Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX9755

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
10-10-2012
Zaaknummer
200.081.130-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2010:BP0176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van 17 januari 2012. Geïntimeerde is niet in haar bewijsopdracht geslaagd, haar beroep op dwaling wordt daarom verworpen en zij moet appellant dan ook betalen voor diens als advocaat verrichte diensten. Zaak wordt voor langere duur aangehouden opdat begrotingsgeschil als bedoeld in art. 32 e.v. WTBZ kan plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.081.130/01

25 september 2012 (bij vervroeging)

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

woonplaats kiezend te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. R.E. [appellant] te Almere,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonend te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft in deze zaak op 17 januari 2012 een tweede tussenarrest gewezen (verder ook: het tweede tussenarrest). Voor het eerdere verloop van het geding in hoger beroep wordt naar dat arrest verwezen.

[geïntimeerde] heeft [A] als getuige doen horen. [appellant] heeft [B] en zichzelf als getuigen voorgebracht. Van de desbetreffende (twee) terechtzittingen is telkens proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] onder overlegging van producties een memorie na enquête genomen, waarop [appellant] onder overlegging van één productie heeft geantwoord.

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij het tweede tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] te bewijzen opgedragen dat [appellant] haar (in september 2009) heeft meegedeeld dat zij vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtshulp.

2.2. Het hof acht [geïntimeerde] niet geslaagd in haar bewijsopdracht. Weliswaar heeft de getuige [A], kort gezegd, het bewijsthema bevestigd, maar het hof acht dat onvoldoende om het bewijs van de onderhavige stelling te kunnen aannemen. Het hof overweegt hiertoe dat [appellant] als getuige heeft verklaard dat [A] niet bij het intakegesprek aanwezig is geweest en dat hij, [appellant], kort gezegd, de te bewijzen opgedragen mededeling niet heeft gedaan. Het hof ziet geen aanleiding meer geloof aan de getuigenverklaring van [A] te hechten dan aan die van [appellant]. De getuige [B], ten slotte, heeft niets verklaard waarin steun voor het probandum zou kunnen worden gevonden.

2.3. Naar aanleiding van enkele stellingen van [geïntimeerde] in haar memorie na enquête wordt nog het volgende overwogen. Anders dan [geïntimeerde] meent, wordt de getuigenverklaring van [appellant] niet getroffen door het bepaalde in artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De bewijslast ten aanzien van de te bewijzen opgedragen stelling rust immers op [geïntimeerde] en niet op [appellant]. Evenzeer is onjuist – en op niets gebaseerd - de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] moet bewijzen dat [A] niet bij het intakegesprek aanwezig was. [geïntimeerde] geeft verder aan de getuigenverklaring van [A] te ondersteunen. Dit is echter niet van belang, omdat [geïntimeerde] zichzelf niet als getuige heeft doen horen en dus geen verklaring onder ede heeft afgelegd. Ten slotte heeft [appellant] niet pas tijdens de contra-enquête maar al bij akte van 6 december 2011 – naar aanleiding van het desbetreffende bewijsaanbod van [geïntimeerde] bij memorie van antwoord – betwist dat [A] bij het intakegesprek aanwezig was. [appellant] was niet gehouden die betwisting eerder te doen. Van een nieuwe, ontoelaatbare, grief is overigens hoe dan ook geen sprake, omdat de kantonrechter in het bestreden vonnis niets over de aanwezigheid van [A] bij het intakegesprek heeft vastgesteld. De overige stellingen van [geïntimeerde] in haar memorie na enquête kunnen bij gebrek aan belang onbesproken blijven.

2.4. Omdat zij niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, is het door [geïntimeerde] gedane beroep op dwaling, gezien de overwegingen van het tussenarrest van 8 november 2011, ongegrond. Dit betekent dat [geïntimeerde] [appellant] voor zijn werkzaamheden dient te betalen.

2.5. [geïntimeerde] heeft (voldoende gemotiveerd) gesteld dat de declaraties van [appellant] te hoog zijn. Gelet op het bepaalde in de artikelen 32 en volgende van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ), is de burgerlijke rechter niet bevoegd te beslissen over een geschil tussen een advocaat en zijn cliënt met betrekking tot de omvang van het salaris van eerstgenoemde en dient dat salaris in een dergelijk geval te worden begroot door de Raad van Toezicht (RvT), met de mogelijkheid van nadere vaststelling door de rechter op grond van art. 33 WTBZ. Voorts voorziet de regeling in de WTBZ in het afgeven van een bevelschrift door de voorzitter van de RvT respectievelijk de in de WTBZ bedoelde rechter, zodat hier voor het hof in beginsel geen rol is weggelegd. Of dit inderdaad (niet) het geval zal zijn, kan thans echter nog niet worden beoordeeld.

2.6. Het hof zal de zaak op een zeer ruime termijn aanhouden teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen de in de WTBZ bedoelde begroting te doen plaatsvinden en vervolgens de onherroepelijke resultaten daarvan bij akte in het geding te brengen, waarna [geïntimeerde] daarop nog zal mogen reageren.

2.7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 1 oktober 2013 voor het nemen van een akte door [appellant] met het doel als bedoeld onder 2.6, waarna [geïntimeerde] daarop zal mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en C. Uriot, en is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2012 door de rolraadsheer.