Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2562

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2012
Datum publicatie
07-11-2012
Zaaknummer
23-003246-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BR2783, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:297, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake poging doodslag en drie afpersingen veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf. Een van de slachtoffers is onder meer verminkt met een heet strijkijzer. Het hof komt tot lagere strafoplegging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003246-11

datum uitspraak: 6 november 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2011 in de strafzaak onder parketnummer 13-656549-10 tegen

[verdachte],

geboren te Amsterdam op 28 juni 1986,

thans gedetineerd in P[adres verdachte].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De rechtbank Amsterdam heeft de dagvaarding ter zake van feit 2 nietig verklaard. Daartegen heeft het openbaar ministerie geen hoger beroep ingesteld. Desgevraagd heeft de raadsman verklaard dat het hoger beroep zich niet richt tegen deze nietigverklaring. Het hof stelt vast dat de verdachte geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep voor zover zich dat richt tegen de nietigverklaring van de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit, zodat hij in zoverre in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2012, 31 mei 2012 en 23 oktober 2012, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, aan de verdachte ten laste gelegd dat:

ten aanzien van feit 1 primair:

hij op of omstreeks 08 september 2009 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen die [slachtoffer 1] met een schroevendraaier, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn nek heeft/hebben gestoken;

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 08 september 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een schroevendraaier, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn nek heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 08 september 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]) met een schroevendraaier, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn nek heeft/hebben gestoken, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van feit 3:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode 5 november 2008 tot en met 23 juni 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 5000 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Je moet gewoon betalen anders heb je een probleem", althans woorden van gelijke (dreigende) strekking en/of aard en/of

- (terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 2] vast had(den) gepakt) tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat die [slachtoffer 2] bij verdachte en/of zijn mededader(s) in de auto moest stappen en/of tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Waar is mijn geld?", althans woorden van gelijke strekking en/of aard en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "Je moet 600 euro betalen omdat je die nog schuldig bent aan [verdachte]" en/of

- tegen de moeder van die [slachtoffer 2], [getuige 6], heeft/hebben gezegd: "Ik maak je zoon dood" en/of "Ik trap je deur in"en/of "Ik gooi die ramen van je in",

althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) strekking en/of aard;

ten aanzien van feit 4:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 11 mei 2010 te Amsterdam en/of Alkmaar, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] (telkens) heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 40.000 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 3] een of meerma(a)l(en) tegen zijn lichaam heeft/ hebben geslagen en/of gestompt en/of met traangas in zijn o(o)g(en) en/of gezicht heeft/hebben gespoten en/of een heet strijkijzer en/of (een) he(e)t(e) mes(sen) op zijn penis en/of borst en/of rug en/of hand(en) en/of voetzo(o)l(en) en/of wang, in elk geval op zijn lichaam en/of gezicht heeft/hebben gedrukt en/of electroshocken heeft/hebben gegeven en/of een pistool in de richting van het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer 3] heeft/hebben gehouden en/of zijn hoofd heeft/hebben vastgehouden en zijn tanden over de stoep heeft/hebben geschraapt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (te weten brandwonden op zijn penis en/of borst en/of hand(en) en/of afgebroken voortanden);

en/of

hij in of omstreeks 01 mei 2006 tot en met 11 mei 2010 te Amsterdam en/of Alkmaar, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen aan [slachtoffer 3] (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten brandwonden op zijn penis en/of borst en/of hand(en) en/of afgebroken voortanden, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 3] met dat opzet een heet strijkijzer en/of (een) he(e)t(e) mes(sen) op zijn penis en/of borst en/of hand(en), in elk geval op zijn lichaam te drukken en/of met zijn mond tegen de stoeprand te drukken en/of zijn tanden over de stoep te schrapen;

en/of

hij in of omstreeks 01 mei 2006 tot en met 11 mei 2010 te Amsterdam en/of Alkmaar, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] een of meerma(a)l(en) tegen zijn lichaam heeft/ hebben geslagen en/of gestompt en/of met traangas in zijn o(o)g(en) en/of gezicht heeft/hebben gespoten en/of een heet strijkijzer en/of (een) he(e)t(e) mes(sen) op zijn penis en/of borst en/of rug en/of hand(en) en/of voetzo(o)l(en) en/of wang, in elk geval op zijn lichaam en/of gezicht heeft/hebben gedrukt en/of electroshocken heeft/hebben gegeven en/of met zijn mond tegen de stoeprand heeft/hebben gedrukt en/of zijn tanden over de stoep heeft/hebben geschraapt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel (te weten brandwonden op zijn penis en/of borst en/of hand(en) en/of afgebroken voortanden), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en/of

hij in of omstreeks 01 mei 2006 tot en met 11 mei 2010 te Amsterdam en/of Alkmaar, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een mes in de richting van en/of tegen het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer 3] gehouden;

ten aanzien van feit 5:

hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van 300 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 4], toen hij bij verdachte en/of zijn mededader(s) in de auto stapte, met een stoel hebben klem gezet zodat hij niet meer uit de auto kon komen en/of (vervolgens) dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Ik ga je martelen. Ik breng je naar een kelder en daar ga ik je martelen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of die [slachtoffer 4] een- of meerma(a)l(en) met een vlakke hand in zijn gezicht heeft/hebben geslagen en/of dat verdachte en/of zijn medesdader(s) dreigende smsberichten naar die [slachtoffer 4] heeft/hebben gestuurd met (onder meer) de volgende tekst(en):

- "hey [medeverdachte 1] wil 700 dat gaat die je zeggen als die je pakt ciaou" en/of

- "hey flikker als ik echt wil had ik je al gepakt pussy ben je zielig breng me 500 geen schoen en geen spullen terug anders regeld [medeverdachte 1] met je af hij zoekt ju nu ook" en/of

- "je kan weer niet opnemen maar vandaag sta ik echt voor je deur!!",

althans (telkens) teksten van gelijke (dreigende) strekking of aard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het hof leest het onder 4 ten laste gelegde aldus, dat kennelijk bedoeld is primair ten laste te leggen de afpersing en subsidiair de daarna volgende feiten ieder afzonderlijk.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen dan de rechtbank komt.

Bewezenverklaring

Het hof acht, voor zover nog aan de orde, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van feit 1 primair:

hij op 8 september 2009 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een schroevendraaier in zijn nek heeft gestoken;

ten aanzien van feit 3:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 5 november 2008 tot en met 23 juni 2010 te Amsterdam telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld bedragen (van in totaal ongeveer € 4.000,-), toebehorende aan die [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: “Je moet gewoon betalen, anders heb je een probleem” en

- terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer 2] vast had gepakt tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: “Waar is mijn geld?” en

- tegen de moeder van die [slachtoffer 2], [getuige 6], heeft gezegd: “Ik maak je zoon dood” en “Ik trap je deur in” en “Ik gooi die ramen van je in”.

ten aanzien van feit 4 primair:

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 mei 2010 te Amsterdam en Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] telkens heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 3], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer 3] meermalen tegen zijn lichaam hebben geslagen en de verdachte een heet strijkijzer op zijn penis en borst en hand en voetzolen hebben gedrukt en een pistool in de richting van die [slachtoffer 3] hebben gehouden en zijn hoofd hebben vastgehouden en zijn tanden over de stoep hebben geschraapt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (te weten brandwonden op zijn penis en borst en hand en een afgebroken voortand);

ten aanzien van feit 5:

hij op 6 maart 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van € 300,-, toebehorende aan die [slachtoffer 4], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat zijn mededader die [slachtoffer 4], toen hij bij verdachte in de auto stapte, met een stoel heeft klem gezet zodat hij niet meer uit de auto kon komen en de verdachte die [slachtoffer 4] vervolgens dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je martelen. Ik breng je naar een kelder en daar ga ik je martelen", en zijn mededader die [slachtoffer 4] met een vlakke hand in zijn gezicht heeft geslagen.

Hetgeen onder 1 primair, 3, 4 primair en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en op de hierna vermelde nadere bewijsoverwegingen.

Bewijsmiddelen

Inleidende opmerking

Indien het hof in het vervolg verwijst naar ‘[verdachte]’, ‘[verdachte]’ of ‘[verdachte]’, doelt het hof, gelet op de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [slachtoffer 4] en [getuige 3] , op de verdachte, [verdachte].

Indien in dit arrest wordt verwezen naar ‘[medeverdachte 1]’ of ‘[medeverdachte 1]’, wordt daarmee gedoeld op de medeverdachte [medeverdachte 1], nu aangever [slachtoffer 3] deze persoon als zodanig heeft herkend.

Waar wordt gesproken over ‘[medeverdachte 2]’ wordt om dezelfde reden gedoeld op [medeverdachte 2].

Ten aanzien van feit 1 primair:

Op 8 september 2009 rond 12.30 uur begeven twee verbalisanten zich naar aanleiding van een melding van een vechtpartij naar de Papaverweg te Amsterdam. In de garage [bedrijf 1] aldaar treffen zij [slachtoffer 1] (verder [slachtoffer 1] te noemen) bij wie zij in de nek een open wond met daarin bloed zien.

El Ali zegt tegen de verbalisanten dat hij zojuist met een schroevendraaier in de nek is gestoken, dat hij duizelig is en dat het pijn doet.

Hij vertelt dat een drietal mannen voor de auto met het kenteken [kenteken 1] in de garage was gekomen, dat hij tegen hen zei dat zijn baas er niet was en dat hij hun de auto niet kon meegeven. Daarna – zo vervolgt hij – werd hij door een van de mannen met een schroevendraaier, die op de vloer van de garage was achtergebleven, in de nek gestoken; daarbij werd gezegd: “Ik maak je dood, ik maak je dood”.

Een van de andere personeelsleden van de garage wijst een van de verbalisanten een schroevendraaier aan die op de grond lag; op het metalen gedeelte van de schroevendraaier ziet de verbalisante een beetje rode vloeistof, mogelijk bloed.

Een getuige ([getuige 4]), werkzaam tegenover garage [bedrijf 1], vertelt deze verbalisante dat hij een hoop geschreeuw heeft gehoord en dat hij toen hij de garage [bedrijf 1] inliep, zag dat er een steekbeweging werd gemaakt. Daarna liepen drie mannen weg. Een van de mannen zag eruit alsof hij van Marokkaanse afkomst was, de tweede was negroïde en de derde had hij niet goed gezien.

Ter plaatse gekomen ambulancepersoneel zegt tegen de andere verbalisante dat [slachtoffer 1] geluk heeft gehad; als de schroevendraaier door de nek was gegaan, was het bloed eruit gespoten.

De auto waar het om ging, was een Renault Megane cabriolet.

De auto met het kenteken [kenteken 1] – een rode Renault Megane cabriolet – staat op naam van verdachtes broer, [betrokkene 1].

Op 9 september 2009 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van (poging tot) doodslag/moord.

Hij spreekt – in aanvulling op hetgeen hiervoor is vermeld – over een man met een Marokkaans uiterlijk die zijn auto kwam ophalen, NN1, die met twee Surinaamse vrienden in de garage kwam. Hij was door die NN1 met de schroevendraaier gestoken.

In zijn verhoor door de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] gezegd dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard en dat men hem in het ziekenhuis nog had gezegd dat het heel gevaarlijk was geweest en dat als het iets dieper was geweest, het voorwerp in zijn keel was gegaan.

Door de arts Kouwenberg wordt het bij [slachtoffer 1] waargenomen letsel beschreven als een oppervlakkige schaafwond, links in de hals.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof op de van het letsel gemaakte foto’s waargenomen dat de verwonding zich onder het oor, vlak achter de kaak bevindt.

De garage-eigenaar, [getuige 3], heeft verklaard dat de auto met het kenteken [kenteken 1] door een Marokkaanse man met de naam ‘[verdachte]’ met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] bij hem ter reparatie was aangeboden.

Als hem een foto van de verdachte wordt getoond, herkent hij daarin de ‘[verdachte]’ die hem de rode Renault Megane ter reparatie had aangeboden.

Onderzoek met betrekking tot telefoonnummer [telefoonnummer 1] heeft opgeleverd dat het toestel met dit nummer op 8 september 2009 tussen 12:10:50 uur en 12:32:31 uur vanuit de richting Papaverweg een telefoonmast aan de Distelkade 20 te Amsterdam aanstraalde.

Deze mast bevindt zich blijkens de aan het proces-verbaal gehechte plattegrond in de nabije omgeving van garage [bedrijf 1].

Met betrekking tot ‘een steekincident in een garage in Amsterdam-Noord eind 2009 met betrekking tot de rode Renault Megane cabriolet van [verdachte]’ heeft [slachtoffer 3] verklaard dat de verdachte hem heeft verteld dat hij, verdachte, iemand met een schroevendraaier had gestoken.

Ook [getuige 5] heeft van de verdachte eens gehoord dat hij een garagehouder in Amsterdam-Noord met een priem of schroevendraaier in de nek had gestoken.

Ten aanzien van feit 3:

Op 20 mei 2010 doet [slachtoffer 2], geboren in [adres 5], aangifte van afpersing tegen de verdachte. Hij noemt de verdachte ‘[verdachte]’.

Hij zegt dat hij door de verdachte sedert 2008 wordt bedreigd, lastiggevallen en geïntimideerd. Dit is begonnen toen aangever op verzoek van de verdachte en als vriendendienst de huurwoning van de verdachte en diens vriendin [betrokkene 2] heeft onderverhuurd aan Russen. De aangever wist niet dat de woning na een paar maanden zou worden gesloopt, om welke reden de onderhuurders door de politie uit de woning zijn gezet. Een maand later zei de verdachte tegen hem dat hij, de verdachte, in verband met illegale onderverhuur € 5.200,- moest betalen en dat de aangever dat moest betalen omdat het zijn schuld was. Aangever voelde zich niet verantwoordelijk voor dit boetebedrag omdat hij de woning had onderverhuurd op verzoek van de verdachte.

Hierop begon de verdachte boos te worden en te dreigen. Hij zei: “Je moet gewoon betalen, anders heb je een probleem.” Een en ander is volgens de aangever ongeveer anderhalf jaar voor zijn aangifte gebeurd. Aangever heeft de verdachte meteen € 100,- en daarna € 200,- betaald. Nadat hij € 500,- had betaald, vond hij het genoeg.

Aangever is een tijdje niet meer thuis (het hof begrijpt: bij zijn moeder) gekomen, omdat hij wist dat hij werd gezocht en bang was.

Toen hij weer naar huis durfde te gaan, hoorde hij dat zijn moeder ook bedreigd werd door de verdachte. Hij is toen weer gaan betalen aan de verdachte om van de druk van de dreigementen af te zijn en te zorgen dat zijn moeder niet langer lastig werd gevallen door de verdachte.

Aangever is gaan inbreken, verkocht de buit van die inbraken, en betaalde de verdachte van de opbrengst daarvan met de bedoeling om van de verdachte af te zijn.

In totaal heeft hij de verdachte € 4.000,- betaald. Hij moet de verdachte dus nog € 1.000,- betalen, maar hij wil dat niet omdat hij niet vindt dat hij de verdachte dat verschuldigd is.

De verdachte heeft een keer, toen aangever hem in de stad tegenkwam, gezegd dat de aangever bij hem, verdachte, in de auto moest komen. De verdachte hield de aangever daarbij vast. Aangever moest de verdachte met geweld van zich afduwen. Aangever moest blijven staan en de verdachte vroeg dwingend aan de aangever waar zijn geld was. Aangever zegt dat hij nooit en te nimmer aan de verdachte zou hebben betaald als zijn familie en hij niet door de verdachte zouden zijn bedreigd en onder druk gezet.

De moeder van de aangever, [getuige 6] (verder ook: [getuige 6]), is op 20 augustus 2009 naar het politiebureau aan de Ferdinand Bolstraat te Amsterdam gegaan om te melden dat zij sinds 2 tot 3 maanden last heeft van een jongen die telkens bij haar aan de deur komt. Die jongen heeft zich bekend gemaakt als ‘[verdachte]’.

[verdachte] vraagt naar [getuige 6]’s zoon Jose (het hof begrijpt: de aangever, [slachtoffer 2]). [getuige 6] heeft [verdachte] verteld dat zij geen informatie over Jose heeft, maar [verdachte] neemt daar geen genoegen mee. Hij komt elke dag aan de deur van [getuige 6] om te vragen waar Jose is. Het is ook een keer voorgekomen dat hij om 3.00 uur in de nacht bij [getuige 6] aanbelde.

Op 19 augustus 2009 is [verdachte] weer aan de deur gekomen. Hij praatte snel en op luide toon. [getuige 6] heeft gezegd dat zij geen gegevens had van Jose en dat zij geen contact met hem had. Zij heeft [verdachte] gevraagd waarom hij telkens haar moest hebben. [verdachte] zei hierop: “Ik maak je zoon dood” en “Ik trap je deur in” en “Ik gooi die ramen van je in”. [getuige 6] werd hier bang van.

[verdachte] heeft zijn naam en telefoonnummer op een briefje geschreven en aan [getuige 6] gegeven.

Een brigadier van politie van het wijkteam Koninginneweg heeft vervolgens de dag daarop, op 21 augustus 2009, het mobiele telefoonnummer dat op het briefje dat aan de moeder van de aangever was gegeven gebeld. Hij heeft aan de man die opnam gevraagd of deze [verdachte] (het hof begrijpt dat bedoeld is: [verdachte]) heette. De man zei daarop, voor zover hier relevant:

Ja ik ben [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]). Ik weet waarover het gaat, over [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: de aangever [slachtoffer 2]). Ik ben naar zijn moeder gegaan, omdat ik weet dat hij daar komt. Ik heb een deurwaarder achter mij aan om [slachtoffer 2]. Nou moet ik € 6000,- betalen. Goed, ik laat die vrouw met rust; ik vind [slachtoffer 2] nog wel een keer in de stad en trek hem dan mee naar de deurwaarder. (..).

[slachtoffer 3] heeft ten overstaan van de politie gezegd dat er buiten hemzelf nog een jongen is die wordt afgeperst door [verdachte]. Dat betreft een Portugese jongen met de voornaam [slachtoffer 2]. Zijn ouders wonen in de Pijp, in de buurt van de [adres 2]. Volgens [slachtoffer 3] is de verdachte heel vaak bij de moeder van [slachtoffer 2] langs geweest, met bedreigingen en dat soort dingen.

De moeder van de aangever woont in de [adres 1]. De plattegrond van Amsterdam leert dat deze straat in de wijk De Pijp in Amsterdam ligt, en in het verlengde van de [adres 2].

Tegenover de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 3] herhaald dat hij er weet van heeft dat een Portugese jongen met de naam [slachtoffer 2] door de verdachte werd afgeperst. [slachtoffer 3] heeft gezien dat de verdachte deze jongen aan de telefoon had en dat de verdachte zei dat hij zijn geld moest hebben. [slachtoffer 3] is met de verdachte bij de ouders (het hof begrijpt: de moeder) van deze jongen geweest. De verdachte zei dat hij zijn geld moest hebben.

Ten aanzien van feit 4 primair:

Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat [slachtoffer 3] bij drie gelegenheden tegenover de politie heeft verklaard dat hij wordt afgeperst.

Op 12 augustus 2009 heeft hij verklaard dat hij door een aantal jongens wordt afgeperst. Als hij geen geld geeft, wordt zijn familie bedreigd en lastig gevallen.

Op 29 december 2009 heeft hij verklaard al zeker twee jaar nepkleding te verkopen. Het grootste gedeelte van de opbrengst moet hij afstaan. Hij heeft een schuld, welke hem is opgelegd door de persoon die hem afperst.

Op 10 maart 2010 heeft hij verklaard dat een Marokkaanse jongen met de bijnaam ‘[medeverdachte 1]’ hem afperst. Hij moet spullen stelen, anders zal hij worden opengesneden. Hij moet ook schoenen verkopen voor een ander persoon. De naam van die persoon wil hij niet noemen. De goederen die hij verkoopt zijn nepspullen.

Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat [slachtoffer 3] op 4 februari 2010 is aangehouden ter zake van venten (verkoop van kleding). Er zijn diverse kledingsstukken onder hem inbeslaggenomen.

Op 15 maart 2010 is de verdachte over het vorenstaande gehoord. Hij heeft verklaard dat de spullen die op 4 februari 2010 onder [slachtoffer 3] in beslag zijn genomen, hem toebehoren.

[slachtoffer 3] heeft op 11 mei 2010 met zoveel woorden aangifte van afpersing door de verdachte gedaan. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat die afpersing rond 2006 is begonnen. Hij heeft toen een – overigens mislukte – inbraak gepleegd om de schade van de verdachte te kunnen vergoeden nadat uit zijn, [slachtoffer 3]’s, woning nepgeld van de verdachte was gestolen.

[slachtoffer 3] is op 15 juli 2010 opnieuw gehoord. Hij heeft bij die gelegenheid verklaard dat de verdachte hem niet de tijd gaf het geld rustig bij elkaar te krijgen. De verdachte werd agressief. Ze zaten in de auto en de verdachte begon hem te slaan. Toen begonnen de mishandelingen. Op de Willemskerkestraat (het hof begrijpt: te Amsterdam) is hij door de verdachte vastgebonden met tie-wraps, geslagen en zijn hem stroomstoten toegediend.

Er waren ook anderen die meededen. Er is altijd wel iemand bij om [slachtoffer 3] in bedwang te houden, mocht er iets gebeuren. Hij kent hun bijnamen, te weten ‘[medeverdachte 2]’ en ‘[medeverdachte 1]’. De verdachte zei bij een gelegenheid: “twintig euro voor elke stoot die je hem geeft”. [medeverdachte 1]/[medeverdachte 1] heeft hem een keer zo’n negen goede stoten gegeven. [medeverdachte 2] heeft hem meegenomen naar een kelder bij de Albert Cuyp-markt (het hof begrijpt: in Amsterdam) en hem daar in elkaar geslagen.

[slachtoffer 3] heeft voorts verklaard dat hij in totaal zo’n vijf keer is mishandeld met een strijkijzer: dat is op zijn kruis, borst, benen, voetzolen en hand gezet. De strijkbout werd aangezet, er werd gewacht tot de strijkbout goed heet was en dan werd deze tegen het lichaam gedrukt. Het was de verdachte die dat deed. Een en ander vond plaats op de Willemskerkeweg en op het nieuwe adres van de verdachte en diens vriendin [betrokkene 2] in de [adres 3] (het hof begrijpt: te Amsterdam). Er werd tegen hem gezegd dat als hij zich zou terugtrekken, hij een kogel in zijn knie zou krijgen. De verdachte had een pistool in zijn hand en richtte dat op [slachtoffer 3].

[slachtoffer 3] toont op 11 mei 2010 zijn borst aan verbalisant [verbalisant]. De verbalisant neemt ‘duidelijk waarneembare’ littekens waar op de borst van [slachtoffer 3]. Het gaat om afdrukken van een strijkbout van ongeveer 35 centimeter lang en 12 tot 15 centimeter breed. Uit het dossier kan voorts worden afgeleid dat op 18 mei 2010 letselfoto’s van [slachtoffer 3] zijn gemaakt.

In een letselverklaring van 6 april 2010 op naam van [slachtoffer 3] wordt melding gemaakt van tweede en derdegraads brandwonden op de borstkas, welke volgens de patiënt de dag daarvoor zijn veroorzaakt doordat een kennis een hete strijkbout op zijn borstkas heeft geduwd. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij de naam [slachtoffer 3] wel eens heeft gebruikt.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij een keer met de verdachte in de nieuwe woning van de vriendin van de verdachte was. De verdachte zei dat [slachtoffer 3] iets van boven moest pakken. [medeverdachte 1] stond toen op zolder op hem te wachten. Hij heeft klappen gekregen van [medeverdachte 1], waarna de verdachte naar boven kwam en zei dat hij zijn kleding moest uittrekken. Nadat hij zijn kleding had uitgetrokken heeft de verdachte zijn scrotum bewerkt met een strijkbout. Hij kon zich niet verzetten toen ze op zolder de strijkbout tegen zijn scrotum deden. De verdachte had een pistool. Hij is in verband met de verbranding aan zijn scrotum bij een arts in Almere geweest.

[betrokkene 3], huisarts te Almere, heeft aan de hand van een foto [slachtoffer 3] herkend als de vermoedelijke patiënt die ongeveer een half jaar eerder (het hof begrijpt: omstreeks januari 2010) langskwam met brandwonden op het scrotum en die verklaarde te zijn mishandeld, maar onbekend wilde blijven. De patiënt zou hebben gezegd dat ‘ze’ hem koud zouden maken als ze hem zouden vinden. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris volgt dat hij met ‘ze’ in ieder geval de verdachte bedoelt.

[slachtoffer 3] heeft voorts verklaard dat zijn voetzolen met een strijkijzer zijn verbrand bij een vriend van de verdachte in de Pijp (het hof begrijpt: te Amsterdam). De strijkbout is onder dreiging met een pistool ongeveer twee tot drie seconden tegen zijn voetzolen gehouden. Dat gebeurde omdat hij was weggelopen (het hof begrijpt: zich niet beschikbaar en/of bereikbaar voor de verdachte en diens vrienden had gehouden).

De moeder van [slachtoffer 3], [getuige 1] (verder te noemen: [getuige 1]), heeft verklaard dat [slachtoffer 3] in 2009 bij haar thuis kwam. Zij zag dat zijn voet was verbrand. Zij is toen met hem naar het ziekenhuis gegaan. Uit de letselverklaring van 14 mei 2009 blijkt dat door de arts brandwonden op de voetzool met open blaar- en ontstekingsverschijnselen zijn geconstateerd.

[slachtoffer 3] heeft voorts verklaard dat hij van [medeverdachte 1] zijn tanden op de stoeprand moest zetten. Zijn hoofd werd vastgehouden en over de stoep geschraapt, totdat er stukjes van zijn tanden afbrokkelden. Er werd gezegd dat als hij een volgende keer niet zou opnemen (het hof begrijpt: zijn telefoon niet zou opnemen), hetzelfde zou gebeuren als in de film American History X. [slachtoffer 3] verklaart dat in die film van achter op het hoofd van de persoon die met zijn hoofd op de stoeprand ligt, wordt getrapt. De verdachte hield ondertussen een pistool vast. [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) woonde toen in Alkmaar.

Uit de Gemeentelijke Basisadministratie blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] van 29 juli 2009 tot 25 december 2009 ingeschreven heeft gestaan in Alkmaar.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] meestal werd ingeschakeld wanneer hij, [slachtoffer 3], was weggelopen. [medeverdachte 1] was er niet altijd bij. De verdachte was de opdrachtgever en [medeverdachte 1] de uitvoerder. De verdachte deed ook wel zelf de uitvoering (het hof begrijpt: van de mishandelingen). [medeverdachte 1] kwam niet zomaar uit zichzelf. [medeverdachte 1] is een half jaar voor de aangifte gestopt met hem lastig vallen.

[getuige 1] heeft op 20 december 2010 het volgende verklaard. De verdachte heeft haar verteld dat er een schuld van [slachtoffer 3] aan de verdachte is ontstaan na een inbraak. De verdachte heeft haar verteld dat hij [slachtoffer 3] niet met rust zou laten zo lang [slachtoffer 3] hem geld verschuldigd was.

Op 7 december 2011 heeft [getuige 1] verklaard dat zij zelf meermalen geld van [slachtoffer 3] aan de verdachte heeft gegeven, nadat [slachtoffer 3] haar had gesmeekt dat te doen. Zij heeft éénmaal gezien dat de verdachte [slachtoffer 3] sloeg.

[getuige 7], de halfbroer van [slachtoffer 3], heeft verklaard dat hij van de verdachte heeft gehoord over de martelingen. Ook heeft hij zijn broer (het hof begrijpt: [slachtoffer 3]) ‘bijvoorbeeld’ met een blauw oog zien thuiskomen. Ook heeft hij gezien dat zijn broer een brandwond in zijn hand had. Hij heeft van de verdachte gehoord dat deze zijn broer naar de woning van de verdachte in (het hof begrijpt: Amsterdam) Zuid had meegenomen en hem daar naar de zolder had gestuurd. Daar waren ze op hem aan het wachten en is hij met een strijkijzer gebrand. Hij is op verschillende plaatsen met een strijkijzer gebrand. Dat was niet bij een en dezelfde gelegenheid en heeft een hele tijd geduurd. De verdachte vertelde hem die dingen en probeerde hem in zijn kamp te krijgen. De verdachte zei dat hij van hem een ‘soldier’ ging maken. Hij had in die tijd veel contact met de verdachte. Soms wilde de verdachte dat hij vertelde waar zijn broer was; zij gingen hem dan zoeken. Hij zag [medeverdachte 1] wel eens als [medeverdachte 1] met de verdachte samen was. De verdachte heeft hem toegegeven dat hij [medeverdachte 1] opdrachten gaf.

[getuige 2] heeft op 24 oktober 2007 verklaard dat hij onderhuurder is van [getuige 1], de moeder van [slachtoffer 3]. Hij heeft [slachtoffer 3] het afgelopen jaar regelmatig thuis zien komen met blauwe plekken. [slachtoffer 3] kon een keer zijn ogen niet opendoen. Toen hij die keer het huis binnenstrompelde, werd hij vergezeld door een Marokkaanse jongen, ‘[verdachte]’. [verdachte] woont en is opgegroeid in de [adres 4] (het hof begrijpt: te Amsterdam).

De getuige heeft verklaard dat er een week voordien Marokkaanse jongens aan de deur stonden, die zeiden dat ze € 7.000,- van [slachtoffer 3] moesten krijgen. [slachtoffer 3] is nu sinds een week weg.

Voorts heeft hij verklaard dat [verdachte] op 23 oktober 2007 samen met een andere jongen aan de deur kwam. De getuige deed de deur open en [verdachte] en de derde persoon drukten de deur verder open en liepen naar binnen. Ze vroegen of [slachtoffer 3] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer 3]) aanwezig was. Ze liepen het huis in en begonnen de kamer waar [slachtoffer 3] altijd slaapt overhoop te halen. Ze schreeuwden dat ze nog geld van [slachtoffer 3] kregen, maar hem niet konden vinden. [verdachte] zei tegen de getuige: “We gaan zoveel mogelijk mensen intimideren zodat [slachtoffer 3] vanzelf weer contact met ons opneemt”, “Zolang [slachtoffer 3] geen contact met ons opneemt blijven we dit doen” en “Geen politie, want we weten je te vinden, ook op straat. We steken het huis in de fik en gooien de ramen in”. In de tussentijd sloeg de andere jongen de kamer kort en klein. Vervolgens zijn ze weggegaan.

[getuige 1] heeft verklaard dat zij de verdachte sinds 1996 kent, sinds ze daar (het hof begrijpt: op de [adres 4] in Amsterdam) woont. Zij kende hem als ‘[verdachte]’.

Uit een GBA-overzicht betreffende de verdachte blijkt dat hij van 2 januari 1995 tot 10 juli 2006 op de Diamantstraat 187 ingeschreven heeft gestaan.

[getuige 8], een voormalige vriendin van [slachtoffer 3], heeft verklaard dat zij tot halverwege 2010 gedurende drie tot vier jaar een relatie heeft gehad met [slachtoffer 3]. In die periode (het hof begrijpt: tijdens de relatie) draaide [slachtoffer 3] door.

De verdachte belde haar bijna dagelijks op om te zorgen dat [slachtoffer 3] naar de verdachte toe zou komen, anders zouden zij en haar kind problemen krijgen. Er was een schuld van [slachtoffer 3] aan de verdachte waar [slachtoffer 3] niet over wilde praten. De verdachte zei tegen haar dat als [slachtoffer 3] mee zou gaan, de schuld zo voorbij zou zijn en het allemaal weg zou gaan.

De verdachte haalde [slachtoffer 3] op en bracht hem gehavend weer terug. Zij heeft verklaard dat zij op haar computer nog foto’s heeft van brandwonden op zijn gezicht, torso en geslachtsdelen. De brandwonden waren zo erg dat zij met hem – na bij het ziekenhuis te zijn weggestuurd – naar een huisartsenpraktijk in Almere-Buiten is gegaan. Daar is [slachtoffer 3] geholpen.

In die tijd was het elke week raak.

[getuige 9], eveneens een voormalige vriendin van [slachtoffer 3], heeft op 30 juli 2012 verklaard dat [slachtoffer 3] drie à drie en een half jaar voordien opeens voor haar deur stond. Hij had brandwonden van strijkbouten en sigarettenpeuken, blauwe ogen en een gebroken kaak. Zijn polsen waren ingesneden. Hij vertelde dat hij was opgesloten en bedreigd met een pistool.

Ze heeft hem vaker met verse wonden zien lopen.

Als [slachtoffer 3] niet bereikbaar was, belde de verdachte haar of [getuige 8] (het hof begrijpt: [getuige 8]) omdat ze (het hof begrijpt: de verdachte en zijn vrienden) naar hem op zoek waren. Het was ook wel eens een Antilliaan, of een zekere [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) die belde.

Op een gegeven moment durfde [slachtoffer 3] een bedrag van € 700,- of € 800,- niet aan de verdachte te betalen. Een vriendin van de getuige is toen met het geld van [slachtoffer 3] naar beneden gegaan en heeft dat aan de verdachte gegeven, die beneden in zijn rode Megane zat te wachten. De verdachte beweerde later dat hij dat geld helemaal niet had ontvangen en toen had zij, getuige, een probleem.

Ten aanzien van feit 5:

De verdachte kent [slachtoffer 4] (verder [slachtoffer 4] te noemen) die zichzelf ook wel ‘[slachtoffer 4]’ noemt; hij kent hem via [slachtoffer 3], met wie hij [slachtoffer 3] [slachtoffer 3] bedoelt .

[slachtoffer 4] heeft nep-kleding voor hem verkocht. In eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer 4] nog steeds schoenen van hem heeft, die hij nog niet terug heeft gehad; de verdachte heeft daaraan toegevoegd: “ik wil mijn geld of mijn schoenen”.

[slachtoffer 4] heeft op 31 mei 2010 bij de politie aangifte tegen de verdachte – die hij ook wel “[verdachte]” noemt – gedaan. Hij herkent de foto van de verdachte, die de politie hem laat zien als degene over wie hij het in zijn aangifte heeft. Zijn eigen bijnaam is [slachtoffer 4].

De aangifte houdt zakelijk weergegeven in dat hij voor de verdachte als vriendendienst wat nep-Nike’s had verkocht. De verdachte verwachtte dat hij deze binnen een paar dagen voor € 70,- à € 80,- zou verkopen. [slachtoffer 4] verdiende er niets aan. Elke keer als hij verkocht had, gaf hij het geld aan de verdachte. Aangever heeft twee keer wat voor hem verkocht.

De verkoop duurde de verdachte de tweede keer te lang. Hij bleef de aangever lastigvallen om € 300,- te betalen. Dat was een ‘soort’ boete die stond op het te lang doen over het verkopen. Op een gegeven moment vroeg de verdachte [slachtoffer 4] naar een coffeeshop te komen. Hij vroeg toen of de aangever het geld al had, want [medeverdachte 2] (het hof begrijpt hier en verder: [medeverdachte 2]) zou er aankomen en deze had dat geld nodig. [slachtoffer 4] is weggegaan en liet diezelfde avond een Tunesiër bellen naar de verdachte of [medeverdachte 2] . Deze laatste belde [slachtoffer 4] daarop terug met de mededeling dat, aangezien de aangever iemand anders had laten bellen, hij € 1500,- aan hem, [medeverdachte 2] moest betalen.

Op 6 maart 2010 , zo begrijpt het hof, belde de verdachte [slachtoffer 4] op om te zeggen dat hij nog schoenen moest brengen. [slachtoffer 4] heeft zijn vader en zijn vriendin gevraagd mee te gaan. De aangever, zijn vader en zijn vriendin hebben (het hof begrijpt:) de verdachte, gezien op de Nieuwezijds Voorburgwal (het hof begrijpt: te Amsterdam). De aangever is daar in de auto van de verdachte gestapt. Dat was een kleine cabriolet waar hij niet uit kon. De verdachte zat achter het stuur; er zaten nog twee anderen in de auto. De man op de bijrijdersstoel (‘een rasta-gappie’) schoof meteen de stoel naar achteren, zodat de aangever er niet uit kon. [slachtoffer 4] riep meteen: “dit wil ik niet, kunnen we hier niet praten?” De verdachte begon meteen te rijden. De vader en de vriendin van de aangever bleven achter. De verdachte reed nog een extra rondje langs hen voor hij wegreed met de aangever in de auto.

De aangever heeft voorts verklaard: “Ik moest van de verdachte mee naar [medeverdachte 2]. Onderweg zei de verdachte tegen mij dat hij mij ging martelen. Hij zou mij naar een kelder brengen en daar gaan martelen”. “We reden naar de Jan Steenstraat (het hof begrijpt: te Amsterdam). Daar kwam [medeverdachte 2] (‘de bolle handlanger van de verdachte’) in de auto en stapte een andere jongen uit. [medeverdachte 2] is mij toen in de auto gaan slaan. Hij hield mijn handen vast. Hij heeft mij één keer met de vlakke hand in het gezicht geslagen. Hij heeft mij vernederd. Ik kon niet weg, omdat ik vastgeklemd zat. Ik heb toen € 300,- afgegeven aan [medeverdachte 2], omdat ik bang was. Zij waren mij aan het bedreigen”.

Bij de raadsheer-commissaris is [slachtoffer 4] nader gehoord. Hij is dan minder duidelijk over de plaats waar [medeverdachte 2] zat op het moment dat deze hem ging slaan, maar in grote lijnen blijft de aangever wel bij zijn verklaringen, zoals eerder afgelegd. Hij preciseert dat hij bij de verdachte moest komen, omdat de verkoop van de tweede partij nep-Nikes de verdachte te lang duurde. De aangever moest het geld, € 300,- dat hij geleend had van de hiervoor genoemde Tunesiër aan [medeverdachte 2] geven, omdat deze nog geld van de verdachte kreeg. Hij benadrukte dat hij op 6 maart 2010 tegen zijn wil in de auto met de verdachte en diens vrienden is weggereden en dat hij erg bang is geweest.

De vriendin van [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij en [slachtoffer 4]s vader in maart/april 2010 in de stad (het hof begrijpt: Amsterdam) waren en dat zij zich zorgen maakte om Anwar (het hof begrijpt: [slachtoffer 4]). Zij heeft toen gezien dat er een rode auto aan kwam rijden en [slachtoffer 4] daar in stapte. Zij (het hof begrijpt: de inzittenden van deze auto en de aangever) zijn wel een uur of langer weggeweest. [slachtoffer 4] belde later op dat hij was afgezet. Zij heeft later gehoord van [slachtoffer 4] dat er een dikke Marokkaan in die auto zat die hem geprobeerd heeft te slaan en dat zij hem naar een martelkamer zouden brengen. Zij had begrepen dat het om geld ging.

[slachtoffer 4] heeft voorts verklaard dat hij diezelfde dag naar de politie is gegaan met zijn vader en zijn vriendin om aangifte te doen.

Op 6 maart 2010 is [slachtoffer 4] aan het politiebureau verschenen. Hij heeft verklaard mee te zijn genomen door de verdachte in diens rode Renault Megane cabriolet, gekentekend [kenteken 1]. Omstreeks 18.00 uur die avond werd op de telefoon van [slachtoffer 4] gebeld. Opsporingsambtenaar [verbalisant 2] nam op. Het bleek ’[verdachte]’ te zijn. [verbalisant 2] heeft ‘[verdachte]’ te verstaan gegeven dat [slachtoffer 4] op dat moment bij de politie zat en dat hij zijn zakelijke geschil met [slachtoffer 4] (zo begrijpt het hof) op een andere manier moest oplossen.

Sinds die tijd, verklaart [slachtoffer 4] bij de politie, ben ik bang voor de verdachte: “Hij is nooit alleen en ik durf niet meer vrij rond te lopen. Ik vrees voor mijn leven. De verdachte blijft mij achtervolgen, maar ik heb mijn schuld voldaan”.

Nadere bewijsoverwegingen en bespreking verweren

Ten aanzien van feit 1 primair

Op grond van de hiervoor ten aanzien van feit 1 weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is als hiervoor weergegeven. Het hof overweegt hiertoe nader als volgt.

Naar het oordeel van het hof wijst het met zekere kracht met een schroevendraaier een stekende beweging maken in de richting van de zijkant van de nek van een persoon ten minste op voorwaardelijk opzet op de dood van die persoon, al was het maar omdat – naar algemeen bekend is – zich op die plaats de halsslagader bevindt. Dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest, leidt het hof af uit de verklaring van [slachtoffer 1], die de verdachte heeft horen zeggen dat hij hem dood zou maken.

Gevoerde verweren met betrekking tot feit 1 primair

Ter terechtzitting van de rechtbank van 3 februari 2011 heeft de verdachte niet betwist dat de bedoelde rode auto (het hof begrijpt: de Renault Megane met het kenteken [kenteken 1]) hem inderdaad toebehoort, en dat hij die dag in de garage is geweest. Hij heeft echter verklaard dat hij daar niet was op het tijdstip van het ten laste gelegde feit. Voorts heeft hij verklaard dat hij er verder niets over wil zeggen en niemand zal aanwijzen, omdat hij geen problemen wil.

Wat er zij van hetgeen de verdachte op die terechtzitting eveneens heeft verklaard, te weten dat hij niet de Marokkaan is die [slachtoffer 1] heeft gestoken, maar dat het een andere Marokkaan zou zijn, uit niets komt naar voren dat er in het gezelschap van de verdachte – dat blijkens de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen uit de verdachte en twee Surinaamse mannen bestond en uit welk gezelschap één van de mannen een stekende beweging in de richting van de [slachtoffer 1] heeft gemaakt – nog een andere Marokkaan was.

Dat de verdachte wel op het tijdstip van het bewezenverklaarde feit in de garage is geweest, wordt ondersteund door de omstandigheid dat de telefoon met het nummer dat de eigenaar van de garage aan de Papaverweg als dat van de verdachte kende en met wie de verdachte blijkens diens verklaring en het overzicht historische telefoongegevens op 8 september 2009 veelvuldig contact had, een telefoonmast in de naaste omgeving van die garage aanstraalde.

Dat de verklaring van [slachtoffer 1] op het punt dat hij door een van de mannen – te weten de Marokkaanse en niet een van de twee Surinaamse mannen – met een schroevendraaier in de nek is gestoken niet geloofwaardig of betrouwbaar zou zijn is op geen enkele manier aannemelijk geworden. Zijn aanvankelijke verklaring dat het om een schroevendraaier ging, wordt in voldoende mate ondersteund door de vondst ter plaatse van een dergelijk voorwerp.

Het hof heeft ten slotte geen redenen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 3] en [getuige 5]. De enkele betwisting van deze verklaringen is daarvoor onvoldoende.

Ook met betrekking tot de betrouwbaarheid van de eerste verklaring van [getuige 4] heeft het hof die twijfel niet. Dat [getuige 4] bij de raadsheer-commissaris, ongeveer twee-eneenhalf jaar later, zich niet alles meer precies voor de geest kan halen, is niet onbegrijpelijk.

Ten aanzien van feit 3, feit 4 primair en feit 5

Ook al zou het zo zijn dat de verdachte al dan niet terecht van mening is dat de aangevers een schuld aan hem hadden of hebben, dan staat dit niet aan de bewezenverklaring van de ten laste gelegde afpersingen in de weg. Het gaat er bij afpersing immers niet om of iemand al dan niet civielrechtelijk aanspraak kan maken op een betaling, maar om de wijze waarop getracht wordt die betaling te verkrijgen. Indien dat gebeurt door geweld of bedreiging met geweld, is er sprake van afpersing.

Ten aanzien van feit 3

Op grond van de hiervoor ten aanzien van feit 3 weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is als hiervoor weergegeven. Het hof overweegt hiertoe nader als volgt.

De verdachte heeft niet betwist dat hij de aangever kent en dat hij geld van de aangever wilde in verband met de boete die aan de verdachte was opgelegd in verband met illegale onderverhuur aan Russen of Polen – waarvoor [slachtoffer 2] verantwoordelijk en aansprakelijk zou zijn – en dat de verdachte ook daadwerkelijk geld heeft gekregen van de aangever teneinde de deurwaarder te betalen. Aangever noemt zelf een bedrag van in totaal € 4.000,- en de verdachte weerspreekt dit niet en stelt zelf dat de aangever hem nog meer zou moeten betalen. Van ten minste dit bedrag kan dus worden uitgegaan.

De verdachte heeft evenmin betwist dat hij om dat geld van de aangever binnen te krijgen, zich ook, vaker dan eenmaal, tot de moeder van de aangever heeft gewend, daartoe bij haar aan de deur is geweest en een papiertje heeft achtergelaten met zijn telefoonnummer en naam, zodat zij dat aan haar zoon kon geven.

De verdachte ontkent echter dwang te hebben gebruikt door de aangever rechtstreeks of via diens moeder, dan wel diens moeder zelf, te hebben bedreigd. Het hof leidt echter uit de redengevende feiten en omstandigheden af dat van de ten laste gelegde bedreigingen voor zover hiervoor bewezen verklaard wel sprake is geweest. De aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van diens moeder bieden op dit punt over en weer steun aan elkaar, in die zin dat [slachtoffer 2] er wetenschap van had dat zijn moeder door de verdachte is bedreigd en die bedreiging daarmee in zoverre bevestigt. De verklaring van de moeder biedt, gelet op de bewoordingen die volgens haar door de verdachte zijn geuit, en ook gelet op de frequentie van en de omstandigheden waaronder de verdachte haar volgens haar verklaring heeft opgezocht, een ondersteuning voor de weergave van aangever van de wijze waarop de verdachte betaling van hem heeft geëist.

Bij deze stand van zaken acht het hof de weergave van aangever en diens moeder van de contacten tussen de verdachte en hen beiden geloofwaardiger dan de stelling van de verdachte dat er geen sprake zou zijn geweest van bedreiging of drang. Het hof heeft hierbij mede gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen van [slachtoffer 3], die de verklaringen van de aangever en diens moeder op voor de verdachte belastende punten nader ondersteunen.

Het hof vindt ten slotte nog steun voor zijn opvatting dat geloof moet worden gehecht aan de verklaringen van de aangever en diens moeder, ook op het punt van de bedreigingen en de dwang, in hetgeen de verdachte zelf heeft gezegd toen hij door een verbalisant werd gebeld op het nummer dat de verdachte aan de moeder van aangever had gegeven. In het licht van de opmerking van de verdachte: “Goed ik laat die vrouw met rust ik vind [slachtoffer 2] nog wel een keer in de stad en trek hem dan mee naar de deurwaarder”, kan toch bezwaarlijk anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte bewust heeft geprobeerd de moeder van de aangever onder druk te zetten en voorts geen drang of dwang zou schuwen wanneer hij de verdachte zou tegenkomen. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden aan de ambtsedige weergave van dit gesprek door de desbetreffende verbalisant te twijfelen, daaraan doet de ontkenning door de verdachte niet af.

Gevoerde verweren met betrekking tot feit 3

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde uitlatingen geen bedreigingen met geweld of met enig misdrijf tegen het leven gericht vormen.

Voor zover het om het onder het derde gedachtenstreepje bewezenverklaarde gaat, behoeft dit verweer geen bespreking. Uitlatingen als daar bewezenverklaard zijn bedreigingen met geweld.

Wat betreft het onder het tweede gedachtenstreepje bewezenverklaarde kunnen de daar gebezigde bewoordingen niet los worden gezien van de fysieke handelingen van de verdachte en zijn mededader van dat moment. Uit deze combinatie gaat in deze de dreiging met geweld uit.

Ten aanzien van het onder het eerste gedachtenstreepje ten laste gelegde is het hof van oordeel dat deze woorden, zouden zij volledig op zichzelf staan, niet als bedreigend, in ieder geval niet als een bedreiging met geweld hoeven te worden ervaren. Waar de aangever echter tevens van de verdachte zegt dat deze een reputatie heeft, dat de hele buurt hem kent en bang voor hem is en dat hij altijd mensen om zich heen heeft die je in elkaar slaan als hij dat zegt – wat er ook zij van het waarheidsgehalte van een en ander – zijn deze bewoordingen in die context wel degelijk zowel objectief als subjectief bezien bedreigend. Dat zij ook zo door de verdachte zijn opgevat, blijkt uit diens aangifte zoals die hiervoor is weergegeven. Aangever heeft immers verklaard dat hij daarna is begonnen met betalen, al achtte hij zichzelf niet verantwoordelijk voor de door de verdachte opgelopen boete, en een tijd niet meer thuis durfde te komen.

Het causaal verband tussen de bedreigingen en de betalingen, dat in de visie van de verdediging ontbreekt, volgt voorts uit de inhoud van de hiervoor gebezigde redengevende feiten en omstandigheden, zodat dit verweer geen nadere bespreking behoeft.

Dat de aangever in een later stadium tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zich door de politie in de val gelokt voelt en meent dat hij door de politie is gedwongen tot het doen van aangifte, maakt het vorenstaande niet anders. Aangever verklaart daar immers evenzeer dat alles wat hij bij de politie heeft gezegd, de waarheid is. Gelet daarop staat niets eraan in de weg hetgeen door de aangever bij de politie is verklaard voor het bewijs te bezigen.

Dat de moeder van de aangever niet of nauwelijks Nederlands zou spreken en er daarom geen geloof kan worden gehecht aan wat er van haar kant is verklaard tijdens het bezoek op 20 augustus 2009 van moeder [slachtoffer 2] aan het politiebureau , wordt weersproken door de inhoud van een later gedateerd proces-verbaal van bevindingen dat is opgesteld door de buurtregisseur, waarin een gesprek tussen [getuige 6] en die buurtregisseur wordt weergegeven. Nergens blijkt uit dat er daarbij sprake was van communicatieproblemen. Dit nog daargelaten dat blijkens het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van bevindingen moeder [slachtoffer 2] bij haar bezoek aan het bureau vergezeld was van haar dochter en bij die gelegenheid de dochter het woord voor haar moeder heeft gevoerd, terwijl gesteld noch gebleken is dat die dochter het Nederlands niet of onvoldoende zou beheersen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om om die reden aan hetgeen bij die gelegenheid van de zijde van [getuige 6] aan de politie is verteld, te twijfelen. Evenmin ziet het hof daarvoor reden op grond van de omstandigheid dat [getuige 6] bij een later verhoor door de rechter-commissaris heeft verklaard alles te zijn vergeten .

Ten aanzien van feit 4 primair

Op grond van de hiervoor ten aanzien van feit 4 primair weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het onder 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is als hiervoor weergegeven. Het hof verwerpt deze verweren en overweegt hiertoe als volgt.

Gevoerde verweren met betrekking tot feit 4 primair

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 4 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe de volgende verweren gevoerd, welke door het hof achtereenvolgens zullen worden besproken.

Data en pleegplaatsen

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk is waar en wanneer het door [slachtoffer 3] gestelde letsel is toegebracht. [slachtoffer 3] heeft gedurende een deel van de tenlastegelegde periode in het buitenland verbleven en is zowel in België als Suriname gedetineerd geweest, zodat pleegdata en

-plaatsen niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld, aldus de raadsman.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat exacte vaststelling van de data waarop de feitelijkheden zoals omschreven in de tenlastelegging hebben plaatsgevonden niet mogelijk is. Aan de hand van de voor het bewijs gebezigde letselverklaringen is echter wel vast te stellen dat het toebrengen van de letsels binnen de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden. Uit de letselverklaringen blijkt immers dat de letsels ruim na de aanvang van de tenlastegelegde pleegperiode (op 1 januari 2006) zijn geconstateerd. Gelet op de aard van de letsels, de data waarop de letselverklaringen zijn opgesteld, de verklaringen van [getuige 1], [getuige 9] en [getuige 8] zoals hiervoor vermeld, alsmede de verklaringen van [slachtoffer 3] dat de afpersingen vanaf 2006 hebben plaatsgevonden, acht het hof uitgesloten dat [slachtoffer 3] de verwondingen reeds vóór 2006 heeft opgelopen. Ten slotte heeft [verbalisant] op 11 mei 2010 het letsel op de borst van [slachtoffer 3] waargenomen.

Dat [slachtoffer 3] hierna nog ter zake doend letsel heeft opgelopen is op geen enkele manier gebleken.

Het hof acht mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat de verwondingen op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 mei 2010 zijn ingetreden.

Met betrekking tot de pleegplaatsen overweegt het hof dat [slachtoffer 3] locaties heeft genoemd waar de feiten zouden hebben plaatsgevonden. Deze zijn gelegen in Amsterdam en Alkmaar. Bovendien bevestigen diverse getuigen dat [slachtoffer 3] door de verdachte in Amsterdam werd opgehaald en korte tijd later toegetakeld werd thuisgebracht, hetgeen bezwaarlijk te rijmen is met de suggestie dat de verwondingen in het buitenland zouden kunnen zijn opgelopen. Het dossier bevat ook overigens geen enkele aanwijzing dat de verwondingen zijn toegebracht gedurende enige detentieperiode van [slachtoffer 3] in het buitenland – wanneer die periodes ook zijn geweest. Het hof acht mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat het letsel te Alkmaar en Amsterdam aan [slachtoffer 3] is toegebracht.

Bewijsminimum en betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 3]

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het beweerde daderschap van de verdachte slechts berust op de verklaringen van [slachtoffer 3] en geen steun vinden in (objectief) steunbewijs. De getuigenverklaringen in het dossier berusten niet op eigen waarneming van de verweten feiten en zijn herleidbaar tot de verklaringen van [slachtoffer 3].

[slachtoffer 3] heeft, aldus de verdediging, wisselende en daarmee onbetrouwbare verklaringen afgelegd, welke niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

Ook is sprake geweest van sturing van het onderzoek door de politie, in die zin dat [slachtoffer 3] is gestuurd om enkel belastend te verklaren over de verdachte.

Aan de orde is vooraleerst de vraag of de betwiste onderdelen van de belastende verklaringen van [slachtoffer 3] voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat dit het geval is. Uit de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen van onder meer [getuige 7], [getuige 1], [getuige 9], [getuige 8] en [getuige 2], in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat [slachtoffer 3] een schuld had bij de verdachte, dat [slachtoffer 3] bij het innen van deze schuld door de verdachte stelselmatig werd opgejaagd en dat de verdachte – in het geval van [getuige 7] – ronduit toegaf dat hij verantwoordelijk was voor het met een strijkijzer bewerken van [slachtoffer 3]. Dit beeld komt voldoende overeen met hetgeen [slachtoffer 3] heeft verklaard.

De inhoud van deze verklaringen is anders dan de raadsman stelt niet slechts te herleiden tot de verklaringen van [slachtoffer 3] zelf, maar berust op hetgeen deze getuigen zelf hebben waargenomen of ondervonden. Zij verklaren over hetgeen zij de verdachte hebben horen zeggen dan wel hebben zien doen.

Voor zover het dossier verklaringen van horen zeggen bevat kan daaruit in elk geval niet worden afgeleid dat de verklaringen van [slachtoffer 3] niet betrouwbaar zouden zijn.

Daarnaast stemmen de verklaringen van [slachtoffer 3] met betrekking tot het letsel overeen met de letselverklaringen, de foto’s in het dossier en – voor zover daarvan sprake is – de eigen wetenschap van de getuigen wier verklaringen hiervoor als bewijsmiddel zijn weergegeven. Ook op dit onderdeel is zijn verklaring mitsdien voldoende betrouwbaar gebleken.

Niet weersproken is dat [slachtoffer 3] schulden bij de verdachte heeft of heeft gehad.

Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat het feit dat bepaalde door [slachtoffer 3] genoemde getuigen geen belastende verklaring hebben afgelegd, niet de conclusie rechtvaardigt dat zijn verklaring onbetrouwbaar is. Met betrekking tot de betrouwbaarheid van Zen en [medeverdachte 1] als getuige kunnen de nodige vragen worden gesteld. In het dossier worden zij als betrokkenen bij de afpersing genoemd. Tegen [medeverdachte 1] liep en loopt nog een strafzaak ter zake van onder meer deze afpersingen. In het geval van [betrokkene 2] is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat zij nog altijd een affectieve relatie met de verdachte onderhoudt. Zij zou daardoor belang kunnen hebben bij een voor de verdachte gunstige, van de verklaringen van [slachtoffer 3] afwijkende voorstelling van zaken.

Dat de verdachte op bepaalde punten van elkaar verschillende verklaringen heeft afgelegd, betekent evenmin dat zijn verklaringen als geheel onbetrouwbaar zijn. Het gaat in de onderhavige zaak om frequente afpersingen gedurende een periode van verscheidene jaren op diverse plaatsen en waarbij niet telkens dezelfde personen aanwezig waren. Bij de afpersingen is bruut geweld gebruikt tegen [slachtoffer 3], die hierdoor ongetwijfeld getraumatiseerd is geraakt. Tegen deze achtergrond is begrijpelijk dat verdachtes verklaringen soms op onderdelen niet altijd even consistent zijn.

Het hof heeft deze verklaringen dan ook met de nodige behoedzaamheid gebruikt, maar ziet geen aanleiding deze voor het bewijs buiten beschouwing te laten.

Met betrekking tot de wijze waarop het politieonderzoek is verricht, deelt het hof de conclusie van de raadsman evenmin. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 3] al voordat de politie hem heeft benaderd reeds diverse malen heeft verklaard dat hij werd afgeperst. Niet is gebleken dat dit op dat moment tot enig nader onderzoek heeft geleid. Eerst nadat de moeder van [slachtoffer 3] de politie had benaderd met meer concrete daderinformatie heeft de politie uit eigen beweging contact met hem opgenomen. Uit de vraagstelling bij de politieverhoren van [slachtoffer 3] in deze zaak blijkt niet van ongeoorloofde sturing van het onderzoek in de richting van de verdachte. Wel is, zoals te verwachten valt in een onderzoek naar dergelijke feiten, doorgevraagd. Opgemerkt dient te worden dat [slachtoffer 3] zelf meermalen de centrale rol van de verdachte heeft benadrukt en pas in een later stadium, met enige tegenzin, over derden heeft willen verklaren, omdat de verdachte in zijn ogen de centrale figuur was. Ten slotte heeft [slachtoffer 3] meermalen zijn verklaringen ten overstaan van de rechter-commissaris op essentiële onderdelen herhaald.

Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaring van [slachtoffer 3] met betrekking tot het daderschap dan ook geloofwaardig en op voldoende punten ondersteund door objectief steunbewijs, zodat het verweer wordt verworpen.

Alternatief scenario

Voorts heeft de raadsman gesteld dat er aanwijzingen zijn dat een ander, vermoedelijk ene ‘[betrokkene 4]’, verantwoordelijk is voor de vermeende strafbare feiten. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij problemen had met [betrokkene 4] in verband met de verkoop van kaartjes voor evenementen. Uit de verklaring van [getuige 10] zou volgen dat [slachtoffer 3] met diverse personen problemen had. [getuige 10] heeft, evenals [getuige 11], voorts verklaard, dat de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer 3] goed was. Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte ten onrechte wordt aangemerkt als dader, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier blijkt onvoldoende van enige afpersing door [betrokkene 4], wie dat ook moge zijn, terwijl een dergelijk scenario bovendien in strijd is met diverse, elkaar ondersteunende bewijsmiddelen zoals hiervoor vermeld.

Daarnaast is het alternatieve scenario door de verdediging niet onderbouwd. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte wel gezegd te vermoeden wie verantwoordelijk is voor de feiten, maar hij heeft daarover verder niets willen of kunnen zeggen. De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat hij niet het risico wil lopen ‘kogels in zijn kop’ te krijgen. In hoger beroep heeft hij gezegd het niet belangrijk te vinden namen van daders – die hij volgens zijn zeggen wel zou kennen – te noemen omdat hij weet dat hij er zelf niets mee te maken heeft. Gezien de verklaringen – ook van de verdachte zelf – waaruit het bestaan van de schuld aan de verdachte blijkt, het opjagen van [slachtoffer 3] door verdachte, het telkens ophalen en vervolgens ‘afleveren’ van een toegetakelde [slachtoffer 3] en de verklaring van [getuige 7] met betrekking tot hetgeen de verdachte hem heeft gezegd, acht het hof deze uitleg van de verdachte ontoereikend.

Het hof hecht overigens gelet op de inhoud van het dossier, zoals reeds is weergegeven, weinig waarde aan de verklaringen van Sloote en [getuige 10] – beiden kennelijk goede bekenden van de verdachte – dat de verdachte en [slachtoffer 3] op een normale of zelfs vriendschappelijke manier met elkaar omgingen.

Het verweer wordt – in zijn onderdelen en in onderlinge samenhang beschouwd – verworpen.

Ten aanzien van feit 5

Op grond van de hiervoor ten aanzien van feit 5 weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is als hiervoor weergegeven. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Door de verdachte is niet betwist dat hij de aangever kent en dat deze kleding voor hem verkocht en dat [slachtoffer 4] om die reden schoenen van de verdachte onder zich had, welke nog afgerekend dienden te worden. Evenmin is betwist dat [slachtoffer 4] op enig moment bij hem in de rode Renault Megane is gestapt. Het hof gaat dan ook uit van deze feiten. De datum en plaats daarvan staan ook vast. Naast de aangifte heeft de vriendin van de aangever verklaard – hoewel vaag met betrekking tot tijd en plaats – omtrent hetgeen in de auto zou zijn gebeurd nadat de verdachte met de aangever weggereden is, haar en de vader van de aangever achterlatend. Weliswaar is haar bron de aangever zelf, maar haar verklaring geeft ondersteuning aan het objectieve gegeven dat zij de verdachte heeft gezien en haar vriend, de aangever, heeft zien instappen en het vervolgens lang (‘een uur of langer’) heeft geduurd voordat de aangever weer contact maakte met haar.

Het hof ziet geen reden tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever: de door deze gestelde aanleiding en de afloop van de afpersing kunnen als vaststaand worden aangemerkt. Dat de verdachte niet zelf heeft geslagen omdat hij de bestuurder van de auto was, doet aan zijn betrokkenheid bij wat er in de Renault is gebeurd niet af. Er is sprake van medeplegen gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2], die het geld bestemd voor de verdachte mocht innen, terwijl ook de anderen in de auto zich niet afzijdig hebben gehouden, nu de bijrijder meteen de bijrijdersstoel naar achteren schoof zodat de aangever klem zat en uit de aangifte naar voren komt dat zij hem begonnen te bedreigen.

In het dossier bevindt zich nog een aantal sms-berichten die weliswaar zijn verzonden na 6 maart 2010, maar die de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 4] met betrekking tot het ‘lastigvallen’ kunnen ondersteunen. Deze sms-berichten zijn verstuurd aan 06-16027576, zijn het telefoonnummer in gebruik bij [slachtoffer 4]:

- van [verdachte] aan [slachtoffer 4] op 6 april 2010, 15: 41:

‘Wanneer ga je mij blij maken Die mannen zitten nu in oost je te zoeken g’;

- van [verdachte] aan [slachtoffer 4] op 1 april 2010 15:16:

‘Hey flikker als ik echt wil had ik je al gepakt pussy je bent zielig breng me 500 geen schoen en geen spullen terug anders regelt [medeverdachte 1] met je af hij zoekt je nu ook’;

- van [verdachte] aan [slachtoffer 4] op 1 april 2010 15: 13:

‘je kan weer niet opnemen maar vandaag sta ik echt voor je deur!’.

Afsluitende opmerking met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 5

Het hof grondt de bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde voorts op zogenoemd schakelbewijs. Het hof stelt daarbij voorop dat het gebruik van schakelbewijs slechts toelaatbaar is bij bewezenverklaring van soortgelijke feiten indien en voor zover het bewijs voor het ene feit redengevend is voor het bewijs van het andere ten laste gelegde feit, waarbij opmerking verdient dat de andere bewezenverklaring die wordt ‘geschakeld’ daarnaast zelfstandig moet worden gefundeerd.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van feiten 3 en 4 primair is overwogen doet die situatie zich voor.

Er is sprake van soortgelijke feiten en een hoge mate van overeenstemming voor wat betreft de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de modus operandi van de verdachte.

Er was in alle gevallen sprake van een vorm van zakelijke dienstverlening door de slachtoffers aan de verdachte, die er in het onderhavige geval op neerkwam dat [slachtoffer 4] – gelijk [slachtoffer 3] – kleding verkocht voor de verdachte. In het geval van [slachtoffer 2] verhuurde het slachtoffer een woning ten behoeve van de verdachte. In alle drie de gevallen ontstaat vervolgens een zakelijk geschil en meent de verdachte nog recht te hebben op geldbedragen, door de slachtoffers te betalen.

Vervolgens oefent de verdachte druk uit op zijn slachtoffers, door henzelf dan wel hun naasten telefonisch en in persoon veelvuldig te benaderen. Slachtoffers worden door de verdachte mede door middel van dreiging met fysiek geweld verbaal onder druk gezet om tot betaling over te gaan.

Indien ook dat niet het gewenste effect sorteert, gaat de verdachte over tot geweld en worden de slachtoffers in hun bewegingsvrijheid ernstig beperkt.

[slachtoffer 3] is in de auto van de verdachte alsmede op diverse andere plaatsen mishandeld. In het geval van [slachtoffer 2] werd hij op straat vastgehouden en werd hem gezegd dat hij in de auto van de verdachte moest stappen en dat hij moest betalen. In het geval van [slachtoffer 4] is hem gezegd dat hij schoenen moest komen brengen, maar toen hij eenmaal aangekomen in de auto van de verdachte ging zitten werd hij klemgezet en aldus eveneens in zijn vrijheid beperkt. Hij werd geslagen en hem werd kort gezegd medegedeeld dat hij moest betalen.

De afpersing van [slachtoffer 4] heeft bovendien plaatsgevonden in de eerste helft van 2010, in welke periode de verdachte ook [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft afgeperst.

Gezien de sterke overeenkomsten op essentiële punten met betrekking tot de wijze waarop de verdachte feitelijk heeft gehandeld, alsmede de omstandigheden en context waarbinnen deze handelingen zich hebben voorgedaan, kan het bewijsmateriaal dat is gebezigd ten aanzien van feiten 3 en 4, primair meer in het bijzonder de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], worden gebezigd als schakelbewijs voor het onderhavige feit en het hof doet dit dan ook.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 3, 4 primair en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

afpersing, meermalen gepleegd.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 3 jaren al dan niet samen met anderen op planmatige en berekende wijze schuldig gemaakt aan zeer gewelddadige afpersingspraktijken. Hij heeft daarbij, wanneer er sprake was van medeplegen, onmiskenbaar een leidinggevende rol dan wel initiërende rol gespeeld en anderen meegesleept in zijn activiteiten, die voor een deel sadistische trekken vertonen. De verdachte heeft zich daarbij niet ontzien misbruik te maken van de zwakheden van zijn slachtoffers. Bovendien heeft hij in twee gevallen stelselmatig de naasten van zijn slachtoffers het leven bijzonder zuur gemaakt.

Met name [slachtoffer 3] is door de verdachte jarenlang opgejaagd, bedreigd en ernstig mishandeld. De martelingen die dit slachtoffer heeft moeten doorstaan zijn mensonterend en zullen behalve de permanente lichamelijke littekens ongetwijfeld ook in geestelijk opzicht diepe sporen hebben nagelaten. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Uit de stukken blijkt dat een deel van de afpersingen onder meer is gepleegd om boetes en reparaties aan de auto van de verdachte te bekostigen. Dat de verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen voor zijn slachtoffers is niet gebleken.

Het hof heeft kennisgenomen van de bevindingen met betrekking tot de persoon van de verdachte van de klinisch psycholoog prof. dr. J.J. Baneke, als vastgelegd in diens forensisch psychologisch rapport van 9 november 2010 en van het Pro Justitia-rapport betreffende de verdachte van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum [hierna: PBC] van 17 juni 2011, opgemaakt door S. Went, psychiater en H.A. van Kempen, klinisch psycholoog.

Laatstgenoemde deskundigen rapporteren dat – hoewel hun mogelijkheden tot onderzoek beperkt waren omdat de verdachte daaraan niet mee wilde werken – geen aanwijzingen gevonden zijn voor een in het oog springende psychiatrische stoornis en dat de intelligentie van de verdachte imponeert als gemiddeld. De verdachte laat zich zien als een rustige, weloverwogen en consequent weigerende observandus, die eerder als stevig en onverstoorbaar dan als beïnvloedbaar imponeert. De onderzoekers stellen:

“Betrokkene geeft zijn weigering adequaat vorm door niet deel te nemen aan de gezamenlijke activiteiten en de groepsleiding louter voor functionele vragen te benaderen. Des te opmerkelijker is het dat hij door enkele groepsgenoten bij zijn cel wordt bezocht. Hoewel de aard van de contacten niet duidelijk is, wordt wel gesignaleerd dat de betreffende groepsgenoten blijk geven van een zekere gedienstigheid aan de verdachte. Zo wordt hem gevraagd wat hij wil eten en wordt hij gewaarschuwd als de telefooncel leeg is.”

Dit roept bij de onderzoekers de vraag op of de verdachte een machtspositie heeft. De deskundigen van het PBC hadden graag nader onderzoek willen doen omdat er vanuit de beschikbare informatie aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek, met name voor antisociale trekken en/of psychopathie. Zo stellen zij:

“Zijn leefstijl, met grote schulden en steeds verblijvend bij andere mensen, duidt op parasitair gedrag. Het beeld dat door de slachtoffers wordt geschetst kan ook passen bij psychopathie omdat hij wordt beschreven als iemand die macht en controle over anderen uitoefent en daarbij geweld niet schuwt. De aard van het gebruikte geweld […] doet bij de onderzoekers bovendien de vraag rijzen of er sprake is van sadisme.”

Het hof heeft, naast zijn eigen waarnemingen ter terechtzitting en de inhoud van het dossier, de bevindingen van het PBC meegewogen in zijn oordeel over de persoon van de verdachte, nu deze instelling een multidisciplinair rapport over de verdachte heeft uitgebracht gebaseerd op – voor zover dat mogelijk was – een wat langere periode van observatie. Dit betekent dat het hof voorbij gaat aan de bevindingen van de hiervoor genoemde deskundige Baneke. Naar het oordeel van het hof sluit het beeld van de verdachte zoals dat naar voren komt uit de observaties en overwegingen van het PBC aan bij de bewezenverklaarde feiten. Het hof heeft echter, gezien de weigerachtige houding van de verdachte om mee te werken aan een onderzoek door het PBC, niet kunnen vaststellen of en in welke mate de verdachte ten tijde van het plegen van deze feiten ontoerekeningsvatbaar was en of de verdachte behandeld zou moeten worden. Dit brengt mee dat de verdachte zal worden beschouwd als volledig toerekeningsvatbaar.

Gelet op het vorenoverwogene acht het hof langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Ten nadele van de verdachte neemt het hof voorts in aanmerking dat hij, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 oktober 2012, eerder ter zake van onder meer vermogens- en geweldsdelicten, waaronder een poging tot afpersing, is veroordeeld.

Aan de andere kant slaat het hof acht op de betrekkelijk jonge leeftijd van de verdachte, die op enig moment zal terugkeren in de maatschappij. Daarnaast heeft het hof oog voor hetgeen andere rechters in zaken met meer of minder vergelijkbare feiten plegen op te leggen. Het hof ziet daarin aanleiding de door de rechtbank opgelegde straf te matigen.

In het gegeven dat de onderhavige zaak – overigens in beperkte mate – in de publiciteit is geweest ziet het hof mede gelet op de ernst van de feiten geen aanleiding om de straf te matigen.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor immateriële schade. Deze bedraagt € 12.000,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.000,-. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof overweegt daarbij dat [slachtoffer 3] blijkens de vordering door de afpersingen, bedreigingen en mishandelingen fysieke en emotionele schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd en de verdediging heeft slechts aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen nu de verdachte in haar visie behoort te worden vrijgesproken. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de schade overeenkomt met voorbeeld nr. 1395 uit de Smartengeldgids 2009, waarin sprake is van ernstige verminking en psychische schade. Het hof neemt daarom het bedrag van € 6.000,- als uitgangspunt. Gezien de stelselmatige wijze waarop het onder 4 primair bewezenverklaarde over een langere periode is gepleegd, is het hof van oordeel dat de schade hoger, te weten op een bedrag van € 8.000,- te waarderen is.

Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de vordering op 1 februari 2011.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de nietigverklaring van de dagvaarding ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 3, 4 primair en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1.00 STK Personenauto [kenteken 1], Renault Megane Cabrio 2005 Kl: Rood Nr. 2802755.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.000,- (achtduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van € 8.000,- (achtduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de elfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Kortenhorst, mr. R.C.P. Haentjens en mr. J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van mr. M. Rasterhoff, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2012.