Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8891

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
200.048.517-01 en 200.079.866-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op Hof Amsterdam 6 december 2011, LJN: BX8888 Herberekening van achterstallig loon, vakantietoeslag, feestdagentoeslag en vergoeding wegens niet genoten vakantiedagen over de jaren 2003–2008. Compensatie van proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0899
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummers 200.048.517/01 en 200.079.866/01

14 februari 2012

GERECHTSHOF AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaken van:

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],

(telkens) APPELLANT,

incidenteel geïntimeerde in zaak 200.048.517/01,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonend te [woonplaats],

(telkens) GEÏNTIMEERDE,

incidenteel appellant in zaak 200.048.517/01,

advocaat: mr. M.S.A. Vegter te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep

In zaak 200.048.517/01:

Bij dagvaarding van 3 november 2009 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van

11 augustus 2009, met zaak-/rolnummer 998299 CV EXPL 08-34013 gewezen tussen hem als gedaagde in conventie/eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie/verweerder in reconventie, welk vonnis bij vonnis van 27 oktober 2009 is aangevuld.

[appellant] heeft bij memorie elf grieven aangevoerd (genummerd 1-3 en 5-12), bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en, onder verwijzing naar de appeldagvaarding, geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis (kennelijk: als aangevuld) zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen “voor zover die vorderingen het verschuldigde overstijgen”, de vordering van [appellant] in reconventie alsnog zal toewijzen, [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen hem op grond van het bestreden vonnis is betaald, met wettelijke rente, zal bepalen dat [geïntimeerde] alle executiekosten dient te dragen en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen de nakosten.

[geïntimeerde] heeft bij memorie de grieven bestreden, zijnerzijds in incidenteel hoger beroep drie grieven aangevoerd, zijn eis op onderdelen vermeerderd en op andere onderdelen verminderd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd als neergelegd onder randnummer 100 van zijn memorie.

[appellant] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel de grieven van [geïntimeerde] bestreden, verweer gevoerd tegen de op onderdelen vermeerderde vordering van [geïntimeerde], wederom bewijs aangeboden, een productie overgelegd en geconcludeerd tot afwijzing van de op onderdelen vermeerderde vordering van [geïntimeerde] en verwerping van het incidenteel hoger beroep, met verwijzing van [geïntimeerde] in de kosten van – naar het hof begrijpt - het incidenteel appel.

Ten slotte hebben partijen gevraagd arrest te wijzen.

In zaak 200.079.866/01:

Het hof heeft in deze zaak op 6 december 2011 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat arrest verwezen. Bij dat arrest is de zaak gevoegd met zaak 200.048.517/01 en naar de rol verwezen voor arrest.

In zaak 200.048.517/01 voorts:

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.5 een aantal feiten vastgesteld. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Behandeling van het hoger beroep

3.1. Het gaat in deze zaak, voor zover in dit hoger beroep van belang, om het volgende.

3.2. [appellant] drijft het Argentijnse restaurant Toro Dorado in Amsterdam. [geïntimeerde] is op 17 april 2003 bij [appellant] in dienst getreden als assistent griller voor 35 uur per week tegen een bruto loon van € 9,= per uur. [geïntimeerde] heeft op 1 juni 2008 voor het laatst bij [appellant] gewerkt.

3.3. De kantonrechter heeft bij beschikking van 19 september 2008 op verzoek van [appellant] de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze nog mocht bestaan, ontbonden per

1 oktober 2008, met toekenning van een ontbindingsvergoeding aan [geïntimeerde] van € 9.828,54 bruto. Bij beschikking van 31 januari 2011 heeft de kantonrechter de beschikking van 19 september 2008 herroepen voor zover het de vergoeding betreft en aan [geïntimeerde] een vergoeding toegekend van € 1.200,= netto, op de grond dat [geïntimeerde] in de ontbindingsprocedure had verzwegen dat hij met ingang van 7 juli 2008 in dienst was getreden bij restaurant Los Argentinos te Amsterdam.

3.4. Bij inleidende dagvaarding van 30 oktober 2008 heeft [geïntimeerde] [appellant] in rechte betrokken. Hij heeft daarbij gevorderd, kort gezegd, enerzijds betaling van achterstallig salaris c.a. over de periode van aanvang dienstverband tot 1 juni 2008, anderzijds verklaring voor recht dat het dienstverband niet eerder dan per 1 oktober 2008 is geëindigd en betaling van het salaris c.a. van 1 juni 2008 tot 1 oktober 2008, alle bedragen vermeerderd met vertragings¬schade en wettelijke rente. Tevens heeft [geïntimeerde] betaling gevorderd van de ontbindings¬¬vergoeding en veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

3.5. [appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie betaling gevorderd van € 7.926,15, met rente, op grond van lening en/of onverschuldigde betaling.

3.6. Bij het bestreden vonnis, zoals aangevuld bij vonnis van 27 oktober 2009, heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, [appellant] in conventie veroordeeld tot betaling van € 10.081,16 netto ter zake van achterstallig salaris over de periode van 17 april 2003 tot 1 juni 2008, vermeerderd met 8% vakantietoeslag over het gebruteerde loon over – kort gezegd - juni 2004 tot en met juni 2007, een bedrag van € 578,70 bruto aan feestdagentoeslag en een bedrag van € 4.938,75 netto aan niet genoten vakantiedagen, alles vermeerderd met 25% vertragingsschade en wettelijke rente. De vordering van [appellant] in reconventie is afgewezen.

3.7. Grief 1 van [appellant] houdt in dat de kantonrechter ten onrechte geen comparitie van partijen heeft gelast. De grief stuit af op de omstandigheid dat het aan het beleid van de rechter is overgelaten om al of niet een comparitie te gelasten. Overigens zou gegrondheid van de grief niet tot vernietiging van het bestreden vonnis hebben kunnen leiden.

3.8.1. Grief 2 van [appellant] houdt in dat de kantonrechter ten onrechte de vorderingen van [geïntimeerde] ter zake van feestdagentoeslag en 75 niet genoten vakantiedagen ter grootte van € 578,80 bruto respectievelijk € 4.938,75 netto heeft toegewezen.

3.8.2. [appellant] betoogt dat [geïntimeerde] zijn rechten wegens niet genoten vakantiedagen heeft verwerkt omdat hij nooit heeft geklaagd over te weinig opgenomen vakantiedagen en te dezen pas na het einde van de arbeidsovereenkomst een claim heeft ingediend. [appellant] voert aan dat [geïntimeerde] steeds inzicht had in de op hem betrekking hebbende gegevens omdat deze dagelijks werden bijgehouden in een overzicht op een computer die recht tegenover [geïntimeerde]’s werkplek in het restaurant stond en voor alle werknemers, dus ook voor [geïntimeerde], toegankelijk was. Door niet te protesteren heeft [geïntimeerde] de indruk gewekt met de vakantiedagen-administratie van [appellant] akkoord te zijn gegaan. Aldus [appellant].

3.8.3. Het hof verwerpt dit verweer. [geïntimeerde] heeft zijn recht op een uitkering in geld wegens bij het einde van de arbeidsover-eenkomst niet genoten vakantiedagen niet verwerkt op grond van de enkele omstandigheid dat hij er tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst niet over heeft geklaagd dat de vakantiedagenadministratie van [appellant] niet deugde. Overigens betwist [geïntimeerde] dat gegevens als de onderhavige in een computer in het restaurant werden ingevoerd en door hem konden worden gecontroleerd.

3.8.4. [appellant] stelt verder dat uit de door hem als producties 5 en 6 bij conclusie van antwoord overgelegde overzichten blijkt dat [geïntimeerde] over de gehele duur van de arbeidsovereenkomst gemiddeld 23,5 dagen per jaar vakantie heeft opgenomen en in mei 2008 een saldo van zeventien dagen had. Omdat [geïntimeerde] de hele maand juni 2008 vakantie heeft genoten, heeft hij volgens [appellant] per saldo te veel vakantiedagen opgenomen. Ook in dit verband wijst [appellant] erop dat de desbetreffende gegevens (via de reeds genoemde computer) voor [geïntimeerde] steeds controleerbaar zijn geweest.

3.8.5. [geïntimeerde] betwist de door [appellant] overgelegde gegevens en de mogelijkheid voor hem die destijds te controleren. Hij blijft bij zijn aan dit onderdeel van de vordering ten grondslag gelegde stelling dat hij in de jaren 2004, 2005 en 2006 telkens (slechts) vijf vakantiedagen heeft opgenomen en in 2007 tien, zodat hij, uitgaande van 25 vakantiedagen per jaar, nog recht heeft op de betaling van 75 vakantiedagen.

3.8.6. Niet ter discussie staat dat [geïntimeerde] jaarlijks recht had op 25 vakantiedagen. Op zichzelf rust op [geïntimeerde] de bewijslast ten aanzien van het aantal niet genoten vakantiedagen waarvan hij thans vergoeding vordert. [appellant] dient echter zijn betwisting van de desbetreffende stellingen van [geïntimeerde] te motiveren aan de hand van uit zijn administratie blijkende gegevens. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dit onvoldoende gedaan. Immers, voor zover het door [appellant]s boekhouder opgestelde “generaal overzicht van uren betalingen loon” (productie 5 bij conclusie van antwoord, verder ook: het overzicht van de boekhouder) al kan worden aangemerkt als (onderdeel van de) administratie van [appellant], verdient allereerst opmerking dat dit overzicht niet volledig op juistheid kan worden gecontroleerd. In het (als productie 6 bij conclusie van antwoord overgelegde) urenoverzicht, waarop het overzicht van de boekhouder volgens [appellant] is gebaseerd, ontbreken immers, zoals [geïntimeerde] ook heeft opgemerkt, de urenbriefjes over januari, maart en juni 2004 alsmede over februari en oktober 2005. Hierdoor kan het overzicht van de boekhouder niet worden gecontroleerd ten aanzien van de bij

5-2-2004 genoemde vakantieopname van twee dagen (die immers mede betrekking moet hebben op januari 2004 omdat volgens het urenbriefje over februari 2004 in die maand geen vakantiedagen zijn opgenomen) en evenmin ten aanzien van de bij 31-3-2004 vermelde opname van één vakantiedag. Bovendien echter corresponderen de vermeldingen in het overzicht van de boekhouder lang niet altijd, althans niet voldoende inzichtelijk, met de urenbriefjes over dezelfde periode. Zo staat er bij 11-3-2005 en 13-6-2005 dat er negen respectievelijk elf vakantiedagen zijn opgenomen, terwijl deze dagen volgens de urenbriefjes betrekking moeten hebben op april 2005 respectievelijk mei 2005. Op grond van het voorgaande, waarbij het slechts om voorbeelden gaat, concludeert het hof dat het verweer van [appellant] te dezen – bij gebreke van een deugdelijke toelichting op meergenoemde producties - niet als een voldoende concrete betwisting van de door [geïntimeerde] gestelde vakantiedagen kan gelden. Om die reden kan aan bewijslevering niet worden toegekomen en wordt het bewijsaanbod van [appellant] op dit punt verworpen.

3.8.7. Het op de vergoeding wegens niet genoten vakantiedagen betrekking hebbende onderdeel van de grief faalt dus.

3.8.8. Tegen de toewijzing door de kantonrechter van de feestdagentoeslag voert [appellant] aan dat [geïntimeerde] het desbetreffende bedrag twee keer heeft gevorderd.

3.8.9. Het hof verwerpt deze stelling. In het door [geïntimeerde] aan zijn vorderingen in deze procedure ten grondslag gelegde overzicht (productie 23 bij inleidende dagvaarding), waarvan hij overigens onweersproken heeft gesteld dat dit door de FNV is opgesteld, wordt de feestdagentoeslag niet vermeld. Evenmin blijkt uit de in dat overzicht genoemde bedragen, noch anderszins, dat de feestdagentoeslag in die bedragen is verdisconteerd. [geïntimeerde] gaat in dat overzicht immers, afgezien van de daarop afzonderlijk opgenomen vakantietoeslag, slechts uit van het kale loon dat hem – in zijn visie – maandelijks toekomt en wat daarop door [appellant] is betaald. Of [appellant] in zijn loonspecificaties met de feestdagentoeslag rekening heeft gehouden is niet relevant in het kader van de vraag of [geïntimeerde] twee keer betaling van feestdagentoeslag vordert. Ook dit onderdeel van de grief faalt dus.

3.9. [geïntimeerde] heeft zijn vordering wegens feestdagentoeslag in hoger beroep vermeerderd van (het door de kantonrechter toegewezen bedrag van) € 578,80 bruto tot € 668,71 netto, daartoe stellende dat hij alle feestdagen, waaronder alle zondagen, heeft gewerkt. Het hof zal deze vermeerderde vordering evenwel afwijzen, omdat [appellant] gemotiveerd heeft betwist dat [geïntimeerde] alle feestdagen heeft gewerkt en [geïntimeerde] op dit punt geen bewijs heeft aangeboden. Het blijft op dit punt dus, kort gezegd, bij het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 578,80 bruto.

3.10.1. Grief 3 van [appellant] strekt ten betoge dat de kanton-rechter ten onrechte de vakantietoeslag over, kort gezegd, de periode juni 2004 tot en met juni 2007 heeft toegewezen. [appellant] stelt dat hij de vakantietoeslag steeds heeft voldaan.

3.10.2. Het moge zo zijn dat op de door [appellant] in de toelich-ting op de grief genoemde salarisspecificaties de betaling van vakantietoeslag telkens is vermeld, [geïntimeerde] betwist dat de vakantietoeslag is betaald en [appellant] heeft de desbetreffende betalingen niet bewezen noch daarvan voldoende concreet bewijs aangeboden. Om die reden heeft de kantonrechter de gevorderde vakantietoeslag terecht toegewezen. De grief faalt dus.

3.11.1. Grief I van [geïntimeerde] houdt in dat de kantonrechter ten onrechte de door [geïntimeerde] gevorderde vakantietoeslag over het jaar 2007/2008 niet heeft toegewezen. [geïntimeerde] vordert te dezen een bedrag van € 1.331,85 netto.

3.11.2. De grief is gegrond. Kennelijk heeft de kantonrechter de desbetreffende vordering over het hoofd gezien. Voor het overige geldt het onder 3.10.2 overwogene ook hier. Het hof zal het te dezen door [geïntimeerde] gevorderde bedrag, dat cijfermatig niet is betwist, dan ook toewijzen.

3.12. Grief 5 van [appellant] is gericht tegen de toewijzing door de kantonrechter van de loonvordering over 2003. De grief faalt reeds omdat hij onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is toegelicht.

3.13.1. Grief 6 van [appellant] houdt in dat de kantonrechter de loonvordering over 2004 ten onrechte heeft toegewezen. Met grief II betoogt [geïntimeerde] dat de kantonrechter op dit onderdeel van de vordering ten onrechte een bedrag van € 102,37 in mindering heeft gebracht. Deze grieven kunnen gezamenlijk worden besproken.

3.13.2. De grief van [appellant] slaagt, voor zover hij inhoudt dat over de maanden mei tot en met augustus 2004 wel loon is betaald. [geïntimeerde] heeft dit immers in hoger beroep erkend. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het hier gaat om een bedrag van € 4.488,44 netto. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook alsnog worden afgewezen.

3.13.3. Voor het overige faalt de grief van [appellant]. De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] vanaf juli 2004 uit protest tegen de hoogte van zijn loon weer 35 in plaats van 38 uur per week is gaan werken is door [geïntimeerde] betwist en door [appellant] onvoldoende toegelicht, laat staan (voldoende concreet) te bewijzen aangeboden, mede in aanmerking genomen dat diens eigen salarisspecificaties ook over de periode vanaf juli 2004 telkens 38 uur per week vermelden. Voor zover [appellant] stelt dat hij [geïntimeerde] – bovenop het bedrag dat hij volgens [geïntimeerde] over 2004 heeft betaald – in april 2004 € 200,= en € 800,= per kas heeft betaald, merkt het hof op dat [geïntimeerde] deze extra contante betalingen – anders dan [appellant] kennelijk meent – niet heeft erkend maar steeds heeft betwist en dat [appellant] met betrekking tot deze twee betalingen geen voldoende concreet bewijsaanbod heeft gedaan.

3.13.4. De grief van [geïntimeerde] is gegrond, omdat de kantonrechter bij de aftrek van een bedrag van € 102,37 heeft miskend dat [geïntimeerde], waar hij in punt 54 van de inleidende dagvaarding een bedrag van € 1.052,27 netto noemt, slechts een stelling van [appellant] weergeeft.

3.13.5. Per saldo is over 2004 aldus een bedrag toewijsbaar van netto (€ 5.537,12 minus € 4.488,44 plus € 102,37 is) € 1.151,05. Het te dezen meer gevorderde zal alsnog worden afgewezen.

3.14.1. Met grief 7 komt [appellant] op tegen de toewijzing van de loonvordering over 2005.

3.14.2. Voor zover [appellant] zich ook hier beroept op rechtsverwerking, gebaseerd op het feit dat [geïntimeerde] nimmer heeft geklaagd over de omvang van zijn loon, geldt mutatis mutandis hetzelfde als wat het hof onder 3.8.3 met betrekking tot de vordering wegens niet genoten vakantiedagen heeft overwogen.

3.14.3. [appellant] stelt voorts dat de kantonrechter, in navolging van [geïntimeerde] en kennelijk op grond van de door deze als productie 3 bij de inleidende dagvaarding overgelegde arbeidsovereenkomst van 16 juni 2006, ten onrechte is uitgegaan van een netto loon van (lees:) € 1.350,= per maand. In dit verband betwist [appellant] de juistheid van de datum “01 januari 2005” in artikel 16 van de arbeidsovereenkomst van 16 juni 2006. Volgens [appellant] moet hiervoor “1 januari 2006” worden gelezen en is het loon pas per die datum verhoogd tot netto € 1.350,= per maand.

3.14.4. Aangezien [geïntimeerde] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat het loon per 1 januari 2005 is verhoogd (van netto € 1.250,=) tot netto € 1.350,= per maand, rust te dezen ingevolge het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op hem de bewijslast.

3.14.5. Weliswaar volgt uit de tekst van de artikelen 5 en 16 van de arbeidsovereenkomst van 16 juni 2006, in onderling verband beschouwd, dat per 1 januari 2005 een netto maandloon van € 1.350,= gold, maar [appellant] heeft in de eerste alinea van de toelichting op de onderhavige grief gemotiveerd gesteld dat de vermelding van de datum 1 januari 2005 in artikel 16 op een vergissing/schrijffout berust en dat daarvoor 1 januari 2006 moet worden gelezen. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] deze stelling van [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist door slechts te verwijzen naar de tekst van de arbeidsovereenkomst (memorie van antwoord/grieven, sub 53). Mede in het licht van de feitelijke stellingen van [appellant] in de toelichting op de grief, had het immers tenminste op de weg van [geïntimeerde] gelegen uit te leggen waarom pas op 16 juni 2006 is vastgelegd dat het netto maandloon per 1 januari 2005, dus ongeveer anderhalf jaar eerder, € 1.350,= beliep. [geïntimeerde] heeft dat evenwel niet gedaan. Het hof kan derhalve niet uitgaan van de juistheid van de tekst van de arbeidsovereenkomst van 16 juni 2006. Omdat [geïntimeerde], voorts, geen concreet bewijs heeft aangeboden van zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat het maandloon per 1 januari 2005 € 1.350,= beliep, verwerpt het hof die stelling. Dit onderdeel van de grief is dus gegrond.

3.14.6. Gevolg van het voorgaande is dat de kantonrechter ten onrechte is uitgegaan van een netto maandloon van € 1.350,= in plaats van het door haar in navolging van [geïntimeerde] over 2004 gehanteerde netto maandloon van € 1.250,=. Over 2005 is dan ook (in ieder geval) een bedrag van € 1.200,= ten onrechte toegewezen.

3.14.7. [geïntimeerde] erkent – naar aanleiding van het door [appellant] gestelde in de tweede alinea van pagina 6 van de memorie van grieven – dat hem in december 2004 een voorschot van € 1.050,= netto over januari 2005 is betaald. Ook dit onderdeel van de loonvordering over 2005 is dus ten onrechte toegewezen.

3.14.8. [appellant] merkt voorts weliswaar op dat hij [geïntimeerde] onder ede wenst te horen “over alle kasbetalingen die hij ([geïntimeerde]; hof) betwist”, maar heeft nagelaten in de toelichting op de grief voldoende duidelijk aan te geven op welke door [geïntimeerde] betwiste kasbetalingen hij hier doelt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat in eerste aanleg slechts door [geïntimeerde] concrete stellingen over contante betalingen zijn geponeerd en dat [appellant] heeft volstaan met het overleggen van een groot aantal niet nader toegelichte kwitanties. Omdat [appellant] op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, wordt zijn bewijsaanbod te dezen verworpen.

3.14.9. Over 2005 is aldus een bedrag toewijsbaar van netto (€ 4.648,78 minus € 1.200,= minus € 1.050,= is) € 2.398,78. Het te dezen meer gevorderde zal alsnog worden afgewezen.

3.15.1. Grief 8 van [appellant] houdt allereerst in dat de kantonrechter voor wat betreft 2006 ten onrechte is uitgegaan van een ander loon dan € 1.355,= netto per maand, te weten van € 1.360,02 netto per maand over het eerste half jaar en van € 1.373,62 netto per maand over het tweede half jaar.

3.15.2. De (door [appellant] betwiste) stelling van [geïntimeerde] dat partijen in een gesprek waarbij ook de gemachtigde van [appellant], mr. Mathoerapersad, aanwezig was, per 1 januari 2006 een netto maandloon van € 1.500,= zijn overeengekomen acht het hof onvoldoende toegelicht. Zo is niet gesteld wanneer dat gesprek heeft plaatsgevonden of wat de aanleiding daarvoor en voor de loonsverhoging was. Om die reden is voor bewijslevering op dit punt geen plaats en wordt het desbetreffende bewijsaanbod van [geïntimeerde] verworpen. Diens in hoger beroep ter zake vermeerderde vordering tot betaling van € 1.373,62 netto zal bijgevolg worden afgewezen. Hieruit volgt tevens dat grief III van [geïntimeerde], die inhoudt dat de kantonrechter over 2006 ten onrechte een korting van € 279,96 heeft toegepast wegens in januari en februari 2006 te veel genoten loon, geen succes heeft.

3.15.3. Uit het slagen van grief 7 van [appellant] met betrekking tot de ingangsdatum van het bij de arbeidsovereenkomst van 16 juni 2006 overeengekomen loon van € 1.350,= netto per maand volgt dat ook grief 8 in zoverre gegrond is. Het hof zal, gelet op de eigen stellingen van [appellant] en diens niet betwisten van een loonsverhoging van 1% per 1 juli 2006, uitgaan van een netto maandsalaris in de eerste helft van 2006 van € 1.355,= (in plaats van € 1.360,02) en in de tweede helft van 2006 van € 1.368,55 (in plaats van € 1.373,62). Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] er op zichzelf geen bezwaar tegen heeft gemaakt dat [geïntimeerde] heeft gerekend met een loonsverhoging over het netto loon. Dit betekent dat bij het door de kantonrechter vastgestelde bedrag dat door [appellant] over 2006 te veel is betaald (€ 1.807,40 netto) een bedrag van (zes keer € 5,02 is) € 30,12 en (zes keer € 5,07 is) € 30,42 moet worden opgeteld, mitsdien in totaal € 60,54.

3.15.4. Voor het overige bevat de grief geen duidelijke klachten tegen het bestreden vonnis, zodat de conclusie is dat [appellant] over 2006 netto (€ 1.807,40 plus € 60,54 is) € 1.867,94 te veel heeft betaald.

3.16.1. Grief 9 van [appellant] strekt, naar het hof begrijpt, ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] [geïntimeerde] over 2007 € 132,29 netto te veel heeft betaald. Volgens [appellant] heeft hij méér te veel betaald.

3.16.2. De (door [appellant] betwiste) stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] hem in een gesprek in het najaar van 2007 (spontaan) heeft aangeboden dat hij vanaf 15 november 2007 € 1.700,= netto per maand zou verdienen acht het hof, daargelaten dat [geïntimeerde] niet heeft gesteld dit aanbod toen te hebben geaccepteerd, onvoldoende toegelicht. Zo heeft [geïntimeerde] niet gesteld wanneer dat gesprek precies heeft plaatsgevonden en wie daarbij aanwezig waren. Voor bewijslevering op dit punt is dan ook geen plaats en het hierop betrekking hebbende bewijsaanbod van [geïntimeerde] wordt daarom gepasseerd. Gevolg van een en ander is dat de in hoger beroep ter zake vermeerderde vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 1.490,75 netto niet toewijsbaar is.

3.16.3. De stelling van [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte is uitgegaan van de door [geïntimeerde] veronderstelde lonen is erop gebaseerd dat het nettoloon over 2007 ongewijzigd is gebleven omdat [geïntimeerde] al een hoger uurloon genoot dan het loon volgens de CAO en daarom geen aanspraak kon maken op de bij de CAO voorziene loonsverhoging. Deze laatste stelling is echter onjuist, omdat bij een cao voorziene loonsverhogingen ook betrekking hebben op hogere lonen dan die waarvan de desbetreffende cao uitgaat.

3.16.4. [appellant] heeft voor het overige niet aangevoerd dat (en waarom) de kantonrechter te dezen van onjuiste bedragen is uitgegaan, zodat de conclusie is dat de grief faalt.

3.17.1. Met grief 10 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] over 2008 € 1.490,32 netto te weinig heeft betaald.

3.17.2. Omdat zijn stelling dat in het najaar van 2007 een netto maandloon van € 1.700,= is overeengekomen (in overweging 3.16.2) is verworpen, is de door [geïntimeerde] te dezen in hoger vermeerderde vordering tot betaling van € 1.818,19 netto niet toewijsbaar.

3.17.3. [geïntimeerde] heeft, voorts, bij memorie van antwoord erkend dat hij over maart en april 2008 telkens een bedrag van € 1.350,= van [appellant] heeft ontvangen waarmee hij bij zijn eer-dere berekeningen geen rekening had gehouden. Dit betekent dat [appellant] over 2008 niet € 1.490,32 netto te weinig heeft betaald maar € 1.209,68 netto te veel. De grief is dus gegrond.

3.18. Grief 11 van [appellant] houdt in dat de kantonrechter ten onrechte een vertragingsrente van 25% heeft toegewezen. De grief faalt, omdat het hof in de door [appellant] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding ziet de wettelijke verhoging nog verder te matigen dan de kantonrechter heeft gedaan.

3.19. Grief 12 van [appellant] houdt in dat de kantonrechter ten onrechte de reconventionele vordering van [appellant] wegens door hem (beweerdelijk) gedane geldleningen aan [geïntimeerde] tot een totaalbedrag van € 4.500,= heeft afgewezen. Ook deze grief faalt, omdat de kantonrechter, zonder dat [appellant] daartegen bezwaar heeft gemaakt, bij haar berekeningen – behoudens toegepaste correcties - steeds de opstelling van [geïntimeerde] heeft gevolgd en uit de punten 75 en 80 van de inleidende dagvaarding blijkt dat [geïntimeerde] met de door [appellant] te dezen gevorderde bedragen rekening heeft gehouden. Deze bedragen zijn dus (inderdaad) verrekend met [geïntimeerde]’s loonvordering.

4. Slotsom

4.1. De grieven 1, 2, 3, 5, 9, 11 en 12 van [appellant] hebben geen succes, evenmin als grief III van [geïntimeerde]. De in hoger beroep vermeerderde vorderingen van [geïntimeerde] zijn geen van alle toewijsbaar.

4.2. De grieven 6, 7, 8 en 10 van [appellant] zijn geheel of gedeeltelijk gegrond, evenals de grieven I en II van [geïntimeerde].

4.3. Het voorgaande betekent allereerst dat aan achterstallig loon over de periode van 17 april 2003 tot 1 juni 2008 toewijsbaar is € 289,89 over 2003, vermeerderd met € 1.151,05 over 2004, vermeerderd met € 2.398,78 over 2005, verminderd met € 1.867,94 over 2006, verminderd met € 132,79 over 2007, verminderd met € 1.209,68 over 2008, zodat per saldo te dezen een te betalen bedrag resteert van € 629,31 netto. Het bestreden vonnis in conventie, als aangevuld bij het vonnis van 27 oktober 2009, zal worden vernietigd, voor zover daarbij onder I te dezen meer is toegewezen dan laatstbedoeld bedrag, vermeerderd met wettelijke rente. [geïntimeerde] zal, voorts, worden veroordeeld tot terugbetaling van al wat [appellant] hem ter uitvoering van het bestreden vonnis in zoverre heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente.

4.4. Verder leidt het voorgaande ertoe dat het bestreden vonnis, als aangevuld bij het vonnis van 27 oktober 2009, voor al het overige zal worden bekrachtigd en dat in conventie een bedrag van € 1.331,85 netto wegens vakantietoeslag over de periode van juni 2007 tot juni 2008 alsnog zal worden toegewezen.

4.5. Het hof zal de kosten van zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep geheel tussen partijen compenseren, omdat zij in zoverre (telkens) over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld.

4.6. Ten aanzien van de kosten van het geding in conventie in eerste aanleg zal het hof niet in deze maar in de andere zaak beslissen, omdat ook (pas) bij het in de andere zaak aan de orde zijnde vonnis van 28 september 2010 een proceskostenver-oordeling is uitgesproken. Tot het veroordelen van [geïntimeerde] tot betaling van executiekosten ziet het hof geen aanleiding, omdat niet is gesteld of gebleken dat dergelijke kosten zijn gemaakt.

In zaak 200.079.866/01 voorts:

5. Verdere behandeling van het hoger beroep

5.1. Bij het tussenarrest van 6 december 2011 heeft het hof, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:

“3.15.1 De grieven 1 en 2 falen, grief 3 slaagt. Dat betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd voor zover het betreft de veroordeling tot betaling van € 5.684,61 netto en de vakantie-toeslag van 8%, een en ander vermeerderd met wettelijke rente, en ook voor zover het betreft de veroordeling tot betaling van € 568,46 aan wettelijke verhoging van 10%. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover het betreft de veroordeling tot betaling van € 500,= aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering zal alsnog worden afgewezen.

3.15.2 De vordering van [appellant] om alsnog zijn vordering in recon-ventie toe te wijzen is niet toewijsbaar, omdat in het bestreden vonnis van 28 september 2010 geen beslissingen in reconventie zijn genomen en de memorie van grieven ook uitsluitend betrekking heeft op beslissingen van de kantonrechter in conventie.

3.15.3 De behandeling van grief 4 wordt aangehouden. In het kader daarvan wordt de zaak ambtshalve gevoegd met de zaak tussen partijen met zaaknummer 200.048.517/01. De zaak zal worden verwezen naar 14 februari 2012 voor arrest, de datum waarop ook de zaak met zaaknummer 200.048.517/01 voor arrest staat. Vooralsnog wordt volstaan met het nemen van de daartoe strekkende beslissing. De onder 3.15.1 en 3.15.2 bedoelde beslissingen zullen pas in een dictum worden neergelegd als op grief 4 kan worden beslist”.

5.2. Op grond van de beslissing van heden in zaak 200.048.517/ 01, bezien in verband met het slagen van grief 3 in de onderhavige zaak, is het hof van oordeel dat grief 4 in zoverre gegrond is, dat partijen voor wat betreft de eerste aanleg in conventie als over en weer ten dele in het ongelijk gesteld hebben te gelden. Het hof zal de desbetreffende proceskosten dan ook compenseren. Voor het overige faalt deze grief.

5.3. [geïntimeerde] zal, voorts, worden veroordeeld tot terugbetaling van al wat [appellant] hem ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente. Tot het veroordelen van [geïntimeerde] tot betaling van executiekosten ziet het hof geen aanleiding, omdat niet is gesteld of gebleken dat dergelijke kosten zijn gemaakt.

5.4. [appellant] zal, als de in zoverre grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

In beide zaken voorts:

6. Beslissing

Het hof:

in zaak 200.048.517/01:

vernietigt het (in conventie gewezen) vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, van 11 augustus 2009, waarvan beroep (als aangevuld bij vonnis van 27 oktober 2009), voor zover daarbij onder I ter zake van achterstallig loon over de periode van 17 april 2003 tot 1 juni 2008 in hoofdsom een hoger bedrag is toegewezen dan € 629,31 netto en, in zoverre opnieuw recht doende, wijst het te dezen door [geïntimeerde] meer of anders gevorderde af en veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van dat vonnis aan hem heeft voldaan, voor zover dit genoemd bedrag van € 629,31 netto en de toegewezen 25% vertragingsschade daarover overtreft, dit terug te betalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de betaling(en) door [appellant] tot die van de terugbetaling(en) door [geïntimeerde];

bekrachtigt het bestreden vonnis (in conventie en in reconventie) voor al het overige;

veroordeelt [appellant] om tegen kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 1.331,85 netto wegens vakantietoeslag over de periode van juni 2007 tot juni 2008;

wijst de in hoger beroep vermeerderde vorderingen van [geïntimeerde] (voor het overige) af;

compenseert de kosten van het principaal hoger beroep en van het incidenteel hoger beroep tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in zaak 200.079.866/01:

vernietigt het (in conventie gewezen) vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, van 28 september 2010, waarvan beroep, voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 500,= wegens buitengerechtelijke incassokosten en € 2.036,44 wegens proceskosten en, in zoverre opnieuw rechtdoende, wijst de vordering van [geïntimeerde] wegens buitengerechtelijke incassokosten alsnog af, compenseert de proceskosten van de eerste aanleg in conventie tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] ter zake van de zojuist genoemde posten ter uitvoering van voormeld vonnis aan hem heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de betaling(en) door [appellant] tot die van de terugbetaling(en) door [geïntimeerde];

bekrachtigt voormeld vonnis voor al het overige;

verwijst [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op € 284,= wegens verschotten en € 632,= wegens salaris van de advocaat;

in beide zaken:

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarbij ten laste van [geïntimeerde] uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en S.F. Schütz, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 februari 2012.