Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1917

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
23-001157-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging zware mishandeling en mishandeling. Het hof stelt vast dat het slachtoffer zich heeft vastgegrepen aan de auto van de verdachte (kennelijk om deze tot stoppen te dwingen) toen of nadat de verdachte ging rijden. Omdat de verdachte is gestopt op het moment dat hij zich realiseerde dat dit het geval was en dat dit een gevaarlijke situatie opleverde, is het hof van oordeel dat het opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel op mishandeling niet kan worden bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001157-12

datum uitspraak: 25 september 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 2 februari 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-130769-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

adres: [straat] 184, [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek in hoger beroep van 25 september 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te Overveen, gemeente Bloemendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met zijn (personen)auto (met verhoogde snelheid) is weggereden, (terwijl die [benadeelde] tegen en/of naast het (bestuurders)portier van die auto stond en/of leunde op de raamopening van het (bestuurders)portier van die auto) en/of

- (vervolgens) terwijl die [benadeelde] zich aan de/het auto(portier) vasthield/klemde is doorgereden met zijn (personen)auto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te Overveen, gemeente Bloemendaal opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]),

- met zijn (personen)auto (met verhoogde snelheid) is weggereden, (terwijl die [benadeelde] tegen en/of naast het (bestuurders)portier van die auto stond en/of leunde op de raamopening van het (bestuurders)portier van die auto) en/of

- (vervolgens) terwijl die [benadeelde] zich aan de/het auto(portier) vasthield/klemde is doorgereden met zijn (personen)auto, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vrijspraak

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte een woordenwisseling heeft gehad met de aangever, waarbij de verdachte zich op de bestuurdersplaats van zijn stilstaande auto bevond en de aangever daarnaast op de weg. Vervolgens is de verdachte gaan rijden en is de verdachte over enige afstand met de auto meegerend en/of door de auto meegesleurd terwijl hij zich aan die auto vasthield of vastklemde. Het hof constateert dat er verschillend wordt verklaard over hoe dit laatste in zijn werk is gegaan.

De verdachte heeft verklaard dat de aangever op het moment dat de verdachte ging rijden, is meegerend met de auto van de verdachte en zich vervolgens heeft vastgegrepen aan de dakrail van die auto. Toen de verdachte zich realiseerde dat de aangever tijdens het rijden aan de auto hing en de verdachte "stoppen, stoppen" hoorde roepen, is hij gestopt omdat hij zich realiseerde dat dit gevaar voor de aangever kon opleveren. Deze gang van zaken wordt door de toevallige passant [getuige] op een belangrijk punt ondersteund, waar deze heeft verklaard dat de aangever zich vasthield of bleef vasthouden aan de dakrail van de auto van de verdachte toen deze in beweging was.

De aangever heeft daarentegen verklaard dat hij op de deur van de auto van de verdachte leunde en dat hij toen de verdachte ging rijden, werd meegesleurd en zichzelf vastklemde aan die deur. De bestuurder van het busje waarin de aangever meereed heeft verklaard dat de aangever op de portierraamopening van de auto van de verdachte leunde en dat toen de auto in beweging kwam, de aangever nog steeds zo leunde en aldus werd meegesleurd.

Ook als deze verklaringen voor juist worden gehouden op de punten dat de aangever naast de auto stond en daarop leunde, kan daaruit nog niet worden afgeleid dat er voor de aangever op het moment dat de auto in beweging kwam enige reden was om op die auto te blijven leunen of een onmogelijkheid om zich daarvan los te maken. Daar komt bij dat, anders dan de aangever, noch de getuige [getuige], noch de bestuurder van het busje hebben verklaard dat de deur van de auto van de verdachte aan de passagierskant open was en door de verdachte wordt ontkend dat dit het geval was: hij heeft de deur volgens zijn verklaring helemaal niet open gehad. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat de aangever op de deur leunde en zich daaraan heeft vastgeklemd toen de verdachte ging rijden. Ten slotte valt moeilijk voor te stellen dat de aangever, hangend op de sponning van het portierraam zoals de bestuurder van het busje heeft verklaard, aldus over een flinke afstand door de auto zou zijn meegesleurd.

Gelet op het vorenoverwogene gaat het hof er van uit dat de gang van zaken is geweest zoals de verdachte dit heeft verklaard.

Nu daarmee vast staat dat het de aangever is geweest die zich heeft vastgegrepen aan de auto (kennelijk om deze tot stoppen te dwingen) toen of nadat de verdachte ging rijden en de verdachte is gestopt op het moment dat hij zich realiseerde dat dit het geval was en dat dit een gevaarlijke situatie opleverde, is het hof van oordeel dat het opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel op mishandeling niet kan worden bewezen. Gelet hierop dient de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 170,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de elfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. J.D.L. Nuis en mr. P.C. Kortenhorst, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 september 2012.