Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX9748

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
10-10-2012
Zaaknummer
106.007.055-02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse vorderingen (in gevoegde zaken) na beëindiging van samenwerkingsovereenkomst. Onvoldoende gesteld om opdracht in de zin van art. 7:400 BW of ongerechtvaardigde verrijking te kunnen aannemen. Geen vordering uit rekening-courant. Voorwaardelijke reconventie en proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummers 106.007.055/02, 106.007.058/02, 106.007.061/02 en 106.007.064/02

12 juni 2012

GERECHTSHOF AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de (gevoegde) zaken van:

(zaaknummer 106.007.055/02)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] & [B] BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] ACCOUNTANTS- EN BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S.A. van der Sluijs te Amsterdam,

(zaaknummer 106.007.058/02)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] & [B] BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IPA-ACON GROEP B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IPA-ACON ACCOUNTANTS B.V.,

beide gevestigd te Haarlem,

GEÏNTIMEERDEN in principaal hoger beroep,

APPELLANTEN in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S.A. van der Sluijs te Amsterdam,

(zaaknummer 106.007.061/02)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] & [B] BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ADMINISTRATIE- EN COMPUTERSERVICE [C] B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] ACCOUNTANTS- EN BELASTINGADVISEURS B.V.,

beide gevestigd te [vestigingsplaats],

GEÏNTIMEERDEN in principaal hoger beroep,

APPELLANTEN in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S.A. van der Sluijs te Amsterdam, en

(zaaknummer 106.007.064/02)

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] & [B] BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IPA-ACON BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te Haarlem,

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S.A. van der Sluijs te Amsterdam.

Appellante in principaal hoger beroep/geïntimeerde in inciden-teel beroep wordt hierna [A] & [B] genoemd, geïntimeer-den in principaal hoger beroep/appellanten in incidenteel hoger beroep gezamenlijk IPA-ACON c.s. en afzonderlijk [C] Accountants- en Belastingadviseurs, IPA-ACON Groep, IPA-ACON Accountants, Administratie- en Computerservice [C] en IPA-ACON Belastingadviseurs.

1. Het verdere verloop van de gedingen in hoger beroep

Het hof heeft in deze zaken op 28 december 2010 een tussenarrest uitgesproken, waarbij de zaken zijn gevoegd. Voor het eerdere verloop van de gedingen wordt naar dat arrest (verder: het tussenarrest) verwezen.

Vervolgens hebben IPA-ACON c.s. de grieven van [A] & [B] bestreden, hunnerzijds in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd – naar het hof begrijpt - dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met dien verstande dat [A] & [B] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie zal worden verwezen, alles met veroordeling van [A] & [B] in de kosten van het principaal hoger beroep en van het incidenteel hoger beroep.

Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft [A] & [B] de grief van IPA-ACON c.s. bestreden en geconcludeerd tot referte.

Partijen hebben hun zaak op 19 april 2012 aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities doen bepleiten, [A] & [B] door mr. P.J. de Groen, advocaat te Sassenheim, IPA-ACON c.s. door hun in de kop van dit arrest genoemde advocaat. [A] & [B] heeft bij deze gelegenheid nog stukken in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2. De feiten

De rechtbank heeft in de overwegingen 2.1 tot en met 2.13 van het bestreden tussenvonnis van 5 juli 2006 (verder: het tussenvonnis) een aantal feiten als tussen partijen vaststaand vermeld. Met grief I in principaal hoger beroep betoogt [A] & [B] onder meer – in essentie - dat de rechtbank ten onrechte de feiten niet heeft vastgesteld zoals [A] & [B] die heeft gesteld. Zij stelt echter niet, laat staan gemotiveerd, dat de vastgestelde feiten onjuist zijn. Het hof zal daarom – en omdat IPA-ACON c.s. daartegen geen bezwaar hebben gemaakt - van die feiten uitgaan. Opgemerkt wordt nog dat de rechtbank niet gehouden was alle vaststaande feiten te vermelden en, ten slotte, dat niet alle door [A] & [B] gestelde feiten tussen partijen vaststaan. Overigens zal het hof (uiteraard) de door [A] & [B] geponeerde stellingen bij de beoordeling betrekken.

3. De (verdere) beoordeling in hoger beroep

3.1. Voor een korte samenvatting van de feiten en de gedingen in eerste aanleg verwijst het hof kortheidshalve naar de overwegin-gen 2.1 tot en met 2.6 van het tussenarrest. Tot goed begrip merkt het hof op dat de vorderingen in hoger beroep, zoals de advocaat van [A] & [B] bij gelegenheid van de pleidooien desgevraagd heeft bevestigd, dezelfde zijn als bij de onderscheiden inleidende dagvaardingen ingesteld. Derhalve zijn de vorderingen in hoger beroep - ten opzichte van de eiswijzigingen bij de conclusie van repliek in conventie - wederom verminderd en vermeerderd.

3.2. De grieven in principaal hoger beroep, voor zover nog niet besproken, strekken ten betoge dat de rechtbank de vorderingen van [A] & [B] ten onrechte heeft afgewezen. Zij kunnen gezamenlijk worden besproken. Het hof zal echter niet ingaan op de grieven X en XI in principaal hoger beroep, gericht tegen overweging 5.5 van het tussenvonnis en overweging 2.1 van het bestreden vonnis van 4 juli 2007 (verder: het eindvonnis), omdat die overwegingen geen verband houden met de grondslagen van die vorderingen en eventuele gegrondheid van deze grieven niet kan leiden tot toewijzing van enig deel van het gevorderde.

3.3.1. In navolging van [A] & [B] zal het hof, afgezien van de vorderingen wegens buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proces- en beslagkosten, uitgaan van drie groepen van vorderingen van [A] & [B]:

A) vorderingen ter zake van door [A] & [B] verzonden facturen wegens, volgens haar, in opdracht van de betrokken wederpartij verrichte belastingadvieswerkzaamheden ten behoeve van cliënten van die wederpartij. Het gaat hier meer concreet (vgl. memorie van grieven in principaal hoger beroep, sub 8 e.v.) om:

- een vordering op [C] Accountants- en Belastingadviseurs van € 6.300,46,

- een vordering op IPA-ACON Belastingadviseurs van € 29.602,45,

- een vordering op IPA-ACON Groep en IPA-ACON Accountants van € 41.240,64 (zie voor dit bedrag overigens hierna, 3.3.2),

B) vorderingen wegens – door [B] en [D] - verrichte advieswerkzaamheden om de organisatie van IPA-ACON c.s. te verbeteren op een aantal specifieke processen en trajecten, met name met betrekking tot arbeidsvoorwaarden, acquisitie en de implementatie van het zogeheten cliëntmanagersysteem. Het gaat hier meer concreet (vgl. genoemde memorie, sub 10) om:

- een vordering op Administratie- en Computerservice [C] en [C] Accountants- en Belastingadviseurs van € 99.969,=,

- een vordering op IPA-ACON Groep en IPA-ACON Accountants van € 89.836,=,

C) een vordering op IPA-ACON Groep en IPA-ACON Accountants wegens “in rekening-courant uitgeleende gelden” van € 10.549,04 (vgl. genoemde memorie, sub 11).

3.3.2. [A] & [B] vermeldt bij groep A - onder verwijzing naar de als productie 4 bij inleidende dagvaarding in de desbetreffende zaak (106.007.058) overgelegde facturen - ook nog een vordering van € 45.787,63 op IPA-ACON Groep en IPA-ACON Accountants (memorie van grieven, sub 9). Hoewel het totaal van die facturen inderdaad sluit op € 45.787,63, heeft [A] & [B] te dezen in eerste aanleg slechts € 41.240,64 gevorderd. Gelet op randnummer 80 van haar memorie van grieven in de zaak met nummer 106.007.058/02, doet zij dat in hoger beroep nog steeds. Zij vordert immers van IPA-ACON Groep en IPA-ACON Accountants de betaling van € 141.625,68 en dat bedrag bestaat uit de telling van € 89.836,=, € 10.549,04 en € 41.240,64. Ook met betrekking tot laatstbedoeld bedrag heeft [A] & [B] overigens naar de zojuist genoemde facturen verwezen. Nu over deze kwestie namens [A] & [B] bij de pleidooien geen duidelijkheid kon worden verschaft, is hier kennelijk sprake van een vergissing.

3.4. Met betrekking tot de vorderingen van groep A:

3.4.1. De primaire grondslag van deze vorderingen is een aantal overeenkomsten van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij [A] & [B] in het bijzonder wijst op art. 7:405 BW. Subsidiair beroept [A] & [B] zich op art. 6:248 lid 1 BW (aanvullende werking van de eisen van redelijkheid en billijkheid).

Het hof oordeelt als volgt.

3.4.2. Op zichzelf staat niet ter discussie dat [A] & [B] ten behoeve van cliënten van IPA-ACON c.s. belasting-advieswerkzaamheden heeft verricht. IPA-ACON c.s. ontkennen evenwel met een beroep op de in overweging 2.1 (ii) van het tussenarrest bedoelde samenwerkingsovereenkomst van 7 augustus 2003 (verder ook: de samenwerkingsovereenkomst) dat deze werkzaamheden zijn verricht op grond van overeenkomsten van opdracht als bedoeld in art. 7:400 BW en dat zij (uit dien of uit anderen hoofde) [A] & [B] voor haar werkzaamheden dienen te betalen. In dit verband betogen zij, kort gezegd, dat de door [A] & [B] verrichte werkzaamheden plaatsvonden in het kader van de samenwerking tussen partijen.

3.4.3. Uit de considerans en de aanhef van de samenwerkingsover-eenkomst volgt dat partijen, vertegenwoordigd door hen die deze overeenkomst sloten, per 1 januari 2003 een samenwerking zijn aangegaan “inhoudende een samenvoeging van de (...) organisaties IPA-ACON en [A] & [B] (...)”. In dat verband was het de bedoeling dat een nieuwe vennootschap, Tussenhoudster B.V., zou worden opgericht waarin hun gezamenlijke onderneming vorm zou worden gegeven. Artikel 7.1 van de samenwerkingsovereenkomst luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“De verplichtingen en handelingen voortvloeiend uit deze overeenkomst, zijn aangegaan dan wel worden verricht in het kader van de samenwerking tussen partijen en zijn derhalve onderling met elkaar verweven zodat geen enkele verplichting of handeling als een op zich staande verplichting of handeling mag worden beschouwd”.

Verder hebben de partijen bij de samenwerkingsovereenkomst in de artikelen 6.5 en 6.6 daarvan over en weer gegarandeerd dat zij sedert 1 januari 2003 tot het moment waarop de aandelen in Tussenhoudster B.V. zouden worden geleverd “niet in strijd met goed ondernemerschap hebben gehandeld danwel zullen handelen”. Ten slotte staat vast, zoals in overweging 2.1 (iii) van het tussenarrest is vermeld, dat enkele aan [A] & [B] gelieerde vennootschappen zijn ingeschreven als bestuurders van IPA-ACON c.s. en, omgekeerd, dat IPA-ACON c.s. als bestuurder van [A] & [B] ingeschreven zijn geweest. [A] & [B] heeft weliswaar gesteld dat deze benoemingen niet hebben “geresulteerd in enigerlei daadwerkelijke werkzaamheden als statutair directeur” (memorie van grieven, sub 33), maar zij heeft niet betwist dat er een dagelijks bestuur was dat uit personen van beide contractspartijen bestond noch dat dit orgaan zorgde voor een gemeenschappelijke financiële verantwoording en een gemeenschappelijke verantwoording ter zake van facturatie, onderhanden werk en productiviteitscijfers. Evenmin heeft zij betwist dat er gemeenschappelijke begrotingen werden gemaakt en dat er een concept geconsolideerde jaarrekening is opgesteld (alles: conclusie van dupliek/repliek, sub 21 en 22).

3.4.4. Als op grond van dit een en ander al niet kan worden geconcludeerd dat partijen in de periode van 1 januari 2003 tot 21 april 2004 een gezamenlijke onderneming hebben gedreven (zoals de rechtbank in overweging 5.4 van het tussenvonnis heeft geoordeeld), dan blijkt er in ieder geval uit dat zij in die periode hebben samengewerkt. Niets van wat [A] & [B] in hoger beroep naar voren heeft gebracht ter adstructie van haar ontkenning van de samenwerking tussen partijen leidt, voor zover al feitelijk juist, tot een ander oordeel. De betwisting van [A] & [B] dat partijen hebben samengewerkt is, anders gezegd, in het licht van het onder 3.4.3 vermelde onvoldoende gemotiveerd. Overigens wordt vermeld dat [A] & [B] zich in eerste aanleg nog (wel) uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat partijen hebben samengewerkt.

3.4.5. Tegen deze achtergrond dient [A] & [B], als degene die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde (tot betaling van loon verplichtende) overeenkomsten van opdracht, voldoende feiten en omstandigheden te stellen – en bij betwisting daarvan te bewijzen – op grond waarvan kan worden aangenomen dat partijen dergelijke overeenkomsten hebben gesloten. Immers, nu partijen (op grond van de samenwerkings-overeenkomst) samenwerkten, lag, ook al waren zij zelf bij die overeenkomst geen partij, betaling van voor de een door de ander verrichte werkzaamheden tijdens de duur van de samenwerking dusdanig weinig voor de hand dat betaling van dergelijke werkzaamheden diende te worden bedongen. Hierover heeft [A] & [B] echter niets gesteld en daarvan is evenmin iets gebleken. Om deze reden zijn de door [A] & [B] gestelde overeenkomsten van opdracht niet komen vast te staan en zijn de onderhavige vorderingen – op die grondslag – terecht afgewezen. De enkele omstandigheid dat de samenwerking op 21 april 2004 is geëindigd leidt niet tot een ander oordeel, omdat niet is gesteld of gebleken dat [A] & [B] destijds voor dat geval wel betaling voor haar werkzaamheden heeft bedongen. Ten slotte neemt het hof nog in aanmerking wat hierna, 3.4.6 tot en met 3.4.8, met betrekking tot enkele concrete stellingen van [A] & [B] zal worden overwogen.

3.4.6. [A] & [B] heeft gesteld, kort gezegd, dat partijen in de periode van 1 januari 2003 tot 21 april 2004 niet wezenlijk anders zaken deden dan voorheen, dat wil zeggen dat adviezen van [A] & [B] voor klanten van IPA-ACON c.s. conform het gebruikelijke tarief werden gefactureerd en betaald. Volgens [A] & [B] werd er pas niet meer betaald toen het tot problemen kwam en de samenwerkingsovereenkomst werd opgezegd. Echter, tegenover de betwisting door IPA-ACON c.s. van te dezen door hen na 1 januari 2003 gedane betalingen had het op de weg van [A] & [B] gelegen dergelijke betalingen te concretiseren en zo mogelijk met stukken te staven. Zij heeft dat echter niet gedaan, zodat de bewuste stelling wordt verworpen. Dat [A] & [B] vóór 1 januari 2003 opdrachten voor IPA-ACON c.s. heeft uitgevoerd en daarvoor is betaald is niet van belang, omdat die opdrachten dateerden van vóór de in de samenwerkingsovereenkomst bedoelde samenwerking.

3.4.7. Verder heeft [A] & [B] betoogd dat S.B.L. [E] van IPA-ACON c.s. met de door haar ingediende facturen heeft ingestemd door deze af te tekenen. IPA-ACON c.s. hebben daartegen aangevoerd dat [E] dit in voorkomende gevallen heeft gedaan uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid als directielid van [A] & [B], (derhalve) in het kader van een intern proces bij [A] & [B] en niet bij wege van goedkeuring van of instemming met de declaratie door IPA-ACON c.s. Naar het oordeel van het hof heeft [A] & [B] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit valt af te leiden dat de bewuste aftekening door [E] betekende dat hij er namens IPA-ACON c.s. mee instemde dat zij voor deze werkzaamheden door [A] & [B] zouden worden gefactureerd.

3.4.8. [A] & [B] heeft bij pleidooi bewijs aangeboden van haar stelling dat – kort gezegd - IPA-ACON c.s. haar ter zake van alle gefactureerde fiscale werkzaamheden voorafgaand opdracht hebben gegeven. Zij heeft daarbij vermeld dat de relevante stukken uit haar archief kunnen worden opgediept. Het hof verwerpt dit bewijsaanbod omdat de te bewijzen aangeboden stelling, die begrepen moet worden als mede te omvatten dat IPA-ACON c.s. [A] & [B] voor haar werkzaamheden zou betalen, onvoldoende feitelijk is toegelicht (zoals volgt uit overweging 3.4.5). Voor zover [A] & [B] aanbiedt haar archiefstuk-ken in het geding te brengen is dat aanbod tardief en bovendien irrelevant.

3.4.9. Gegeven zijn oordeel met betrekking tot de primaire grondslag van de vorderingen en de daarvoor gebruikte argumenten, is het hof van oordeel dat [A] & [B] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan deze vorderingen op de onder 3.4.1 genoemde subsidiaire grondslag zouden moeten worden toegewezen. Ook in zoverre zijn de vorderingen derhalve terecht afgewezen.

3.4.10. De overige verweren van IPA-ACON c.s. tegen deze vorderingen kunnen onbesproken blijven.

3.5. Met betrekking tot de vorderingen van groep B:

3.5.1. Zoals onder 3.3.1 vermeld, gaat het hier – kort gezegd - om vorderingen wegens door [A] & [B] (meer concreet door [B] en [D]) verrichte advieswerkzaamheden om de organisatie van IPA-ACON c.s. te verbeteren. Ook van deze vorderingen is de primaire grondslag een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. Subsidiair beroept [A] & [B] zich op art. 6:248 lid 1 BW (aanvullende werking van de eisen van redelijkheid en billijkheid) en meer subsidiair op art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking).

Het hof oordeelt als volgt.

3.5.2. Ook hier staat niet ter discussie dat [A] & [B] de gestelde werkzaamheden heeft verricht, maar betwist IPA-ACON c.s. met een beroep op de samenwerkingsovereenkomst dat deze werkzaamheden zijn verricht op grond van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in art. 7:400 BW en dat zij (uit dien of uit anderen hoofde) [A] & [B] voor haar werkzaamheden dienen te betalen. Ook in dit verband betogen zij, kort gezegd, dat de door [A] & [B] verrichte werkzaamheden plaatsvonden in het kader van de samenwerking tussen partijen.

3.5.3. De overwegingen 3.4.3 tot en met 3.4.5 dienen – mutatis mutandis - als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd, met dien verstande dat voor de laatste volzin van laatstgenoemde overweging moet worden gelezen dat het hof ten slotte nog in aanmerking neemt wat hierna, 3.5.4 en 3.5.5, naar aanleiding van enkele concrete stellingen van [A] & [B] zal worden overwogen.

3.5.4. Ter adstructie van deze vorderingen beroept [A] & [B] zich meer concreet op een door haar bij de desbetreffende inleidende dagvaardingen overgelegde notitie van [E] van 14 maart 2004, die voor zover thans van belang, als volgt luidt:

“Reorganisatiekosten

De reorganisatiekosten bedragen € 150.161,-. De reorganisatiekosten zijn de kosten die zijn toe te rekenen aan de diverse processen die met de fusie zijn opgestart. Hierbij valt onder andere te denken aan het project IPZ, de samenwerking tussen [A] & [B] en [C], de verdere reorganisatie bij [C], verschillende arbeidsvoorwaardentrajecten, het opstarten van de verschillende acquisitietrajecten en de voorbereidingen voor de implementatie van het cliëntmanagersysteem door de gehele organisatie.

De kosten bestaan m.n. uit uren van [B], [E] en [F]. Gezien de activiteiten kunnen deze kosten als volgt worden toegerekend:

IPA 45% € 67.573,-

[C]/CBA 50% € 75.081,-

[A] & [B] 5% € 7.508,”.

Volgens [A] & [B] blijkt uit deze notitie dat [E] er namens IPA-ACON c.s. mee akkoord is gegaan dat [A] & [B] voor de door haar - in de personen van [B] en [D] - verrichte werkzaamheden zou worden betaald.

3.5.5. Het hof deelt – met IPA-ACON c.s. – deze visie niet. Uit de notitie blijkt niet meer dan dat volgens [E] de aldaar genoemde kosten op de door hem aangegeven wijze – kennelijk met het oog op de op te stellen jaarrekeningen - aan de betrokken samenwerkingspartijen, die immers nog afzonderlijk bestonden, dienden te worden toegerekend. Dat [E] van oordeel was dat voor de door [A] & [B] verrichte werkzaamheden diende te worden betaald, al dan niet tijdens of (pas) na een eventuele beëindiging van de samenwerking, blijkt hieruit niet, laat staan dat duidelijk wordt op wie van IPA-ACON c.s. (of andere onder I van de considerans van de samenwerkingsovereenkomst genoemde vennootschappen) [E] dan precies zou doelen. Aan de onderhavige notitie kan het hof derhalve nog geen begin van bewijs ontlenen dat Administratie- en Computerservice [C] en/of [C] Accountants- en Belastingadviseurs en/of IPA-ACON Groep en/of IPA-ACON Accountants [A] & [B] een opdracht als bedoeld in art. 7:400 BW heeft of hebben gegeven.

3.5.6. Gezien zijn oordeel met betrekking tot de primaire grond-slag van de vorderingen en de daarvoor gebruikte argumenten, is het hof van oordeel dat [A] & [B] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan deze vorderin-gen op de onder 3.5.1 genoemde subsidiaire of meer subsidiaire grondslag zouden moeten worden toegewezen. Voor wat betreft de meer subsidiaire grondslag betreft overweegt het hof meer in het bijzonder dat [A] & [B] onvoldoende heeft toegelicht dat, voor zover al sprake is geweest van een verrijking, deze, gezien de verhouding tussen partijen en tegen de achtergrond van de samenwerkingsovereenkomst, als ongerechtvaardigd kan worden bestempeld. Ook in zoverre zijn de vorderingen derhalve terecht afgewezen.

3.5.7. De overige weren van IPA-ACON c.s. tegen deze vorderingen kunnen onbesproken blijven.

3.6. Met betrekking tot de vordering van groep C:

3.6.1. Aan deze vordering heeft [A] & [B] bij de desbetreffende inleidende dagvaarding (zaak 106.007.058/01) ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat deze vordering voortvloeit uit een rekening-courant verhouding tussen haar enerzijds en IPA-ACON Groep en IPA-ACON Accountants anderzijds. Na betwisting van de vordering door IPA-ACON c.s. heeft [A] & [B] te dezen bij repliek/antwoord aangevoerd dat de betrokken partijen elkaar over en weer wegens liquiditeitskrapte geld hebben geleend en dat [A] & [B] per saldo te dezen een vordering van € 10.549,09 op IPA-ACON Groep en IPA-ACON Accountants heeft. Bij dupliek/repliek hebben IPA-ACON c.s. ook deze grondslag van de vordering betwist. Thans in hoger beroept spreekt [A] & [B], als gezegd, van “in rekening-courant geleende gelden”.

3.6.2. Aangezien IPA-ACON c.s. (ook) in hoger beroep betwisten dat tussen de betrokken twee vennootschappen en [A] & [B] een rekening-courant verhouding heeft bestaan (volgens hen bestonden er slechts rekening-courantverhoudingen tussen de moedervennootschappen), het gelijk van [A] & [B] niet aanstonds uit de stukken blijkt en [A] & [B] ten aanzien van de gestelde rekening-courantverhouding geen concrete stellingen te bewijzen heeft aangeboden, is ook deze vordering terecht afgewezen.

3.7. De slotsom is dat het principaal hoger beroep geen doel treft en dat [A] & [B], als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij, in de kosten daarvan moet worden verwezen. Daartoe worden ook de kosten van het voegingsincident gerekend. De verschillende bewijsaanbiedingen van [A] & [B], voor zover nog niet besproken, worden als niet ter zake dienend van de hand gewezen.

3.8.1. Met hun grief in incidenteel hoger beroep betogen IPA-ACON c.s. dat de rechtbank ten onrechte [A] & [B] niet in de kosten van de eerste aanleg in conventie heeft verwezen.

3.8.2. De grief is gegrond. Terecht stellen IPA-ACON c.s. dat zij hun reconventionele vordering slechts voorwaardelijk hadden ingesteld, namelijk voor het geval dat haar verweren in conventie zouden worden gepasseerd en hun beroep op verrekening met een tegenvordering eveneens zou worden verworpen. Omdat de rechtbank de verweren van IPA-ACON c.s. in conventie (terecht) honoreerde, was de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie was ingesteld niet vervuld, zodat de rechtbank die vordering niet had mogen afwijzen noch – kennelijk op grond daarvan – tot een (feitelijke) compensatie van de proceskosten in conventie en in reconventie had mogen overgaan door in het geheel geen kostenveroordeling uit te spreken. De rechtbank had [A] & [B], gelet op haar (juiste) oordeel in conventie, als de in het ongelijk gestelde partij in de desbetreffende proceskosten, waaronder die van het voegingsincident, moeten verwijzen. Het hof zal dit dan ook alsnog doen, zulks onder vernietiging in zoverre van het bestreden vonnis. Ter voorkoming van misverstanden zal het hof daarbij verstaan dat de voorwaarde waaronder de voorwaardelijk reconventionele vordering was ingesteld, niet is vervuld.

3.8.3. Nu het incidenteel hoger beroep slaagt, zal [A] & [B] in de kosten daarvan worden verwezen.

4. Beslissing

Het hof:

in alle zaken:

bekrachtigt de bestreden vonnissen, behalve voor zover bij het bestreden eindvonnis de (voorwaardelijke) vordering in reconventie is afgewezen en geen kostenveroordeling in conventie is uitgesproken en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

verstaat dat de voorwaarde waaronder de voorwaardelijk reconventionele vordering was ingesteld, niet is vervuld;

verwijst [A] & [B] in de kosten van de gevoegde gedingen in eerste aanleg in conventie, die van het voegingsincident daaronder begrepen, aan de zijde van IPA-ACON c.s. gevallen en in totaal begroot op € 6.807,= wegens verschotten en € 14.000,= wegens salaris van de advocaat;

verwijst [A] & [B] in de kosten van de gevoegde gedingen in principaal hoger beroep, die van het voegingsincident daaronder begrepen, aan de zijde van IPA-ACON c.s. gevallen en tot op heden in totaal begroot op € 8.720,= wegens verschotten en op € 13.052,= wegens salaris van de advocaat;

verwijst [A] & [B] in de kosten van de gevoegde gedingen in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van IPA-ACON c.s. gevallen en tot op heden begroot op € 446,= wegens salaris van de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C. Uriot, R.J.M. Smit en J.E. Molenaar, en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2012.