Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY0938

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
24-10-2012
Zaaknummer
11-00971
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2008:BC5626, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een ambtenaar belast met de heffing van vennootschapsbelasting van een aandelenvennootschap en werkzaam bij de Belastingdienst Grote Ondernemingen Groningen heeft in de regel geen informatieplicht jegens zijn collega belast met de heffing van inkomstenbelasting van een aandeelhouder van die vennootschap en werkzaam bij de Belastingdienst Rivierenland/kantoor Nijmegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2576
V-N 2012/62.17.4
FutD 2012-2670 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00971

27 september 2012

uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde drs. F.J. van Lemel te Groningen,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk. 07/1744 van de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland/kantoor Nijmegen, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 5 december 2006 aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd, berekend naar – voor zover thans van belang – een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 233.350.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 26 maart 2007 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 28 februari 2008 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Op het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem, alwaar het hoger beroep is geadministreerd onder nummer 08/00145, is uitspraak gedaan op 1 december 2009, waarbij de uitspraak van de rechtbank is vernietigd, het beroep gegrond is verklaard en de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag zijn vernietigd.

1.4. De staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, alwaar het beroep is geadministreerd onder nummer 10/00158. Bij arrest van 16 december 2011 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

1.5. Partijen zijn door de griffier van het Hof bij brief van 11 januari 2012 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen.

De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 10 februari 2012. Van deze brief is een afschrift aan de wederpartij gezonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.7. Na afloop van de zitting heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met een kantoorgenoot van de gemachtigde. Deze heeft bij brief van 18 september 2012 bericht dat zijn kantoor niet langer als gemachtigde van belanghebbende optreedt.

2. Geding na cassatie

2. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 december 2011 geoordeeld dat de verkoop van de aandelen voor belanghebbende een inkomen uit aanmerkelijk belang heeft gegenereerd. De andersluidende beslissing van het gerechtshof Arnhem is vernietigd en de zaak is verwezen voor de behandeling van het geschilpunt dat door het gerechtshof Arnhem onbehandeld is gelaten.

3. Feiten

3.1. Het Hof gaat uit van de volgende door de rechtbank vastgestelde feiten, waarbij belanghebbende als eiser is aangeduid en de inspecteur als verweerder.

:

"Aan eiser is met dagtekening 22 oktober 2003 een aanslag IB/PVV over 2001 opgelegd overeenkomstig de door hem ingediende aangifte. (...) Eiser heeft geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven.

Eiser heeft in 1999 in het kader van een herstructurering van het [C]-concern), 6500 aandelen A in [D] Holding BV (hierna: de BV) verworven voor een prijs van € 14.747. In 2001 heeft eiser deze aandelen vervreemd en daarbij een opbrengst behaald van € 248.097.

(...)

Aan verweerder is op 2 juni 2006 een renseignement gezonden door zijn ambtgenoot van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, belast met de heffing vennootschapsbelasting van het [C]-concern en de BV. Daarin geeft hij aan dat eisers in 1999 verworven aandelenbezit een aanmerkelijk belang - meer specifiek een soort aanmerkelijk belang - vormt en dat het in 2001 behaalde vervreemdingsvoordeel als winst uit aanmerkelijk belang belast moet worden.

Met dagtekening 5 december 2006 legt verweerder de thans bestreden navorderingsaanslag op.

3.2. Het Hof voegt hieraan nog toe de volgende feiten, welke het ontleent aan de in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem overgelegde stukken:

3.2.1. Bij brief van 29 september 1998 heeft [E] van KPMG Meijburg & Co te Groningen [F] (hierna: [F]), werkzaam bij Belastingdienst Grote Ondernemingen Groningen, bericht over de financiële herstructurering bij het [C]-concern. In deze brief is onder meer opgenomen:

"Huidige situatie

Aandeelhouders van [C] zijn:

[G] 40%

[H] Ltd 16%

[I] NV 17%

[J] Ltd 7%

Managementteam [C] 20%,

(...)

Uitwerking nieuwe structuur

(...)

Aandeelhouders in [K] worden:

[G] 37,5%

[H] 30,9%

[J]] Ltd 6,6%

Managementteam [C] 25,0%,

(...).

Positie van het management

De aandelen van het management zijn gecertificeerd.

Voorzitter van het administratiekantoor Stichting Management [C] is de heer [L], president-directeur van [C] met een belang van afgerond 5,6% in [C].

Verder zijn er drie managementteamleden met afgerond 3,6%, 1 lid met 1% en de overige pakketten gaan van 0,2% naar 0,06%.

De heer [L] is zowel in zijn functie van president-directeur als in die van voorzitter van het administratiekantoor de spil tussen de aandeelhouders en de onderneming.

Positie van de aandeelhouders.

Ten principale is er het onderscheid tussen de financiële partners [G, H] en het management.

Venture capitalists behouden zich te allen tijde het recht voor om hun investering te gelde te maken en sluiten in dit verband contracten af die de overige aandeelhouders verplichten hieraan mede te werken.

De beleggingshorizon van een venture capitalist gaat doorgaans niet verder dan 5 à 10 jaar.

Het management van [C] daarentegen heeft als zodanig zelf geen enkele mogelijkheid om zijn aandelen te verzilveren door verkoop of anderszins.

De prioriteiten van het management liggen in eerste instantie bij de continuïteit van de onderneming.; de horizon van het management lig veel verder dan die van de venture capitalists. De investering van de managementteamleden in [C] is in principe blijvend; in ieder geval gedurende hun werkzame tijd bij [C].

Fiscale gevolgen van overdracht aandelen/certificaten [C] aan [K]

Ten aanzien van [G] kan zich het probleem van een beperking van de renteaftrek (artt. 15 lid 4 en 10 va van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969) voordoen. Naar een oplossing wordt gezocht.

Voor de heer [L] is het van belang dat er een besluit valt over de z.g. step-up in de verkrijgingsprijs van zijn aanmerkelijkbelangpakket (zie onze brief van 26 mei 1997 aan de Belastingdienst te Leeuwarden).

Voor de overige managementteamleden geldt dat zij op grond van hun absolute belang via het administratiekantoor geen enkele zeggenschap over de reserves van [C] kunnen uitoefenen zodat naar mijn mening het kasgeld en/of holding niet in beeld komt."

3.2.2. Bij brief van 9 december 1998 schrijft voornoemde [F] aan [E] onder meer het volgende:

"(...) Welke leden van het management van [C-] Holding B.V. hebben op dit moment aandelen in [C-] Holding B.V. Ik verzoek u tevens aan te geven hoeveel aandelen ieder lid van het management bezit.

In de voorgenomen structuur bezit het management 25% van de gewone aandelen, dit is nominaal ƒ 250.000.

Welke leden van het management gaan in [K] deelnemen? Ik verzoek u tevens aan te geven hoeveel aandelen ieder lid van het management verkrijgt. (...)"

3.2.3. Bij brief van 8 juli 1999 heeft [E] aan [F] bericht dat de aangekondigde herstructurering doorgang heeft gevonden. Als bijlage is de oprichtingsakte van [D] Holding gevoegd, gedagtekend 19 maart 1999, alsmede een akte, uitgifte van aandelen op naam, gedagtekend 26 maart 1999.

4. Geschil in hoger beroep na verwijzing

Na verwijzing is nog aan de orde het door het gerechtshof Arnhem onbehandeld gelaten geschilpunt of het voor navordering vereiste nieuwe feit ontbreekt. Dit geschilpunt spitst zich toe op de vraag of de inspecteur uiterlijk ten tijde van het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 bekend had behoren te zijn met de verkoop van de aandelen waarmee belanghebbende een inkomen uit aanmerkelijk belang heeft behaald en er deswege sprake is van een ambtelijk verzuim..

5. Standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting

Voor de standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar de gedingstukken.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak over het onder 4 genoemde geschilpunt als volgt geoordeeld:

"In de eerste plaats komt aan de orde of verweerder beschikt over het voor navordering vereiste nieuwe feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dan wel of sprake is van een aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie verweerder slechts gehouden is tot een nader onderzoek indien hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen (Hoge Raad 11 april 2001, BNB 2001/260). Slechts wanneer bepaalde aanwijzingen in de aangifte verweerder bij een zorgvuldige taakuitoefening nopen tot het instellen van een nader onderzoek, kan verweerder een ambtelijk verzuim begaan indien hij dat onderzoek niet uitvoert.

Eiser heeft in zijn aangifte over 2001 geen inkomsten uit aanmerkelijk belang aangegeven. Gesteld noch gebleken is dat eisers aangifte aanleiding gaf tot het instellen van een nader onderzoek.

Voor eisers standpunt dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar aanleiding van informatie over de structuurwijziging van het [C]-concern die bekend was bij een andere inspectie in het kader van een andere belasting (de vennootschapsbelasting) ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Te meer nu aangenomen moet worden dat beleid noch voorschrift bestaat op grond waarvan renseignering door de inspecteur vennootschapsbelasting van de Belastingdienst Noord/kantoor Groningen had moeten plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande is van een ambtelijk verzuim door verweerder begaan geen sprake.

Eiser heeft zich in dit verband nog op het standpunt gesteld dat de inspecteur vennootschapsbelasting van de Belastingdienst Noord/kantoor Groningen een ambtelijk verzuim heeft begaan door eerst vijf jaar na de herstructurering van het [C]-concern zijn collega inspecteur inkomstenbelasting hiervan en van de mogelijke consequenties voor de aandeelhouders, op de hoogte te stellen. Dit ambtelijk verzuim valt verweerder aan te rekenen.

De rechtbank overweegt in dit verband dat vast staat dat in het onderhavige geval geen sprake is van geïntegreerde wijze van behandeling van aangiften. Evenmin was de inspecteur vennootschapsbelasting van de Belastingdienst Noord/kantoor Groningen op grond van beleid of voorschriften gehouden verweerder te informeren. Van een ambtelijk verzuim door verweerders ambtgenoot begaan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nog afgezien van de vraag of dit aan verweerder zou moeten worden toegerekend.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat er geen ambtelijk verzuim is dat navordering in de weg staat en dat verweerder dan ook bevoegd was onderhavige navorderingsaanslag op te leggen."

6.2. Gelet op de bij de rechtbank bekende feiten en omstandigheden, alsmede op hetgeen partijen in die fase van het geding hebben aangevoerd acht het Hof dit oordeel juist. In hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem heeft belanghebbende aangevoerd dat [F] in 1999 op de hoogte was van de herstructurering en dat een dergelijke herstructurering voor de particuliere aandeelhouders van [C] gevolgen kan hebben, zodat hij zijn collega’s bij de Belastingdienst elders in het land hierover had dienen te informeren. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij de onder 3.2 opgenomen brieven bij zijn hogerberoepschrift gevoegd.

6.3.1. De door belanghebbende gestelde informatieplicht geldt zoals de inspecteur onder verwijzing naar HR 8 april 2005, BNB 2005/178 (Hof: LJN AT3405), heeft aangevoerd indien de heffing van vennootschapsbelasting van een belastingplichtig lichaam en de heffing van inkomstenbelasting en vermogensbelasting van de aan dat lichaam gelieerde natuurlijke personen op eenheden Ondernemingen van de Belastingdienst tezamen door één team op geïntegreerde wijze worden behandeld.

6.3.2. Belanghebbende heeft geen althans onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat in het onderhavige geval sprake is van een geïntegreerde behandeling als hiervoor bedoeld. Dit brengt mee dat een ambtenaar belast met de heffing van vennootschapsbelasting van een aandelenvennootschap en werkzaam bij de Belastingdienst Grote Ondernemingen Groningen in de regel geen informatieplicht heeft jegens zijn collega belast met de heffing van inkomstenbelasting van een aandeelhouder van die vennootschap en werkzaam bij de Belastingdienst Rivierenland/kantoor Nijmegen.

Ook de overigens door belanghebbende gestelde feiten nopen niet tot een uitzondering op die regel.

Slotsom

6.4. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat hetgeen in hoger beroep is aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt dan het onder 6.2 gegeven oordeel, zodat de uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mr. J. den Boer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 27 september 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.