Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8794

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
09-00755
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen bereiken een compromis over de naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Heropening van het vooronderzoek in verband met verzoek tot vergoeding van immateriële schade.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2361
V-N 2012/62.17.9
FutD 2012-2509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 09/00755

20 september 2012

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 07/5639 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

de inspecteur

en

[X] B.V., gevestigd te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. M.J. Hamer (Ernst & Young Belastingadviseurs te Rotterdam),

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 27 december 2002 aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor een bedrag van € 864.601. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag van € 151.395 aan heffingsrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete van € 432.300 opgelegd.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 27 juli 2007, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 592.323, de heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 91.258 en de boete verminderd tot nihil.

1.3. Bij uitspraak van 15 oktober 2009, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag (evenals de beide beschikkingen) verminderd tot nihil. Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 23 november 2009.

1.4. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend. Op 1 juni 2011 is van haar een nader stuk ingekomen.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij brief van 28 juli 2011 aan partijen is verzonden.

1.6. Bij brief van 27 juli 2011 heeft het Hof partijen kennis gegeven van zijn voorlopige beoordeling en hen om een schriftelijke reactie verzocht. Hierop is door belanghebbende bij brief, met één bijlage, van 22 november 2011 gereageerd en door de inspecteur bij een op 24 november 2011 ter griffie ontvangen brief.

1.7. Partijen hebben over en weer afschriften ontvangen van alle door hen ingebrachte stukken.

1.8. Partijen hebben desgevraagd schriftelijk – gemachtigde bij brief van 28 november 2011 en de inspecteur bij brief van 6 december 2011 – toestemming verleend uitspraak te doen zonder een nadere zitting.

1.9. De griffier van het Hof heeft de gemachtigde bij brief van 21 juni 2012 nadere informatie gevraagd in verband met het ter zitting van het Hof gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade. De griffier heeft onder verwijzing naar de brief van 21 juni 2012 deze vraag herhaald in zijn brief van 24 juli 2012. Namens de gemachtigde is bij brief van 26 juli 2012 verzocht om verlenging van de termijn om op de gestelde vraag te reageren tot 29 augustus 2012. Dit verzoek is toegewezen bij brief van 9 augustus 2012. Nadien is van de gemachtigde geen reactie ontvangen.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.19 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. [AB] N.V. is opgericht op 9 april 1998 en houdt alle aandelen van [AB] B.V. Laatstgenoemde vennootschap was tot 14 oktober 1997 genaamd [CB] B.V. [AB] B.V. houdt op haar beurt alle aandelen in eiseres, tot 26 juli 2000 genaamd [A]B.V.

2.2. In 1996 brengt [D] Plc, een Engelse vennootschap, een bod uit op de aandelen van [A]. [A] wijst het bod van f 26.000.000 als te laag van de hand.

2.3. [AB] N.V. oriënteert zich in 1997 op een beursgang. In de loop van het jaar 1997 heeft zij contact met de Nationale Investeringsbank N.V. (hierna: de NIB) over een mogelijke kredietverstrekking door de NIB aan [A].

2.4. In een faxbericht van 1 augustus 1997 schrijft de NIB aan [CB] B.V. ter attentie van [E], de financieel directeur, onder meer het volgende:

“Geachte heer [E],

Zoals gisteren besproken fax ik hierbij de prognoses inclusief de up-date van de halfjaarcijfers 1997. In grote lijnen is geeft dit het zelfde als gisteren.

Veranderingen zijn:

- rentelasten op 5% over gem. bankstand en achtergestelde lening aangevuld met NCM 0,24% van omzet incl. btw.

- aanpassing van de bedrijfskosten om deel van de brutomarge daling (naar 13,5 %) te compenseren. >> resultaat 1997 nu f 6,2 mio.

(…)

4 Het halfjaarresultaat wordt beïnvloed door een seizoenspatroon. Een factor 2 maal het halfjaarresultaat is dan ook niet realistisch. Wat is de beste schatting voor het jaarresultaat 1997 ?”

2.5. In een brief van 20 augustus 1997 schrijft de NIB aan [CB] B.V. graag bereid te zijn haar een achtergestelde kredietfaciliteit te verstrekken ten behoeve van de versterking van het garantievermogen. In die brief worden voorwaarden genoemd waaronder de kredietverstrekking plaats zal vinden. Zo is onder meer het volgende opgenomen:

“Beursgang

De lening wordt verstrekt onder de voorwaarde dat De Nationale Investeringsbank N.V. of

één van haar dochtervennootschappen zal optreden als lead-manager van de beursintroductie van [CB] B.V. indien [CB] B.V. tijdens de looptijd van de lening naar de AEX-Effectenbeurs gaat. Alvorens tot uitbetaling van de achtergestelde lening wordt overgegaan, dienen [CB] B.V. en de bank het eens te zijn over de uitgangspunten waartegen de onderneming bij beursgang zal worden gewaardeerd.

Ondernemingswaardering

Indien:

- [CB] B.V. over 1997 een netto winst van minimaal f 5 miljoen kan tonen;

- [CB] B.V. haar prognose van een netto winst over 1998 van minimaal f 10 miljoen kan handhaven;

- [CB] B.V. een positieve verwachting kan uitspreken over de winstontwikkeling in de jaren na 1998;

- de due-diligence niet tot een bijstelling van de verwachtingen leidt; en

- het klimaat op de AEX- Effectenbeurs niet wezenlijk verandert

verwacht de bank dat [CB] B.V. zal kunnen worden geïntroduceerd op de AEX-Effectenbeurs tegen een ondernemingswaarde van f 130 tot f 160 miljoen.

Opeising

Mocht de bank de beursgang onverhoopt niet leiden, dan zal de door haar verstrekte achtergestelde lening direkt opeisbaar worden vanaf het tijdstip waarop dit vast komt te staan en zal aan u een vergoeding daarvoor in rekening worden gebracht van f 500.000,--.”

Deze brief wordt door [CB] B.V. op 26 augustus 1997 voor akkoord getekend.

2.6. [AB] B.V. wil optierechten op aandelen aan haar werknemers toekennen. Daarom wordt overleg gevoerd met verweerder om zekerheid te verkrijgen over de fiscale behandeling van de optierechten. Een van de onderwerpen daarbij is de waardering van de te verstrekken opties. In een brief van 4 november 1997 schrijft de adviseur van [AB] N.V. aan verweerder onder meer het volgende:

“Naar aanleiding van ons telefoongesprek van vorige week vrijdag , ontvangt u hierbij het concept optiereglement voor de [AB].

Ons inziens voldoet de voorgestelde regeling aan de betreffende bepalingen. Wij verzoeken u dit aan ons te willen bevestigen.

Voor wat betreft de verkrijgingsprijs van de opties (en uiteraard de onderliggende aandelen) ontvangt u later deze week van ons nadere informatie. Eén mijner accountant-collega’s verricht momenteel de nodige exercities.

Gaarne vernemen wij spoedig van u of u instemt met regeling en waardebepaling. Indien nodig hebben wij maandag 17 november a.s. om 14.00 uur gereserveerd om met u van gedachten te wisselen”.

2.7. In het bij voornoemde brief gesloten aandelenoptie-reglement is onder meer het volgende opgenomen:

“ 3.1. Krachtens dit Aandelenoptieplan kunnen jaarlijks (……) Optierechten worden verstrekt aan werknemers (…).

4.1. De Uitoefenprijs wordt vermeld in de Optie-overeenkomst en zal gelijk zijn aan de waarde in het economisch verkeer op het inhoudingstijdstip voor de loonbelasting ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 van het onderliggende Aandeel van de Vennootschap.

(…)

5.1. De Verkrijgingsprijs wordt na voorafgaand overleg met de fiscus vastgesteld door de directie van de Vennootschap. De eventuele gevolgen van wijziging van overheidswege van de fiscale behandeling van Optierechten zijn geheel voor rekening van de Deelnemer.”

2.8. In een brief van 12 november 1997 van de adviseur van eiseres, [H] van Moret Ernst & Young, aan verweerder is onder meer het volgende opgenomen:

“Ingevolge op ons schrijven van vorige week, doen wij u onderstaand onze waardebepaling toekomen van de [AB] in het kader van de voorgenomen optieregeling.

(…)

De activiteiten van de [AB] zijn gericht op de electronic highway. De groei van de activiteiten is derhalve afhankelijk van de groei van deze markt. Daarnaast tracht de [AB] haar activiteiten te vergroten door in het buitenland vestigingen te starten, zelfstandig of door de overname van bestaande ondernemingen. Het voorgaande gaat gepaard met relatief hoge startkosten en extra risico’s.

De winstgevendheid van de [AB] is sterk afhankelijk van de hoogte van de omzet en de te behalen marges. In de markt is een tendens waarneembaar, mede door de toegenomen concurrentie, tot lagere marges.

(…)

Gegeven de groeimogelijkheden, doch ook de hieraan verbonden risico’s vinden wij in de huidige situatie een koers-winstverhouding van 10 zeer redelijk.

(…)

Over 1996 bedroeg het geconsolideerde resultaat na belastingen f 2.750.000. Bij een koers-winst verhouding van 10 geeft dit een waarde van f 27.500.000. Het eigen vermogen bedroeg ultimo 1996 circa f 4,6 miljoen, zijnde bij een balanstotaal van afgerond f 41 miljoen circa 11%. Een eigen vermogen van minimaal 25% lijkt wenselijk. Dit geeft een correctie op de waarde van 25% van f 41 miljoen minus f 4,6 miljoen, zijnde f 5,6 miljoen. De uiteindelijke waarde bedraagt derhalve f 21.900.”

Bij deze brief is de jaarrekening van [CB] B.V. over 1996 bijgesloten.

2.9. Op 9 december 1997 stuurt de adviseur van eiseres aan verweerder een brief waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“. bijgevoegd treft u balans en resultatenrekening van de situatie ultimo september 1997;

. uit deze cijfers blijkt een nettowinst na vennootschapsbelasting ultimo september van f 2.187.476;

. de prognose voor heel 1997 komt uit op f 4.000.000 na vennootschapsbelasting;

. uitgaande van dezelfde berekeningsmethodiek als reeds gehanteerd komt de waarde van de aandelen (waarde in het economisch verkeer) uit op f 32.185.500.

. hierbij is een K/W-verhouding van 10 gehanteerd. Nadere informatie wees uit dat dit verhoudingsgetal toch een goed gemiddelde bleek te zijn voor handelsbedrijven in het algemeen en deze branche in het bijzonder;

. voorts ziet u wederom een correctie in verband met het feit dat het eigen vermogen in werkelijkheid lager is dan wenselijk zou zijn.

. in de optie-overeenkomst is de passage verwijderd waarin werd gesteld dat uitoefening pas vanaf beursgang zou kunnen plaatsvinden. De optie kan direct worden uitgeoefend. De werknemers krijgen dan een certificaat van een aandeel;

(…)

de nieuwe tekst is bijgevoegd.”

2.10 Bij de door verweerder overgelegde stukken bevinden zich niet gedateerde handgeschreven aantekeningen van de hand van [F] (inmiddels overleden), die destijds namens verweerder de zaak behandelde. Onder meer is in die aantekeningen opgenomen:

“Over de waardering van de aandelen nog geen standpunt ingenomen. Pas 14-11-’97 op mijn bureau.

(…)

Bovendien wordt er naar de beurs gegaan.

(…)

Correctie eigen vermogen: waarom 25% e.v.

Tekort aan e.v. is gedekt door v.v.

Hierdoor dus hogere rentelasten.

Daardoor dus minder winst

De winst is dus al gecorrigeerd voor het te weinig aan e.v.

(…)

In een brochure van Moret naar 300 transactie onderzoeken wordt een k.w van 12 à 13 genoemd voor handelsbedrijven.

Winst 1996 2.750.000

Winst 1997 4.000.000

6.750.000 : 2 = 3.375.000 x 13= 43.875.00

4.000.000

10.750.000 : 3 = 3.583.333 x 13 = 46.583.331

17/12-’97 gebeld door [H].

Ik heb 45 miljoen voorgesteld. Hij gaat bij de onderneming praten of zij akkoord kunnen gaan. Hij denkt zelf dat 40 miljoen moet lukken.”

2.11. In een brief van 19 december 1997 schrijft verweerder aan de adviseur van eiseres onder meer het volgende:

“Naar aanleiding van de door u toegezonden aanpassing met betrekking tot de aandelenoptieregeling van de [CB] B.V. te [P], deel ik u het volgende mee.

De regeling voldoet thans aan het bepaalde in artikel 15 uitvoeringsregeling loonbelasting 1990.

Ingevolge lid 1 van artikel 15 Uitv.reg. LB wordt de waarde van het aandelenoptierecht gesteld op 7,5 percent van de waarde in het economisch verkeer op het inhoudingstijdstip van de aandelen waarop dat recht betrekking heeft.

Wij hebben vanmorgen telefonisch overeenstemming bereikt over een waarde in het economisch verkeer van f 40.000.000 van de aandelen van de [CB] B.V. te [P].”

2.12. In een persbericht van 9 april 1998 van de NIB en [AB] N.V. wordt de beursgang van [AB] N.V. met gebruikmaking van inschrijfrechten, aangekondigd.

Het prospectus wordt gepubliceerd op 15 april 1998.

2.13. Op 20 april 1998 wordt in een persbericht van [AB] N.V. en de NIB onder meer vermeld:

“Beleggers die deze inschrijfrechten hebben gekocht betalen in totaal NLG 40,-- per gewoon aandeel [AB] (NLG 20,00 voor het inschrijfrecht en NLG 20,00 voor het aandeel)”.

2.14. Per 23 april 1998 heeft het aandeel [AB] N.V. een beursnotering.

2.15. Het Financieel Dagblad van 24 april 1998 bericht als volgt:

“Donderdag kwam het informatietechnologiebedrijf [A]als nieuwkomer op de Amsterdamse beurs. Op de introductie kon vooraf worden ingeschreven, zodat het bedrijf van de winst bij de koersgang kon profiteren. De introductierechten, die het recht gaven op aankoop van aandelen [A]voor hfl. 20, werden gisteren nog rond de hfl. 21 verhandeld. Het aandeel [A]ging met een koers van hfl. 41,50 de beurs op, en sloot op hfl. 42,50.”

2.16. Op de aantekeningen hiervoor onder 2.10 genoemd is achter de woorden: “Bovendien wordt er naar de beurs gegaan” in een ander handschrift het woord: “klaar!” geschreven en daaronder met pijlen naar de woorden: “de beurs gegaan”: “doe ik niets meer aan” dan een paraaf en dan “30 – 8 – 99.”

2.17. In januari 2000 heeft verweerder een boekenonderzoek bij [A]ingesteld. Op 14 februari 2000 heeft de controlerend ambtenaar onder meer de brief van de NIB (zie hiervoor onder 2.5) ontvangen.

2.18. Op 6 mei 2002 is eiseres in staat van faillissement verklaard. Op 8 juli 2002 zijn [AB] N.V. en [AB] B.V. eveneens in staat van faillissement verklaard.

2.19. Met dagtekening 27 december 2002 wordt aan eiseres de hiervoor onder 1.1. genoemde naheffingsaanslag (Hof: de naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2007) opgelegd.”

2.2. Tegen deze door de rechtbank vastgestelde feiten zijn door partijen geen bezwaren ingebracht, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. In hoger beroep is, evenals bij de rechtbank, in geschil of de inspecteur gebonden is aan de waardevaststelling van [CB] B.V., genoemd in de brief van 19 december 1997 (welke vennootschap op dat moment reeds een naamswijziging tot [AB] B.V. had ondergaan). Als de inspecteur daar niet aan gebonden is, is de vraag welke waarde per 23 december 1997 aan [AB] B.V. moet worden toegekend.

3.2. Voor de standpunten van partijen in hoger beroep verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken en in het proces-verbaal van de zitting is vermeld.

4. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1. Aan partijen is na de zitting van 15 juni 2011 de onder 1.5 genoemde brief gestuurd, waarin het voorlopige oordeel van het Hof is opgenomen, met de volgende inhoud:

“Wat het wezenlijke geschilpunt betreft, is tussen partijen niet meer in geschil dat de brief van 19 december 1997 (de inspecteur spreek van ‘de waardeafspraak’ een vaststellings-overeenkomst in de zin van art. 7:900 BW behelst. (…)

Belanghebbende had de inspecteur tijdens het overleg moeten informeren over de waardering door [de Nationale Investeringsbank N.V.]. De inspecteur had in die informatie redelijkerwijs geen aanleiding mogen vinden het overleg met belanghebbende te beëindigen. Wel zou de nieuwe informatie het overleg in een nieuw perspectief hebben geplaatst en met grote mate van waarschijnlijkheid ertoe hebben geleid dat de waardeafspraak op een hoger bedrag zou zijn uitgekomen dan het bedrag van f 40 miljoen zoals genoemd in de brief van 19 december 1997.

Partijen wordt verzocht in een schriftelijke reactie beredeneerd aan te geven tot welke (hogere) waarde het overleg onder deze veronderstellingen zou hebben geleid althans redelijkerwijs zou hebben behoren te leiden. (…)

Het Hof vermeldt in dit verband, voor de volledigheid, dat de inspecteur ter zitting afstand heeft gedaan van zijn beroep op interne compensatie en dat tussen partijen niet meer in geschil is dat in de naheffingsaanslag geen bedrag ter zake van de aan [G] toegekende opties behoort te zijn begrepen. Dit leidt ertoe dat de bovengrens van de naheffing op f 283.056 ligt (vergelijk de door de inspecteur ter zitting overgelegde berekening).

Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de heffingsrente beperkt dient te worden.”

4.2. Hierop is door partijen overeenstemming bereikt, hetgeen het Hof te kennen is gegeven bij de onder 1.5 genoemde brieven van belanghebbende en van de inspecteur, in navolgende zin.

- De ondernemingswaarde van [A]ten tijde van de optietoekenningen aan de werknemers in december 1997 is vastgesteld op f 80 miljoen.

- De na te heffen loonbelasting/premie volksverzekeringen is berekend op € 89.510 (f 197.254).

4.3. Het Hof ziet geen reden zich niet bij de door partijen bereikte overeenstemming aan te sluiten en zal in deze zin beslissen. Daarbij gaat het Hof, gelet ook op de onder 1.9 vermelde briefwisseling, ervan uit dat de tussen partijen bereikte overeenstemming zich niet uitstrekt tot het door belanghebbende gedane beroep op vergoeding van immateriële schade.

4.4. Tussen de indiening van het (pro forma) bezwaarschrift op 4 februari 2003. en de uitspraak van de rechtbank (15 oktober 2009) is een periode van vijf jaar en acht maanden verstreken. Tussen de indiening van het (pro forma) hogerberoepschrift op 20 november 2009 en deze uitspraak van het Hof is een periode van bijna drie jaar verstreken. Dit tijdsverloop is langer dan volgens de Hoge Raad (zie zijn arresten van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, opgenomen in BNB 2011/232 tot en met 234) in het algemeen nog als redelijk is aan te merken. Weliswaar is de zaak zeer complex, maar die omstandigheid rechtvaardigt niet, althans niet op voorhand, de aanzienlijke overschrijding van de normtermijnen van twee jaar die blijkens de arresten van 10 juni 2011 hebben te gelden voor de behandeling in de ‘eerste fase’ (bezwaar en beroep in eerste aanleg) respectievelijk de ‘tweede fase’ (hoger beroep). Nu het niet slechts gaat om een overschrijding in de bezwaarfase, zal het Hof iedere verdere beslissing op dit punt aanhouden, het onderzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb heropenen ter voorbereiding van een nadere uitspraak hieromtrent en de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Slotsom

4.4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep dient gegrond te worden verklaard en de bestreden uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd. De na te heffen loonbelasting/premie volksverzekeringen dient te worden vastgesteld op € 89.510 (f 197.254). In verband met een beroep op vergoeding van immateriële schade zal het onderzoek worden heropend.

5. Kosten

In de omstandigheid dat belanghebbende zich heeft moeten verweren tegen het door de inspecteur ingestelde hoger beroep, ziet het Hof aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief in hoger beroep op: 1,5 (voor proceshandelingen: nader stuk (à 0,5 punt), zitting (à 1 punt)) x 1 (wegingsfactor) x € 437 (waarde per punt) = € 655,50.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen inzake het griffierecht en de proceskostenvergoeding;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 89.510 (f 197.254);

- verstaat dat de inspecteur de heffingsrente overeenkomstig zal verminderen;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 655,50;

- heropent het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de

vergoeding van immateriële schade;

- stelt de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) in de gelegenheid zich - binnen zes

weken na de verzending van de kopie van deze uitspraak door de griffier als hierna te

bepalen - uit te laten omtrent het verzoek van belanghebbende over de hiervoor bedoelde

schadevergoeding, en

- gelast de griffier daartoe een kopie van deze uitspraak te verzenden aan de Raad voor de

rechtspraak.

.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter van de belastingkamer, J. den Boer en E.F. Faase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 20 september 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.