Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1131

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
30-11-2012
Zaaknummer
Parketnummer 13-497233-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing van de overleveringsdetentie onder voorwaarden nu het hof van oordeel is dat het vooralsnog niet executeren van de feitelijke overlevering en het derhalve voortduren van de overleveringsdetentie in dit geval onder de vigerende omstandigheden een schending van de rechten gewaarborgd in artikel 5 EVRM oplevert en derhalve op humanitaire gronden tot schorsing dient te leiden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 67a
Overleveringswet
Overleveringswet 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2012/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer 13-497233-05

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM, TWAALFDE MEERVOUDIGE STRAFKAMER

BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van de opgeëiste persoon

[verzoeker]

tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, van

26 april 2012, houdende afwijzing van het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie

van de opgeëiste persoon.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Amsterdam.

internationale rechtshulpkamer. van 1 mei 2012, waarbij namens de opgeëiste persoon (hierna:

[verzoeker]) hoger beroep is ingesteld van voormelde beslissing van die rechtbank.

Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken

betrekking hebbend op de overleveringsdetentie van [verzoeker] en heeft gehoord de advocaatgeneraal en [verzoeker], bijgestaan door diens raadsvrouw mr. Bloemberg.

De raadsvrouw heeft aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie betoogd dat sprake

is van een onrechtmatige situatie, nu [verzoeker] zijn berechting in hoger beroep in de in

Nederland aanhangige strafzaak in vrijheid moet kunnen afwachten, hetgeen feitelijk onmogelijk

wordt gemaakt door de wettelijke regeling zoals neergelegd in de artikelen 64, eerste lid en 36,

eerste lid van de Overleveringswet (OLW). Zij heeft verklaard dat [verzoeker] al meer dan tien

jaar in Nederland verblijft en hier een vast adres heeft: [adres], waar zijn vrouw en kinderen wonen en waar hij zich zal vestigen zodra hij op

Vrije voeten is. Voorts dat hij in de Nederlandse strafzaak in hoger beroep zijn verdediging wil

voeren en daartoe op elk gewenst moment zal verschijnen, zoals hij zich ook zal melden voor het

ondergaan van zijn straf in Polen. en dat derhalve van vluchtgevaar geen sprake is.

De advocaat-generaal heeft begrip getoond voor het betoog van de raadsvrouw, maar zich

desalniettemin op het standpunt gesteld dat primair schorsing niet meer kan worden bevolen

ingevolge artikel 64. eerste lid OLW en subsidiair een dreigende schending van de rechten

gewaarborgd in artikel 5 EVRM thans nog niet aan de orde is.

De beoordeling

Het hof acht het hoger beroep ontvankelijk. Weliswaar is schorsing van de overleveringsdetentie

ingevolge de Overleveringswet (OLW) niet meer mogelijk nadat de overlevering is toegestaan,

maar ingevolge diezelfde Wet S hoger beroep van een afwijzing van een verzoek tot schorsing

niet uitgesloten.

Op 6 juli 2011 heeft de rechtbank de overlevering toegestaan. Gelet op artikel 64 OLW is een

schorsing van de overleveringsdetentie alleen mogelijk zolang er nog geen rechterlijke beslissing is genomen over het toestaan van de overlevering. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien zich een exceptioneel geval voordoet, waarbij sprake is van een dreigende schending van de rechten gewaarborgd in artikel 5 EVRM.

Het hof is van oordeel dat van een dergelijke dreigende schending in casu sprake kan zijn. Het

hof overweegt daarbij het volgende.

Omdat [verzoeker] uit anderen hoofde gedetineerd was in het kader van een Nederlandse

strafzaak ter zake van mensenhandel is de overleveringsdetentie pas aangevangen op 18 april

2012, nadat de voorlopige hechtenis in de betreffende strafzaak was geeïndigd met ingang van

diezelfde datum op grond van artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering. Die

strafzaak dient nog inhoudelijk door het hof Amsterdam te worden behandeld, waardoor artikel 36, eerste lid OLW in de weg staat aan overlevering. Artikel 36, tweede lid OLW laat ook niet toe dat [verzoeker] voorlopig ter beschikking worden gesteld aan de uitvaardigende autoriteit, in casu Polen, nu het niet een overlevering ten behoeve van zijn berechting betreft, maar ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf aldaar ter zake van, naar het hof

begrijpt, vermogensdelicten. Een en ander wettigt de conclusie dat de onderliggende reden van

de detentie van [verzoeker] in feite gelegen is in het moeten afwachten van de berechting van zijn

strafzaak bij het hof Amsterdam, terwijl hij de door de rechtbank in deze zaak opgelegde

gevangenisstraf van (effectief) vijftien maanden reeds heeft uitgezeten en de berechting in hoger beroep in vrijheid zou moeten kunnen afwachten.

In aanmerking nemende dat die berechting naar verwachting geruime tijd in beslag zal nemen,

nu bij gelegenheid van de regiezitting van het hof op 11 mei 2012 is bepaald dat negen ten dele in het buitenland woonachtige getuigen dienen te worden gehoord, terwijl [verzoeker]

aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich bereikbaar zal houden voor de justitiële autoriteiten zowel in Nederland als in Polen, is het hof van oordeel dat het vooralsnog niet executeren van de feitelijke overlevering en het derhalve voortduren van de overleveringsdetentie in dit geval onder de vigerende omstandigheden een schending van de rechten gewaarborgd in artikel 5 EVRM oplevert en derhalve op humanitaire gronden tot schorsing dient te leiden.

Het hof acht termen aanwezig de schorsing van de overleveringsdetentie te bevelen onder de

navolgende voorwaarden.

[verzoeker] heeft zich mondeling tegenover het hof bereid verklaard tot nakoming van de

navolgende aan de schorsing te verbinden voorwaarden.

De beslissing

Het hof:

VERKLAART het hoger beroep tegen de bestreden beslissing GEGROND.

VERNIETIGT de beschikking waarvan beroep.

SCHORST de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met ingang van 26juni 2012 om

14.00 uur;

zulks onder de voorwaarden dat de opgeëiste persoon:

1. indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich niet aan de

tenuitvoerlegging van het bevel tot overleveringsdetentie zal onttrekken;

2. aan iedere oproeping vanwege een justitiële instantie zowel in Nederland als in Polen

gevolg zal geven;

3. zich niet schuldig zal maken aan strafbare feiten;

4. zal verblijven aan het adres: [adres] en

daarvan de Poolse autoriteiten op de hoogte zal stellen;

5. de justitiële autoriteiten zowel in Nederland als in Polen op de hoogte zal stellen van elke

adreswijziging.

Deze beschikking is gegeven op 25juni 2012 in raadkamer van dit hof door

rnr. Van Asperen de Boer - Delescen, voorzitter,

mrs, Bronkhorst en De Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van Van Kalken als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de

opgeëiste persoon.

Amsterdam, 25 juni 2012,

de advocaat-generaal