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakte door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [[...]] (Deel 04, ZD1:551 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Hieronder volgt een clustering van bijzonderheden van de beelden van bewakingscamera's van het brugrestaurant A4, de Kentucky Fried Chicken (KFC), de Febo en het Hotel A4 op 13 februari 2007, opgemaakt in chronologische tijdsvolgorde.

De volgende personen worden benoemd:

[slachtoffer]

[T.].

[D.]

[S.]

[v. E. ]

Om 16:07 uur (camera 2 en 3 van het brugrestaurant)

[slachtoffer] rijdt met zijn personenauto over de rijbaan van het brugrestaurant, slaat de parkeerplaats op en parkeert zijn voertuig aldaar.

Om 16:36 uur (camera 2 en 3 van het brugrestaurant)

[D.] rijdt de parkeerplaats op en parkeert zijn voertuig in een parkeervak.

Om 16:53 uur (camera 2 en 3 van KFC)

[T.] loopt de KFC in en loopt naar de tafel van [D.] en [slachtoffer] en gaat bij hen aan tafel zitten.

Om 16:59 uur (camera 2, 3 en 7 van het brugrestaurant en camera 16 van het hotel)

Er rijdt een witte bedrijfsbus, voorzien van [kenteken], over de rijbaan richting de parkeerplaats. De bus rijdt over de rijbaan, slaat rechtsaf de parkeerplaats op en parkeert in een parkeervak.

Om 17.15 uur (camera 2 van het brugrestaurant)

De schuifdeur van de bedrijfsbus gaat open en dicht. Onbekend is of er iemand uitstapt.

Om 17.19 uur (camera 16 van het hotel en camera 2 van het brugrestaurant)

Het bestuurdersportier opent en een persoon stapt uit de bus. De persoon loopt over de parkeerplaats in de richting van het brugrestaurant. De persoon loopt om enkele auto's heen en loopt vervolgens terug naar de bus. De persoon stapt weer in aan de bestuurderszijde.

Signalement van de persoon: blauwe jas, donkerkleurige bovenkleding onder de jas, donkerkleurige broek, donkerkleurige tas, die over de rechterschouder wordt gedragen.

Om 17.23 (camera 2 van het brugrestaurant)

[D.] komt uit de richting van de uitgang van KFC en loopt naar zijn auto toe. Hij stapt in aan de bestuurderszijde, maar laat het portier openstaan. Kort daarna stapt [D.] uit, sluit het portier en loopt terug naar de ingang van KFC.

Om 17.36 uur (camera 2 KFC)

[slachtoffer], [T.] en [D.] verlaten de KFC.

Om 17:40 (camera 1 en 2 van het brugrestaurant)

[slachtoffer] en [T.] lopen samen naar de geparkeerde auto van [slachtoffer]. [D.] loopt naar zijn eigen auto en stapt in aan de bestuurderszijde. [slachtoffer] stapt in zijn auto en rijdt over de parkeerplaats naar de plek waar [D.] zijn auto geparkeerd heeft.

17:42 uur (camera 2 van het brugrestaurant)

[T.] loopt over de parkeerplaats in de richting van het hotel.

17.43 uur (camera 1 van het brugrestaurant)

[slachtoffer] parkeert de auto naast de auto van [D.], stapt uit zijn auto en stapt in de auto van [D.]. [D.] en [slachtoffer] verlaten de parkeerplaats en rijden weg over de rijbaan in noordelijke richting.

Om 18.16 uur (camera 1 van het brugrestaurant)

De schuifdeur van de bedrijfsbus staat open en is er beweging van een persoon buiten naast de schuifdeur te zien. Vervolgens gaat de schuifdeur dicht en de persoon staat nog buiten.

Om 18.17 uur (camera's 1 en 2 van het brugrestaurant)

De persoon naast de bedrijfsbus loopt bij de bus vandaan over de parkeerplaats in de richting van het hotel A4. De schuifdeur van de bedrijfsbus gaat een klein stukje open en weer dicht. Op het einde van de parkeerplaats blijft de persoon kort staan, keert om, en loopt over de parkeerplaats terug in de richting van de bedrijfsbus. Kort hierop is er beweging aan rechterzijde van de bedrijfsbus te zien. Het lijkt erop dat een persoon in de bus stapt.

Om 18.24 uur (camera's 1 en 2 van het brugrestaurant)

Een portier aan de rechterzijde van de bus gaat open en een persoon stapt uit. Het portier gaat weer dicht. Een persoon loopt rechts voor de witte bedrijfsbus. De persoon loopt over de parkeerplaats in de richting van het brugrestaurant. De persoon loopt in de richting van de KFC.

Om 18.25 uur (camera 2 van het brugrestaurant en camera 16 van het hotel)

De lichten van de witte bedrijfsbus gaan aan en de bus rijdt weg richting de uitgang van de parkeerplaats. Bij de uitgang van de parkeerplaats slaat het voertuig rechtsaf en rijdt weg in noordelijke richting.

Om 18.25 uur (camera 2 van KFC)

Een vrouw staat bij de counter en bestelt eten. Zij heeft een wit briefje in haar hand, waarvan ze afleest. De vrouw wordt herkend als zijnde [v. E. ].

Om 18.27 uur (camera's 1 en 2 van het brugrestaurant en camera 16 van het hotel)

De witte bedrijfsbus rijdt over de rijbaan in tegengestelde richting naar de ingang van het hotel A4. De witte bedrijfsbus rijdt naar de slagbomen van het hotel en keert. De bedrijfsbus rijdt op de rijbaan een aantal keren een paar meter voor- en achteruit.

Om 18.30 uur (camera's 1 en 2 van het brugrestaurant en camera 16 van het hotel)

De witte bedrijfsbus rijdt over de rijbaan weg in noordelijke richting en rijdt het beeld uit.

Om 18.33 uur (camera 1 van het brugrestaurant en camera 16 van het hotel)

De witte bedrijfsbus rijdt achteruit over de rijbaan langs het brugrestaurant.

Om 18.33 uur (camera 2 KFC, camera 1 van het brugrestaurant en camera 16 van het hotel)

[v. E. ] verlaat via de ingang de KFC met twee witte draagtassen en een bekerhouder met daarin 3 bekers. Een persoon loopt over het trottoir bij het brugrestaurant. Deze persoon heeft twee witte draagtassen. De bedrijfsbus, die op dat moment achteruit rijdt, stop met rijden en blijft staan direct naast het trottoir. De persoon met de draagtassen loopt langs de bus en stapt voor de bus langs naar de rechterzijde van de bedrijfsbus. Het bijrijderportier gaat open en de persoon stapt in en het portier wordt weer gesloten. Enkele seconden daarna rijdt de bedrijfsbus verder achteruit.

Om 18.35 uur (camera 1 van het brugrestaurant)

De witte bedrijfsbus rijdt in een langparkeervak naast de rijbaan en parkeert daar.

Om 18.40 uur (camera 1 van het brugrestaurant en camera 16 van het hotel)

Een persoon loopt op het midden van de rijbaan. De persoon loopt langs de linkerzijde van het voertuig, opent het bestuurdersportier, stapt in en sluit het protier. Signalement van de man: vermoedelijk een man, vermoedelijk kort donker haar, normaal postuur, lichtkleurige jas en een donkere broek. Kort nadat de persoon is ingestapt wordt de bedrijfsbus een klein stukje naar achteren geplaatst.

Om 19.01 uur (camera 16 van het hotel)

Het rechterportier van de bedrijfsbus gaat open. Hier stapt een persoon uit de bus en blijft bij het portier staan. Vervolgens stapt de persoon weer in in de bedrijfsbus.

Om 19.15 uur (camera 1 van het brugrestaurant)

De witte bedrijfsbus rijdt een stukje achteruit.

Om 20.18 uur (camera's 1 en 2 van het brugrestaurant)

Het lijkt het alsof er niemand achter het stuur van de bedrijfsbus zit. Een persoon staat op het trottoir en loopt in de richting van de ingang van het brugrestaurant. De persoon draagt een lichtkleurige jas en een donkere broek.

Om 20.19 uur (camera's 4 en 5 van het brugrestaurant)

De persoon, een man, loopt door de draaideur van het brugrestaurant en komt zo in de centrale hal. Daar loopt de man naar de roltrap toe. De man gaat met de roltrap omhoog. De man vertoont zeer sterke gelijkenissen met [S.].

Om 20.20 uur (camera's 10, 11, 6 en 15 van het brugrestaurant)

[S.] loopt door het pad van café Resto Truck in de richting van La Place.

Om 20:37 uur (camera 2 van het brugrestaurant)

[T.] steekt de rijbaan over en loopt in de richting van de ingang van het brugrestaurant.

Om 20:37 uur (camera's 2 en 3 van het brugrestaurant)

De auto van [D.] rijdt over de rijbaan en slaat rechtsaf de parkeerplaats op. De auto wordt geparkeerd in een parkeervak aan de zuidelijke helft van de parkeerplaats. Vanaf de bijrijderzijde van de auto van [D.] stapt een persoon uit en loopt via de achterzijde van de auto over de parkeerplaats in noordelijke richting. Deze persoon blijkt later [slachtoffer] te zijn. Kort hierop loopt een ander persoon vanaf de auto over de parkeerplaats in noordelijke richting. Deze persoon blijkt later [D.] te zijn. Zowel [slachtoffer] als [D.] lopen in de richting van [T.]. Terwijl [slachtoffer] en [T.] richting het brugrestaurant lopen, loopt [D.] kort achter beiden aan.

Om 20.41 uur (camera's 15, 6, 11 en 10 van het brugrestaurant)

[S.] loopt door het pad van het truckerscafé Resto Truck, komende uit de richting van La Place.

Om 20.41 uur (camera 1 van de Febo en camera's 4 en 5 van het brugrestaurant)

[slachtoffer] loopt via de draaideur het brugrestaurant in. Achter hem aan komen [T.] en [D.]. Zij lopen met zijn drieën naar de roltrap en gaan hiermee omhoog. [S.] staat bovenaan de roltrap en neemt een aantal treden naar beneden. Echter, onderaan de roltrap staan [slachtoffer], [T.] en [D.], die aanstalten maken om via de roltrap naar boven te gaan. Kennelijk ziet [S.] [slachtoffer], [T.] en [D.], keert om en loopt weer de trap op omhoog. [S.] loopt door het looppad van Resto Truck in de richting van La Place.

Om 20:45 uur (camera's 1 en 2 van het brugrestaurant)

[S.] komt uit de ingang van het brugrestaurant, loopt over de rijbaan, langs de linkerzijde van de witte bedrijfsbus, opent het bestuurdersportier, stapt in en sluit het portier.

Om 21:15 uur (camera 16 van het hotel en camera 1 en 2 van het brugrestaurant)

De witte bedrijfsbus wordt een klein stukje naar achteren gereden.

Om 21:28 uur (camera 16 van het hotel)

Het rechterportier van de witte bedrijfsbus wordt geopend en er stapt een persoon uit. Deze persoon loopt langs de auto van [slachtoffer] rechtdoor over de parkeerplaats in de richting van het hotel. Op het einde van de parkeerplaats keert de persoon om, loopt terug naar de bus, stapt in en sluit het portier.

Om 21.58 uur (camera 16 van het hotel)

Het bijrijderportier van de witte bedrijfsbus gaat open en een persoon stapt uit de bus.

Om 21:59 uur (camera's 2 en 3 van KFC)

Een vrouw komt de KFC inlopen. Zij wordt herkend als [v. E. ]. Zij loopt naar de counter en doet een bestelling.

Om 22:00 uur (camera 2 KFC)

[v. E. ] verlaat met de bestelling de KFC.

Om 22.07 uur (camera 2 van het brugrestaurant)

[slachtoffer], [T.] en [D.] verlaten via de draaideur het brugrestaurant en lopen naar de auto van [D.].

Om 22.12 uur (camera's 2 en 3 van het brugrestaurant en camera 16 van hotel A4)

[slachtoffer] loopt alleen vanaf de auto van [D.] over de parkeerplaats in de richting van zijn geparkeerde auto. [D.] en [T.] staan bij de auto van [D.]. Bij zijn auto aangekomen, staat [slachtoffer] stil aan de linkervoorzijde van zijn auto.

Om 22.13 uur (camera 16 van hotel A4)

De schuifdeur aan de rechterzijde van de witte bedrijfsbus wordt geopend. Een persoon stapt uit de bus en loopt naar [slachtoffer] toe. Als een vlek' lopen ze naar de achterzijde van de auto van [slachtoffer]. Kort hierop loopt een tweede persoon vanuit de bus, eveneens vanuit de zijkant van de bus, naar [slachtoffer] en de eerste persoon. Op deze plek blijven ze ongeveer 5 seconden staan, waarna een van de personen richting de bus loopt en direct daarna weer terug loopt naar de andere persoon en [slachtoffer]. Hierna lopen twee personen via de rechterzijde van de auto van [slachtoffer] naar de bus, gevolgd door het sluiten van de schuifdeur.

Om 22.13 uur (camera 2 van brugrestaurant)

[slachtoffer] is niet in beeld. Er is beweging bij de auto van [slachtoffer] te zien. Twee personen lopen langs de linkerzijde van de auto van [slachtoffer] naar de linkerachterzijde van het voertuig. Een persoon pakt de andere persoon vast. De persoon die vastgepakt wordt zakt naar de grond. Dan lijkt het erop dat er een derde persoon bij komt. Een persoon pakt de persoon, die op de grond is, vast en tilt deze omhoog, zodat deze weer staat. De man die omhoog getild wordt, probeert zich los te rukken.

Om 22.13 uur (camera 1 van brugrestaurant)

Enkele personen staan aan de rechterzijde van het voertuig van [slachtoffer]. Twee personen staan gebukt. Een persoon gaat rechtop staan.

Om 22.13 uur (camera 2 van het brugrestaurant)

[T.] loopt over de parkeerplaats in de richting van de auto van [slachtoffer]. [D.] komt achter hem aanrennen.

Om 22:14 uur (camera's 1 en 2 van brugrestaurant en camera 16 van het hotel)

De verlichting van de witte bedrijfsbus is aan en het voertuig rijdt weg over de rijbaan in noordelijke richting en verdwijnt uit beeld.

[D.] en [T.] lopen naar waar later blijkt [slachtoffer] op de grond ligt.

12. Een proces-verbaal onderzoek telecommunicatiemiddelen [S.] en [v. E. ] van 7 september 2007, in de wettelijke vorm opgemaakte door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [[...]] (Deel 06, ZD1: 1286 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één of meer van hen:

Gedurende het onderzoek werden onder andere na te noemen personen als verdachte aangemerkt:

* [S.]

* [v. E. ]

Uit onderzoek BPS bleek dat [v. E. ] tijdens een politiecontact op 2 februari 2007 heeft opgegeven bereikbaar te zijn op het mobiele nummer [eindigend op * 949]. Uit het BPS bleek uit een registratie dat [v. E. ] op 22 april 2006 heeft aangegeven bereikbaar te zijn op het nummer [eindigend op * 949].

Op 20 juni 2007 werd [huisvriend] gehoord als getuige. Zij verklaarde dat zij [v. E. ] kon bereiken op het telefoonnummer [eindigend op * 949].

Uit de historische verkeersgegevens is gebleken dat het telefoonnummer [eindigend op * 949] op 13 februari 2007 om 09:37:34 uur belt met het nummer [eindigend op * 520], geregistreerd op naam van Toeras Reisbureau. Hierbij straalt het nummer [eindigend op * 949] de steunzender Industrieweg 135 te Rotterdam aan.

Het volgende geregistreerde contact is om 16:25:16 uur. Opvallend is dat tijdens dit contact als startpaal de steunzender Louwesweg 6 te Amsterdam en als eindpaal de steunzender Johan Huizingalaan 201-251/Commeniusstraat te Amsterdam wordt aangestraald. Om 19:12:54 uur wordt het nummer [eindigend op * 949] ingebeld en wordt er geen steunzender aangestraald. Het nummer wordt doorgeschakeld naar een servicenummer. Kennelijk staat de mobiele telefoon uitgeschakeld.

13. Een proces-verbaal onderzoek telecommunicatie [S.] en [v. E. ] op 13 februari 2007 opgemaakt op 27 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakte door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [[...]] (Deel 06, ZD1: 1295 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Onderzoek woning [adres].

Op 12 juni 2007 vond een doorzoeking plaats in perceel [adres]. In de woning werden onder meer twaalf mobiele telefoons aangetroffen en in beslag genomen.

Uit analyse van de historische verkeersgegevens bleek dat de mobiele telefoon met het imeinummer 352294018960620 op 13 februari 2007 actief was geweest. Dit imeinummer bleek te zijn gebruikt in combinatie met het mobiele nummer: [eindigend op * 259].

[opslagbox].

Op 2 juli 2007 vond er een doorzoeking plaats in [opslagbox]. In de box werd een koffertje aangetroffen met vijf mobiele telefoons. Uit analyse van de historische verkeersgegevens bleek dat het mobiele telefoonnummer horend bij de telefoon met imeinummer 357956002775300 is [eindigend op *298].

Uit analyse van het mobiele telefoonnummer [eindigend op * 259] blijkt onder meer dat:

* het nummer op 13 februari 2007 actief was tussen 9.39 uur en 15.01 uur.

* het nummer heeft 11 sms-berichten verzonden.

* op de printlijst van het nummer stond twee maal een uitgaand contact geregistreerd, te weten om 12:14:02 uur (19 seconden) en om 12:34:46 uur (20 seconden). Beide keren werd het nummer [eindigend op *663] aangekozen. Dit nummer behoort toe aan een pieper of semafoon.

Uit analyse van het mobiele telefoonnummer [eindigend op *298] blijkt onder meer dat:

* het nummer [eindigend op *298] op 13 februari 2007 actief was tussen 07:45 uur en 15:08 uur. Na 15:08 uur werd geen steunzender meer aangestraald en werden inbellers doorgeschakeld naar het voicemailnummer. Kennelijk stond de telefoon kennelijk uit.

* het laatste nummer dat de gebruiker van het telefoonnummer [eindigend op *298] aankiest is het telefoonnummer [eindigend op *720]. Dit contact vond plaats op 15:08 uur en duurt 13 seconden. Hierbij wordt als beginsteunzender de paal Willem Ruyslaan 225 te Rotterdam (vodafone 1392) aangestraald en als eindsteunzender de paal Boezemsingel 100-274 te Rotterdam (vodafone 33). Hieruit kan worden opgemaakt dat de gebruiker van het telefoonnummer [eindigend op *298] zich kennelijk beweegt.

* Uit bevraging van de contacten van het nummer [eindigend op *298] op 13 februari 2007 bij de CIOT is gebleken dat het nummer [eindigend op * 720] is afgegeven aan [F.G.]

Onderzoek laatste contacten [eindigend op *298] en [eindigend op * 259] op 13 februari 2007

Uit historische verkeersgegevens van telefoonnummer [eindigend op *298] bleek deze om 14.55 uur de steunzender Blaak 22 te Rotterdam aan te stralen. Voorts bleek uit de printlijst van het nummer [eindigend op * 259] dat deze mobiele telefoon om 15.01 uur eveneens de steunzender Blaak 22 te Rotterdam aanstraalde.

Deze steunzender bleek in de nabije omgeving van het perceel Korte Hoogstraat 9 te Rotterdam te liggen, alwaar de winkel D.U.M.P. gevestigd is. Middels raadplegen van de routeplanner bleek de afstand tussen beide locaties respectievelijk 600 meter. Op de kassabon van D.U.M.P., die werd aangetroffen tijdens een doorzoeking in [opslagbox], stond de aankoopdatum 13 februari 2007 en het tijdstip 14.58 uur.

Op 13 februari 2007 om 15:08 uur werd met het nummer [eindigend op *298] uitgebeld naar het nummer [eindigend op * 720], afgegeven aan [F.G.]. Ten tijde van dit 13 seconden durende contact straalt de mobiele telefoon met nummer [eindigend op *298] als beginsteunzender de paal Willem Ruyslaan te Rotterdam (vodafone 1392) aan en als eindsteunzender de paal Boezemsingel te Rotterdam (vodafone 33).

De mobiele telefoon met nummer [eindigend op * 720] straalt tijdens dit contact als begin- en eindsteunzender de paal Chris Bennekerslaan 32A / Lusthofstraat te Rotterdam aan.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de gebruiker van het nummer [eindigend op *298] zich in de nabije omgeving van de gebruiker van het nummer [eindigend op * 720] bevindt. Blijkens de routeplanner is de afstand tussen de steunzenders Chris Bennekerslaan 32A / Lusthofstraat te Rotterdam en Willem Ruyslaan te Rotterdam circa 600 meter.

Na dit contact vinden er op 13 februari 2007 geen zichtbare contacten meer plaats tussen de mobiele nummers [eindigend op *298] en [eindigend op * 720].

Opgemerkt dient te worden dat het nummer [eindigend op *298] op 13 februari 2007 om 09:48 uur eveneens uitbelt naar het nummer [eindigend op * 720] en tijdens dit 12 seconden durende contact eveneens de steunzender Boezemsingel te Rotterdam aanstraalt (vodafone 33).

Uit historische verkeersgegevens van het nummer [eindigend op * 720] bleek het eerstvolgende contact met dit nummer, na 15:08 uur, een uitgaand contact te zijn met nummer [eindigend op * 088]. Dit contact vond plaats op 13 februari 2007 om 16:20 uur en duurde 62 seconden. Het mobiele nummer [eindigend op * 720] straalde tijdens dit contact als begin- en eindpaal de Plesmanweg 75/Johan Huizingalaan te Amsterdam (T-mobile 10953) aan. Om 16:42 uur vindt er een inkomend contact plaats met het nummer [eindigend op * 938] van 1 seconde, waarbij het nummer [eindigend op * 720] als begin- en eindsteunzender de paal Johan Huizingalaan 400 te Amsterdam (T-mobile 11719) aanstraalt. Hierop belt het nummer [eindigend op * 720] om 16:43 uur uit naar het nummer [eindigend op * 938] waarbij als beginsteunzender de paal Sloterweg 1045/A4/wielercircuit te Amsterdam (T-mobile 11097) en als eindsteunzender de Meidoornweg 2 te Badhoevedorp (T-mobile 11148) aan worden gestraald.

Na 16:43 uur wordt er om 18:04, 18:05 en 23:24 uur ingebeld naar het mobiele nummer [eindigend op * 720] en wordt er op de printlijst een doorschakeling aangegeven. Tevens worden er geen steunzenders meer aangegeven, waaruit kan worden opgemaakt dat de mobiele telefoon met nummer [eindigend op * 720] kennelijk is uitgeschakeld.

Opgemerkt dient te worden dat het mobiele nummer [eindigend op * 949], opgegeven door [v. E. ] tijdens een politiecontact op 2 februari 2007, op 13 februari 2007 tijdens een uitgaand contact met het mobiele nummer 06-30551645 om 16.25 uur als beginsteunzender de paal Louwesweg 6 te Amsterdam (Vodafone 1154,3) aanstraalt en als eindsteunzender de paal Johan Huizingalaan 201-251/Commeniusstraat te Amsterdam (Vodafone 1399). Om 16.27 uur straalt de telefoon nummer [eindigend op * 949], tijdens een uitgaand contact met wederom het mobiele nummer eindigend op * 645] als begin- en eindsteunzender de paal Johan Huizingalaan 201-251/Commeniusstraat te Amsterdam (Vodafone 1399) aan.

Voorts is uit onder [S.]/[v. E. ] in beslag genomen en uitgelezen mobiele telefoons gebleken dat het telefoonnummer [eindigend op *720] opgeslagen stond in meerdere telefoons, te weten:

IBN-nummer Imei-nummer IBN GSM Opgeslagen nummer Opgeslagen naam

20-l000ay 355689000209651 [eindigend op *720] [verdachte]

07-4110-010-01 357583000060081 [eindigend op *720] [verdachte]

14. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] van 7 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [[...]] (Deel 06, ZD1:1339A e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 november 2007 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte]:

Ik ben de gebruiker van het telefoonnummer [eindigend op * 720]. Ik heb dit telefoonnummer ongeveer een jaar in gebruik. Deze telefoon was van mijn dochter [F.G.], wonende te [woonplaats]. Het telefoonnummer is op naam van mijn dochter blijven staan.

Ik ken [S.].

Ik ken [slachtoffer]. Dat is een oom van mij.

Ik weet dat [slachtoffer] [S.] kent.

15. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2012.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik leen mijn telefoon met het nummer [eindigend op * 720] nooit voor langer dan een paar minuten uit. Wanneer mijn telefoon op 13 februari 2007 in Amsterdam was, moet ik daar dus ook geweest zijn.

16. Een proces-verbaal onderzoek voertuig van 12 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [[...]] (Deel 21, paragraaf 36, pagina 188 e.v., foto 12).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één of meer van hen:

Op 19 juni 2007 hebben de verbalisanten een onderzoek ingesteld in een bedrijfswagen, merk Mercedes-Benz, kleur wit, voorzien van het [kenteken]. Door de verbalisanten werden diverse stukken van overtuiging veiliggesteld, waaronder een label van een bivakmuts op de vloer van de bus voor.

17. Een proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [[...]] (Deel 06, pagina ZD1: 1196 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één of meer van hen:

Op 23 augustus 2007 hoorden de verbalisanten de bedrijfsleider van de zaak D.U.M.P., die zich aan hen bekendmaakte als: [D.C.], per adres Korte Hoogstraat 9 te Rotterdam. Toen de verbalisanten aan hem de bon van D.U.M.P. van 13 februari 2007 toonden (die werd aangetroffen in [opslagbox]), waarop de aankoop staat van 3 zwarte poncho's, 4 paar Thinsulate handschoenen in twee kleuren en 4 zwarte bivakmutsen, verklaarde [D.C.] dat de artikelen die op de bon staan vermeld als zodanig artikelen zijn die bij D.U.M.P. verkocht worden. Toen de verbalisanten aan [D.C.] het label toonden, dat zij in de witte Mercedes Sprinter, voorzien van het [kenteken], hadden aangetroffen met daarop het artikelnummer en de omschrijving van een 3 gats bivakmuts, herkende [D.C.] het label als zijnde het label van de bivakmutsen die bij D.U.M.P. verkocht worden.

C. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1

Het hof gaat op grond van het voorgaande uit van de volgende gang van zaken op 13 februari 2007.

[S.] en [v. E. ] hebben op 13 februari 2007 met een witte Mercedes bestelbus eerst in Rotterdam de verdachte en vervolgens in Amsterdam een vierde persoon opgehaald, waarna zij naar het parkeerterrein van het aan de oostzijde van de rijksweg A4 in de gemeente Haarlemmermeer gelegen brugrestaurant zijn gereden. Gedurende een periode van ruim vijf uren heeft de verdachte samen met de hiervoor genoemde personen in de bus verbleven. Tussen de verdachte, [S.] en de vierde persoon is in het Papiaments gesproken. Op een gegeven moment zijn de verdachte en de vierde man via een schuifdeur aan de zijkant van de bus naar buiten gegaan. Voorzien van bivakmutsen en ten minste één vuurwapen zijn zij in de richting van [slachtoffer] gelopen, die zich op korte afstand van de bus bij zijn auto bevond. Er heeft een korte worsteling plaatsgevonden, waarna [slachtoffer] met een opzetschot in het hoofd is geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Voorafgaand aan de schietpartij heeft [S.] de bus een aantal keren verplaatst, waarbij die bus steeds dichterbij - en uiteindelijk direct voor de auto van [slachtoffer] kwam te staan.

Hieruit leidt het hof af dat de verdachte en de anderen zich eerst zodanig hebben gepositioneerd dat zij zeer dichtbij de auto van [slachtoffer] stonden en vervolgens hebben gewacht tot het slachtoffer - dat lange tijd in het gezelschap van anderen was - zich alleen in de richting van zijn auto zou begeven. Toen dat gebeurde zijn de verdachte en de vierde man, voorzien van bivakmutsen en een vuurwapen waarin tenminste één kogel zat en dat daarmee gebruiksgereed was, op het slachtoffer afgelopen en hebben hem vrijwel direct met een opzetschot doodgeschoten. Uit de beelden en met name uit de beschrijvingen van het gebeurde van de twee ooggetuigen [getuige A] en [getuige B] komt het beeld van een kille liquidatie naar voren. Van enig verzet van het slachtoffer blijkt niet en derhalve evenmin van enige van buiten komende aanleiding voor het schieten.

Aldus was sprake van een gezamenlijk opzet op het gepleegde levensdelict. Eveneens was sprake van een voldoende substantiële en gelijkwaardige bijdrage aan dat delict van beiden, zodat in het midden kan blijven of de verdachte de schutter was of niet. Beide daders hebben uitvoeringshandelingen gepleegd en uit hun handelen bleek van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewegingen van de door [S.] bestuurde bus voorafgaand aan het feit, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, leidt het hof bovendien af dat ook van een nauwe en bewuste samenwerking met [S.] sprake was, welke samenwerking was gericht op het liquideren van [slachtoffer]. Als gevolg hiervan, wordt het verweer van de raadsvrouw, dat de verdachte niet als medepleger van het incident kan worden beschouwd, verworpen. Of hij wel of niet de schutter is geweest is, zoals gezegd, in dat verband evenmin relevant.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het hiervoor overwogene ook dat de verdachte, [S.] en de vierde man niet in een opwelling hebben gehandeld, maar dat hun daad kennelijk het gevolg is van een enige tijd tevoren genomen besluit en dat zij in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering daarvan tijd hadden zich te beraden over het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat zij over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad hebben nagedacht en zich daarvan rekenschap hebben gegeven.

Het hof komt op grond van voormelde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de verdachte zich samen met [S.] en de vierde man schuldig heeft gemaakt aan moord op het slachtoffer.

D. Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Nu de verdachte het onder 2 bewezen verklaarde feit heeft bekend, zal het hof volstaan met de enkele korte opsomming van de bewijsmiddelen.

1. Het proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2008, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [[...]] (Deel 22A, B: 646-649).

2. Het proces-verbaal van bevindingen vuurwapen van 6 oktober 2008, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [[...]] (Deel 22A, B: 654-655).

3. Het proces-verbaal van bevindingen munitie van 7 oktober 2008, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [[...]] (Deel 22A, B: 656-657).

4. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 24 oktober 2012.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. L.A.J. Dun en mr. M.E.A. Wildenburg, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 november 2012.

Mr. Wildenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.