Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX9012

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
200.092.421-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klaagster bevindt zich als legataris niet in de positie om gedetailleerde informatie over de afwikkeling van de nalatenschap af te dwingen. De wijze waarop de notaris heeft gehandeld, getuigt dat de notaris de belangen van klaagster als legataris in het oog hield. De notaris had klaagster moeten berichten dat het inschakelen van een makelaar kosten met zich zou brengen ook als de verkoop van het registergoed geen doorgang zou vinden en dat hij over een voorschot wilde beschikken om de nota van de makelaar te kunnen voldoen. Deze tekortkomingen in (de informatie in) de voorschotnota zijn echter niet van dien aard dat zij een tuchtrechtelijk relevant verwijt opleveren. Voorts kan de notaris niet worden verweten dat een van de erfgenamen de aanvankelijke (impliciete) toestemming om het registergoed voor een bepaalde prijs te verkopen kennelijk niet heeft gehandhaafd, waardoor de verkoop van de woning is vertraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

NOTARIS- EN GERECHTSDEURWAARDERSKAMER

Beslissing van 14 augustus 2012 in de zaak van:

[ BEWINDVOERDER],

wonende te [ woonplaats ],

in haar hoedanigheid van bewindvoerder van:

[ KLAAGSTER ],

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. F.J. Touwen, advocaat te‘s-Gravenhage,

t e g e n

[ NOTARIS ],

notaris te [ plaats ],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder klaagster, is bij een op 17 augustus 2011 per faxbericht ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Utrecht, verder de kamer, van 26 juli 2011, waarbij de kamer de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, verder de notaris, ongegrond heeft verklaard.

1.2. Van de zijde van klaagster is op 31 augustus 2011 een aanvulling op haar beroepschrift in gekomen.

1.3. Van de zijde van de notaris is op 12 oktober 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. Van de zijde van klaagster zijn op 2 maart 2012 een aantal producties ter griffie van het hof ingekomen.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 15 maart 2012. Verschenen zijn klaagster en haar gemachtigde, alsmede de notaris. Zij hebben het woord gevoerd. De gemachtigde van klaagster en de notaris aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen die vaststelling geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. De notaris is bij beslissing van 20 april 2009 door de rechtbank Rotterdam benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van de heer [ X ] van wie klaagster dertig jaar de levenspartner is geweest. Klaagster verwijt de notaris dat hij zijn ambt niet in onafhankelijkheid heeft uitgeoefend en de belangen van alle betrokken partijen bij de afwikkeling van de nalatenschap van [ X ] niet op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid heeft behartigd. De klacht kent de volgende onderdelen:

a) De notaris heeft – ondanks toezeggingen daartoe – nagelaten onderzoek in te stellen naar gelden die aan de nalatenschap zouden zijn onttrokken.

b) De notaris heeft nagelaten een boedelbeschrijving op te stellen.

c) De notaris heeft op oneigenlijk gronden een voorschotnota verzonden en heeft afspraken met een makelaar over de verkoop van een tot de nalatenschap behorende woning gemaakt terwijl hij daartoe niet bevoegd was.

d) De notaris is de afspraken omtrent de door klaagster en de erven [ X ] aangewezen makelaar niet nagekomen. Het had op zijn weg gelegen om, nadat één van de erven daarover een dispuut begon, dit direct in de kiem te smoren en uitvoering aan de afspraak te geven. Volgens klaagster is het gevolg van de handelwijze van de notaris dat de verkoop van de woning volledig stil ligt en dat zij de kosten van deze woning moet dragen terwijl zij daartoe financieel niet in staat is omdat zij het haar toegekende legaat niet krijgt uitgekeerd.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris heeft de stellingen van klaagster betwist en zich als volgt verweerd.

5.2. De notaris stelt, kort samengevat, dat hij pas in 2010 actief een aanvang heeft gemaakt met zijn werkzaamheden als vereffenaar omdat hij de uitkomst van het door klaagster ingestelde beroep tegen zijn benoeming heeft afgewacht. Daarna is hij in een positie komen te verkeren waarin hij zowel door klaagster als door de erven, bij wie hij navraag had gedaan naar het bedrag dat in de visie van klaagster aan de nalatenschap was onttrokken, werd geboycot, terwijl hij juist pogingen ondernam om de afwikkeling vlot te trekken en het overleg tussen klaagster enerzijds en de erven [ X ] anderzijds (ondanks de hoeveelheid aan procedures tussen die partijen) op gang te houden. De notaris voert aan dat hij in dát kader klaagster heeft toegezegd een onderzoek in te zullen stellen naar de door klaagster gememoreerde “verdwenen gelden”, maar dat hij niet is ingegaan op de sommatie strekkende tot het opstellen van een nieuwe boedelbeschrijving omdat hij zich niet verplicht achtte om te reageren op alles wat klaagster, als legataris dan wel als schuldeiser van de nalatenschap, naar voren bracht. De notaris stelt dat hij wel pogingen heeft ondernomen om zijn toezegging gestand te doen maar daarbij niet op veel medewerking van de erven kon rekenen. De notaris heeft toegezegd dat hij, nu hij sinds februari 2011 over de nodige administratieve bescheiden kan beschikken, zijn onderzoek zal voortzetten en ook een boedelbeschrijving zal kunnen opstellen.

5.3. De notaris heeft voorts aangevoerd dat zijn voorschotnota betreffende de makelaarskosten voortvloeit uit de omstandigheid dat de makelaar had bedongen dat ook bij intrekking van de opdracht, bijvoorbeeld wegens gebrek aan overeenstemming tussen de erven enerzijds en klaagster anderzijds, een bedrag van € 475,-- vermeerderd met de gemaakte advertentiekosten moest worden betaald. De notaris stelt dat hij daarom die kosten als voorschot in rekening heeft mogen brengen.

5.4. Ten slotte voert de notaris aan dat tussen klaagster en de erven steeds nieuwe discussiepunten oplaaiden, waardoor de erven ten slotte op 14 september 2010 te kennen gaven niet in te stemmen met de verkoop van de woning tegen de door de makelaar voorgestelde vraagprijs. De notaris achtte zich dan ook niet vrij om de verkoop door te zetten.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft niet geleid tot de vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die van de kamer ten aanzien van de klachtonderdelen a en b. Het hof acht de overwegingen die tot de conclusie van de kamer hebben geleid juist en neemt deze over.

6.2. Klaagster heeft ten aanzien van klachtonderdeel c tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat de kern van haar klacht is dat de desbetreffende nota onjuist is gepresenteerd. De notaris heeft in zijn reactie hierop naar voren gebracht dat het inderdaad duidelijker zou zijn geweest indien hij klaagster had bericht dat het inschakelen van een makelaar kosten met zich mee zou brengen ook als de verkoop van het registergoed geen doorgang zou vinden en dat hij over een voorschot wilde beschikken om de nota van de makelaar te kunnen voldoen. Het hof deelt de hier weergegeven opvatting van de notaris, maar acht de tekortkomingen in (de informatie in) de voorschotnota niet van dien aard dat zij een tuchtrechtelijk relevant verwijt opleveren. De notaris heeft gemotiveerd weersproken dat hij bindende afspraken met de makelaar heeft gemaakt, terwijl hij daartoe niet bevoegd was. Klaagster heeft dat inhoudelijke verweer op haar beurt niet gemotiveerd weersproken, laat staan de juistheid van haar klacht op dit punt alsnog aannemelijk gemaakt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

6.3. Ter nadere onderbouwing van klachtonderdeel d heeft klaagster het volgende aangevoerd. Partijen zijn overeengekomen dat makelaarskantoor [ Y ] de waarde van het registergoed zou bepalen. Het huis is vervolgens zoals uit het

e-mailbericht van 17 juni 2010 van [ Y ] aan de notaris blijkt op € 240.000,-- getaxeerd. Een van de erven wilde toch niet instemmen met de geschatte verkoopopbrengst. De notaris heeft klaagster bij e-maibericht van 14 september 2010 verzocht hem de sleutels van het huis ter beschikking te stellen, zodat hij zich kon overtuigen van de staat van het registergoed. Op 16 september 2010 heeft de notaris klaagster – eveneens per e-mailbericht – medegedeeld dat hij het appartement mogelijk wil laten bezichtigen door een makelaar die in het verleden het appartement al heeft getaxeerd. In datzelfde e-mailbericht schrijft de notaris dat de erven hem geen mandaat hebben gegeven tot verkoop van het registergoed voor een bedrag van € 240.000,--. Dit in tegenstelling tot hetgeen de notaris klaagster op 15 juli 2010 per email had bericht, namelijk dat hij opdracht tot verkoop heeft verleend aan [ Y ] namens de eigenaren. Naar de mening van klaagster handelt de notaris aldus partijdig en heeft het kennelijk geen zin om met hem afspraken te maken.

6.4. De vraag ligt voor of de notaris verwijtbaar heeft gehandeld met betrekking tot de verkoop van het registergoed. Het hof is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Weliswaar moest de notaris als vereffenaar van de nalatenschap van [ X ] mede de belangen van klaagster behartigen maar hem kan niet worden verweten dat een van de erfgenamen de aanvankelijke (impliciete) toestemming om het registergoed voor € 240.000,-- te verkopen kennelijk niet heeft gehandhaafd, waardoor de verkoop van de woning is vertraagd. Dat leidt tot de conclusie dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.6. Het hiervoorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.M.A. Verscheure en

C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 augustus 2012 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT UTRECHT

BESLISSING van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht op de klacht van:

[ bewindvoerder ],

in haar hoedanigheid van bewindvoerder van

[ klaagster ],

wonende te [ woonplaats ],

klaagster,

gemachtigde: mr. F.J. Touwen, advocaat te‘s-Gravenhage

-t e g e n-

[ notaris ],

notaris, gevestigd te [ plaats ],

beklaagde.

De procedure

Op 22 november 2010 heeft [ bewindvoeder ] zich in haar hoedanigheid van bewindvoerder van klaagster, tot deze Kamer gewend met een klacht over notaris [ naam ], hierna: de notaris.

Klaagster heeft haar klacht nadien aangevuld bij klachtschrift van 19 januari 2011.

De notaris heeft bij brief van 11 februari 2011 op de klachten geantwoord.

De klacht is op 21 juni 2011 mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn klaagster, haar gemachtigde en de notaris verschenen.

Klaagster heeft haar klacht, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities, nader toegelicht. De notaris heeft daarop zijn standpunt uiteengezet.

Na voortgezet debat heeft de Kamer de uitspraak bepaald op 26 juli 2011.

De feiten

2.1. Bewindvoeder is bij beschikking van 17 november 2010 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, benoemd tot bewindvoerder van klaagster, geboren op [ datum ].

2.2. Klaagster is gedurende een periode van dertig jaar de levenspartner geweest van [ X ]. Tussen klaagster en [ X ] is in 2001 een overeenkomst gesloten met betrekking tot de in gemeenschappelijke eigendom bewoonde woning aan [ adres ] te [ plaats ], de roerende zaken en een zorgverplichting. [ X ] is op 5 oktober 2003 overleden. Blijkens het op 22 april 2002 verleden testament van [ X ] heeft hij onder de last van enkele legaten aan klaagster, zijn zoon en zijn dochter tot enige erfgenamen benoemd.

2.3. Tussen de erven [ X ] en klaagster zijn vervolgens meerdere gerechtelijke procedures gevoerd ondermeer naar aanleiding van het vorderen van een boedelbeschrijving en het vorderen van nakoming van het legaat aan klaagster uit het testament. In laatstgenoemde procedure is door de erven [ X ] hoger beroep ingesteld.

2.4. In een op 24 mei 2004 (door notaris mr. [ naam ]) opgemaakte boedelbeschrijving in de nalatenschap van [ X ], is onder meer vermeld dat er sprake is van een door klaagster betwiste vordering op haar van € 83.232,63 betreffende de woning en van enige door de executeur (de zoon van [ X ]) betwiste schulden aan klaagster.

2.5. De woning wordt sinds de verhuizing van klaagster naar een verpleeghuis in november 2007 niet meer bewoond. De kosten van de woning komen nog wel ten laste van klaagster. Zij beschikt over onvoldoende financiële middelen om die lasten te dragen.

2.6. Op 20 april 2009 is de notaris, op een daartoe strekkend verzoek van de executeur, door de rechtbank Rotterdam aangewezen als vereffenaar. Klaagster heeft, gelet op het feit dat de notaris op voordracht van de erven was benoemd, bij brief van 28 april 2009 aan de notaris gemeld dat zij geen enkel vertrouwen in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de notaris had en heeft, nadat de notaris haar bij brief van 6 mei 2009 had aangegeven spoedig op de zaak terug te zullen komen, beroep ingesteld tegen de benoeming van de notaris. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft de beschikking van de rechtbank Rotterdam tot benoeming van de notaris tot vereffenaar op 23 december 2009 bekrachtigd.

2.7. Klaagster, dan wel haar raadsvrouwe, heeft in maart 2010 aan de notaris te kennen

gegeven dat haar gebleken is dat in de periode 2000-2003 een bedrag van ongeveer

€ 400.000,-- aan het vermogen van [ X ] was onttrokken. Ook heeft zij aangegeven dat door de erven te kennen was gegeven dat mogelijk op de legaten zou moeten worden gekort om tot uitkering van de legitieme porties te kunnen komen. De notaris heeft daarop toegezegd een onderzoek te doen naar het genoemde bedrag.

2.8. De notaris heeft op 22 maart 2010 van de advocaat van de erven [ X ] vernomen dat zij

zich op het standpunt stelden dat zij geen verantwoording verschuldigd waren aan klaagster. De notaris heeft daarop aan de raadsvrouwe van klaagster te kennen gegeven niet op incidentele acties van de betrokken partijen te reageren.

2.9. De raadsvrouwe van klaagster heeft in de daaropvolgende maanden de notaris

meermalen herinnerd aan zijn toezegging een onderzoek in te stellen.

In februari 2010 wordt duidelijk dat er in 2002 een substantieel bedrag is overgemaakt van de bankrekening van [ X ] naar een bankrekening van zijn zoon. Klaagster heeft bij brief van 29 oktober 2010 de notaris verzocht daarover opheldering te vragen. De notaris heeft op deze brief niet gereageerd.

2.10. Bij faxbericht van 20 april 2010 heeft de raadsvrouwe van klaagster de notaris voorgelegd over te gaan tot de verkoop van de woning. Eind mei 2010 is tussen de erven en klaagster overeenstemming bereikt over de persoon van de verkopend makelaar. Partijen zijn echter niet tot overeenstemming gekomen over de vraagprijs van de woning.

2.11. De raadsvrouwe van klaagster heeft de notaris bij faxbericht van 25 juni 2010 verzocht over te gaan tot het opstellen van een boedelbeschrijving ex art 4:211 lid 4 BW aangezien zij de juistheid van de boedelbeschrijving uit 2004 betwist.

2.12. De notaris heeft op 25 juni 2010 een voorschotnota aan klaagster gezonden van € 500,-- ter zake van de helft van de door de makelaar “in rekening gebrachte kosten voor het presentatiepakket voor het in werking stellen van het verkoopproces van de woning”.

Klaagster heeft tegen deze nota geprotesteerd.

2.13. De notaris heeft klaagster verzocht de woning te mogen bezichtigen opdat hij zich een beeld van de staat van de woning zou kunnen vormen. Die toegang is geweigerd, althans daarvoor is betaling verlangd. De notaris heeft in september aan klaagster medegedeeld dat hij geen mandaat van de erven heeft om de woning voor het door makelaar [ Y ] getaxeerde bedrag te verkopen.

2.14. De aan klaagster in onverdeelde eigendom toebehorende helft van de woning is krachtens een in 2008 gesloten koopovereenkomst verkocht aan [ X BV], een door [ Z ], echtgenoot van klaagster, bestuurde vennootschap. Van die verkoop was geen mededeling gedaan dan wel toestemming gevraagd aan de erven. Deze koopovereenkomst was ook de notaris niet bekend toen hij makelaar [ Y ] benaderde. De woning is in februari 2011 aan [ X BV] geleverd.

De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij zijn ambt niet in onafhankelijkheid heeft uitgeoefend en de belangen van alle betrokken partijen niet op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid heeft behartigd. Klaagster voert hiertoe het volgende aan:

a) De notaris heeft -ondanks toezeggingen daartoe- nagelaten onderzoek in te stellen naar de onttrokken gelden van de nalatenschap.

b) De notaris heeft nagelaten een boedelbeschrijving op te stellen.

c) De notaris heeft op oneigenlijk gronden een voorschotnota verzonden en heeft afspraken met de makelaar gemaakt terwijl hij daartoe niet bevoegd was.

d) De notaris is de afspraken omtrent de door klaagster en de erven [ X ] aangewezen makelaar niet nagekomen. Het had op zijn weg gelegen om, nadat één van de erven daarover een dispuut begon, dit direct in de kiem te smoren en uitvoering aan de afspraak te geven.

Volgens klaagster is het gevolg van de handelwijze van de notaris dat de verkoop van de woning volledig stil ligt en dat klaagster de kosten van deze woning moet dragen terwijl zij daartoe financieel niet in staat is omdat zij het legaat niet krijgt uitgekeerd.

3.2. De notaris stelt, kort samengevat, dat hij pas in 2010 actief een aanvang heeft gemaakt

met zijn werkzaamheden als vereffenaar omdat hij de uitkomst van het door klaagster ingestelde beroep tegen zijn benoeming heeft afgewacht. De notaris voert aan dat hij daarna in een positie kwam te verkeren waarin hij zowel door klaagster als door de erven, nadat hij aan hen naar het vermeend verdwenen bedrag had gevraagd, werd geboycot, terwijl hij juist pogingen ondernam om de afwikkeling vlot te trekken en het overleg tussen klaagster enerzijds en de erven [ X ] anderzijds, ondanks de hoeveelheid aan procedures tussen die partijen, op gang te houden. De notaris voert aan dat hij in dát kader klaagster heeft toegezegd een onderzoek in te stellen naar de door klaagster gememoreerde “verdwenen gelden”, maar niet is ingegaan op de sommatie strekkende tot het opstellen van een nieuwe boedelbeschrijving omdat hij zich niet verplicht achtte om op alles wat klaagster, als legataris dan wel schuldeiser van de nalatenschap naar voren bracht, te reageren. De notaris stelt dat hij echter wel pogingen heeft ondernomen om zijn toezegging gestand te doen maar daarbij niet op veel medewerking van de erven kon rekenen. De notaris heeft toegezegd dat hij, nu hij sinds februari 2011 over de nodige administratieve bescheiden kan beschikken, zijn onderzoek daarnaar zal voortzetten en ook een boedelbeschrijving zal kunnen opstellen.

De notaris heeft aangevoerd dat zijn voorschotnota betreffende de makelaarskosten voortvloeit uit de omstandigheid dat de makelaar had bedongen dat ook bij een intrekking van de opdracht, bijvoorbeeld wegens gebrek aan overeenstemming tussen de erven enerzijds en klaagster anderzijds, een bedrag van € 475 vermeerderd met de gemaakte advertentiekosten moest worden betaald. De notaris stelt dat hij die kosten als voorschot in rekening heeft mogen brengen. Ten slotte voert de notaris aan dat tussen klaagster en de erven steeds nieuwe discussiepunten oplaaiden, waardoor de erven ten slotte op 14 september 2010 te kennen gaven niet in te stemmen met de verkoop van de woning tegen de door de makelaar voorgestelde vraagprijs. De notaris achtte zich dan ook niet vrij om de verkoop door te zetten.

3.3. De Kamer overweegt dat de door klaagster geschetste feiten en omstandigheden de klacht niet kunnen dragen. Het gestelde gebrek aan onpartijdigheid en zorgvuldigheid is in geen van de klachtonderdelen in voldoende mate onderbouwd.

De Kamer overweegt daarbij dat klaagster geen erfgenaam is en als legataris niet in de positie verkeert om gedetailleerd informatie over de afwikkeling van de nalatenschap af te dwingen. Wellicht ware het duidelijker geweest indien de notaris dit in een eerder stadium aan klaagster duidelijk had gemaakt, maar de wijze waarop de notaris pogingen heeft ondernomen om duidelijkheid te verkrijgen over de vermeende “verdwenen gelden” en de omstandigheid dat hij inmiddels over de administratie van [ X ] beschikt, getuigen nu juist van het feit dat de notaris wel degelijk de belangen van klaagster als legataris in het oog hield.

Ook het presenteren van de voorschotnota, die naar de notaris heeft gesteld en door klaagster niet gemotiveerd is betwist, in ieder geval het minimaal aan de makelaar verschuldigde bedrag behelsde, is geen ongebruikelijke of ongeoorloofde handeling.

De Kamer acht de door klaagster geuite verwijten over het handelen van de notaris in het kader van de verkoop van de woning onbegrijpelijk nu door klaagster is verzwegen dat er reeds in 2008 een koopovereenkomst was gesloten met [ X BV ] en de onverdeelde helft van die woning, naar inmiddels is gebleken, ook zonder medeweten van de erven is getransporteerd. Ook acht de Kamer onbegrijpelijk waarom door klaagster dan wel door [ X BV ] de notaris de toegang de woning wordt geweigerd. Derhalve valt ten slotte ook niet in te zien dat de notaris de hele afwikkeling op enige wijze heeft vertraagd.

3.4. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond wordt verklaard.

De beslissing:

De Kamer van Toezicht:

Verklaart de klacht ongegrond.

Gewezen te Utrecht door mr. H.A.M. Pinckaers, wnd. voorzitter, mrs. B.J.M. Gehlen,

W.C. Stein, H. Hilbers en P. Krepel, leden, bijgestaan door

mr. M.E. Hoogendorp, secretaris, en uitgesproken op 26 juli 2011.

de secretaris de plv. voorzitter

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de verzenddatum van het afschrift daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Civiele Griffie, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Een afschrift van deze beslissing is aan partijen toegezonden op: 26 juli 2011