Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1490

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
29-10-2012
Zaaknummer
200.031.949-02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease; rechtsgeldige vernietiging ex art. 1:89 BW, gelet op opschrift en bewoordingen brief. Dexia toegelaten tot bewijs dat vernietigingsrecht is verjaard; vraag of de betalingen zijn verricht van een en/of rekening in eerste aanleg niet aan de orde geweest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ woonplaats ],

APPELLANT IN PRINCIPAAL APPEL,

GEÏNTIMEERDE IN VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL APPEL

advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE IN PRINCIPAAL APPEL,

APPELLANTE IN VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [ Appellant ] en Dexia genoemd.

Bij dagvaarding van 16 september 2008 is [ Appellant ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), uitgesproken op 18 juni 2008 onder zaak-/rolnummer 846620 DX 07-286 en gewezen tussen [ Appellant ] als eiser en Dexia als gedaagde.

[ Appellant ] heeft één grief voorgesteld, bewijs aangeboden, stukken in het geding gebracht en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en zijn vorderingen alsnog toe te wijzen, met veroordeling van Dexia in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft Dexia de grief bestreden, harerzijds in voorwaardelijk incidenteel appel één grief aangevoerd en geconcludeerd in principaal appel tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, de restitutieplicht van Dexia vast te stellen op maximaal € 2.295,58, onder verrekening van de vordering van Dexia op [ X ] uit hoofde van de leaseovereenkomst van € 2.931,31, en in voorwaardelijk incidenteel appel tot afwijzing van de vorderingen van [ Appellant ], met veroordeling van [ Appellant ] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.

[ Appellant ] heeft in voorwaardelijk incidenteel appel geantwoord en geconcludeerd tot afwijzing, met veroordeling van Dexia in de kosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.8, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daaromtrent bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, aangevuld met feiten die in hoger beroep eveneens als gesteld en niet (voldoende gemotiveerd) betwist zijn komen vast te staan.

3. Beoordeling

3.1 [ X ] (hierna: [ X ]) heeft op 22 december 2000 een overeenkomst tot effectenlease (hierna : de leaseovereenkomst) gesloten, genaamd Profit Effect Maandbetaling, nummer 56093015 met als wederpartij een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna eveneens: Dexia)

3.2 [ X ] was ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomst gehuwd met [ Appellant ].

3.3 Op grond van de leaseovereenkomst heeft [ X ] een geldbedrag van Dexia geleend, waarmee aandelen zijn aangekocht die zij van Dexia heeft geleast. Over het geleende geldbedrag was [ X ] rente verschuldigd. Dexia heeft de leaseovereenkomst met een looptijd van 120 maanden, op 7 maart 2007 wegens betalingsachterstand tussentijds beëindigd.

3.4 Met betrekking tot de leaseovereenkomst heeft [ X ] in totaal een bedrag van € 3.041,08 aan Dexia betaald en een bedrag van € 301,86 aan dividend ontvangen. Betalingen hebben plaatsgevonden vanaf een rekening bij Fortis Bank met rekeningnummer [ rekeningnummer ] ten name van “Mw [ Appellant ] [X ]”.

3.5 [ Appellant ] heeft aan [ X ] geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de leaseovereenkomsten, hoewel [ X ] voor het aangaan van de leaseovereenkomsten krachtens het bepaalde in artikel 1:88 BW wel zijn toestemming behoefde.

3.6 Bij brief van 14 maart 2006 heeft mr. Meijer voornoemd een brief naar Dexia gestuurd. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“ (…)

Behandeld door: mr. M.J. Meijer

Onze referentie (…)

Onderwerp: [ Appellant ]/Dexia

(…)

Geachte Directie,

Tot mij wendde zich de heer [ X ] wonende te Haarlem.

Op 22 december 2000 is tussen de echtgenote van cliënt en uw bankinstelling (…) een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen. Het gaat daarbij om het contract met het nummer 56093015.

Het door de echtgenote van cliënt getekende contract is echter zonder zijn toestemming gesloten, hoewel het contract op grond van artikel 1:88 BW wel zijn toestemming behoefde.

Nu de toestemming ontbreekt beroept cliënt zich op de vernietigingsgrond als opgenomen in artikel 1:89 BW, (…).

(…)

Mocht de echtgenote van mijn cliënt de desbetreffende betalingen niet binnen 14 dagen na heden van u ontvangen, (…).

(…)”

3.7 Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard (hierna: de WCAM-overeenkomst) voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De WCAM-overeenkomst bevat een regeling voor de afwikkeling van schade ontstaan uit effectenleaseovereenkomsten.

[ X ] en [ Appellant ] hebben door een schriftelijke mede¬deling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW tijdig , namelijk op 8 februari 2007, laten weten dat zij niet aan de WCAM-overeenkomst gebonden willen zijn. Derhalve heeft de WCAM-overeenkomst (mede) ten aanzien van [ Appellant ] geen gevolg, zodat die overeenkomst hem niet bindt.

3.8 Bij dagvaarding van 23 februari 2007 heeft [ Appellant ] met een beroep op artikel 1:89 BW een verklaring voor recht gevraagd dat de leaseover¬eenkomst rechtsgeldig door hem is vernietigd en terugtaling gevorderd van het bedrag dat [ X ] op grond van de leaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald, met rente en kosten, alsmede tot het ongedaan maken van haar registratie bij het Bureau Krediet Registratie te Tiel op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van Dexia in de kosten. Dexia heeft onder meer als verweer gevoerd dat het recht van [ Appellant ] om de leaseovereenkomst op voornoemde grond te vernietigen, is verjaard en dat de brief van 14 maart 2006 niet namens [ Appellant ] maar namens [ X ] is gezonden.

3.9 De kantonrechter heeft het beroep van Dexia op verjaring gehonoreerd. Daartoe heeft hij overwogen dat de stelling van Dexia, op wie ter zake van de verjaring de bewijslast rust, dat er in Nederlandse gezinsverhoudingen van uitgegaan mag worden dat de echtgenoot er steeds van op de hoogte is wanneer de partner investeringen als de onderhavige doet, door [ Appellant ] onvoldoende gemotiveerd is betwist. Weliswaar heeft [ Appellant ] aangevoerd dat hij reeds ver vóór het aangaan van de leaseovereenkomst feitelijk niet meer met [ X ] samenwoonde maar hij heeft niet gesteld op welk moment en onder welke omstandigheden hij bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst, aldus de kantonrechter. Door de kantonrechter is aangenomen dat minimaal eens per maand een rekeningafschrift werd ontvangen en dat, gelet op de datum waarop de eerste betalingen uit hoofde van de leaseovereenkomst hebben plaatsgehad, daarmee vast staat dat het beroep op de hier bedoelde vernietigbaarheid niet binnen drie jaar na bedoelde ontvangstdatum heeft plaatsgevonden. In het midden kan dan ook worden gelaten de vraag of de brief van 14 maart 2006 een rechtgeldige vernietiging in de zin van artikel 1:89 BW betreft, aldus nog steeds de kantonrechter.

Aangezien naar zijn oordeel het vernietigingsrecht is verjaard, heeft de kantonrechter de daarop gebaseerde vordering van [ Appellant ] afgewezen en is hij niet toegekomen aan een behandeling van de overige vorderingen. Hiertegen is het beroep van [ Appellant ] gericht.

3.10 Alvorens in te gaan op de grief van [ Appellant ] zal het hof de voorwaardelijke incidentele grief van Dexia behandelen. Daarin voert Dexia aan dat de brief van 14 maart 2006 geen rechtgeldige vernietiging in de zin van artikel 1:89 BW betreft omdat de brief is geschreven uit naam van “de heer [ X ]”, terwijl een beroep op vernietiging uitsluitend kan worden gedaan door of namens de persoon aan wie dat recht toekomt, in casu [ Appellant ].

3.10.1 Dit betoog kan niet slagen. Uit de onder 3.6 weergegeven inhoud van de betreffende brief moet het voor Dexia duidelijk zijn geweest dat hiermee werd beoogd namens [ Appellant ] de vernietiging in te roepen van de door zijn echtgenote [ X ] gesloten leaseovereenkomst. Zowel uit het opschrift “Onderwerp: [ Appellant ]/Dexia” als uit de overige bewoordingen van de brief waarin wordt gesproken van “de echtgenote van cliënt” als degene die de leaseovereenkomst heeft gesloten en van “cliënt” als degene wiens toestemming ontbreekt, kan niet anders worden opgemaakt dan dat mr. Meijer de brief heeft geschreven uit naam van zijn cliënt, [ Appellant ]. Derhalve faalt de grief van Dexia.

3.11 Met zijn grief voert [ Appellant ] aan dat zijn vernietigingsrecht op 14 maart 2006 niet was verjaard en dat de bewijslast van de mogelijke termijnoverschrijding op Dexia rust.

Volgens [ Appellant ] nam hij geen kennis van financiële stukken betreffende de in het geding zijnde rekening – die géén “en/of” rekening betrof - waar ten gunste van Dexia ten behoeve van de leaseovereenkomst (termijn)bedragen werden afgeschreven. Ook doen [ Appellant ] en [ X ] ieder hun eigen belastingaangifte, zonder inzage in die van de ander. Over financiële zaken werd thuis niet gesproken, aldus [ Appellant ]. Hij woonde in 2000, het jaar waarin [ X ] de leaseovereenkomst is aangegaan, gescheiden van zijn echtgenote en werd hierover pas in december 2005 door [ X ] geïnformeerd naar aanleiding van een eigen kredietaanvraag waarin een BKR-melding voorkwam. Dit zou meebrengen dat de bevoegdheid van [ Appellant ] tot vernietiging van de leaseovereen¬komst wegens het ontbreken van zijn toe¬stemming op 14 maart 2006 nog niet was verjaard, aldus nog steeds [ Appellant ].

Het hof overweegt hierover als volgt.

3.12 De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, wegens het ontbreken van de toestemming verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW). Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de ver¬jaringstermijn, is bepalend wanneer de echt¬genoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Na de voltooiing van de verjarings¬termijn kan die echtgenoot de over¬eenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen.

Het komt er dus op aan wanneer [ Appellant ] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van leaseovereenkomst die hij heeft bedoeld te vernietigen.

3.13 De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen en, bij voldoende betwisting, te bewijzen waaruit de gegrond¬heid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij, bij een verjaringstermijn zoals thans aan de orde, om feiten waaruit volgt dat de wederpartij met de overeen¬komst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen.

3.14 Onder verwijzing naar hetgeen [ Appellant ] onder 3.11 heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat (anders dan de kantonrechter heeft overwogen en beslist) [ Appellant ] de stelling van Dexia dat hij meer dan drie jaar vóór 14 maart 2006 kennis droeg van de leaseovereenkomst voldoende gemotiveerd heeft betwist. Anders dan Dexia betoogt, is in eerste aanleg niet komen vast te staan dat de betalingen op grond van de leaseovereenkomst zijn verricht vanaf een zogenaamde “en/of”- rekening (in welk geval het aan [ Appellant ] is om tegenbewijs te leveren van de door Dexia gestelde bekendheid). Evenmin heeft de kantonrechter, anders dat Dexia in alinea 15 van de memorie van antwoord betoogt, overwogen dat betaald is van een en/of-rekening. In eerste aanleg is dat punt niet aan de orde geweest. In hoger beroep heeft Dexia haar stelling terzake onvoldoende toegelicht, zodat dat in hoger beroep evenmin is komen vast te staan.

3.15 Derhalve rust de bewijslast ten aanzien van de verjaring op Dexia en is het aan haar te bewijzen dat [ Appellant ] meer dan drie jaar vóór 14 maart 2006 met het bestaan van de leaseovereenkomst bekend was. Nu Dexia bewijs heeft aangeboden, zal zij tot bewijslevering worden toegelaten.

3.16 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. Beslissing

Het hof:

laat Dexia toe tot het leveren van bewijs dat [ Appellant ] met het bestaan van de leaseovereenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat hij heeft gepoogd deze bij brief van 14 maart 2006 te vernietigen;

bepaalt dat als Dexia dit bewijs wenst te leveren door getuigen een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van het hier¬bij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. E.M. Polak, die daartoe zitting zal houden op dinsdag 30 oktober 2012 te 13.00 uur, in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam;

bepaalt dat de raadsman van Dexia dient na te (laten) gaan of partijen, hun raadslieden en de door Dexia voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze - zo dat niet het geval zou zijn - uiterlijk op 2 oktober 2012 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de maanden november en december 2012 aan het enquêtebureau van het hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, E.M. Polak en D.J. Oranje en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2012 door de rolraadsheer.