Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1301

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
25-10-2012
Zaaknummer
200.044.688-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. VOF is procespartij in eerste aanleg, daarmee zijn vennoten zelf niet automatisch ook procespartij in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2013/1
JONDR 2013/128
OR-Updates.nl 2012-0292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200.044.688/01 en 200.069.083/01

3 juli 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaken van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ABAT-TOIR AMSTERDAM B.V.

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

2. de vennootschap onder firma AMECO V.O.F.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VCB AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[APPELLANTE SUB 1],

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. C.I.M. Molenaar, te Amsterdam,

t e g e n

1. de vennootschap onder firma

[GEÏNTIMEERDE SUB 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [woonplaats],

en

3. [GEÏNTIMEERDE SBUB 3],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. I.N. Maaskant, te Hoofddorp.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Partijen worden hierna Abattoir c.s. respectievelijk Ameco, VCB en [appellante sub 1] genoemd en [geïntimeerden], respectievelijk [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2]en [geïntimeerde sub 3].

Ameco, VCB en [appellante sub 1] zijn bij dagvaarding van 3 juli 2009 in beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 april in de zaak met nummer 2009 382741 / HA ZA 07-2938 tussen Ameco c.s. en [geïntimeerde sub 1]. Deze zaak is bij het hof bekend onder nummer 200.044.688.

Abattoir is bij exploot van 15 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat door de rechtbank te Amsterdam onder nummer 382741 / HA ZA 07-2938 tussen [geïntimeerde sub 1] en Abattoir c.s. is gewe-zen en dat is uitgesproken op 21 april 2010, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof. Deze zaak is bekend onder nummer 200.069.083.

Nu hierover door geen van de betrokken partijen een opmerking is ge-maakt gaat het hof ervan uit dat Ameco en [appellante sub 1] V.O.F., die in de zaak met nummer 200.044.688 alleen in de appeldagvaarding en de memorie van antwoord figureert, dezelfde vennootschap betreft. Het hof zal deze vennootschap aanduiden als Ameco.

1.2 Abattoir c.s. hebben bij memorie gelijkluidende grieven tegen het hen betreffende vonnis waarvan beroep aangevoerd, een bewijsaan-bod gedaan en – subsidiair - op voet van artikel 162 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) verzocht een bevel openlegging van boeken, bescheiden en geschriften te geven en met overigens conclu-sie, zakelijk weergegeven, tot vernietiging van de desbetreffende vonnissen met afwijzing van de oorspronkelijke vordering van [geïn-timeerden] en toewijzing van de oorspronkelijke vorderingen van Ame-co c.s. en proceskostenveroordeling.

1.3 [geïntimeerden] hebben daarop de grieven en het verzoek bestre-den, een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie tot bekrachtiging van het vonnis.

1.4 Partijen hebben hun zaak doen bepleiten bij monde van hun raads-lieden, mr. Molenaar mede aan de hand van een pleitnota die is over-gelegd. Partijen hebben bij die gelegenheid nog enige inlichtingen verschaft.

1.5 Nadien is de procedure naar de rol verwezen in verband met schikkingsonderhandelingen. Ten slotte is gevraagd arrest te wijzen.

2. Waarvan het hof uitgaat

2.1 Abattoir exploiteert een slachthuis. De aandelen van Abattoir zijn verdeeld over vijf aandeelhouders: Ameco (2,4 aandelen), de heer [A] (1,6 aandelen), de heer [B] (1 aandeel), de heer [C] (1 aandeel) en [geïntimeerde sub 1] (1 aandeel).

[appellante sub 1] B.V. en VCB zijn vennoten van Ameco.

[geïntimeerde sub 2]en [geïntimeerde sub 3] zijn vennoten van [geïn-timeerde sub 1].

2.2 Het complex waarin Abattoir de onderneming exploiteert bestaat uit een slachthuis met cellen voor opslag en verlading van vleespro-ducten. Alle cellen komen uit de op centrale gemeenschappelijke gang. De cellen hebben aan weerszijden toegangsdeuren, dat wil zeg-gen naar de centrale gang en naar buiten. Een en ander overeenkom-stig onderstaande plattegrond, waarbij T. staat voor [geïntimeerde sub 1].

2.3 De heer [D], verder: [D], was werknemer van Ameco. Zonder mede-weten van Ameco heeft hij slachtresten en/of vleesproducten van Ame-co weggenomen. Deze producten werden via de cel van [geïntimeerde sub 1] afgeleverd aan de heer [E] (verder: [E]) die onder de naam Slagerij Zuid een slagerij exploiteert.

2.4 Op 6 december 2006 heeft de heer [F] namens Ameco aangifte ge-daan van verduistering in dienstbetrekking en heling. Voor zover van belang leest het proces-verbaal van aangifte:

Ik ben werkzaam als bedrijfsleider bij de firma Ameco. Dat is een vleesverwerkingsbedrijf. (…) Wij verwerken het vlees in de slachte-rij op het terrein van de Centrale Markthallen in de Jan van Galen-straat te Amsterdam. In ben er achter gekomen dat een medewerker van ons, genaamd [D] (…) sinds enige tijd zonder toestemming van Ameco vlees wegneemt en aan anderen door verkoopt.

[D] werkt bij ons sinds 17 mei 2004. Vanaf januari van dit jaar mis-sen wij een bepaalde marge en geld. Hiermee bedoel ik dat er op-brengsten van slachtingen minder zijn geworden. Op een koe zit een bepaalde winstmarge. Wij weten als wij 100 koeien naar de slachterij brengen dat wij een bedrag met een bepaalde waarde daarvoor krijgen.

Ongeveer een jaar of twee geleden merkten wij dat de inkomsten dui-delijk minder zijn dan wij verwachtten. Wij zagen dat de opbrengst-percentages zakten zonder duidelijke reden. Wij hebben op allerlei manieren gekeken hoe dit kan gebeuren.

De taak van [D] is het verwerken van slachtproducten. Hij heeft daarvoor de volledige verantwoording en is de enige die hiermee werkt. Zijn taak is om de producten in kratten te stoppen waarna de-ze naar de firma Ameco worden gebracht.

(…)

Ik heb een tip gekregen van een andere aandeelhouder, genaamd [C] dat mijn medewerker [D] altijd als eerste verschijnt op het werk. Hij vertelde mij dat [D] kratten met slachtproducten tussen vier uur en half vijf in de ochtend aanbrengt bij de firma [geïntimeerde sub 1]. Dit viel [C] op omdat hij weet dat [D] aan die kant van de gang (waar de cel van [geïntimeerde sub 1] zich bevindt; toevoeging hof) niets te zoeken heeft en zeker niet met vleesproducten.

Vervolgens ben ik afgelopen maandag 04 december 2006, omstreeks 05:10 uur, bij [geïntimeerde sub 1] binnen geweest en daar heb ik twee stapels met kratten zien staan die eigendom zijn van de firma Ameco. Ik heb daar runderproducten zien liggen die niet van [geïnti-meerde sub 1] zijn omdat zij geen runderen slachten, alleen lamme-ren. Ik zag in totaal 18 kratten staan die van ons waren. Op dinsdag heb ik weer een controle gedaan. Ik heb zelfs gekeken of zij runder-producten besteld hadden of dat deze afgeleverd waren, maar dat was niet het geval.

Op woensdag 06 december 2006, omstreeks 05:15 uur, kwam er een mede-werker van [D], die hem af en toe helpt met een stapel lege kratten terug naar mijn bedrijf. Dit waren onze kratten. Ik stelde hem de vraag waar hij deze vandaan haalde. Hij vertelde mij dat deze ach-terin de gang stonden, alwaar het bedrijf van [geïntimeerde sub 1] gevestigd is.

Ik heb vervolgens [D] van zijn werkplek gehaald en wilde hem meene-men naar de firma [geïntimeerde sub 1]. Op het moment dat ik hem vroeg waar de kratten vandaan kwamen zag ik dat hij schrok. Ik zag dat hij angstig reageerde en mij daarbij vertelde dat hij een aantal kratten aan [geïntimeerde sub 1] geleverd had en dat ik nog een bon van hem zou krijgen.

Dit kan helemaal niet want eerst moet er een order zijn voor een be-stelling geplaatst wordt. Ik heb een man bij de firma [geïntimeerde sub 1] laten posten, genaamd [G]. Samen met hem en [D] ben ik naar de firma [geïntimeerde sub 1] gegaan. Bij binnenkomst stonden daar ongeveer acht kratten met vleesproducten van mijn firma Ameco. Ik het [geïntimeerde sub 1] gevraagd of deze kratten met slachtproduc-ten van ons waren, dus van de firma Ameco. [geïntimeerde sub 1 ]ver-telde dat dit zo was. Hierop vertelde [D] dat niet [geïntimeerde sub 1] verantwoordelijk was maar dat hij zelf verantwoordelijk was. Ik vond het vreemd dat [D] [geïntimeerde sub 1] zo beschermde.

[geïntimeerde sub 1] vertelde mij dat ij de producten van ons had. Ik vertelde hem toen dat ik aangifte ging doen van diefstal van mijn producten.

Hierop ben ik weggegaan en heb ik de politie gebeld. In het bijzijn van [B], ook een aandeelhouder, en de politie heeft [D] verklaard dat hij vleesproducten die van Ameco zijn zonder toestemming aan [geïntimeerde sub 1] heeft verkocht. Tevens vertelde hij dat hij al-tijd op vrijdag door [geïntimeerde sub 1] betaald wordt hiervoor. Hij vertelde dat dit een leuke aanvulling was op zijn kleine sala-ris. Ik heb aan [D] gevraag hoe lang hij dit al doet maar daar heeft hij geen antwoord op gegeven.

Hierop zijn we met de politie naar [geïntimeerde sub 1] gegaan. De politie vroeg hem of het klopt dat [D] vleesproducten aan [geïnti-meerde sub 1] heeft geleverd. Hierop antwoordde [geïntimeerde sub 1] dat dit het geval was.

(…)

2.5 Bij brief van 8 december 2006 heeft Abattoir aan [geïntimeerde sub 1] meegedeeld dat geen (slacht)opdrachten van [geïntimeerde sub 1] worden uitgevoerd (verder: de boycot). De grond daarvoor wordt in de brief, voor zover van belang, als volgt verwoord:

Woensdag 6 december j.l. omstreeks 06:00 uur is door personeel van Ameco (…) geconstateerd dat u in heimelijke samenwerking met de heer [D] (…) ongeveer 30 kratten met slachtresten, die in eigendom aan Ameco VOF toebehoorden, zonder toestemming van Ameco VOF met een we-derrechtelijk oogmerk heeft weggenomen. Bij constatering door de be-drijfsleider van Ameco VOF en [B] liet u weten dat u was betrapt op diefstal.

(…)

Gezien de bijzondere vertrouwensrelatie die tussen cliënte en haar opdrachtgevers (ook onderling) de afgelopen jaren is ontstaan en ge-zien de nogal gesloten huisvesting van cliënte en die opdrachtge-vers, kan zij uw strafrechtelijke handelwijze absoluut niet dulden.

Namens cliënte deel ik u hierdoor mede dat de directie van cliënte heeft moeten besluiten dat zij géén (slacht)opdrachten meer van u zal aannemen/uitvoeren. Voorts verbiedt cliënte u zich nog langer toegang te verschaffen tot het slachthuis.

2.6 [geïntimeerde sub 1] heeft, onder meer bij brief van haar raads-man van 11 december 2006, bezwaar gemaakt tegen de boycot. Daarbij heeft zij Abattoir aansprakelijk gesteld voor de schade die zij daardoor leed.

2.7 Op 12 januari 2007 heeft een bijzondere algemene aandeelhouders-vergadering van Abattoir (verder: de AVA) plaatsgevonden. De AVA heeft het besluit van Abattoir om [geïntimeerde sub 1] te boycotten toen voorlopig opgeheven in afwachting van de afronding van het re-chercheonderzoek.

2.8 Bij brieven van 22 mei 2007 aan [geïntimeerde sub 2]en [geïnti-meerde sub 3] heeft de officier van justitie meegedeeld dat de strafrechtelijke vervolging jegens hen werd geseponeerd wegens ge-brek aan bewijs.

2.9 Zowel [D] als [E] zijn voor hun gedragingen strafrechtelijk ver-oordeeld.

3. Behandeling van het hoger beroep

3.1 In het geding met (thans) zaaknummer 200.044.688 vorderen Ameco c.s. voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] jegens hen onrecht-matig hebben gehandeld, met veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Het gestelde onrechtmatig handelen, te weten betrokkenheid van [geïntimeerde sub 1] bij de illegale handel in Ameco producten, achtte de rechtbank bij vonnis van 29 april 2009 niet bewezen.

3.2 In het geding met (thans) zaaknummer 200.069.083 vordert [geïn-timeerde sub 1] schadevergoeding van [geïntimeerde sub 1] wegens, kort gezegd, onrechtmatigheid van de boycot. Die vordering heeft de rechtbank bij eindvonnis van 21 april 2010 toegewezen tot een bedrag van € 20.700,-- in hoofdsom met rente en proceskosten. Samengevat overwoog de rechtbank daartoe dat op het bewijs zoals dat op 8 de-cember 2006 voorhanden was het een en ander viel af te dingen en Abattoir geen hoor en wederhoor had toegepast alvorens tot de boycot over te gaan.

3.3 De grieven en de toelichting daarop in beide appelprocedures zijn gelijkluidend. Onder 1 grieven Abattoir c.s. tegen het oordeel van de rechtbank dat Abattoir onrechtmatig jegens [geïntimeerde sub 1] heeft gehandeld door tot een boycot te besluiten. Volgens grief 2 heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet vast staat dat [geïntimeerde sub 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal of verduistering en heling en daartoe evenmin gelegen-heid heeft geboden. Grief 3 omvat een veeggrief.

ambtshalve

3.4 Het hof constateert ambtshalve dat in eerste aanleg [geïntimeer-de sub 2]en [geïntimeerde sub 3] geen procespartij waren. In de zaak met thans zaaknummer 200.069.083 trad immers alleen [geïntimeerde sub 1] als eiseres op. In de zaak met thans zaaknummer 200.044.688 werd op 12 december 2007 een incidentele conclusie tot voeging ex artikel 217 Rv. genomen waarin in [geïntimeerde sub 2]en [geïnti-meerde sub 3] worden aangeduid als vennoot van [geïntimeerde sub 1]. Dat is juist maar daarmee zijn zij nog geen procespartij geworden. In de conclusie van antwoord in het incident van 9 januari 2008 zij-dens [geïntimeerde sub 1] wordt alleen [geïntimeerde sub 1] als ei-seres in de hoofdzaak aangeduid. Het vonnis in het incident duidt terecht alleen [geïntimeerde sub 1] als eiser in de hoofdzaak, ver-weerster in het incident aan. Noch het vonnis van 29 april 2009 noch dat van 21 april 2010 duidt [geïntimeerde sub 2]en/of [geïntimeerde sub 3] als procespartij aan. De omstandigheid dat [geïntimeerde sub 2]en [geïntimeerde sub 3] vennoten zijn brengt niet mee dat zij uit dien hoofde reeds separaat procespartij zijn. Het hoger beroep voor zover jegens hen ingesteld is in beginsel niet ontvankelijk nu er jegens hen geen vonnis in eerste aanleg is gewezen en niet gesteld is dat het geschil voor zover dat [geïntimeerde sub 2]en/of [geïnti-meerde sub 3] betreft bij wijze van prorogatie aan het hof wordt voorgelegd.

3.5 Het hof zal beide zaken naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte, eerst aan de zijde van Abattoir c.s. (waarbij het hof er-van uitgaat dat in beide zaken gelijkluidende aktes kunnen worden genomen) nadien aan de zijde van [geïntimeerde sub 1].

3.6 Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4. Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 31 juli 2012 voor het vragen van een akte aan de zijde van Abattoir c.s. tot het hiervoor onder 3.5 omschreven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen, J.C. Toorman en M.E. van Rossum en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2012 door de rolraadsheer.