Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY0657

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
19-10-2012
Zaaknummer
23-001014-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek "Pan". De invoer van cocaine en de betrokkenheid daarbij van op de luchthaven Schiphol werkzame personen. Overwegingen t.a.v. het bewijs, i.h.b. in de gevallen waarin geen cocaine is aangetroffen noch daarover is verklaard. In de Opiumwet strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen en medeplichtigheid. Optreden door onbevoegde hulpofficier van justitie als vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Witwassen: aan de bewijslevering te stellen eisen, getoetst aan stellingen verdachte en hetgeen daar door het openbaar ministerie op basis van het gehouden onderzoek tegenover is gesteld. Strafoplegging en brede motivering daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001014-11

datum uitspraak: 17 september 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 25 februari 2011 in de strafzaak onder parketnummer 15-840178-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 8 juli 2010, 5 oktober 2010, 23 december 2010, 24 januari 2011 en 14 februari 2011 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 16 en 23 december 2011, 8 juni 2012, 26 juni 2012, 29 juni 2012 en 3 september 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1 (zaaksdossier B3):

primair:

hij in of omstreeks de periode van 20 september 2009 tot en met 27 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland en/of Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om op 28 september 2009 opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, al dan niet in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 10.605 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, handelingen heeft/hebben verricht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe) tezamen en in vereniging:

- (meermalen) met elkaar en/of (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) telefonisch contact gehad en/of gelegd en/of onderhouden (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of

- (meermalen) ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd bij/binnen KLM catering services (KCS), in elk geval op en/of in de omgeving van de luchthaven Schiphol en/of elders in Nederland, (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of

- (meermalen) vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) dienstroosters en/of werktijden aangepast en/of gewijzigd en/of laten aanpassen en/of laten wijzigen en/of

- (meermalen) een of meer mededader(s) in het kader van hun (legale) reguliere werkzaamheden binnen KCS op een bepaalde (voor drugsinvoer strategische) (werk)plaats geplaatst en/of zich op een bepaalde (voor drugsinvoer strategische) (werk)plaats laten plaatsen en/of

- (meermalen) opdracht gegeven en/of gekregen om zich beschikbaar te houden voor het wegvoeren van voornoemde (hoeveelheid) cocaïne en/of

- (meermalen) zich beschikbaar gehouden voor het wegvoeren van voornoemde (hoeveelheid) cocaïne en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld en/of

- voornoemde (hoeveelheid) cocaïne (op enig moment) aan boord gebracht en/of gehad van vlucht KL754 van Bonaire naar Nederland en/of

- voornoemde (hoeveelheid) cocaïne aan boord van voornoemd luchtvaartuig verstopt en/of gebracht in een of meer zogenaamde cateringtrolley('s) in het cateringgedeelte van het luchtvaartuig;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 20 september 2009 tot en met 28 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 10.605 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe)tezamen en in vereniging:

- (meermalen) met elkaar en/of (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) telefonisch contact gehad en/of gelegd en/of onderhouden (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of

- (meermalen) ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd bij/binnen KLM catering services (KCS), in elk geval op en/of in de omgeving van de luchthaven Schiphol en/of elders in Nederland, (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of

- (meermalen) vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of - (meermalen) dienstroosters en/of werktijden aangepast en/of gewijzigd en/of laten aanpassen en/of laten wijzigen en/of - (meermalen) een of meer mededader(s) in het kader van hun (legale) reguliere werkzaamheden binnen KCS op een bepaalde (voor drugsinvoer strategische) (werk)plaats geplaatst en/of zich op een bepaalde (voor drugsinvoer strategische) (werk)plaats laten plaatsen en/of

- (meermalen) opdracht gegeven en/of gekregen om zich beschikbaar te houden voor het wegvoeren van voornoemde (hoeveelheid) cocaïne en/of

- (meermalen) op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een of meer catering en/of vuilnistrolley('s) aan boord van het luchtvaartuig) gezocht naar voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of

- (meermalen) zich beschikbaar gehouden voor het wegvoeren van voornoemde (hoeveelheid) cocaïne en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld en/of

- voornoemde (hoeveelheid) cocaïne (op enig moment) aan boord gebracht en/of gehad van vlucht KL754 van Bonaire naar Nederland en/of

- voornoemde (hoeveelheid) cocaïne aan boord van voornoemd luchtvaartuig verstopt en/of gebracht in een of meer zogenaamde cateringtrolley('s) in het cateringgedeelte van het luchtvaartuig;

2 (zaaksdossier B14):

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 6 april 2010, te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van 68.879,21 (de waarde vertegenwoordigend van het totaal van een of meer contante geldbedragen en/of stortingen en/of transacties en/of (betalingen voor) diverse (luxe) goederen en/of reizen en/of voertuig(en) van verdachte(n)), in elk geval enig geldbedrag en/of enig(e) goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemd geldbedrag en/of goed(eren), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven geldbedrag en/of goed(eren) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3 (Zaaksdossier B2):

primair:

hij op of omstreeks 27 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair:

hij op of omstreeks 27 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en) immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (daartoe) tezamen en in vereniging:

- (meermalen) met elkaar en/of (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) telefonisch contact gehad en/of gelegd en/of onderhouden (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of

- (meermalen) ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd bij/binnen KLM catering services (KCS), in elk geval op en/of in de omgeving van de luchthaven Schiphol en/of elders in Nederland, (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of

- (meermalen) vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) dienstroosters en/of werktijden aangepast en/of gewijzigd en/of laten aanpassen en/of laten wijzigen en/of

- (meermalen) een of meer mededader(s) in het kader van hun (legale) reguliere werkzaamheden binnen KCS op een bepaalde (voor drugsinvoer strategische) (werk)plaats geplaatst en/of zich op een bepaalde (voor drugsinvoer strategische) (werk)plaats laten plaatsen en/of

- (meermalen) opdracht gegeven en/of gekregen om zich beschikbaar te houden voor het wegvoeren van voornoemde (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of

- (meermalen) op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een of meer catering en/of vuilnistrolley('s) aan boord van het luchtvaartuig) gezocht naar voornoemde (onbekend) gebleven hoeveelheid verdovende middelen en/of

- (meermalen) zich beschikbaar gehouden voor het wegvoeren van voornoemde (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld;

4 (zaaksdossier B6):

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 15 november 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Den Haag en/of Rotterdam en/of Rijswijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en) immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe) tezamen en in vereniging:

- (meermalen) met elkaar en/of (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) telefonisch contact gehad en/of gelegd en/of onderhouden (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of

- (meermalen) ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd bij/binnen KLM catering services (KCS), in elk geval op en/of in de omgeving van de luchthaven Schiphol en/of en/of Den Haag en/of Rotterdam en/of Rijswijk en/of elders in Nederland, (telkens) (onder meer) om informatie door te geven en/of te ontvangen en/of instructies en/of aanwijzingen te geven en/of te ontvangen en/of

- (meermalen) vluchtgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) dienstroosters en/of werktijden aangepast en/of gewijzigd en/of laten aanpassen en/of laten wijzigen en/of

- (meermalen) een of meer mededader(s) in het kader van hun (legale) reguliere werkzaamheden binnen KCS op een bepaalde (voor drugsinvoer strategische) (werk)plaats geplaatst en/of zich op een bepaalde (voor drugsinvoer strategische) (werk)plaats laten plaatsen en/of

- (meermalen) opdracht gegeven en/of gekregen om zich beschikbaar te houden voor het wegvoeren van voornoemde (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of

- (meermalen) op en/of rondom de (afgesproken) vindplaats en/of bergplaats (in een of meer catering en/of vuilnistrolley('s) aan boord van het luchtvaartuig) gezocht naar voornoemde (onbekend) gebleven hoeveelheid verdovende middelen en/of

- (meermalen) zich beschikbaar gehouden voor het wegvoeren van voornoemde (onbekend gebleven) hoeveelheid verdovende middelen en/of (hiertoe) (een) transportmiddel(en) ter beschikking gehad en/of geregeld.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, onder meer omdat het hof tot enkele andere overwegingen en beslissingen komt met betrekking tot de bewijswaardering en de bewezenverklaring.

De onbevoegde hulpofficier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat in het voorbereidend onderzoek een opsporingsambtenaar bevoegdheden die toekomen aan de hulpofficier van justitie heeft toegepast terwijl hij daartoe niet meer bevoegd was. Subsidiair en meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het hof tot respectievelijk bewijsuitsluiting en strafvermindering overgaat.

Het hof overweegt als volgt.

In zijn brief van 29 september 2010 heeft de officier van justitie de rechtbank onder afschriftverstrekking aan de raadsman geïnformeerd dat tijdens het opsporingsonderzoek een hulpofficier van justitie ambtshandelingen heeft verricht waartoe deze niet bevoegd was, omdat het certificaat waaruit blijkt dat hij aan de gestelde opleidingseisen voldoet, niet meer geldig was. Hoewel de naam van de betrokken hulpofficier niet wordt genoemd leidt het hof uit de in de brief gegeven informatie over de door deze toegepaste dwangmiddelen af dat het eerste luitenant van de Koninklijke Marechaussee (KMar)

S. de Wilde betreft.

De zogenoemde Regeling Hulpofficieren van Justitie 2008 regelt in welke gevallen en onder welke voorwaarden een ambtenaar van politie of een militair van de KMar hulpofficier van justitie is.

In artikel 5 van de regeling is bepaald dat een militair van de KMar deze functie heeft indien, voor zover van belang, is voldaan aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden: hij dient te zijn aangesteld in de rang van adjudant of hoger, in het bezit te zijn van een geldig certificaat "hulpofficier van justitie" en te beschikken over tenminste drie jaren aaneengesloten ervaring in een executieve functie binnen de KMar.

Artikel 6 regelt dat in de daarin omschreven gevallen van rechtswege ontheffing wordt verleend van het certificaatsvereiste. Blijkens de inhoud van de brief van de officier van justitie deed een zodanige uitzonderingssituatie zich in casu niet voor.

Uit de in die brief weergegeven gang van zaken blijkt, dat de betrokken hulpofficier door omstandigheden, niet nader aangeduid, niet tijdig aan een cursus respectievelijk examen ter verlenging van zijn certificaat, heeft deelgenomen. Daarna is de mogelijkheid van vervroegde pensionering aan de orde gekomen. Uit de brief valt niet op te maken of de hulpofficier in samenspraak met andere betrokkenen ervan is uitgegaan, dat hij op zodanige datum uit dienst zou treden dat de ontheffing van het certificaatsvereiste van toepassing zou zijn, omdat hij aanvankelijk binnen een periode van drie jaren de KMar zou gaan verlaten.

Wat hiervan zij, ten tijde van de toepassing van de hulpofficierlijke bevoegdheden door de betrokken opsporingsambtenaar ontbrak daarvoor een wettelijke basis in die zin dat deze opsporingsambtenaar op de momenten van toepassing daarvan niet langer bevoegd was.

Uit het dossier, voor zover van belang, is voorts gebleken van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte is na zijn aanhouding buiten heterdaad op bevel van de officier van justitie voorgeleid aan de hulpofficier De Wilde op 6 april 2010. Deze heeft tevens later die dag de verdachte in verzekering gesteld.

Op diezelfde datum heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de verdachte, te weten [adres]. In deze woning is ter aanhouding van de verdachte om 6.10 uur binnengetreden door de bevoegde hulpofficier van justitie Westerveld met machtiging van De Wilde. Om 6.17 uur is de rechter-commissaris binnengetreden ter doorzoeking van de woning waarbij Westerveld voortdurend aanwezig is geweest.

Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt onder meer en voor zover van belang het volgende.

Indien blijkt, dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, kan de rechter bepalen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

Het voorbereidend onderzoek is blijkens de definitie zoals opgenomen in artikel 132 Sv het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting.

Bij de beoordeling van verzuimen, indien vastgesteld, dient de rechter in aanmerking te nemen het belang dat door het geschonden voorschrift wordt gediend, de ernst van het verzuim, en het concrete nadeel dat voor de betrokken verdachte is veroorzaakt.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie komt als in genoemde bepaling voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin heeft bestaan dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor beschreven gang van zaken een onherstelbaar vormverzuim oplevert als bedoeld in artikel 359a Sv. De opleidingseisen die worden gesteld aan de ambtenaren die optreden als hulpofficier van justitie waarborgen dat de toepassing van in de persoonlijke levenssfeer ingrijpende bevoegdheden geschiedt door functionarissen die beschikken over op actuele inzichten gebaseerde kennis en vaardigheden.

De betrokken hulpofficier heeft dit uitgangspunt klaarblijkelijk niet serieus genomen en bovendien voor hem zonder meer kenbare dienstvoorschriften niet nageleefd. Dat dit afbreuk doet aan het vertrouwen in politie en justitie in het algemeen, zoals door de raadsman betoogd, kan het hof geheel onderschrijven. Dit leidt evenwel niet tot het rechterlijk oordeel dat zich het uitzonderlijke geval voordoet dat ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het hof heeft bij dit oordeel betrokken dat het de officier van justitie is geweest die door middel van de evenbedoelde brief de rechtbank over het bestaan hebben van het verzuim heeft ingelicht.

Daarom, en nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat aan dat recht is tekort gedaan, bestaat geen grond om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. In zoverre wordt het verweer verworpen.

Ten aanzien van de subsidiair door de raadsman verzochte bewijsuitsluiting overweegt het hof het volgende.

Indien bewijsmateriaal is verkregen door het verzuim, zoals dat hiervoor is geconstateerd, komt uitsluiting van het bewijs hiervan in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Bovendien dient het te gaan om een voorschrift of beginsel dat het belang van de verdachte beschermt.

Naar het oordeel van het hof is gelet op de met certificering gediende belangen sprake van een belangrijk voorschrift met een beschermende werking naar de belangen van de verdachte dat in aanzienlijke mate is geschonden. Het hof betrekt daarbij dat als vaststaand mag worden aangenomen dat de betrokken hulpofficier van zijn eigen onbevoegdheid althans van het risico van het bestaan ervan kennis droeg. Deze bescherming heeft een abstract karakter omdat de aan hulpofficieren gestelde opleidingseisen in algemene zin een waarborg voor justitiabelen vormen dat overheidsoptreden in het opsporingsonderzoek aan gestelde kwaliteitseisen voldoet.

De raadsman heeft in algemene zin betoogd dat alle bewijs dat is verkregen door het optreden van de onbevoegde hulpofficier in alle zaken van de medeverdachten dient te worden uitgesloten. Voor zover er sprake is van onbevoegdelijke toepassing van dwangmiddelen tegen medeverdachten is het hof van oordeel dat geen rechtsregel in de weg staat aan het in de onderhavige zaak bezigen van verkregen materiaal voor het bewijs, gelet op het hiervoor gereleveerde vereiste dat het geschonden voorschrift de verdachte in zijn belangen dient te beschermen. In zoverre wordt het verweer op die grond verworpen.

Voor zover de onbevoegde hulpofficier is opgetreden in de zaak van de verdachte overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft na zijn aanhouding en inverzekeringstelling, voordat voortzetting van zijn vrijheidsbeneming door de rechter-commissaris werd bevolen, tweemaal een verklaring afgelegd, te weten op 6 en 8 april 2010.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel, dat de enkele omstandigheid dat de rechter-commissaris de inverzekeringstelling op 9 april 2010 heeft getoetst en die niet onrechtmatig heeft geacht nog niet met zich brengt dat de rechtmatigheid van door de verdachte in zijn tot dan afgelegde verklaringen geleverd bewijs niet langer ter discussie kan staan. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen houdt weliswaar in dat de rechter-commissaris in eerste en enige instantie de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling beoordeelt met het oog op de voortduring van de vrijheidsbeneming, bij de beoordeling van de bewijsverkrijging door de zittingsrechter is dit oordeel evenwel niet maatgevend.

Echter, uit de stukken van het dossier blijkt dat de verdachte zichzelf in genoemde verklaringen niet heeft belast. De inhoud van deze verklaringen wordt door het hof niet gebezigd tot het bewijs. Dit brengt met zich, dat in het midden kan blijven de vraag of aan de inverzekeringstelling gebreken kleven waaraan bewijsrechtelijke consequenties moeten worden verbonden.

Indien en voor zover bewijs is verkregen op basis van doorzoeking van de woning van de verdachte overweegt het hof dat de doorzoeking heeft plaatsgevonden onder leiding van de rechter-commissaris welke ook de autoriteit is geweest die in de woning de voorwerpen in beslag heeft genomen. Daarbij was tevens een bevoegde hulpofficier van justitie aanwezig.

Deze was met machtiging van De Wilde zeven minuten voorafgaand aan de komst van de rechter-commisssaris binnengetreden ter aanhouding van de verdachte.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt naar het oordeel van het hof niet in te zien dat de enkele machtiging van de onbevoegde hulpofficier van justitie de verdachte in enig belang heeft geschaad. Het hof heeft daarbij nog in ogenschouw genomen de omstandigheid dat de aanwezigheid van de hulpofficier voorafgaand aan de komst van de rechter-commissaris feitelijk een "bevriezing" van de situatie heeft betekend zonder dat met zoveel woorden gebruik is gemaakt van de bevoegdheid als gegeven in artikel 96, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze omstandigheid maakt vorenbedoeld oordeel echter niet anders nu niet is gesteld noch gebleken dat er gedurende deze korte fase iets van relevantie is gebeurd dat heeft gestrekt ten nadele van de verdachte.

Het verweer wordt in alle onderdelen verworpen.

Het bewijs

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier B3) de verdachte van het primair ten laste dient te worden vrijgesproken, maar dat het subsidiair ten laste gelegde - kortgezegd het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op de opzettelijke invoer van cocaïne - wel kan worden bewezen.

Feit 3 kan volgens de advocaat-generaal eveneens worden bewezen, in dier voege dat de verdachte als medepleger van de opzettelijke invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid dient te worden aangemerkt. De advocaat-generaal acht de verklaring van de verdachte en van de (medeverdachte)

[medeverdachte 1] dat in de tas die [medeverdachte 1] van de verdachte kreeg uitsluitend zogenaamde tupperware-bakjes zaten, niet aannemelijk. Eveneens heeft de advocaat-generaal gesteld dat de verklaringen van de verdachte dat de met medeverdachten gevoerde telefoongesprekken betrekking hadden op de sluikhandel in Viagra-pillen als onaannemelijk terzijde dienen te worden geschoven.

Hetgeen als feit 4 is ten laste gelegd, komt eveneens voor bewezenverklaring in aanmerking, in die zin dat sprake is van medeplegen van het voorbereiden van de opzettelijke invoer van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van het als feit 2 ten laste gelegde witwassen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de door de verdachte en zijn toenmalige partner gedane uitgaven hun (legale) inkomsten uit arbeid ver overschrijden. Voorgaande levert een vermoeden van witwassen op. Nu de verklaringen van de verdachte omtrent de herkomst van de gelden niet verifieerbaar zijn en evenmin aannemelijk, kan het naar de mening van de advocaat-generaal niet anders zijn dan dat de gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

Het als feit 1, primair en subsidiair, ten laste gelegde kan niet wettig en overtuigend worden bewezen, aangezien de handelingen van de verdachte niet als medeplegen maar hoogstens als medeplichtigheid kunnen worden aangemerkt. Voorts heeft de raadsman betoogd - zo begrijpt het hof - dat de handelingen van de verdachte hebben plaatsgevonden nadat de cocaïne op Bonaire in beslag is genomen, zodat de gedragingen van de verdachte niet meer kunnen worden beschouwd als handelingen gericht op het verdere vervoer van de ingevoerde cocaïne. Ook om die reden dient de verdachte van beide ten laste gelegde varianten zoals opgenomen onder dit feit te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het als feit 2 ten laste gelegde witwassen kan de door de verdachte geschetste herkomst van de gelden niet als volstrekt onaannemelijk terzijde worden geschoven. Bovendien kan niet worden vastgesteld uit welk misdrijf deze gelden afkomstig zouden moeten zijn. Dit dient te leiden tot vrijspraak, aldus de raadsman.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman erop gewezen dat de met behulp van de beveiligingscamera's van KCS gegenereerde beelden van 27 september 2009 niet compleet zijn, zodat het erop lijkt dat beeldmateriaal is verdwenen. Hierdoor is de verdediging beperkt in de mogelijkheden tot controle. Deze controlemogelijkheid is van fundamenteel belang, aangezien er een aantal discrepanties bestaat tussen hetgeen op de beelden is te zien en de schriftelijke weergave daarvan in het desbetreffende proces-verbaal van bevindingen. Eveneens kan door het uiteenlopen van de tijdsaanduiding op de verschillende beveiligingscamera's geen chronologie in de opeenvolgende gebeurtenissen worden gereconstrueerd. Deze gegevenheden tezamen dienen te leiden tot uitsluiting van de beelden van het bewijs. Nu overigens onvoldoende bewijs voorhanden is, dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het als feit 4 ten laste gelegde is nimmer een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen en inbeslaggenomen. Er is geen sprake van een begin van uitvoering, zodat zowel de poging (naar het hof begrijpt overigens niet ten laste gelegd) tot opzettelijke invoer als de voorbereidingshandelingen niet kunnen worden bewezen. Voorts kan het handelen van de verdachte, indien dit wel als strafbaar moet worden beschouwd, slechts als medeplichtigheid (het hof begrijpt tot en/of bij het plegen van voorbereidingshandelingen) en niet als medeplegen worden aangemerkt. Nu die deelnemingsvorm niet is ten laste gelegd, dient de verdachte ook om die reden te worden vrijgesproken.

De overwegingen van het hof

Op 15 april 2009 en op 6 mei 2009 is bij het CargoHarc-team te Schiphol informatie, vervat in processen-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) binnengekomen, inhoudende onder meer de mededeling dat een groep medewerkers verbonden aan de KLM Catering Services (hierna te noemen: KCS) zich bezighoudt met de invoer van cocaïne met behulp van cateringtrolleys. KCS is een cateringbedrijf dat verantwoordelijk is onder meer voor het lossen van de cateringtrolleys uit op Schiphol aangekomen vliegtuigen door middel van schaarwagens. De trolleys worden nadien vervoerd naar het gebouw van KCS, alwaar deze door de afdeling Retour, Ontvangst en Afwas (ROA) worden afgehandeld.

Naar aanleiding van deze informatie is op 18 mei 2009 een opsporingsonderzoek gestart dat bekend is geworden onder de noemer "Pan". Gedurende dit opsporingsonderzoek zijn telefoongesprekken van een aantal aan KCS verbonden medewerkers afgeluisterd en opgenomen. Het opsporingsonderzoek heeft uiteindelijk geleid tot onderzoek naar een aantal vermoede voorvallen waarbij cocaïne binnen het grondgebied van Nederland is gebracht, pogingen hiertoe zijn ondernomen of ten aanzien waarvan voorbereidingshandelingen zijn verricht. Bij een aantal van die in zaaksdossiers gerubriceerde voorvallen is door de Koninklijke Marechaussee (Kmar) of een andere (buitenlandse) opsporingsinstantie daadwerkelijk cocaïne aangetroffen en inbeslaggenomen. In een aantal zaaksdossiers is dit echter niet het geval.

Het door het openbaar ministerie gepresenteerde bewijs ten aanzien van laatstgenoemde zaaksdossiers bestaat - kort samengevat onder meer - uit de inhoud van tussen verdachten gevoerde afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken en de interpretatie daarvan. Daarnaast bevat het dossier een aantal getuigenverklaringen - van (de medeverdachten) [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] - waarin in algemene termen wordt verklaard over groepen aan KCS verbonden medewerkers die zich zouden bezighouden met de invoer van cocaïne.

Toetsingskader

Het hof hanteert als uitgangspunt dat de opzettelijke invoer van cocaïne in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens het opsporingsonderzoek ook daadwerkelijk een hoeveel cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit uitgangspunt lijdt onder omstandigheden uitzondering, te weten indien de inhoud van de bewijsmiddelen waaronder de tapgesprekken, in het licht van hetgeen overigens kan worden vastgesteld, voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat de op een bepaald tijdstip gerealiseerde invoer kan worden bewezen.

Daarbij zal het hof eveneens dienen te beoordelen of de bewezen invoer betrekking heeft gehad op verdovende middelen - in casu cocaïne. In de zaaksdossiers waar door opsporingsambtenaren geen cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen, is blijkens de inhoud van de afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken door de verdachten evenmin met zoveel woorden over cocaïne gesproken. Desalniettemin is het hof van oordeel dat ook in die gevallen in beginsel een bewezenverklaring mogelijk is, mits op grond van het samenstel van feiten en omstandigheden geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is geweest van handelingen met betrekking tot cocaïne. Deze conclusie kan worden getrokken indien blijkt van een patroon van handelingen en gebeurtenissen dat in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon, beschreven in een zaaksdossier waarin wél een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen en dat tot een bewezenverklaring van een de verdachte ten laste gelegd feit heeft geleid. Daarbij is onder meer de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken en de modus operandi van betekenis.

Het hof overweegt voorts, dat voor die conclusie geen plaats is indien de verdachte een aannemelijke verklaring heeft weten te geven voor de inhoud van aan hem voorgehouden relevante telefoongesprekken of andere uit het dossier blijkende belastende feiten en omstandigheden.

Uit de door het hof te bezigen bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Feit 1 (zaaksdossier B3)

Op 27 september 2009, om 00.14 uur en 22.13 uur, verstuurt de medeverdachte [medeverdachte 5] naar verschillende personen - onder wie de verdachte - een sms-bericht met de tekst "Fire on mntn tomorrow morning ok". Om 00.16 uur belt [medeverdachte 5] met een onbekend gebleven vrouw en zegt dat 'het vuur op de bergen morgenochtend zal worden". Die dag om 05.00 uur belt [medeverdachte 5] de verdachte (verder ook te noemen: [verdachte]) en zegt eerst "Nee", dan "Ja?" en vervolgens als [verdachte] "Ja, oke" zegt: "maybe tomorrow ja". [verdachte] zegt "oke" waarna de verbinding wordt verbroken. Om 21.49 uur hebben [medeverdachte 5] en [verdachte] opnieuw telefonisch contact. [medeverdachte 5] zegt dan: "I think I see you in the morning."

Op 28 september 2009 belt [medeverdachte 5] om 05:06 uur met [verdachte] en zegt dat hij eraan komt. [medeverdachte 5] stuurt om 05:14 uur naar dezelfde drie telefoonnummers als op 27 september 2009 een sms-bericht met de tekst 'Fire on de mntn'. Om 05:31 uur belt [medeverdachte 5] [verdachte] en [verdachte] zegt tegen hem: ,,Vijf minuten, vijf minuten''. Uit de zendmastgegevens blijkt dat de telefoons van [medeverdachte 5] en [verdachte] op dit tijdstip gebruik maken van een zendmast op Schiphol. Drie minuten later belt [medeverdachte 5] met de medeverdachte [medeverdachte 6] en vraagt of hij hem buiten bij de portier komt ontmoeten. [medeverdachte 5] zegt: "Ik sta buiten hier". Ze spreken af aan de voorkant. De telefoon van [medeverdachte 5] maakt dan eveneens gebruik van een zendmast op Schiphol.

Uit de resultaten van administratief onderzoek naar de werkroosters van KCS is gebleken dat [verdachte], [medeverdachte 6] en de medeverdachte [medeverdachte 7] een dienst hadden van 06.00 uur tot 14.30 uur. De medeverdachte [medeverdachte 8] had die dag een vrije dag. Ook [medeverdachte 5] had toen een vrije dag, maar is desondanks toch als inkomend geregistreerd bij het toegangstourniquet van KCS om 07.28 uur en vervolgens weer als uitgaand geregistreerd om 08.10 uur. De passen van [verdachte] en [medeverdachte 6] zijn eveneens rond het tijdstip van de aanvang van hun dienst als inkomend geregistreerd.

Om 5:53 uur belt [medeverdachte 5] weer met [medeverdachte 6] en zegt dat hij hem buiten wil zien. [medeverdachte 6] zegt dat hij eraan komt. De KLM-pas van [medeverdachte 6] is om 5.54 uur uitgaand geregistreerd en vervolgens om 6.00 uur weer ingaand. Vier minuten later stuurt [medeverdachte 5] een code voor het opwaarderen van beltegoed naar [medeverdachte 6].

Om 06.50 uur belt [medeverdachte 5] wederom met [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] zegt dat het kar 348 is en dat die over 30 minuten gaat komen. Verder zegt hij dat hij zorgt dat hij over dertig minuten erin is. Om 07.25 uur belt [medeverdachte 5] met [verdachte]. Laatstgenoemde vraagt of [medeverdachte 5] nu bij hem kan komen omdat hij met hem moet praten. [medeverdachte 5] zegt "oke". Een minuut later belt [medeverdachte 5] met [medeverdachte 6], die zegt dat kar 348 er al is en dat [medeverdachte 7] de chauffeur was. [medeverdachte 6] zegt: ,,Hoe mogelijk is dat? De enige twee mensen, die ik in de vlucht heb gezien." Kort hierna zegt [medeverdachte 6] dat hij over vijf minuten bij [medeverdachte 5] is. [medeverdachte 5] belt om 07.31 uur met [medeverdachte 7] en vraagt "Je hebt dat ding niet gezien toch?" [medeverdachte 5] vraagt of [medeverdachte 7] naar het toilet boven komt; [medeverdachte 7] antwoordt bevestigend.

Om 07.41 uur belt [medeverdachte 5] met een vrouw die hij [betrokkene 1] noemt. Hij zegt dat iemand het genomen heeft en vraagt [betrokkene 1] of zij dat kan zien. Vijf minuten later belt hij deze vrouw opnieuw en vraagt wat er nu verder gaat gebeuren. De vrouw zegt dat het tussen jullie onderling is, dat jullie het moeten weten. Dat iemand het misschien genomen heeft en dat zij zelfs heeft geprobeerd om te kijken of het geblokkeerd is.

Vanaf 07:55 uur stuurt [medeverdachte 5] naar achtereenvolgens [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [verdachte] een sms-bericht inhoudende dat ze moeten kijken en [medeverdachte 5] op de hoogte moeten houden. Om 07.56 uur stuurt [medeverdachte 7] per sms een verzoek aan [medeverdachte 5] om hem te bellen. [medeverdachte 5] belt [medeverdachte 7] binnen een minuut op en zegt dat [medeverdachte 7] hem moet helpen. [medeverdachte 7] zegt "ik moet naar buiten, het is niet mogelijk, niet mogelijk, want hoe weet die vent het nummer voor ik er uit ben". [medeverdachte 5] zegt dat hij hem het nummer niet heeft gegeven, maar dat hij naar buiten kwam om hem te zien. [medeverdachte 7] zegt dat hij met die andere man was, en dat die het ook kan hebben en verder dat hij er geen goed gevoel bij heeft, en dat hij er daarom uitstapte bij [medeverdachte 8] (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 8]) en de anderen. [medeverdachte 5] vraagt [medeverdachte 7] om voor hem te zoeken als hij terug is; [medeverdachte 7] stemt hiermee in.

[verdachte] verstuurt - kennelijk in reactie op het verzoek van [medeverdachte 5] om te zoeken en hiervan verslag uit te brengen - om 07.57 uur een sms-bericht naar [medeverdachte 5] met de mededeling "OK".

[medeverdachte 5] belt een aantal minuten later, om 08.02 uur, met [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] zegt dat er niets is, dat hij hier niets ziet en dat hij denkt dat het in het gebouw is. "Want ze kunnen een kar niet laten verdwijnen. Dat weet je. Want de hele kar is weg (...) ik ben eerlijk (...) je kunt mij uitsluiten. Ik zal zoiets niet doen. (...) Ik heb mijn best gedaan om jou van informatie te voorzien. Ik heb geprobeerd mijn werk te doen". Twee minuten later belt [medeverdachte 5] naar [verdachte] en zegt dat hij naar hem toe moet komen. [verdachte] vraagt waar, waarop [medeverdachte 5] zegt "op de vaste plek".

Om 08:13 uur ontvangt [medeverdachte 5] een sms-bericht van [medeverdachte 7] met als inhoud: 'Praat niet meer over de telefoon. Je weet niet wie je afluistert. Kijk uit met die mannen'.

[medeverdachte 5] - die volgens de gegevens van zijn KLM-pas om 08.10 het gebouw van KCS heeft verlaten - ontvangt vervolgens van 08.20 tot 09.34 uur verschillende sms-berichten verzonden vanaf een telefoon met het nummer [telefoonnummer], met achtereenvolgens de mededeling 'so what you think', 'but where you inside or outside', 'Ok what we must do now', 'what must my boys do over there', 'let your boys look good', "but what is the problem the car was nothing inside", 'but you see car', 'you don't think the miss it', 'so what you think', 'but you now that you can trust the people', 'I'm busy now but check your boys because my people say that the did it and you know when they say they do it they do it so check your boys', 'but you see what happened they miss it so let they look good aub', 'but tell me what you think now maybe the car go upstairs' en 'do you give the people the right number'.

Ook [medeverdachte 7] smst [medeverdachte 5], om 09.07 uur, met de mededeling: 'Ik zal kijken of ze zich vreemd gaan gedragen. Ik wil je laten weten dat het tussen je vrienden is want ik heb op dit moment niets van jullie nodig'.

Om zowel 08.54 uur als 09:35 uur wordt een sms verzonden met de telefoon van [medeverdachte 5] naar [verdachte] met de mededeling: "It was there somebody is with it now please let me know we have not to do like this.'' Om 09:59 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 5]. [medeverdachte 5] zegt "Ja". [verdachte] zegt vervolgens 'Hee nee man'. Hierna zegt [medeverdachte 5] meermalen C-klas. [verdachte] zegt dat hij deze nog niet heeft gecheckt, waarna [medeverdachte 5] verzoekt dit alsnog te doen. Tussen 10.10 en 10.21 uur ontvangt [verdachte] driemaal een sms-bericht van [medeverdachte 5] met de mededeling "Check c klas en boven aub".

Om 10:48 uur wordt [medeverdachte 5] gebeld door [medeverdachte 6]. Deze zegt dat de jongens zeggen dat ze het niet naar binnen hebben gebracht en dat het niet aan boord was. [medeverdachte 5] zegt: “Nee nee ik heb met ze gesproken. Ze zeiden dat het er in was. Het was er in maar het was niet op de plaats waar ik ze heb gewezen." [medeverdachte 6] zegt dat "de enige mogelijkheid dan is dat iemand voor hen daar is geweest of dat ze liegen. Want je kan geen kar op je schouder naar beneden sjouwen." [medeverdachte 5] zegt: "Ik denk dat ze het ergens hebben gemist. Er is geen probleem. Het is daar binnen, Het is alleen dat het niet gevonden is". Hij vraagt of [medeverdachte 6] de [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) kan vragen hem te bellen omdat hij met hem wil praten. Om 10:51 uur smst [medeverdachte 5] weer met [verdachte] en vraagt hem om de C-klas te checken en boven.

Om 11:03 uur wordt [medeverdachte 5] gebeld door iemand uit Engeland. Het gesprek is in de taal Ibo. [medeverdachte 5] zegt: "Iets gaat verkeerd voor mij. Zelfde als een jaar geleden op 27 september, in de periode toen ik ging trouwen. Hetzelfde ding weer. Het is weer erg. Het betreft spul rond 10 spul." De onbekend gebleven man vraagt: ,,Hebben ze het weer gedaan op jouw hoofd?" [medeverdachte 5] zegt: ,,Ja, want het is nergens te vinden. Zij hebben mij hierover geïnformeerd gisternacht rond 03:00 uur. Vervolgens ben ik opgestaan en naar de mensen die voor mij werken gegaan. Sinds die tijd ben ik in de auto en/of aan het rond rijden."

Om 12:41 uur ontvangt [verdachte] voor de vijfde keer het sms-bericht van [medeverdachte 5] met de inhoud 'Check C-klas en boven aub'. Om 12:43 uur belt [medeverdachte 5] [verdachte] en vraagt ,,En?" [verdachte] antwoordt: "Nee, nee, nee. Overal, overal, overal. Ik samen met [betrokkene 2]. Nee man."

Om 14:22 uur belt [medeverdachte 5] [medeverdachte 6], wiens dienst er dan bijna opzit, en vraagt waar hij is. [medeverdachte 5] zegt dat hij nog op de andere vent wacht. [medeverdachte 6] vraagt of [medeverdachte 5] al weet wat er gebeurd is en [medeverdachte 5] zegt dat hij dat nog niet weet. [medeverdachte 6] zegt: "Als het niet daar is, is er maar een persoon die het heeft opgehaald. Je moet ze bellen en zeggen dat je de vingerafdruk wil checken als zij dat hebben opgehaald." Om 14:37 uur belt [medeverdachte 5] met een onbekend gebleven man die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer]. [medeverdachte 5] vertelt deze man dat het niet goed gaat, dat niemand nog weet of dat ding kapot gaat/weg is en dat hij sinds 03.00 uur onderweg is en nu gaat slapen.

Om 18:02 uur wordt [medeverdachte 5] gebeld door een man, die vraagt of [medeverdachte 5] het ding nog heeft gedaan. [medeverdachte 5] zegt dat hij niet weet wat er gebeurd was en echt teleurgesteld is, maar zegt dat het niet 'onze groep' was, maar het de andere groep is, die morgen komt. Hij ligt op bed vanwege de situatie.

Hierna, om 18:25 uur, belt [medeverdachte 5] met een vrouw die hij "[betrokkene 1]" noemt. Deze [betrokkene 1] maakt gebruik van een Nigeriaans telefoonnummer. [medeverdachte 5] vraagt [betrokkene 1] wat de stand van zaken is en of ze het wel gestuurd hebben. [betrokkene 1] zegt dat dit niet het geval is, dat het niet is gestuurd en dat dit bevestigd is door hen. [medeverdachte 5] vraagt: "zij hebben het niet gestolen dus?". [betrokkene 1] antwoordt ontkennend en zegt opnieuw dat het niet is gestuurd. [betrokkene 1] vraagt of ze zelf bevestigd hebben dat ze het gezien hebben. [medeverdachte 5] zegt: ,,Zeker niet, maar ik zal nagaan om te weten of de beveiliging hebben het gezien." [betrokkene 1] vraagt of [medeverdachte 5] ze iets schuldig is. [medeverdachte 5] zegt dat dit niet het geval is. [betrokkene 1] zegt: ,,Als ze tegen jou zeggen dat ze het gestuurd hebben, moet je zeggen dat ik heb gezegd dat ze het niet gedaan hebben.'

Ook op 29 september 2009 is een aantal telefoongesprekken afgeluisterd en opgenomen en zijn sms-berichten onderschept.

De volgende dag, 29 september 2009, worden onder meer de volgende gesprekken gevoerd.

Om 11:22 uur belt een onbekende man [medeverdachte 5] en vraagt: ,,Hoe zit het met het ding, dat niet goed ging? Is het nog zoek?" [medeverdachte 5] zegt: ,,Nog niet gezien. Wij weten nu dat de mensen er boven hebben het niet gedaan. Snap je. Of ze zijn met verhalen bezig of het is niet gekomen. Maar er is geen probleem want mijn mensen begrijpen het''.

Op 30 september 2009 worden onder meer de volgende gesprekken gevoerd.

Om 08:27 uur belt [medeverdachte 5] opnieuw met "[betrokkene 1]". [betrokkene 1] zegt: ,,Ik denk dat er een probleem ergens is. En dat probleem is in het bedrijf en thuis. Dat ding is niet gekomen. Het probleem is daar zoals ik je eerder vertelde. Zij hebben het niet gestuurd.'' [betrokkene 1] vraagt aan [medeverdachte 5] wat ze tegen hem hebben gezegd en [medeverdachte 5] antwoordt: ,,Zij zijn nog steeds aan het zoeken. Ze laten morgen of overmorgen weten. Maar iemand van een andere familie vertelde mij dat het de politie is die het heeft. Maar hij weet het niet zeker. Daarom ga ik hem weer vragen of het de politie is die het nam''.

Op 27 september 2009, omstreeks 19.35 uur (Nederlandse tijd), is in een KLM-vliegtuig KL-754 met als bestemming de luchthaven Schiphol, op de luchthaven van Bonaire een hoeveelheid van 10605 gram - naar later bleek - cocaïne aangetroffen en inbeslaggenomen. Tijdens een routinecontrole voorafgaand aan het vertrek van voornoemd vliegtuig, merkte een lid van het cabinepersoneel op dat er een cateringtrolley teveel stond in de pantry bij de businessclass; het betrof een zogenaamde "dead head" trolley met het nummer KL 754 04080177, welke was voorzien van een etiket met daarop het opschrift BON AMS DH 1/2 trolley 123. In de trolley zaten dienbladen welke in tweeën waren gesneden, waardoor achter de dienbladen een loze ruimte ontstond. Achter de dienbladen werden door de Douane 2 buiktassen aangetroffen, elk inhoudende 5 blokvormige pakketten met daarin de zojuist genoemde hoeveelheid cocaïne. Het desbetreffende toestel van de KLM is blijkens een proces-verbaal van bevindingen van onderzoek Centraal Informatie Systeem Schiphol van 9 maart 2010 op 28 september 2009 om 04.55 uur op de luchthaven Schiphol aangekomen.

Nadien zijn door [medeverdachte 8] - medeverdachte en tevens als medewerker verbonden aan KCS - telefoongesprekken gevoerd met een persoon genaamd "[betrokkene 3]", die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Ten aanzien van die "[betrokkene 3]" is uit onderzoek gebleken dat dit [betrokkene 3] betreft. Na de vondst van deze partij cocaïne is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam "Evelien Klein", waarbij als verdachte onder meer is aangemerkt [betrokkene 3].

Op 11 oktober 2009, 09.35 uur, wordt [medeverdachte 8] gebeld door "[betrokkene 3]". [medeverdachte 8] zegt "helemaal niks, niks, niks" en vraagt of "[betrokkene 3]" het weer voor hem gaat vragen. "[betrokkene 3]" antwoordt dat hij het heeft nagetrokken en dat het zeker is. [medeverdachte 8] zegt dan: "neen, het is er niet. Omdat de vorige keer. Vraag het maar aan die kleine neef van jou dat de vorige keer op een maandag, zijn ze toen tien kwijtgeraakt. Zij hebben toen gezegd dat de mensen het tegen hun hebben gezegd dat zij het erop hebben gezet maar dat hadden zij niet gedaan... Maar nu weet ik ook niet of je broers de boel daar boycotten".

Diezelfde dag, om 12.39 uur, belt "[betrokkene 3]" opnieuw naar [medeverdachte 8]. [medeverdachte 8] zegt dan: "Een paar weken geleden op een maandag moest een vent ook 2 volle handen krijgen". "[betrokkene 3]" antwoordt dat hij er alles van weet. [medeverdachte 8] zegt vervolgens dat het niet is binnengekomen. Het hof stelt vast dat 28 september 2009 op een maandag viel.

[medeverdachte 2] heeft op 23 april 2010 verklaard dat medewerkers van KCS zich bezighouden met de smokkel van cocaïne. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat met het oog op die smokkel in het buitenland cocaïne in een trolley wordt geplaatst, zodat deze in Nederland op de luchthaven Schiphol door een medewerker van KCS eruit kan worden gehaald. De cocaïne wordt vervolgens in een sanitaire ruimte overgedragen aan een andere KCS-medewerker die het vervolgens op zijn beurt buiten het gebouw van KCS brengt. Deze modus operandi komt in grote mate overeen met de gang van zaken zoals het hof in dit zaaksdossier hierboven heeft vastgesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2012 heeft [medeverdachte 2] als getuige verklaard dat de door hem in de evenbedoelde verklaring genoemde medewerkers van KCS [medeverdachte 5]

- met wie de verdachte diverse malen telefonisch contact heeft - en [medeverdachte 8] betreffen. Deze verklaring van [medeverdachte 2] vindt onder meer steun in de verklaring van [medeverdachte 4] afgelegd ten overstaan van de Kmar op 31 maart 2010, waarin de laatstgenoemde verklaart dat hij weet dat er cocaïne door middel van cateringtrolleys door medewerkers van KCS naar Nederland wordt gesmokkeld. De betrokken trolley wordt door de schaarwagenchauffeur onderschept en afgegeven bij het KCS-gebouw, alwaar de cocaïne moet worden verwijderd.

Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken, zoals blijkend uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, leidt het hof af dat [medeverdachte 5] als belanghebbende moet worden aangemerkt bij de aankomst van de (op Bonaire door de autoriteiten aldaar onderschepte) trolley en de daarin geborgen cocaïne in Nederland. Teneinde de feitelijke macht over die trolley te krijgen heeft de verdachte op verzoek van [medeverdachte 5] gezocht naar een cateringtrolley. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep en ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [medeverdachte 5] hem heeft gevraagd om een trolley apart te zetten. Die trolley zou tussen half zeven en zeven uur die ochtend arriveren. Het nummer van de trolley had hij van [medeverdachte 5] ontvangen. Indien de verdachte de trolley zou hebben aangetroffen, dan zou hij deze apart hebben gezet.

Het hof waardeert de gedragingen van de verdachte naar hun aard en betekenis als (slechts) ondersteunend aan de gedragingen van degene(n) die hebben beoogd de hiervoor bedoelde partij cocaïne van Bonaire naar Nederland te smokkelen, zodat reeds op die grond het primair ten laste gelegde medeplegen van invoer van cocaïne niet voor bewezenverklaring in aanmerking komt. Het hof zal de verdachte van die beschuldiging vrijspreken.

Dit oordeel geldt niet ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde. Het hof acht dat onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2012 verklaard dat hij niet wist wat er in de trolley zat, dat hij dacht dat er van alles in zou kunnen zitten, maar dat hij nimmer aan cocaïne of een ander verdovend middel heeft gedacht. Het hof hecht aan laatstgenoemde verklaring van de verdachte geen geloof en het gaat daaraan voorbij. Immers heeft de verdachte op een eerder moment, ten overstaan van de Kmar op 6 april 2010, verklaard dat [medeverdachte 5] drugs in de trolley had zitten. Het hof acht de verklaring van de verdachte, mede gelet op het feit dat van algemene bekendheid is dat via de luchthaven Schiphol (groothandels)hoeveelheden verdovende middelen heimelijk (verder) binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht, niet aannemelijk.

Het kan naar het oordeel van het hof derhalve niet anders zijn dan dat de verdachte heeft geweten dat de door hem aan [medeverdachte 5] gegeven inlichtingen en hulp de (verlengde) invoer van cocaïne in Nederland kon bevorderen.

Het door de raadsman gevoerde verweer dat de gedragingen van de verdachte hoogstens kunnen worden gekwalificeerd als medeplichtigheid en niet ook als medeplegen, wordt door het hof verworpen en vindt zijn weerlegging in de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

In dit verband wijst het hof erop dat de bestanddelen van de delictsomschrijving, zoals op de voet van de tenlastelegging bewezen verkaard, zijn ontleend aan artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht en aldus reeds het karakter van strafbare ondersteuning van het handelen van de verdachte tot uitdrukking brengen. Ook daarom valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat slechts medeplichtigheid tot/bij voorbereidingshandelingen bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van het verweer dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat de cocaïne reeds in Bonaire is aangetroffen en inbeslaggenomen, overweegt het hof het volgende.

Op grond van hetgeen het hof hierboven heeft vastgesteld, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte reeds vóór het moment van die inbeslagneming handelingen heeft verricht die gericht waren op de voorbereiding of het bevorderen van de smokkel van cocaïne. Zo heeft de verdachte de dagen voorafgaand aan 28 september 2009 meermalen telefoongesprekken gevoerd. Het hof is van oordeel dat deze gesprekken betrekking hebben op een verwachte zending verdovende middelen. Uit de inhoud van die gesprekken leidt het hof af dat er voorafgaande afspraken zijn gemaakt tussen in ieder geval [medeverdachte 5] en [verdachte]. De gesprekken zijn kort en geen van de verdachten maakt op enig moment de indruk dat de inhoud van het gesprek diens verbazing wekt; men weet derhalve precies waar het over gaat.

De gedragingen die door de verdachte en de medeverdachten ná de inbeslagneming zijn verricht zijn naar het oordeel van het hof van belang voor de waardering van de telefoongesprekken vóór de inbeslagneming. In die zin zijn ook de ná de inbeslagneming verrichte handelingen voor het bewijs redengevend. Het hof heeft hierbij mede betrokken de relatieve korte tijdspanne die heeft gelegen tussen de eerste telefoongesprekken, de inbeslagneming op Bonaire en de latere gedragingen van onder meer [verdachte] die naar het oordeel van het hof gericht zijn geweest op de onderschepping van de reeds inbeslaggenomen hoeveelheid cocaïne. Ook dit onderdeel van het verweer wordt derhalve verworpen.

Schakelbewijs

Het hof is van oordeel dat de bewijsmiddelen zoals gebezigd op basis van het op dit zaaksdossier B3 gegronde verwijt, waarbij een hoeveelheid cocaïne in beslag is genomen, mede redengevend zijn voor het bewijs van enkele hierna te bespreken feiten, te weten feit 3 en feit 4, aangezien daaruit blijkt van een grote mate van overeenkomst, onder meer blijkend uit de gevolgde smokkelmethode en de daarbij betrokken personen.

Feit 3 (zaaksdossier B2)

Op 27 september 2009 stond [verdachte] bij KCS ingeroosterd voor een vroege dienst, van 06.00 uur tot en met 14.30 uur. Uit onderzoek naar de pasgegevens van het toegangstourniquet van het gebouw van KCS blijkt dat de KLM-pas van [verdachte] die ochtend om 05.37 als binnenkomend is geregistreerd. De KLM-pas van [medeverdachte 8] is die dag om 12.55 als inkomend geregistreerd. [medeverdachte 8] had die dag een middagdienst, namelijk van 14.30 uur tot 23.00 uur.

Om 12.54 uur belt [medeverdachte 8] naar [verdachte]. [verdachte] vraagt waar [medeverdachte 8] is. [medeverdachte 8] zegt dat hij nu naar boven komt. Op de die dag met de beveiligingscamera's gegenereerde beelden is te zien dat [medeverdachte 8] ongeveer een minuut later naar boven komt. Om 12.58 uur belt [medeverdachte 8] met [verdachte] en zegt dat hij boven is. [verdachte] deelt mede dat hij er aan komt.

Een aantal uren later die middag, om 14.16 uur, wordt [medeverdachte 8] gebeld door een onbekend gebleven man, die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Die man vraagt of het gelukt is. [medeverdachte 8] zegt dat dit nog niet het geval is.

Om 14.41 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 8]. [medeverdachte 8] vraagt aan [verdachte] of hij er nog is. [verdachte] antwoordt bevestigend. Vervolgens zegt [verdachte]: "luister, luister, luister", waarna de verbinding wordt verbroken.

Binnen een minuut, eveneens om 14.41 uur, belt [verdachte] opnieuw naar [medeverdachte 8]. [medeverdachte 8] vraagt waar [verdachte] is. Die zegt dat hij op zijn eigen plaats is en vraagt aan [medeverdachte 8] of hij het heeft gevonden. [medeverdachte 8] antwoordt bevestigend. [verdachte] zegt vervolgens: "op dezelfde plaats als waar ik ben". [medeverdachte 8] zegt: "goed, goed, goed", waarna [verdachte] het gesprek afsluit met "okee".

Om 14.43 belt [medeverdachte 8] naar [verdachte] en zegt dat hij/zij heeft gezegd om vanaf mijn kant te komen. [verdachte] antwoordt: "goed, ok". [medeverdachte 8] zegt hierna "ga vanaf mijn kant tot straks", waarna [verdachte] opnieuw bevestigend antwoordt.

[medeverdachte 8] belt [verdachte] opnieuw om 14.47 uur, en zegt dat er daar boven mensen zijn en dat hij naar ze moet uitkijken. [verdachte] vraagt: "wat zeg?". [medeverdachte 8] zegt vervolgens dat hij bij de deur staat en dat er iemand aankomt en dat [verdachte] naar ze uit moet kijken. [verdachte] antwoordt bevestigend. Vervolgens merkt [medeverdachte 8] op dat hij buiten staat. De tolk heeft medegedeeld dat [medeverdachte 8] en [verdachte] in dit gesprek met een zekere "stremstress" spreken.

Om 14.51 belt [verdachte] naar [medeverdachte 8] en zegt dat hij iemand moet laten komen om het weg te gooien. [medeverdachte 8] vraagt of [verdachte] het eruit heeft gehaald. [verdachte] antwoordt bevestigend en zegt: "nu gelijk, vlug".

Op de beelden van de beveiligingscamera's bij KCS werd door de Koninklijke Marechaussee (Kmar) gezien, aldus is geverbaliseerd, dat [verdachte] omstreeks 15.04 in de richting van de uitgang van het gebouw van KCS loopt.

Om 15.12 uur belt [verdachte] met het eerder genoemde telefoonnummer [telefoonnummer] van de onbekend gebleven man. [verdachte] zegt tegen de man dat hij het niet teveel tijd in beslag moet laten nemen en vraagt aan de man of hij nu kan komen. De onbekend gebleven man antwoordt dat hij nog bezig is en vraagt [verdachte] om het mee te nemen en dat hij over een half uurtje komt. [verdachte] zegt dat het goed is. Hierna zegt de man: "neem het dan mee neem het dan mee. Wanneer ik van het werk kom dan ga ik voor je spullen zorgen en kom ik naar jou toe". Ze spreken af op dezelfde plaats als vorige keer.

Ruim een half uur later, om 15.39 uur, belt [medeverdachte 8] naar de onbekend gebleven man met het telefoonnummer [telefoonnummer]. [medeverdachte 8] vraagt de man of hij de cd's al heeft ontvangen. De man antwoordt dat hij ze zo gaat ophalen en vraagt [medeverdachte 8] of het wel gelukt is. [medeverdachte 8] zegt "ja, ja, ja, ja". De man zegt: "ja hij moet dan, regelen dat euuhhh".

Aan de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 8], inhoudend dat de door hen gevoerde telefoongesprekken betrekking hadden op (de sluikhandel in) Viagra-pillen, hecht het hof op grond van de onaannemelijkheid daarvan geen geloof. Het hof gaat derhalve aan deze verklaringen voorbij. Immers zijn tijdens het opsporingsonderzoek "Pan" op geen enkel moment Viagra-pillen aangetroffen en inbeslaggenomen. Evenmin valt in te zien waarom de verdachten juist op hun werkplek deze pillen heimelijk zouden verhandelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2012 verklaard dat binnen het gebouw van KCS geen handel mag worden gedreven en dat overtreding van dit verbod zware arbeidsrechtelijke consequenties met zich brengt. Daarnaast past de verklaring naar het oordeel van het hof niet bij de inhoud van de door het hof voor het bewijs te bezigen verslagen van telefoongesprekken. Zo valt niet in te zien waarom versluierend gesproken diende te worden over de telefoon en waarom [verdachte] volgens zijn verklaring in hoger beroep van 26 juni 2012 een persoon zou moeten sturen om het verpakkingsmateriaal weg te gooien.

Hoewel het hof uit de stukken van het dossier niet kan vaststellen op welke wijze de onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne buiten het KCS-gebouw is gebracht, kan naar het oordeel van het hof het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde scenario dat [verdachte] de zending cocaïne in een kleedruimte aan [medeverdachte 1] heeft overgedragen om naar buiten te brengen, niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Desondanks kan het ten laste gelegde feit wél wettig en overtuigend worden bewezen, aangezien naar het oordeel van het hof in het midden kan blijven op welke wijze precies is gehandeld door de betrokkenen, nu uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat deze cocaïne daadwerkelijk buiten het pand van KCS is gebracht en aldaar is overgedragen aan een onbekend gebleven derde.

Het op uitsluiting van het bewijs van de van camerabeelden vervaardigde prints gerichte verweer behoeft geen bespreking, nu het hof die prints niet bezigt. Het hof is anders dan de raadsman van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen wel kan worden bewezen. De weerlegging van dit onderdeel van het gevoerde verweer volgt uit de door het hof te bezigen bewijsmiddelen.

Schakelbewijs

Het hof acht uit het samenstel van feiten en omstandigheden zoals blijkend uit dit zaaksdossier in onderling verband en samenhang beschouwd en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor in het algemeen en onder zaaksdossier B3 is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de door de verdachte verrichte handelingen betrekking hebben gehad op cocaïne. Gezien de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hierbij om handelingen als bedoeld in het vierde lid van artikel 1 van de Opiumwet, te weten de zogeheten "verlengde invoer". Het hof acht daarom het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4 (zaaksdossier B6)

Uit de verslagen van tapgesprekken blijkt dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer], de verdachte, op vrijdag 5 november 2009, 18.12 uur, wordt gebeld door de medeverdachte [medeverdachte 9]. Ze spreken af elkaar die avond te ontmoeten in de woning van [verdachte]. [verdachte] vraagt hoe het staat voor het komend weekend. [medeverdachte 9] zegt: "het is zeker/het staat vast, weet je broer, wij praten wel wanneer ik bij je ben." De volgende dag wordt [verdachte] opnieuw gebeld door [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] zegt dat hij net bij "[betrokkene 4]" vandaan komt en dat die hem heeft uitgelegd dat de auto 's morgens vroeg om 9 uur aankomt. [verdachte] zegt dat "dat ding" niet kan aankomen en dat hij [medeverdachte 9] morgen belt op het tijdstip dat hij tegen hem heeft gezegd. [medeverdachte 9] zegt dat hij het "hem" net heeft uitgelegd dat dat ding misschien langs/via "flamingo" gaat. [verdachte] zegt dat hij denkt van niet en dat [medeverdachte 9] morgen het juiste rond 3 uur krijgt.

Op 10 november 2009 wordt [verdachte] opnieuw gebeld door [medeverdachte 9], die zegt: "Nee man, compleet, compleet". [verdachte] zegt "Je zou toch naar mij toe komen, zodat wij toch dat ding zouden gaan doen?". [medeverdachte 9] bevestigt dit en zegt morgen is goed en vraagt aan [verdachte] of hij de 12e gaat werken. [verdachte] bevestigt dit en vraagt of ze een feestje hebben. [medeverdachte 9] zegt vervolgens: "zeker weten, zeker weten dat er een feestje is".

De volgende dag hebben [verdachte] en [medeverdachte 9] opnieuw een aantal maal telefonisch contact. Ze spreken af dat ze elkaar aan het eind van de middag zullen ontmoeten. Om 17.03 uur die dag belt [medeverdachte 9] [verdachte]. Laatstgenoemde zegt dat hij er over een paar minuten is.

Uit observatieverslagen blijkt dat [verdachte] om 17.10 uur bij zijn woning in Den Haag een ontmoeting heeft met een man, die uit een rode auto stapt van het merk Alfa met kenteken [kenteken]. Om 17.20 uur vertrekt de auto van [verdachte]. Er wordt waargenomen dat zich voorin de auto twee personen bevinden. De auto wordt om 18.12 uur geparkeerd ter hoogte van het gebouw van KCS op Schiphol. Kort hierna parkeert de auto ongeveer honderd meter verderop en kort daarna rijdt de auto met lage snelheid langs het KCS-gebouw. Om 19.03 uur wordt de auto van [verdachte] weer nabij zijn woning in Den Haag geparkeerd. Uit de auto stappen [verdachte] en eerdergenoemde man. De man stapt in de rode Alfa en rijdt naar Rotterdam. De medeverdachte [medeverdachte 9] herkent zichzelf als de man in de rode Alfa als hem foto's van het observatieteam worden getoond.

Op 12 november 2009, 07.05 uur ontvangt [verdachte] een sms-bericht verzonden vanaf de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 9] met de boodschap: "vandaag geen feest morgen bel ik je". Die avond laat wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 9], die zegt "dat het heel goed mogelijk is dat ik morgen een stuk taart voor je meeneem. Op 13 november 2009 ontvangt [verdachte] een sms-bericht van [medeverdachte 9] met de mededeling: "de smurfen zijn gek, maar ik zie jou morgen."

Op 14 november 2009 belt [verdachte] met [medeverdachte 9]. [verdachte] vraagt hoe het gaat. [medeverdachte 9] antwoordt dat het goed gaat maar dat hij het niet leuk vindt. [verdachte] zegt: "nou zeg, laten we daar maar over ophouden". [medeverdachte 9] vertelt dat de smurfen daar ook weer aanwezig waren. Even later zegt [medeverdachte 9]: "nee nee nee ik zei tegen jou ik was zelf bij die lui en heb zelf met hun gesproken maar euuhhh die smurfen zijn daar ineens raar gaan doen maatje". [verdachte] zegt dat hij pissig is. [medeverdachte 9] kan zich dat voorstellen. Ze spreken af elkaar de volgende dag te ontmoeten.

De volgende dag belt [medeverdachte 9] naar [verdachte]. [medeverdachte 9] zegt dat hij blij is en dat hij de lotto heeft gewonnen. Ze spreken af dat [medeverdachte 9] naar [verdachte] toekomt voordat hij gaat werken.

[verdachte] heeft die dag een late dienst, beginnend om 14.30 uur. Om 11.13 uur belt [verdachte] met de medeverdachte [medeverdachte 1] en zegt dat hij vandaag niet zou werken maar dat hij toch gaat werken. Om 13.59 uur registreert de KLM-pas van de verdachte als inkomend in het gebouw van KCS.

Om 17.24 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 9] en zegt: "Je hebt tegen mij gezegd dat de mensen eten voor mij te laten brengen, maar ik heb...ik heb geen eten gekregen/gevonden, broeder". [medeverdachte 9] zegt dat hij zo terug belt. Om 17.34 uur belt [medeverdachte 9] naar [verdachte]. Hij zegt dat hij nu aan het wachten is, totdat ze een antwoord geven, welke kleur en wat die dingen zijn. Ze blijven maar zeggen "aan de rechterkant" en dat het wel zeker een van die ijsdingen is, in een van die ijsdingen. [verdachte] zegt dat hij gaat kijken.

Om 17.40 belt [medeverdachte 9] opnieuw naar [verdachte] en zegt dat de kleur van de auto blauw is. [verdachte] zegt "goed, goed" en zegt dat hij gaat kijken.

Het hof leidt uit de zendmastgegevens van de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 9] af dat hij die middag vanuit Rotterdam naar de luchthaven Schiphol is gekomen.

Ongeveer een kwartier later geeft [verdachte] aan [medeverdachte 9] door dat hij het blijft proberen en dat hij [medeverdachte 9] gelijk een gil geeft als er wat dan ook is. [medeverdachte 9] zegt dat hij hier is, zoals [verdachte] heeft gezegd, en afwacht. Verder zegt hij: "want de mensen hebben mij gewoon uitgelegd, dat het zeker in een van die ijsdingen...maar het nummer dat ik ook aan jou heb gegeven, dat is iets van een karretje en dan niet iets van daarbinnen?" en "dat is toch een nummer van een van die dingen om te duwen, toch?" [verdachte] bevestigt dit. [medeverdachte 9] zegt: "Hij zei tegen mij een blauwe, soort van metallic zo, begrijp je?" [verdachte] antwoordt dat hij zijn best blijft doen. [medeverdachte 9] zegt dat hij niet ver bij hem vandaan is.

Om 18.23 uur wordt [verdachte] weer gebeld door [medeverdachte 9], die hem iets gaat uitleggen, namelijk dat hij die man weer heeft gebeld en dat hij zei "dat die kist alleen komt". [medeverdachte 9]: "Maar ik was wat aan hem aan het uitleggen en hij zei tegen mij dat het die is die alleen met ijs erin komt." [verdachte] zegt - tot drie keer toe - dat hij blijft kijken. [medeverdachte 9] vraagt nog of [verdachte] "die" ook krijgt, "met alleen ijs erin". [verdachte] zegt "ja" en dat hij ook daarnaar zal kijken.

Later die avond, om 19.41 uur, wordt [verdachte] wederom gebeld door [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] zegt dat hij het die man aan [verdachte] zelf laat uitleggen. Vervolgens neemt een Spaanssprekende, onbekend gebleven man de telefoon over. Er volgt een gesprek in de Spaanse taal. De man zegt: "Je moet de koude schaal (plateau) uithalen...de kleur is metallic blauw". [verdachte] vraagt of er een stempel (zegel) op zat. De man zegt: "de korte nummers...de 624" en "de 624 is de kleine, als je een beetje naar beneden gaat (hurkt), zie je het nummer daar...en het langste nummer...280...dat staat aan de achterkant. [verdachte] zegt dat hij er alles aan doet om te kijken maar dat hij nog niets vindt. De man zegt dat dit vreemd is en "het is daar, ik weet dat het daar is, je moet die schaal uithalen (schuiven), als je het karretje vindt .. en het zit goed vast/geplakt aan de onderkant". [medeverdachte 9] komt vervolgens weer aan de telefoon. [verdachte] zegt dat hij overal heeft gelopen. [medeverdachte 9] antwoordt dat hij heeft begrepen dat het die ene is die plat is en die je er zo uit kan trekken. [verdachte] merkt vervolgens dat alles al is gearriveerd en dat het niet is aangekomen. Op de achtergrond zegt de onbekende man: "leg hem goed uit wat de Negra (negerin) tegen ons heeft gezegd". [medeverdachte 9] zegt tegen hem dat [verdachte] "het karretje", "dat nummer" nog niet gevonden heeft.

Zes minuten later belt [medeverdachte 9] weer met [verdachte] om door te geven dat het in "die" zit die hij aan [verdachte] heeft laten zien; het zit daarin, maar achter de lade: "als je de lade eruit haalt zit het daar met een lint vastgeplakt. Een lint in de kleur... een grijs, een soort grijs." [verdachte] zegt dat alles is binnengekomen en "die" er niet is. Om 20.57 uur - nog steeds onder werktijd van [verdachte] - legt [medeverdachte 9] het nog een keer uit aan [verdachte]: het zit er niet in, maar het zit onderaan de lade vast en het is dezelfde kleur als dat ding. [verdachte] zegt dan: "Neeeee, maar je begrijpt het niet. Dat ding zelf. Ik heb de hele auto niet gekregen, waar het aan vast zit." Ze spreken af elkaar te treffen.

Uit deze feitelijke gang van zaken leidt het hof af dat [verdachte] en [medeverdachte 9] belanghebbende zijn bij de aankomst van een trolley met daarin een materiaal dat daaruit moet worden verwijderd en in hun bezit dient te komen. Om de feitelijke beschikking te verkrijgen over deze trolley (en derhalve over de inhoud daarvan) hebben [verdachte] en [medeverdachte 9] verscheidene telefoongesprekken gevoerd, waarbij informatie wordt gegeven en uitgewisseld omtrent de mogelijke vindplaats van deze trolley. Het hof merkt op dat blijkt dat deze trolley uiteindelijk niet door één van de verdachten in dit zaaksdossier is gevonden.

Schakelbewijs

Het hof acht uit het samenstel van feiten en omstandigheden zoals blijkend uit dit zaaksdossier in onderling verband en samenhang beschouwd en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor in het algemeen en onder zaaksdossier B3 is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de door de verdachte verrichte handelingen betrekking hebben gehad op cocaïne.

Gezien de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hierbij om handelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, te weten zogeheten voorbereidingshandelingen. Het hof acht daarom het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het hof heeft bij dit oordeel betrokken het gegeven dat de verdachte zich zowel in het voorbereidend onderzoek als bij de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg en in hoger beroep wat feit 4 betreft op zijn zwijgrecht heeft beroepen. De verdachte heeft daarmee geen de redengevendheid van de bewijsmiddelen ontzenuwende verklaring gegeven, in het bijzonder heeft hij het belastende karakter van de inhoud van de door hem gevoerde telefoongesprekken met [medeverdachte 9] door zijn proceshouding niet kunnen wegnemen.

Feit 2 (zaaksdossier B14)

Het in de tenlastelegging van feit 2 genoemde bedrag van € 68.879,21 is het resultaat, zo volgt uit een financieel onderzoek ter onderbouwing van een mogelijk in te stellen ontnemingsvordering, van een kasopstelling waarbij uitsluitend het contante geldverkeer in beeld is gebracht in de ten laste gelegde periode en waarbij opnames van bankrekeningen als contante ontvangsten zijn beschouwd.

De advocaat-generaal heeft zich met het oog hierop in hoger beroep op het standpunt gesteld dat van de tenlastelegging slechts hoeft te worden beoordeeld of de verdachte en zijn toenmalige partner, de medeverdachte [medeverdachte 10] (verder ook te noemen: [medeverdachte 10]), in de desbetreffende periode enig geldbedrag en/of enige goederen hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans daarvan gebruik hebben gemaakt. Hetgeen overigens is verwoord in de tenlastelegging biedt - nu dit is gebaseerd op het resultaat van een kasopstelling - onvoldoende basis voor een bewezenverklaring van witwashandelingen. De advocaat-generaal heeft zich hierbij gebaseerd op hetgeen door dit hof is overwogen en beslist in zijn arrest van 9 maart 2012 (LJN BV8850) ten aanzien van de complicaties bij de bewijswaardering in het kader van witwassen wanneer een ten laste gelegd bedrag is gebaseerd op het resultaat van een in een (strafrechtelijk) financieel onderzoek opgestelde vermogensvergelijking.

Deze uitgangspunten van de advocaat-generaal zijn juist en worden door het hof onderschreven.

De advocaat-generaal heeft zich in hoger beroep meer concreet op het standpunt gesteld dat in deze bewezen kan worden het witwassen van enig geldbedrag. Zij heeft in dit verband overwogen dat er sprake is van onverklaarde gelden, bestaande uit - zo begrijpt althans het hof de advocaat-generaal op dit punt - het bedrag van in totaal € 21.413 waarmee door de verdachte en [medeverdachte 10] gedane bijzondere uitgaven, als gespecificeerd in het schriftelijk requisitoir, het inkomen uit arbeid van beiden overstijgen, te verminderen met een onbekend bedrag waarvan niet valt uit te sluiten dat de verdachte dit op enig moment in een loterij heeft gewonnen en/of in de loop van de jaren heeft gespaard.

Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat, voor zover er ten laste is gelegd het witwassen van goederen, vrijspraak dient te volgen, aangezien niet bewezen kan worden dat de bedoelde goederen tot een niet-legale geldbron kunnen worden herleid wanneer tevens is gebleken dat de verdachte op enig moment over één of meer legale geldbronnen heeft kunnen beschikken.

De verdachte en zijn raadsman hebben ten verwere aangevoerd - kort weergegeven - dat de verdachte al meer dan dertig jaar werkt en van zijn daarmee verdiende inkomen geld heeft gespaard. Dit geld heeft hij niet op een bankrekening gestort, maar thuis bewaard. Vervolgens heeft hij het in de ten laste gelegde periode wel op een bankrekening gestort, om daar goederen mee aan te schaffen, omdat het niet meer gebruikelijk is om goederen met een stapel contant geld te betalen. Verder zou het geld afkomstig zijn van in verschillende loterijen gewonnen bedragen en van persoonlijke leningen.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er aldus een niet onaannemelijk alternatief scenario bestaat voor de herkomst van de in het financiële onderzoek aangetroffen niet door de beide salarissen te verklaren uitgaven.

Ten slotte is aangevoerd dat er geen aanwijzingen in het dossier zijn te vinden dat de verdachte vergoedingen kreeg voor strafbare gedragingen, terwijl het financieel onderzoek voorts met name betrekking heeft op een periode die is gelegen vóór de overigens ten laste gelegde feiten en de verdachte voorts pas in de loop van het Pan-onderzoek in beeld is gekomen.

Het hof zal, in navolging van de vordering van de advocaat-generaal, de verdachte ten aanzien van het deel van de tenlastelegging dat ziet op "enige goederen", vrijspreken. Dit deel van de tenlastelegging behoeft dan ook geen verdere bespreking.

Het hof overweegt voorts dat het in zijn hiervoor genoemde arrest ten aanzien van zaken waarin witwassen is ten laste gelegd, gepleegd over een periode die van aanmerkelijk langere duur is dan de periode waarin - in dit geval - de eveneens ten laste gelegde en al dan niet bewezen verklaarde drugsdelicten hebben plaatsgevonden, beslist dat het toetsingskader gehanteerd dient te worden dat past bij een tenlastelegging van witwassen waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Gelet achtereenvolgens op het feit

- dat de beschuldiging van witwassen in dit geval betrekking heeft op een aanzienlijk langere periode dan die waarin de overige ten laste gelegde feiten zouden zijn gepleegd;

- dat de tenlastelegging van witwassen primair stoelt op een kasopstelling die is gemaakt in het kader van een financieel onderzoek;

- dat de in het kader van het financieel onderzoek geconstateerde al dan niet verdachte geldbewegingen niet in verband zijn te brengen met enig concreet strafbaar feit

en

- dat er sprake is van (neven)inkomsten van de verdachte en [medeverdachte 10] uit andere dan criminele activiteiten,

zal het hof bij de beoordeling van de tenlastelegging van dit feit het toetsingskader hanteren dat wordt toegepast in het geval dat witwassen wordt ten laste gelegd zonder dat er direct bewijs van een of meer brondelicten aanwezig is.

In het tegen de verdachte en zijn medeverdachte uitgevoerde financiële onderzoek is wat betreft de ten laste gelegde periode onder meer en voor zover hier van belang het volgende geconstateerd:

- de salarissen uit reguliere dienstbetrekking van zowel de verdachte als [medeverdachte 10] worden giraal uitbetaald;

- andere inkomsten uit reguliere werkzaamheden dan de dienstbetrekking van [verdachte] bij KLM Catering Services en de dienstbetrekking van [medeverdachte 10] bij het ministerie van Sociale Zaken zijn niet geconstateerd;

- op de betaalrekening op naam van de verdachte komen alleen maandelijkse betalingen van de zorgtoeslag binnen;

- deze rekening is overigens geblokkeerd in verband met een betalingsachterstand;

- het saldo van de internet kwartaal spaarrekening op naam van de verdachte

bedraagt zowel aan het begin als aan het einde van de ten laste gelegde periode € 0 en er hebben op deze rekening in die periode geen mutaties plaatsgevonden;

- de flexibel krediet rekening op naam van de verdachte is geblokkeerd in verband met een betalingsachterstand en vertoont een aanzienlijk negatief saldo;

- met de visa card op naam van de verdachte zijn geen transacties verricht;

- het saldo op de internet kwartaalrekening op naam van [medeverdachte 10] bedroeg op 1 januari 2008 € 1.866 en op 26 april 2010 € 500,91;

- op de betaalrekening op naam van [medeverdachte 10], waarvan beide verdachten over een betaalpas beschikken, is een bedrag van in totaal € 73.130 gestort;

- uit een kasopstelling blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 10] € 68.879,21 meer hebben uitgegeven dan op grond van hun inkomsten uit reguliere dienstbetrekking mogelijk is.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor vermelde onderzoeksresultaten het vermoeden van witwassen zonder meer rechtvaardigen. Gelet hierop mag van de verdachte verlangd worden dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de onverklaarde gelden. Als onverklaarde gelden zijn in deze concreet te benoemen de contante stortingen gedaan op de bankrekening waarover beide verdachten de beschikking hadden.

Ter beoordeling staat of aan voornoemd vereiste is voldaan.

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Nog daargelaten of de verklaringen die de verdachte voor de herkomst van de contante stortingen geeft al dan niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn, constateert het hof dat deze in ieder geval weinig concreet en niet min of meer verifieerbaar zijn. Van winsten in Antilliaanse loterijen is geen enkel fysiek bewijs terug te vinden en overigens is daar ook, behoudens de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 10] als getuige, geen ondersteunend getuigenbewijs van voorhanden. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de verdachte dat een deel van de contante stortingen van door hem thuis bewaard spaargeld afkomstig zou zijn, of van persoonlijke leningen.

Daarbij komt nog het volgende. Op vordering van de advocaat-generaal is de medeverdachte [medeverdachte 10] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord.

Zij heeft aldaar verklaard dat zij in eerdere getuigenverklaringen niet de waarheid heeft verteld, maar dat nu in hoger beroep wél deed. De verdachte en [medeverdachte 10] wonen gedurende ongeveer 20 jaar samen. De verdachte werkte bij KCS op Schiphol, zij werkte als secretaresse bij het ministerie van Sociale Zaken. De beide salarissen werden ontvangen op een op haar naam staande bankrekening, waarvan zowel zij als de verdachte een pinpas had. Zij heeft voorts ten overstaan van het hof verklaard niet precies te weten of de verdachte naast zijn inkomsten uit dienstbetrekking bij KCS nog andere inkomsten had. Zij dacht van wel, omdat zij sinds ongeveer 2009 extra geld van de verdachte ontving, zo'n € 500 tot € 600 per maand. Geconfronteerd met de omstandigheid dat zij in het kader van een reclasseringsonderzoek in haar eigen zaak had verklaard dat dit per week ontvangen geldbedragen betrof, heeft zij verklaard - zakelijk weergegeven - dat wat zij tegen de rapporteur van de reclassering had gezegd, klopte. Zij heeft voorts verklaard niet te weten waar dat extra geld vandaan kwam. Zij had de verdachte daarnaar gevraagd, waarop hij had gezegd dat hij "iets moest doen" voor iemand. Zij dacht wel dat het iets was dat niet goed was. Het voelde niet goed omdat het geen geld afkomstig van een salaris was, maar zij had ervoor gekozen niet verder te vragen, omdat het haar niet kon schelen. Zij heeft voorts verklaard dat het zou kunnen zijn dat het daarbij om een bedrag van in totaal ongeveer € 25.000 ging, of zelfs om een bedrag van in totaal ongeveer € 68.000, maar dat er daarbij wel rekening gehouden moest worden dat de verdachte ook meedeed aan loterijen. Overigens heeft zij tevens verklaard dat zij niet dacht dat het om winsten verkregen uit het meedoen aan loterijen ging. Als de verdachte in een loterij had gewonnen, zo heeft [medeverdachte 10] verklaard, kwam hij blij thuis en vertelde dat dan ook aan de kinderen.

De verdachte heeft de verklaring van [medeverdachte 10] bestreden, meer in het bijzonder dat er sprake zou zijn van een extra bedrag van € 500 tot € 600 per week of per maand. Volgens hem zou het extra geld dat hij [medeverdachte 10] wel eens gaf wel degelijk winst gemaakt in een loterij zijn, of spaargeld betreffen. Ter terechtzitting van het hof gevraagd waarom hij zijn spaargeld thuis bewaarde en vervolgens kennelijk in verschillende porties op een bankrekening stortte, terwijl hij zelf toch ook over een spaarrekening beschikte, heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht.

Tegen deze achtergrond en gelet op de omstandigheid dat de getuige [medeverdachte 10] ook zichzelf heeft belast, ziet het hof geen aanleiding om niet uit te gaan van de verklaring van deze getuige.

Het hof acht voorts de tegenwerpingen van de verdachte - voor zover daar al sprake van is geweest - niet overtuigend.

Al het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de hier aan de orde zijnde contante stortingen een legale herkomst hebben, zodat het niet anders kan dan dat dat geld (on)middellijk van misdrijf afkomstig was. Het hof wordt in dit oordeel nog gesterkt door het feit dat de verdachte, blijkens de overige inhoud van dit arrest, zich ook daadwerkelijk in de ten laste gelegde periode - zij het slechts gedurende kleine delen daarvan - schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

Het hof overweegt ten slotte dat wat betreft de omvang van de witgewassen bedragen als vaststaand kan worden aangenomen dat deze, gezien de uit het dossier blijkende onverklaarde geldbewegingen, in elk geval het laagste door de getuige [medeverdachte 10] genoemde bedrag van in totaal ongeveer € 25.000 belopen.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in het bijzonder het daaruit blijkende feit dat ook verdachte beschikte over een betaalpas voor de rekening van [medeverdachte 10] waarop de contante stortingen werden gedaan, acht het hof bewezen dat genoemd geldbedrag door de verdachte en zijn vroegere partner [medeverdachte 10] tezamen en in vereniging is witgewassen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, subsidiair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair:

hij in de periode van 20 september 2009 tot en met 28 september 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 10.605 gram van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders daartoe:

- meermalen met elkaar telefonisch contact gehad en

- meermalen afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en

- meermalen op en/of rondom de afgesproken vindplaats gezocht naar voornoemde hoeveelheid cocaïne;

2:

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 6 april 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3 primair:

hij op 27 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid cocaïne;

4:

hij in de periode van 1 november 2009 tot en met 15 november 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht heeft verschaft immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders daartoe

- meermalen met elkaar telefonisch contact gehad en

- een afspraak gemaakt om elkaar te ontmoeten en

- een ontmoeting gehad in Nederland en

- op of rondom de afgesproken vindplaats en/of bergplaats gezocht naar voornoemde onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne;

Hetgeen onder 1, subsidiair, 2, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, subsidiair, 2, 3, primair en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1, subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

het onder 3, primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 subsidiair en feit 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis

De raadsman van de verdachte heeft gewezen op straffen die volgens hem in vergelijkbare zaken door de strafrechter zijn opgelegd, en gelet daarop heeft hij het hof verzocht de op te leggen straf te matigen. Voorts heeft de raadsman verzocht te bepalen dat een deel van die straf in voorwaardelijke vorm wordt opgelegd. Hierbij heeft de raadsman gewezen op het "blanco strafblad"van de verdachte en op de inhoud van een de verdachte met het oog op de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming betreffend rapport van 25 september 2011 van de reclassering, waarin wordt geadviseerd de verdachte in aanmerking te laten komen voor "TR" (het hof begrijpt: Terugdringen Recidive).

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is gedurende een periode betrokken geweest bij de invoer van cocaïne naar Nederland. Hij heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ter zake de opzettelijke invoer van cocaïne en eenmaal aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne. Voorts heeft hij schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Vooropgesteld dient te worden dat het motief voor de strafbaarstelling van invoer van verdovende middelen in aanzienlijke mate is gelegen in het maatschappelijk belang van bescherming van de volksgezondheid. Het gebruik van in het bijzonder harddrugs is schadelijk voor de volksgezondheid en kan bijdragen aan het ontstaan en voortduren van ernstige ontregeling van het maatschappelijk en mentaal functioneren van personen.

Voorts leert de ervaring dat het uit winstbejag participeren in de keten van de invoer tot aan het gebruik van die middelen dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, variërend van relatief lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit, in zwaarte doorgaans verbonden aan het niveau van organisatie en (groot)handel. Tot die zware criminaliteit rekent het hof niet alleen (ernstige) geweldsmisdrijven, maar ook misdrijven die een bedreiging inhouden voor de integriteit van het financiële en economische verkeer.

De hoge wettelijke strafmaxima verbonden aan de opzettelijke invoer van harddrugs vormen derhalve een uitvloeisel van het streven van de wetgever de Nederlandse samenleving te vrijwaren van deze stoffen en ter voorkoming van het ontstaan van een grootschalige binnenlandse markt. In dit licht kan tevens worden begrepen dat ook handelingen gericht op voorbereiding of bevordering van invoer van harddrugs met aanzienlijke straffen worden bedreigd.

Het gevoerde vervolgings- en strafvorderingsbeleid brengt onder meer tot uitdrukking dat het Openbaar Ministerie het aldus begrepen wettelijk kader heeft verstaan als een opdracht om bij strafbaar handelen in verband met import van cocaïne in beginsel te rekwireren tot de oplegging van langdurige gevangenisstraffen.

Het hof betrekt bij de bepaling van de strafmaat voorts de volgende aspecten.

Naast het hiervoor besproken kernverwijt, dat voortvloeit uit het, al dan niet gerealiseerde toebrengen van schade aan de gezondheid van personen, spelen de hiervoor bedoelde maatschappelijk bezwarende en ontwrichtende aspecten die zijn verbonden aan het handelen van de verdachte een rol van betekenis.

Immers, aangenomen mag worden dat het verrichten van werkzaamheden gericht op invoer van harddrugs voor de daarbij betrokkenen, onder wie de verdachte, een hoge beloning oplevert. De hoogte van die beloning wordt voor een groot deel bepaald door de risico's die met het werk zijn verbonden. Eén van deze risico's, wellicht de belangrijkste, is dat van een strafrechtelijke vervolging en van een, naar Nederlandse maatstaven gemeten, doorgaans zware bestraffing. Het perspectief van de hoge beloning en de praktijk van zware strafrechtelijke sanctionering vormen aldus bezien elkaars spiegelbeeld.

In de werkomgeving van de verdachte was de verleiding om zich in te laten met de invoer van cocaïne groot. De luchthaven Schiphol biedt - zoals alle lucht- en zeehavens - een voor de hand liggende en noodzakelijke schakel en biedt daartoe onvermijdelijk ook de mogelijkheden voor de smokkel van verdovende middelen. Schipholmedewerkers, waaronder het hof eveneens verstaat medewerkers van KCS, verkeren in de positie dat zij met die mogelijkheden kunnen kennis maken en op hen rust de verplichting om de verlokkingen die ermee zijn verbonden te weerstaan.

De verdachte heeft, naar moet worden aangenomen uit louter winstbejag, die weerstand niet geboden. Dat dit een negatieve bijdrage oplevert dan wel kan opleveren voor de volksgezondheid is reeds overwogen. Maar bovendien heeft de verdachte er hiermee voor gekozen om veel geld te verdienen met zijn verboden gedragingen.

De verdachte heeft op zijn werkplek KCS op verschillende momenten telefonisch contact gehad met zijn mededaders, daarbij informatie ontvangen of gegeven. Ook heeft hij herhaalde malen gezocht naar een cateringtrolley met verdovende middelen.

Het hof is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte een leidinggevende rol heeft gehad. Wel dienen de activiteiten van de verdachte zonder meer te worden aangemerkt als een wezenlijke bijdrage aan het invoertraject.

De verdachte heeft hiermee zijn reguliere werkverband en de hem in dat bestek ten dienste staande faciliteiten benut als een vehikel voor activiteiten gericht op de invoer van cocaïne.

Met betrekking tot het door de advocaat-generaal naar voren gebrachte belang van het door de verdachte als werknemer geschonden vertrouwen overweegt het hof als volgt. De verdachte had uit de aard van zijn functie geen bijzondere vertrouwenspositie en aldus bezien is er geen sprake geweest van schending van vertrouwen dat verder strekt dan in een gemiddelde werkkring als basis voor de arbeidsverhoudingen en aan integriteit te stellen eisen geldt. Dat doet er echter niet aan af dat de verdachte zich heeft ingelaten met maatschappelijk schadelijke activiteiten - het gaat hier bovendien om ernstige misdrijven - waarvan zijn werkgever mocht vertrouwen dat hij deze niet zou ontplooien.

Tot slot wijst het hof erop dat het zich ook rekenschap dient te geven van de internationale dimensies van de bestrijding van de sluikhandel in verdovende middelen. De prioriteit die hier in internationaal verband nog steeds naar uitgaat brengt met zich dat de bestraffing in overwegende mate in de sleutel van de generaal-preventieve werking is gesteld. Dit betekent dat de straftoemeting ook een signaal dient in te houden naar Nederlandse ingezeten om af te zien van (ondersteunende) activiteiten op plaatsen van in- en doorvoer van verdovende middelen. Daarnaast moet uit de bestraffing blijken dat met de misdrijven zoals die in de onderhavige zaak ter beoordeling aan de strafrechter zijn voorgelegd het risico van langdurige vrijheidsbeneming zich ook realiseert.

Voorgaande beschouwingen impliceren dat bij de bepaling van de strafmaat de rol van de verdachte en de duur en intensiteit van zijn betrokkenheid veel gewicht in de schaal leggen.

Anders dan bij drugskoeriers, waarbij de getransporteerde hoeveelheid volgens een relatief gedetailleerde systematiek een bepalende maatstaf vormt, draagt de omvang van de feitelijk binnengebrachte hoeveelheden cocaïne in het onderhavige geval slechts bij aan de strafmaat in samenhang met de zojuist genoemde factoren. Voor de mate waarin aantallen transporten, geslaagd dan wel mislukt, en hoeveelheden cocaïne bijdragen aan de strafmaat valt geen algemene regel noch enige cijfermatige motivering te geven. De toe te passen strafmaat voor misdrijven als de onderhavige beweegt zich, zo laat ook de straftoemetingspraktijk zien, binnen een niet al te ruime bandbreedte.

De verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag. Hij heeft aldus in ernstige mate inbreuk gemaakt op de in het financiële en economische verkeer vereiste integriteit en transparantie, door het mogelijk te maken dat de opbrengst van misdrijven aan het zicht van justitie wordt onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt gegeven.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 mei 2012 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Hetgeen overigens omtrent zijn persoon is gebleken -de inhoud van het evenbedoelde rapport van 25 september 2011 daaronder mede begrepen- houdt geen bijzondere termen in op grond waarvan de op te leggen straf gematigd dient te worden.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt het hof tot de slotsom dat aan de verdachte een gevangenisstraf van lange duur dient te worden opgelegd. De duur van die straf is korter dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. De reden daarvoor is dat uit hetgeen het hof heeft overwogen, noodzakelijkerwijs voortvloeit dat er ruimte dient te blijven bestaan om aan personen die

- anders dan de verdachte - wel de door het hof bedoelde leidinggevende rol hebben vervuld - en/of die kunnen gelden als belanghebbende in de zin van 'eigenaar' of 'afnemer' van de gesmokkelde hoeveelheid verdovende middelen - een gevangenisstraf van langere duur op te leggen.

Het hof ziet in hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht geen reden de straf nog verder te matigen, of te bepalen dat een deel van de straf voorwaardelijk wordt opgelegd, al dan niet in combinatie met een werkstraf.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3 primair en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

41. 1.00 STK kentekenbewijs;

55. 1.00 STK kentekenbewijs;

56. 1.00 STK kentekenbewijs;

59. 1.00 STK sleutelbos.

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00 STK diverse KLM pas.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.M. Steinhaus en mr. J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van mr. A. Binken, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 september 2012.