Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1475

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2012
Datum publicatie
29-10-2012
Zaaknummer
23-000469-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:BV1327, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:952, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gewoonte maken van het beledigen van een groep Joodse mensen en instellingen per e-mail. Strafbaar gelet op het

beoordelingskader van de Hoge Raad omtrent artikel 137c Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23/000469-12

datum uitspraak: 29 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13/676501-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

15 oktober 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het

Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Met inachtneming van de in hoger beroep door het gerechtshof ter terechtzitting toegelaten wijziging tenlastelegging (ten aanzien van feiten 3 en 4) is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 05 maart 2011 tot en met 05 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of 45 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst (uitlating 2): "opdat jullie de joden duidelijk kunnen maken dat er geen plaats is in onze christelijke samenleving voor criminele misdadigers", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

feit 2:

hij op of omstreeks 06 maart 2011 tot en met 06 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of 44 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst (uitlating 1): "verdom de joden en schop ze het land uit", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

feit 3:

hij op of omstreeks 26 februari 2011 tot en met 11 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden), wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of 23 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst (uitlating 3 en 4): "waarom heb ik deze beelden niet op de tv in Nederland gezien??????????????????? omdat het jodentuig onze media beheerst!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!! het wordt tijd dat wij Nederlanders van christus geboren erkennen een fout gemaakt te hebben toen wij onze samenleving open hebben gesteld voor die achterbakse, drammerige joden (..)", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

feit 4:

hij op of omstreeks 26 februari 2011 tot en met 11 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of 23 andere geadresseerden met daarin (ondermeer) de tekst (uitlating 5): "WORDT WAKKER EN SCHOP DE JODEN DIE ONS SCHULD AANPRATEN HET LAND UIT EN SLOOP ALLE INSTITUTEN DIE DIT SCHULDGEVOEL CULTIVEREN. ANNE FUCK HUIS, WESTERBORK FUCK, JOODS HISTORISCH FUCK ETC..ETC", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

feit 5:

hij op of omstreeks 13 maart 2011 tot en met 13 april 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, (te weten Joden,) wegens hun godsdienst en/of ras, door een e-mail te verzenden aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of 44 andere geadresseerden met daarin de tekst (uitlating 6): "DEPROGRAMMEER JEZELF EN KOOP NIET MEER BIJ DE JODEN, BESPUUG ZE EN LAAT ZE WETEN DAT WIJ VIES ZIJN VAN DE JODEN.", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl verdachte hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

feit 6:

hij op of omstreeks 12 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend

[slachtoffer 5], door toezending en/of aanbieding van een geschrift (een e-mail) heeft toegevoegd de woorden "he fucking Amsterdamse Jood, jij moet mijn anti Joodse troep videos accepteren, als jij ziojoodsefucker dit niet accepteert zal ik een klacht indienen dat jij kritiek op jouw proziojoodse standpunten niet accepteert, dat jij ziojood moet een ding niet vergeten, ik betaal jouw salaris en als keuze aan mijn zou zijn, dan sodemieter ik jullie eerst de stad uit, dan het land uit en dan uit deze wereld, jullie zijn van een soort om uit te kotsen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan - in het licht van hetgeen hierna wordt overwogen - niet in stand blijven, omdat het hof de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten wel bewezen acht, evenals het bestanddeel ‘een gewoonte heeft gemaakt’ ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5. Op grond hiervan komt het hof tot

een andere strafoplegging dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde

Algemeen kader

De onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten hebben betrekking op uitlatingen die de verdachte

per e-mailberichten aan meerdere geadresseerden (respectievelijk aan 48, 47, 25, 26 en 47 geadresseerden) heeft verzonden. In de tenlastelegging is omschreven over welke onderdelen uit die

e-mailberichten het in de onderhavige procedure specifiek/feitelijk gaat.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 15 oktober 2012 erkend dat hij de e-mailberichten vanaf zijn computer vanuit zijn woonadres te Amsterdam heeft verstuurd. De verdachte verklaarde voorts dat hij wilde provoceren en een maatschappelijk debat wilde uitlokken, omdat de Holocaust wordt gebruikt

om kritiek af te wimpelen en omdat de verhouding tussen het beledigen van moslims en het beledigen van joden totaal zoek is. Hetgeen hij heeft geschreven moet - aldus de verdachte - in deze context worden gezien. Daarnaast heeft de verdachte aangegeven dat zijn e-mailberichten slechts tot een beperkte groep mensen waren gericht, waardoor geen sprake was van het ‘in de openbaarheid’ brengen van de inhoud van die e-mailberichten.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd dat deze ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, gezien het door de Hoge Raad met betrekking tot artikel 137c Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gegeven toetsingskader. De verklaringen van de verdachte zijn beledigend voor joden en zijn niet binnen een bepaalde context geplaatst. Bovendien waren de e-mailberichten aan een dermate grote groep personen gericht dat gesproken kan worden van het in de openbaarheid brengen van die berichten, aldus de advocaat-generaal.

Het hof zal hierna het, door de Hoge Raad geformuleerde, toetsingskader uiteenzetten en toepassen in de onderhavige zaak.

Toetsingskader artikel 137c, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (groepsbelediging)

Het juridisch kader

Artikel 137c, eerste lid, Sr stelt strafbaar het zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie met betrekking tot artikel 137c, eerste lid, Sr criteria/een toetsingskader ontwikkeld om te beoordelen in hoeverre uitlatingen strafbaar zijn op grond van deze bepaling (zie hierover onder meer: HR 14 januari 2003, LJN AE7632 en recent HR 29 november 2011, LJN BQ6731).

Het hof overweegt, met de rechtbank, dat gezien voornoemd toetsingskader in de eerste plaats dient te worden beoordeeld in hoeverre de uitlatingen, op zichzelf beschouwd, beledigend zijn voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst, of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele geaardheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap. Hierbij wordt gekeken naar de feitelijke bewoordingen, als ook naar de samenhang met de rest van de tekst. Om te beoordelen of een uitlating woordelijk beledigend is, dient een objectieve toets plaats te vinden waarbij van belang is of een uitlating naar algemeen spraakgebruik beledigend is. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen

(HR 30 oktober 2001, LJN AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan. Het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst valt alleen onder artikel 137c, eerste lid, Sr als men de mensen behorend tot die groep collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn

(HR 10 maart 2009, LJN BF0655).

De tweede toets betreft de vraag of een uitlating in een bepaalde context is gedaan en zo ja in welke. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de context waarin een uitlating is gedaan het beledigend karakter van de uitlating weg kan nemen, indien de uitlating een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of als de uitlating onder de bescherming van artistieke expressie valt. De reikwijdte van die context wordt gevormd door verdachtes recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waaronder ook een e-mailbericht valt. Het hof wijst in dit verband op de volgende uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM):

EHRM 26 april 1979, LJN AC6568 (Sunday Times): “(…) subject to paragraph 2 of article 10, it is applicable not only to information or ideas that are favourable received or regarded as inoffensive of as

a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population”; en

EHRM 23 mei 1991, LJN AD1416 (Oberschlick): “Article 10 protects not only the substance of the ideas and information expressed, but also the form in which they are conveyed”.

De derde toets betreft de beoordeling of de beledigende uitlating, die een bijdrage levert aan of dienstig

is aan een publiek maatschappelijk debat of een geloofsopvatting of indien deze uitlating onder bescherming van de artistieke expressie valt, niettemin toch onnodig grievend is.

Beledigend karakter uitlatingen

Voor wat betreft de tekst van de uitlatingen is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat de ten laste gelegde teksten op zichzelf beschouwd beledigend zijn voor joodse mensen. De uitlatingen stellen

joodse mensen immers in een ongunstig daglicht en treffen hen als groep. Het hof is van oordeel dat

aan de eerste stap van het toetsingskader is voldaan.

De context van de uitlatingen

De volgende vraag is of de uitlatingen van de verdachte dienstig waren aan of een bijdrage leverden aan enig publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of aan een artistieke expressie. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is.

Het hof stelt voorop dat, anders dan de verdachte kennelijk meent, de louter subjectieve intentie van de verdachte niet beslissend is. Als bepaalde uitlatingen in hun context moeten worden beschouwd, dan moet die context voor derden kenbaar zijn en moet naar objectieve maatstaven de context zodanig zijn, dat het beledigende karakter van de betreffende uitlating wegvalt (HR 27 maart 2012, LJN BV5623). Naar het oordeel van het hof is daarvan in de zaak van de verdachte geen sprake. De verdachte heeft

naar een groot aantal personen en instanties e-mailberichten gestuurd met beledigende teksten. Niet is gebleken dat de uitlatingen in die e-mailberichten zijn gedaan binnen een voor de ontvangers kenbare context, waarbij nog van belang wordt geacht dat - gelet op de aard van de uitlatingen waarvan in casu sprake is - rekening dient te worden gehouden met ontvangers die door het enkele kennisnemen van de inhoud van de e-mailberichten - die aan hen ongevraagd worden toegezonden - dermate zijn geschokt, dat zij verder geen kennis willen nemen - wat ook niet van hen kan en mag worden verlangd - van het door de verdachte uitgedragen gedachtegoed, hetgeen ook blijkt uit de tegen de verdachte gedane aangiften. Het feit dat de verdachte in een aantal e-mailberichten Youtube filmpjes meestuurde die zijns inzien laten zien dat Israel en de Joodse mensen misdaden plegen jegens de Palestijnen maakt dit, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet anders.

Onnodig grievend

Nu het hof, met de rechtbank, van oordeel is dat de aan verdachte onder feiten 1 tot en met 5 ten laste gelegde uitlatingen niet in de context van een maatschappelijk debat zijn gedaan, of als een geloofsopvatting of een artistieke uiting kan de derde, door de Hoge Raad geformuleerde, toets onbesproken blijven.

Openbaarheid

Het hof is van oordeel dat uit het feit dat de verdachte de e-mailberichten stuurde naar publieke personen uit de Tweede Kamer, politieke partijen, pers, televisieomroepen en andere organisaties kan worden afgeleid dat de opzet van de verdachte gericht was op het bekend worden van de inhoud van die berichten bij het publiek. De groep waaraan de verdachte de e-mailberichten stuurde kan bovendien niet worden gekwalificeerd als een (kleine) groep gelijkgestemden. Het hof is derhalve van oordeel dat aan het vereiste van openbaarheid is voldaan.

Artikel 137c, tweede lid, Sr

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het bestanddeel ‘een gewoonte heeft gemaakt’, aangezien volgens de rechtbank per ten laste gelegd feit slechts één e-mail is verstuurd op één datum.

Het hof is een ander oordeel toegedaan.

Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag of de verdachte van het beledigen van Joodse mensen een gewoonte heeft gemaakt, beslissend is of dit kan volgen uit de bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen in onderhavige zaak dat de verdachte van zijn gedragingen een gewoonte heeft gemaakt. Dit volgt immers uit de veelheid van de e-mailberichten die zich in het dossier bevinden en het feit dat de verdachte deze e-mailberichten gedurende een periode van twee maanden naar meerdere personen en instanties heeft verzonden.

Opzet

De verdachte heeft (ter terechtzitting) verklaard dat hij niets tegen Joodse mensen heeft. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De uitlatingen van de verdachte, gedaan door middel van de e-mailberichten, waren beledigend voor Joodse mensen. Gelet op de (wel)bewustheid waarmee de verdachte de bewezen verklaarde passages heeft geschreven en gezien het beledigende karakter van deze passages volgt hieruit naar het oordeel

van het hof dat de verdachte wist dat de uitlatingen, gezien hun inhoud, bezwaarlijk anders dan als beledigend kunnen worden beschouwd.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de door verdachte onder feiten 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde uitlatingen strafbaar zijn op grond van artikel 137c Sr en dat er voorts sprake is van het maken van een gewoonte van deze handelingen.

Artikel 266 Sr ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit (belediging)

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte erkend dat zijn uitlatingen in een e-mailbericht aan [slachtoffer 5] inderdaad beledigend waren. Hij had dit niet moeten doen, zoals hijzelf heeft verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 05 maart 2011 tot en met 05 april 2011 te Amsterdam zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en 45 andere geadresseerden met daarin ondermeer de tekst: "opdat jullie de joden duidelijk kunnen maken dat er geen plaats is in onze christelijke samenleving voor criminele misdadigers", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;

feit 2:

hij op 06 maart 2011 tot en met 06 april 2011 te Amsterdam zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en 44 andere geadresseerden met daarin ondermeer de tekst: "verdom de joden en schop ze het land uit", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;

feit 3:

hij op 26 februari 2011 tot en met 11 april 2011 te Amsterdam, zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] en 23 andere geadresseerden met daarin ondermeer de tekst: "waarom heb ik deze beelden niet op de tv in Nederland gezien??????????????????? omdat het jodentuig onze media beheerst!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!! het wordt tijd dat wij Nederlanders van christus geboren erkennen een fout gemaakt te hebben toen wij onze samenleving open hebben gesteld voor die achterbakse, drammerige joden (..)", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;

feit 4:

hij op 26 februari 2011 tot en met 11 april 2011 te Amsterdam, zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door een e-mail te verzenden naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en 23 andere geadresseerden met daarin ondermeer de tekst:"WORDT WAKKER EN SCHOP DE JODEN DIE ONS SCHULD AANPRATEN HET LAND UIT EN SLOOP ALLE INSTITUTEN DIE DIT SCHULDGEVOEL CULTIVEREN. ANNE FUCK HUIS, WESTERBORK FUCK, JOODS HISTORISCH FUCK ETC..ETC", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;

feit 5:

hij op 13 maart 2011 tot en met 13 april 2011 te Amsterdam, zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun godsdienst en/of ras, door een e-mail te verzenden aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en 44 andere geadresseerden met daarin de tekst: "DEPROGRAMMEER JEZELF EN KOOP NIET MEER BIJ DE JODEN, BESPUUG ZE EN LAAT ZE WETEN DAT WIJ VIES ZIJN VAN DE JODEN.", terwijl verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt;

feit 6:

hij op 12 mei 2011 te Amsterdam, opzettelijk beledigend [slachtoffer 5], door toezending van een geschrift (een e-mail) heeft toegevoegd de woorden "he fucking Amsterdamse Jood, jij moet mijn anti Joodse troep video’s accepteren, als jij ziojoodsefucker dit niet accepteert zal ik een klacht indienen dat jij kritiek op jouw proziojoodse standpunten niet accepteert, dat jij ziojood moet een ding niet vergeten, ik betaal jouw salaris en als keuze aan mijn zou zijn, dan sodemieter ik jullie eerst de stad uit, dan het land uit en dan uit deze wereld, jullie zijn van een soort om uit te kotsen".

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde levert op:

zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en/of geloofsovertuiging, terwijl het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een gewoonte maakt;

het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 5 en 6 veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uren, met bevel dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen. Voorts is de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten - waarbij erop wordt gewezen dat naast het feit dat in hoger beroep ook de feiten 3 en 4 bewezen worden geacht eveneens “het een gewoonte maken” bewezen wordt geacht met betrekking tot de eerste vijf ten laste gelegde feiten - en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft beledigende e-mailberichten verstuurd naar een groot aantal personen en instellingen, met daarin uitlatingen die zonder meer als krenkend kunnen worden ervaren en die bovendien kunnen bijdragen aan sterke gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Daarnaast heeft de verdachte door het verzenden van een e-mailbericht, met een vergelijkbare kwetsende en beledigende inhoud, [slachtoffer 5], beledigd. Dit zijn ernstige feiten.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 oktober 2012 is de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk veroordeeld. Er is wel sprake van een eerdere veroordeling in verband met vernieling.

Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,00. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft daarbij gerefereerd aan een uitspraak van de Hoge Raad (HR 16 april 1996, LJN AD2525), waaruit zou volgen dat bij een groepsbelediging er geen rechtstreeks verband zou bestaan tussen de schade van de individuele persoon en de strafbare uitlatingen.

Het hof volgt de interpretatie die de advocaat-generaal geeft aan de uitspraak van de Hoge Raad niet. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte zijn beledigende uitlatingen - door adressering van de e-mailberichten aan de benadeelde partij - ook tegen de benadeelde partij in persoon heeft gericht. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep, ter toelichting van haar vordering, verklaard dat zij last heeft ondervonden van de door verdachte verzonden berichten met beledigende uitlatingen. Het hof is van oordeel dat voldoende vaststaat dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het onder 1, 2 en 5 bewezen verklaarde handelen van de verdachte.

De verdachte is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 137c en 266

van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1, 2 en 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. M. Jurgens en mr. J.G.W. Willems-Morsink, in tegenwoordigheid

van mr. M. Stam, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

29 oktober 2012.