Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2298

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2012
Datum publicatie
07-11-2012
Zaaknummer
11/00750
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BT2236, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De tilbanden voor patiëntenliften zijn terecht in de bindende tariefinlichting ingedeeld onder post 6307 90 10 van de gecombineerde nomenclatuur. De onderhavige tilbanden kunnen, gelet op aantekening 2, onderdeel b, op Afdeling XVI en de jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake delen en toebehoren, met name het arrest van 19 juli 2012, C-336/11, Rohm & Haas, niet worden aangemerkt als deel of toebehoren van een patiëntenlift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-2829
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00750

11 oktober 2012

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[A] te [P], belanghebbende,

gemachtigden: mr. K. Winters en drs. R.R. Ramautarsing van Deloitte Belastingadviseurs B.V. te Rotterdam,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/3151 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 5 maart 2010 aan belanghebbende een bindende tariefinlichting (BTI) afgegeven voor tilbanden van textiel voor patiëntenliften, waarbij deze zijn ingedeeld onder de post 6307 90 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 19 mei 2010, de BTI gehandhaafd.

Bij uitspraak van 15 augustus 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 23 september 2011, aangevuld bij brief van 27 oktober 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Op 4 september 2012 heeft de gemachtigde een fax en een brief aan het Hof gezonden met daarin de vermelding van de naam en functie van de persoon die namens belanghebbende aanwezig zal zijn op de zitting. Een afschrift daarvan is verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1. tot en met 2.3. van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Eiseres heeft een bti aangevraagd voor indeling van tilbanden onder de nomenclatuurcode 8431 39 70. In vak 8 van de bti-aanvraag zijn de tilbanden als volgt omschreven:

“Deze BTI aanvraag betreft tilbanden voor verschillende soorten patiëntenliften van [A]. De patiëntenliften worden gebruikt voor het verplaatsen en tillen van minder mobiele en immobiele patiënten in onder andere ziekenhuizen en verpleeg-/verzorgingshuizen. De tilbanden voorzien de liften van een zitvlak/draagvlak. Zonder een tilband kan een lift geen patiënten verplaatsen of optillen.

De tilbanden zijn vervaardigd van geconfectioneerd textiel en zijn tevens voorzien van kunststof clips of verbindingslussen om de tilband aan de lift te bevestigen en zijn voorzien van kunststof strips voor bijvoorbeeld versteviging van het ruggedeelte. De tilbanden hebben verschillende maten, afhankelijk van het gewicht van een patiënt en hebben verschillende vormen of zijn vervaardigd van een ander soort materiaal, afhankelijk van het soort lift waarvoor de tilband wordt gebruikt of het

gebruik van de tilband.

De tilbanden zijn onderdeel van patiëntenliften, welke worden ingedeeld onder tariefpost 8428.”

2.2. Verweerder heeft in de bti de tilbanden ingedeeld in de douanenomenclatuur onder de goederencode 6307 90 10. In vak 7 van de bti is de tilband als volgt omschreven:

“Een geconfectioneerd artikel, zijnde een zogenoemde tilband van textiel met ondermeer de volgende kenmerken:

- vervaardigd van een breiwerk van synthetische textielstof;

- voorzien van bevestigingsriemen;

- voorzien van kunststof verstevigingsstrippen;

- de buitenrand is volledig voorzien van een bies van textiel.

De tilband wordt gebruikt om patiënten op te tillen en te verplaatsen.

Het artikel kan niet worden aangemerkt als een deel van de in post 9021 bedoelde orthopedische artikelen.”

2.3. Tot de stukken van het geding behoren twee door de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk aan eiseres afgegeven bti’s met de nummers GB 111989363 en GB 111989265, geldig vanaf 25 september 2003 voor zogenaamde “flites”. Deze bti’s, welke de tilbanden indelen onder de goederencode 6307 90 99 10, zijn niet meer geldig. Op de website van eiseres is de flite als volgt omschreven:

“De [merknaam] Flite is een door [A] ontwikkelde revolutionaire tilband die speciaal is ontworpen om te voldoen aan de behoeften en wensen van cliënten in het ziekenhuis en de acute zorg. Flites zijn cliëntgebonden tilbanden. Het waarborgt optimale hygiëne, comfort en veiligheid bij alle tilhandelingen. Flites zijn wegwerpartikelen die bescherming bieden tegen de risico’s van kruisbesmetting.”.”

2.1.2. Het Hof gaat voor de beoordeling van het geschil uit van voormelde feiten.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil de BTI, afgegeven voor de indeling in de GN van tilbanden van textiel voor patiëntenliften, waarbij deze zijn ingedeeld onder post 6307 90 10 van de GN.

3.2. Belanghebbende betwist de BTI en staat indeling onder post 8431 39 70 van de GN voor. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de in de BTI vermelde tariefpost juist is.

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3.3. De relevante teksten van de GN luiden als volgt:

Aantekening 7 op afdeling XI:

“Voor de toepassing van deze afdeling worden aangemerkt als “geconfectioneerd”:

a) artikelen die anders dan vierkant of rechthoekig zijn gesneden;

b) artikelen die als zodanig dan wel na enkel te zijn gesneden, kunnen worden gebruikt zonder te worden genaaid of zonder een andere aanvullende bewerking te ondergaan (bijvoorbeeld sommige dweilen, handdoeken, tafelkleden, hoofddoeken, dekens);

c) artikelen waarvan de boorden zijn gezoomd, ongeacht op welke wijze, ook indien met een rolnaad, alsmede artikelen afgezet met geknoopte franje die is verkregen, hetzij met behulp van de draden van het weefsel zelf, hetzij door het aanbrengen van draden; weefsels aan het stuk waarvan de randen wegens het ontbreken van zelfkanten zijn afgezet om rafelen te voorkomen, worden echter niet als “geconfectioneerd” aangemerkt;

d) artikelen die zijn gesneden, ongeacht in welke vorm, en die, door het uittrekken van draden, van motieven, enz. zijn voorzien;

e) artikelen die zijn aaneengenaaid, aaneengelijmd of anderszins aaneengezet (met uitzondering van stukken van eenzelfde soort textiel die aan de uiteinden zijn aaneengehecht teneinde een stuk met een grotere lengte te verkrijgen en met uitzondering van stoffen die bestaan uit twee of meer op elkaar gelegde en daarna aaneengestikte lagen textiel ook indien met een tussenlaag van watten);”

Post 6307 90 10:

“6307 Andere geconfectioneerde artikelen, patronen voor kleding daaronder begrepen:

6307 10 – dweilen, vaatdoeken, stofdoeken, poetsdoeken en dergelijke:

6307 20 – zwemgordels en zwemvesten (…)

6307 90 – andere:

6307 90 10 – – van brei- of haakwerk.”

Aantekening 2, onderdelen a en b, op afdeling XVI betreffende de indeling van delen van machines:

“Behoudens het bepaalde in aantekening 1 op deze afdeling en in de aantekeningen 1 op de hoofdstukken 84 en 85, worden delen van machines (andere dan delen van artikelen bedoeld bij post 8484, 8544, 8545, 8546 of 8547) ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:

a. delen die als zodanig onder een van de posten van hoofdstuk 84 of van hoofdstuk 85 (andere dan de posten 8409, 8431, 8448, 8466, 8473, 8487, 8503, 8522, 8529, 8538 en 8548) kunnen worden ingedeeld, blijven onder die posten ingedeeld, ongeacht de machine waarvoor zij bestemd zijn;

b. delen, andere dan die bedoeld onder a hiervoor, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine of voor verschillende onder eenzelfde post vallende machines (met inbegrip van die bedoeld bij post 8479 of 8543), worden ingedeeld onder de post waaronder die machine of die machines vallen of onder een der posten 8409, 8431, 8448, 8466, 8473, 8503, 8522, 8529 of 8538, naar gelang van het geval; delen die hoofdzakelijk worden gebruikt zowel voor de goederen bedoeld bij post 8517 als voor die bedoeld bij de posten 8525 tot en met 8528, worden echter ingedeeld onder post 8517;

c. (…)”

Post 8431 39 70:

“8431 Delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de machines of toestellen bedoeld bij de posten 8425 tot en met 8430:

(…)

– van machines of toestellen bedoeld bij post 8428:

8431 31 00 – – van personen- of goederenliften (bakkenliften daaronder begrepen), dan wel van roltrappen

8431 39 – – andere:

(…)

8431 39 70 – – – andere”.

4. De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.

“5.1. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ), dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-post zijn omschreven. De door de Commissie vastgestelde toelichtingen op de GN en de in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: GS) zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de patiëntenlift, waaraan de tilband wordt bevestigd, moet worden ingedeeld onder de goederencode 8428. De rechtbank volgt partijen hierin.

5.3. Voor de indeling die eiseres voorstaat, is het noodzakelijk dat de tilband kan worden aan gemerkt als een deel van de patiëntenlift. Het HvJ heeft in de arresten C-339/98 van 19 oktober 2000 (Peacock) en C-276/00 van 7 februari 2002 (Turbon International) over de draagwijdte van het begrip “delen” terzake van GN-post 8473 voor de indeling van inktcartridges voor een printer, erop gewezen dat het begrip “delen” de aanwezigheid impliceert van een geheel voor de werking waarvan deze delen onmisbaar zijn. Het HvJ heeft in de zaak C-152/10 van 16 juni 2011 (Unomedical), herhaald wat onder het begrip “delen” moet worden verstaan en geoordeeld dat de betekenis hiervan ook heeft te gelden voor een andere tariefpost. Het HvJ heeft in laatstgenoemde zaak als volgt overwogen:

“29. Dienaangaande dient zoals de verwijzende rechter te worden vastgesteld dat verordening (EEG) nr. 2658/87 in de op het hoofdgeding toepasselijke versies de begrippen „delen” en „toebehoren” in de zin van GN-hoofdstuk 90 niet definieert. Het Hof wees in een uitspraak over de draagwijdte van deze begrippen terzake van GN-post 8473 voor de indeling van inktcartridges voor een printer, er evenwel op dat het begrip „delen” de aanwezigheid impliceert van een geheel voor de werking waarvan deze delen onmisbaar zijn, en het begrip „toebehoren” de aanwezigheid impliceert van een verwisselbare uitrusting waardoor een apparaat voor speciale werkzaamheden kan worden aangepast of die het geschikt maakt voor bijkomende werkzaamheden of voor bijzondere werkzaamheden die verband houden met de hoofdfunctie van de machine (zie arrest Turbon International, reeds aangehaald, punten 30 en 32).

30. In casu wettigt niets de conclusie dat deze begrippen niet op dezelfde wijze in het kader van de GN-posten 8473 en 9018 kunnen worden gedefinieerd. Bovendien garandeert de toepassing van dezelfde definities voor deze twee posten een coherente en uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief.

31. Dienaangaande dient, wat het begrip „delen” betreft, te worden opgemerkt dat het Hof in het arrest van 15 februari 2007, RUMA (C-183/06, Jurispr. blz. I-1559, punt 31) reeds in de gelegenheid was dit begrip zoals bepaald in het arrest Turbon International, reeds aangehaald, voor GN-post 8473 in het kader van een vraag over de indeling van een product onder verschillende postonderverdelingen van GN-hoofdstuk 85 te gebruiken.”

5.4. Bovenstaande jurisprudentie acht de rechtbank ook van toepassing in dit geschil over het begrip “delen” van tariefpost 8431. Het HvJ heeft in de zaak Unomedical in punt 30 erop gewezen dat de toepassing van dezelfde definities voor de twee daargenoemde posten uit hoofdstuk 84 en hoofdstuk 90 een coherente en uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief garandeert. Nu tariefpost 8431 zelf geen definitie van het begrip “delen” geeft, geldt des te meer dat het door het HvJ gedefinieerde begrip “delen” uit tariefpost 8473 ook heeft te gelden voor tariefpost 8431, aangezien het hierbij gaat over hetzelfde hoofdstuk 84. Gelet hierop kunnen de tilbanden niet worden aangemerkt als deel van de patiëntenlift. Gelijk het HvJ in de zaak Turbon in punt 30 van dat arrest heeft uitgelegd is het voor de goede mechanische werking van de patiëntenlift niet noodzakelijk dat de tilband eraan bevestigd is. Ook kan de vergelijking worden gemaakt met de volgende zinsnede uit punt 30 van het Turbonarrest: “zonder inktcartridge is het weliswaar niet mogelijk een op een computer verricht werk op papier over te brengen, doch dit is niet het gevolg van een gebrekkige werking van deze printer, maar wel van het ontbreken van inkt.” Zo is het ook zonder tilband weliswaar niet mogelijk een patiënt met de patiëntenlift te tillen, doch dit is niet het gevolg van een gebrekkige werking van de patiëntenlift, maar wel van het ontbreken van een tilband.

5.5. Eiseres heeft een beroep gedaan op de Toelichting IDR bij post 8431. Deze toelichting vormt een belangrijk hulpmiddel bij de uitlegging van de tariefpost, maar is rechtens niet bindend. Eiseres heeft de vergelijking gemaakt met de goederen in deze toelichting en gewezen op bladen voor egaliseermachines. Eiseres heeft weliswaar het een en ander gesteld omtrent deze bladen en machine, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Mede gelet op hetgeen onder 5.4. is overwogen kan het beroep op deze toelichting niet slagen.

5.6. Gelet op de onder 2.2. genoemde objectieve kenmerken en eigenschappen van de tilband, moet deze worden aangemerkt als een artikel vervaardigd van een breiwerk van synthetische textielstof met een buitenrand volledig voorzien van een bies van textiel. Deze artikelen vallen in Afdeling XI, textielstoffen en textielwaren. Ingevolge aantekening 7 onder a tot en met c, op afdeling XI, moet de tilband als een geconfectioneerd artikel van textiel worden aangemerkt. Binnen afdeling XI is het meest aangewezen hoofdstuk, hoofdstuk 63, “andere geconfectioneerde artikelen van textiel”. Binnen hoofdstuk 63 is tariefpost 6307, “andere geconfectioneerde artikelen, patronen voor kleding daaronder begrepen” het meest aangewezen. Van de postonderverdelingen van 6307 beantwoordt de tilband het best aan de postonderverdeling 6307 90 10: “andere van brei- of haakwerk”. Daarom moet de tilband worden ingedeeld onder de GN-code 6307 90 10. (…)”.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof stelt vast dat de onderhavige tilbanden, gelet op de fysieke kenmerken en eigenschappen in beginsel moeten worden aangemerkt als een geconfectioneerd artikel van post 6307 90 10 van de GN. Dit is evenwel anders indien wordt voldaan aan aantekening 2, onderdeel b, op Afdeling XVI en de tilbanden kunnen worden aangemerkt als deel of toebehoren van een patiëntenlift, welke dan als zodanig onder post 8431 van de GN vallen.

5.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting, waaronder het tonen van een dvd, leidt het Hof af dat de functie van een tilband zich richt op de persoon die verplaatst moet worden en niet op de lift, waarmee de verplaatsing wordt uitgevoerd. Een tilband dient ertoe om de desbetreffende persoon geschikt te maken voor verplaatsing met behulp van een tillift. De werking van een tilband kan worden vergeleken met een strop die wordt aangelegd om een last goederen om die met behulp van een hijskraan te verplaatsen. In dit verband acht het Hof mede van belang dat voor patiënten in bepaalde gevallen een eigen tilband wordt gebruikt en dat de tilband tot de uitrusting van door de patiënt gebruikte goederen kan behoren, bijvoorbeeld door het achterblijven van een tilband in een rolstoel.

5.3. Uitgaande van het onder 5.2. overwogene en hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht kan naar ’s Hofs oordeel niet worden gezegd dat de mechanische en elektrische werking van de patiëntenlift afhangt van de aanwezigheid van een tilband. De tilband is dan ook niet onmisbaar voor de werking van de patiëntenlift, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat een assortiment aan tilbanden al naar gelang de kenmerken van de te verplaatsen persoon en het doel van de verplaatsing kan worden gebruikt.

Voorts maakt, anders dan belanghebbende stelt, de tilband de patiëntenlift niet geschikt voor andere diensten dan waarvoor deze is bestemd. De tilbanden maken het niet mogelijk om de patiëntenlift aan te passen voor bijzonder werk en ook niet voor bijkomende mogelijkheden naast de hoofdfunctie. Het feit dat de vorm en afmetingen van de tilband alsmede de ophanging daarvan zijn afgestemd op de te verplaatsen patiënt, maakt de werking van de patiëntenlift niet anders.

5.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat de onderhavige tilbanden niet zijn aan te merken als delen of toebehoren van een patiëntenlift. Dit oordeel vindt bevestiging in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en met name het arrest van 19 juli 2012, nr. C-336/11, Rohm & Haas inzake polijstlappen.

5.5. De stelling van belanghebbende dat gelet op het feit dat de tilbanden uitsluitend voor patiëntenliften zijn bestemd, de tilbanden dienen te worden aangemerkt als “delen” of “toebehoren” faalt. De bestemming is niet relevant voor de kwalificatie als deel of toebehoren in de zin van de GN, vgl. het arrest van 19 juli 2012, nr. C-336/11, ov 39.

5.6. De stelling van belanghebbende dat een keurmerk slechts wordt verkregen voor de combinatie van tilband en patiëntenlift is voor de indeling in de GN evenmin relevant omdat het verkrijgen van een keurmerk wordt beoordeeld aan de hand van andere criteria dan die voor de indeling in de GN gelden.

5.7. Het beroep op de IDR toelichting, waarin tariefindelingen van ziekenliften en bladen voor egaliseermachines is opgenomen, kan belanghebbende niet baten. Deze toelichting is weliswaar een waardevol hulpmiddel maar op grond daarvan kan de definitie van het begrip delen en toebehoren zoals die is neergelegd in voormelde bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU niet terzijde worden geschoven.

5.8. Uit al het vorenoverwogene volgt dat de tilbanden terecht zijn ingedeeld onder post 6307 90 10 van de GN en dat de BTI op goede gronden is afgeven.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, D.B. Bijl en G.D. van Norden, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, als griffier. De beslissing is op 11 oktober in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.