Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1815

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
200.099.102
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie; limitering; vaststelling termijn ingevolge artikel II, lid 2, van de overgangsbepalingen WLA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.099.102

(zaaknummer rechtbank 301550 / FA RK 11-933)

beschikking van de familiekamer van 27 september 2012

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. H.E. Brokers-van Dijk te Vleuten, gemeente Utrecht,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. J. Ran te Utrecht.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 21 september 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 december 2011, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw beschikkende alsnog te bepalen:

- dat de man aan haar voor haar levensonderhoud zal verstrekken een bedrag van € 988,01 per maand (inclusief het deel van het aan haar toekomende ouderdomspensioen) tot 1 januari 2017,

- dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan mogelijk is,

kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 februari 2012, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Daarbij heeft hij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij verzoekt het hof in het principaal hoger beroep hetgeen de vrouw heeft verzocht af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende zijn verzoek tot wijziging van de alimentatie zoals deze is vastgesteld bij vonnis van 9 juli 1986 toe te wijzen op grond van de gewijzigde omstandigheden en voorts, indien het hof van oordeel mocht zijn dat, rekening houdend met de draagkracht van partijen, hij nog alimentatieplichtig jegens de vrouw is, deze alimentatieplicht te limiteren, al dan niet in fases, en te bepalen dat zijn verplichting om in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien definitief eindigt.

2.3 Daarop heeft de vrouw in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 20 april 2012, waarin zij het hof verzoekt hetgeen de man heeft verzocht in het incidenteel hoger beroep ten aanzien van de wijziging van de alimentatieverplichting en de limitering af te wijzen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 21 januari 1965 met elkaar gehuwd. De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 9 juli 1986 echtscheiding tussen hen uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op 9 april 1987 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren.

3.2 Bij voormeld echtscheidingsvonnis, bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 oktober 1987, heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van dat vonnis in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ƒ 1.250,- per maand zal voldoen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 988,01 per maand (en met ingang van 1 januari 2012 € 1000,85 per maand).

3.3 Bij verzoekschrift, gedateerd 10 februari 2011, heeft de man verzocht zijn verplichting om de bij het echtscheidingsvonnis vastgestelde uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw te verstrekken met ingang van 1 maart 2011 op nihil te stellen.

3.4 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank - het bedrag dat de man met ingang van 1 oktober 2011 zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 988,01 per maand in de periode van 1 oktober 2011 tot 1 oktober 2012, op € 658,67 per maand in de periode van 1 oktober 2012 tot 1 oktober 2013 en op € 329,34 per maand in de periode van 1 oktober 2013 tot 1 oktober 2014,

- bepaald dat de verplichting van de man om in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien eindigt op 1 oktober 2014,

- bepaald dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is en

- hetgeen meer of anders is verzocht afgewezen.

3.5 In het bedrag dat de man maandelijks aan de vrouw betaalt, is begrepen een bedrag van € 221,40 uit het pensioen van de man.

Ten aanzien van de man

3.6 De man, geboren op [geboortedatum] 1931, is gehuwd met [A.] (verder te noemen "[A.]"), geboren op [geboortedatum] 1948, die volgens de jaaropgave 2010 een pensioenuitkering ontvangt van Pensioenfonds Zorg & Welzijn van € 14.803,-.

De man ontvangt een AOW-uitkering van € 8.409,- bruto per jaar en daarnaast volgens de jaaropgaven 2010 een pensioenuitkering van Nationale Nederlanden van € 14.937,-, een pensioenuitkering van € 3.450,- van Reaal Verzekeringen en een pensioenuitkering van € 424,- van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid.

De man heeft naast de algemene heffingskorting recht op de ouderenkorting.

3.7 De woonlasten van de man en [A.] bedragen per maand € 578,- aan huur (inclusief servicekosten). De overige maandelijkse lasten van de man bedragen:

- € 84,60 aan ziektekosten in 2011:

- € 105,85 premie basisverzekering ZVW,

- € 23,75 premie aanvullende verzekering ZVW

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 45,- per maand voor een alleenstaande.

De man en [A.] ontvangen een zorgtoeslag van € 94,-.

Ten aanzien van de vrouw

3.8 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1933, is alleenstaand. De vrouw ontvangt volgens de jaaropgaven 2010 een AOW-uitkering van € 12.561,- per jaar en een pensioenuitkering van het ABP van € 1.369,- per jaar.

De vrouw heeft naast de algemene heffingskorting recht op de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

3.9 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 440,19 aan huur;

- € 30,70 aan ziektekosten in 2011:

- € 98,51 premie basisverzekering ZVW,

- € 23,19 premie aanvullende verzekering,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 45,- per maand voor een alleenstaande en de zorgtoeslag van € 46,-.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ten eerste is aan de orde of de man in hoger beroep op een andere grondslag wijziging van de partneralimentatie kan verzoeken. Volgens de vrouw heeft de man niet als zodanig een grief geformuleerd, zodat hij (in zoverre) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep. Daarnaast betwist de vrouw dat sprake is van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man.

4.2 De man voert ten eerste aan dat er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat de eerder vastgestelde alimentatie heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Nu het de man vrij staat (de grondslag voor) zijn verzoek in hoger beroep te wijzigen, hij zijn bezwaren tegen de bestreden beschikking voldoende duidelijk heeft gemaakt en de vrouw (daartegen) ook verweer voert, is er naar het oordeel van het hof geen grond om de man niet-ontvankelijk te verklaren.

4.3 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de afwijzing van het verzoek van de man tot beëindiging van de alimentatieverplichting in hoger beroep niet (langer) in geschil is. Aan de orde is de vraag wat de termijn is gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man dient voort te duren, indien zijn draagkracht een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw toelaat. De vrouw verzoekt vaststelling van een termijn van vijf jaar, met de mogelijkheid verlenging van die termijn te verzoeken; de man verzoekt de alimentatieduur, al dan niet in fases, te limiteren.

4.4 De vrouw voert aan dat de rechtbank niet zonder meer een termijn had mogen vaststellen waarop de alimentatieverplichting zal eindigen, maar partijen in de gelegenheid had moeten stellen zich uit te laten over (het ontbreken van) een verlengingsverzoek. Nu het hoger beroep mede dient om verzuimen in eerste aanleg te herstellen en partijen zich hierover alsnog hebben uitgelaten, is dit verzuim hersteld. Dit behoeft daarom niet te leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.

4.5 Aan de orde is de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Omdat gebleken is dat de man inmiddels gepensioneerd is, is er naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt. Aangezien de man deze wijziging van omstandigheden pas aan de orde heeft gesteld in zijn verweerschrift in hoger beroep van 28 februari 2012 oordeelt het hof het redelijk een wijziging van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te laten ingaan op 1 maart 2012.

4.6 De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.

4.7 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.6 en 3.7 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.8 Gelet op de verplichting van de man maandelijks € 221,40 (bruto) aan pensioen aan de vrouw te betalen, houdt het hof rekening met deze last in zijn draagkrachtloos inkomen. Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting en de door uitkeringsinstanties afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

4.9 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft, houdt het hof evenals partijen rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60, waarbij [A.] wordt geacht de helft van de (gezamenlijke) woonlasten te dragen.

4.10 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander heeft de man met ingang van 1 maart 2011 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 481,- per maand.

4.11 Omdat de man stelt dat de vrouw bij toekenning van partneralimentatie meer vrij te besteden overhoudt, ziet het hof aanleiding een jusvergelijking te maken. Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60 en de hiervoor onder 3.8 en 3.9 vermelde financiële gegevens. Het bedrag aan pensioen dat de vrouw maandelijks van de man ontvangt, beschouwt het hof als netto-inkomen. Uit deze berekening blijkt dat de vrouw bij genoemde alimentatie meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Bij een alimentatie van € 347,- per maand (dus naast het bedrag van € 221,40 per maand dat de man uit zijn pensioen aan de vrouw voldoet) hebben partijen een gelijke vrije ruimte. Het hof zal daarom dit bedrag vaststellen.

4.12 De rechtbank heeft het verzoek van de man de verplichting een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken aan de vrouw te beëindigen, afgewezen. Daartegen is in dit hoger beroep geen grief gericht. Het hof dient thans een termijn vast te stellen ingevolge artikel II, lid 2, van de overgangsbepalingen behorende bij de Wet limitering van alimentatie van 28 april 1994, Stb. 324.

4.13 De man heeft verzocht om een gefaseerde afbouwregeling van de alimentatieverplichting. Het hof is van oordeel dat een afbouw van de alimentatieverplichting in dit geval niet in de rede ligt. Daartoe overweegt het hof het volgende. De vrouw was 31 jaar oud toen het huwelijk tussen partijen werd gesloten. Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren. De vrouw was meer dan de man belast met de opvoeding en verzorging van de kinderen. Als onbetwist staat vast dat de taakverdeling binnen het huwelijk traditioneel was; de man was fulltime werkzaam en zorgde voor het gezinsinkomen en de vrouw nam de zorg voor de kinderen op zich. De vrouw heeft voor het huwelijk gewerkt als kleuterleidster, maar heeft tijdens het huwelijk niet gewerkt. Door deze omstandigheden en het gegeven dat de vrouw 53 jaar oud was ten tijde van de echtscheiding (het huwelijk heeft 22 jaar geduurd), is de vrouw niet in staat geweest om zich een inkomen te verwerven waarmee ze in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Het huwelijk heeft dan ook haar verdiencapaciteit negatief beïnvloed. De vrouw is thans 78 jaar oud. Voorts is gebleken dat de man de vrouw ten tijde van de echtscheiding en op het moment dat hij met pensioen ging heeft beloofd aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens haar te zullen blijven voldoen. Het hof voegt hieraan toe, gezien de huidige hoge leeftijden van partijen en de broze gezondheid van de man, het in het belang van partijen te vinden dat de eerstkomende jaren geen voor beiden belastende procedures plaatsvinden. Het hof is dan ook van oordeel dat de onderhoudsverplichting van de man dient voort te duren tot 1 januari 2017 met bepaling dat deze termijn op verzoek van de vrouw kan worden verlengd.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 21 september 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 9 juli 1986 en stelt de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 maart 2012 vast op € 347,- per maand,

verlengt de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw voortduurt tot 1 januari 2017;

bepaalt dat na ommekomst van deze termijn verdere verlenging daarvan mogelijk is;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.H.H.A. Moes en R. Krijger, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 27 september 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.