Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8219

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
11-00927
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzuimboete wegens te late aangifte Vpb. I.c. redelijkerwijs geen twijfel dat de aanmaningsbrief belanghebbende heeft bereikt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2281
FutD 2012-2407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00927

6 september 2012

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/1084 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

[X] B.V. gevestigd te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. N.G.W. Geurs-van Leeuwen (Linnekamp Belastingadviseurs te Amstelveen)

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van nihil. Bij beschikking is tevens een verzuimboete opgelegd van € 567.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 13 januari 2011, de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 8 november 2011 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de boetebeschikking vernietigd, met nevenbeslissingen als in die uitspraak vermeld.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 9 december 2011, de nadere motivering is binnengekomen op 15 december 2011. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft een uitnodiging ontvangen om vóór 1 juni 2009 aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2008 (hierna: de aangifte) te doen. Na een verzoek daartoe heeft de inspecteur uitstel verleend tot 1 mei 2010.

2.2. Tot de stukken van het geding behoort een brief van 28 mei 2010 van de inspecteur aan belanghebbende (hierna: de herinneringsbrief). In die brief wordt belanghebbende erop gewezen dat nog geen aangifte is gedaan binnen de (verlengde) termijn. In de brief wordt voorts medegedeeld (voor zover hier van belang):

“U moet alsnog aangifte doen. Deze aangifte moet vóór 11 juni 2010 bij ons binnen zijn. (…)

Als u niet reageert op dit verzoek, krijgt u een aanmaning. Ook krijgt u een boete als u niet of te laat op de aanmaning reageert.”

2.3. Tot de stukken van het geding behoort een brief van 23 augustus 2010 van de inspecteur aan belanghebbende (hierna: de aanmaningsbrief). In die brief wordt belanghebbende er (nogmaals) op gewezen dat nog geen aangifte is gedaan. In de brief wordt voorts medegedeeld (voor zover hier van belang):

“U hebt uitstel gekregen tot 1 mei 2010. Op 28 mei heb ik u een herinnering gestuurd om alsnog aangifte te doen. (…)

U moet alsnog aangifte doen. Deze aangifte moet vóór 6 september 2010 bij ons binnen zijn. (…)

U bent wettelijk verplicht om (op tijd) aangifte te doen. Als u niet reageert op deze aanmaning, zullen wij het belastbare bedrag moeten schatten. Ook krijgt u een boete als u niet of te laat reageert.”

De aanmaningsbrief is, net als de in 2.2 genoemde herinneringsbrief, geadresseerd aan [X] B.V., te [Z] zijnde het vestigingsadres van belanghebbende en tevens het woonadres van [A], directeur van belanghebbende.

2.4. Met dagtekening 6 november 2010 heeft de inspecteur de (primitieve) aanslag vennootschapsbelasting 2008 opgelegd (naar een geschat bedrag) en gelijktijdig een verzuimboete opgelegd van € 567.

2.5. Op 15 november 2010 is langs elektronische weg alsnog een aangifte ingediend. In het bezwaarschrift van 22 november 2010 is - naast vermindering van de aanslag - verzocht om vernietiging van de verzuimboete.

2.6. In de uitspraak op bezwaar van 13 januari 2011 heeft de inspecteur (nadat de aanslag al was verminderd conform het bezwaar) het verzoek om vernietiging van de verzuimboete afgewezen. Als bijlage heeft de inspecteur een kopie van een schermprint (een afbeelding van het computerscherm) bijgevoegd waarop onder meer aan de bovenzijde is vermeld: ‘Raadplegen/Detail Aanmaning’, onder het kopje ‘Fiscaalnummer’ het fiscaal nummer van belanghebbende, onder het kopje ‘Naam’ de naam van belanghebbende, onder het kopje ‘Aanmaning, dagtekening’: 23-08-2010 en onder het kopje ‘Aanmaning reactietermijn, Uiterste reactiedag na aanmanen’: 06-09-2010.

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is evenals in eerste aanleg in geschil of de inspecteur terecht de verzuimboete van € 567 heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot ongegrondverklaring van het beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is in de artikelen 9 en 67a (tekst 2010) voor zover hier van belang bepaald:

“Art. 9

1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door deze gestelde termijn van ten minste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte.

2. De inspecteur kan de door hem gestelde termijn verlengen. (…)

3. De inspecteur kan niet eerder dan na verloop van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde termijn de belastingplichtige aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen.

Art. 67a

1. Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4 920 kan opleggen.”

In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst van 24 december 2009 is in paragraaf 21, voor zover hier van belang, bepaald:

§ 21. Aangifteverzuimboete aanslagbelasting artikel 67a van de AWR

1. Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen wordt aangemerkt als een verzuim.

2. Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van € 226.

3. In afwijking van het tweede lid legt de inspecteur ter zake van een aangifteverzuim bij de vennootschapsbelasting een verzuimboete op van vijftig procent van het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR.

4. Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is alleen sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de inspecteur.

5. Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet binnen de termijn) gedane aangifte.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangifte niet is ingediend binnen de daarvoor door de inspecteur gestelde (verlengde) termijn.

4.3. Partijen houdt verdeeld, of de inspecteur belanghebbende daadwerkelijk heeft aangemaand om alsnog, binnen een nader bepaalde termijn, aangifte te doen.

Belanghebbende heeft in dat verband verklaard (niet alleen de onder 2.2 genoemde herinneringsbrief maar ook) de onder 2.3 genoemde aanmaningsbrief niet te hebben ontvangen. Zo de inspecteur deze brief al heeft verzonden, heeft de brief belanghebbende niet bereikt en nu de inspecteur heeft gekozen voor het niet aangetekend versturen van de aanmaningsbrief is - aldus belanghebbende - het ontbreken van een bewijs van ontvangst van die brief een omstandigheid die voor risico van de inspecteur dient te komen.

4.4. De rechtbank heeft bij haar beoordeling van dit geschilpunt het volgende voorop gesteld (waarbij de inspecteur is aangeduid als ‘verweerder’):

“4.2. De rechtbank stelt voorop dat voor oplegging van een verzuimboete ingevolge artikel 67a van de AWR geen plaats is indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden.

4.3. In beginsel moet verweerder aannemelijk maken dat de aanmaning de belastingplichtige heeft bereikt. Verzending per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding op het vermelde adres. Om dit vermoeden te ontzenuwen, is voldoende dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert, ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Oordeelt de feitenrechter dat dit het geval is – bijvoorbeeld op grond van een geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden – dan moet verweerder nader bewijs leveren. Als niet aannemelijk wordt dat de aanmaning de belastingplichtige heeft bereikt, dan ligt het op de weg van verweerder aannemelijk te maken dat zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden (HR 15 december 2006, nr. 41882, LJN: AZ4416).”

4.5. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur, gelet op de door hem overgelegde bewijsstukken, aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmaningsbrief per post is verzonden, zodat moet worden vermoed dat deze brief is ontvangen of aangeboden op het vestigingsadres van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende evenwel met hetgeen zij daartegenover heeft aangevoerd dit bewijsvermoeden weerlegd en heeft de inspecteur geen nader bewijs geleverd van zijn stelling dat de aanmaning belanghebbende heeft bereikt. De rechtbank heeft daaruit de conclusie getrokken dat de verzuimboete moet worden vernietigd.

4.6. Het Hof onderschrijft het door de rechtbank in onderdeel 4.2 en 4.3 van haar uitspraak vooropgestelde toetsingskader alsmede het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur de verzending van de aanmaningsbrief naar het vestigingsadres van belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt, maar het komt tot een ander oordeel over de vraag of belanghebbende het daarop gebaseerde bewijsvermoeden van ontvangst heeft ontzenuwd. Het Hof overweegt hierover als volgt.

4.7. Het Hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat bedoelde aanmaning is verzonden naar het adres van belanghebbende, zodat moet worden vermoed dat de aanmaningsbrief is ontvangen dan wel op dat adres is aangeboden. Het Hof wijst in dit verband op de onder 2.6 genoemde schermprint waaruit kan worden afgeleid dat (zoals vastgelegd in het geautomatiseerd informatiesysteem van de Belastingdienst) op 23 augustus 2010 een aanmaning is verzonden naar belanghebbende waarbij een extra termijn is gegeven voor het indienen van de aangifte tot 6 september 2010. Het Hof wijst voorts op de onder 2.3 genoemde aanmaningsbrief met dagtekening 23 augustus 2010, welke brief is geadresseerd aan het vestigingsadres van belanghebbende De aanmaningsbrief is, zo heeft de inspecteur onweersproken verklaard, gescand alvorens te zijn verzonden naar het daarop vermelde adres, en een kopie van de aanmaningsbrief is bij de gedingstukken gevoegd. De schermprint en de aanmaningsbrief, in onderling verband en samenhang bezien, rechtvaardigen het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaningsbrief op het vestigingsadres van belanghebbende.

4.8. Het Hof is vervolgens van oordeel dat hetgeen belanghebbende daartegenover heeft aangevoerd, onvoldoende is om redelijkerwijs te twijfelen aan de ontvangst of aanbieding van de aanmaningsbrief. Meer in het bijzonder overweegt het Hof daarbij als volgt.

4.8.1. De enkele omstandigheid dat een deel van de zakelijke post niet in alle gevallen op het juiste adres wordt bezorgd (zoals blijkt uit gegevens van zowel belanghebbende als van de inspecteur, en waarbij het Hof in het midden laat om welk percentage – 99,5% dan wel 96% - het nu precies gaat) is op zich onvoldoende om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Immers, met deze omstandigheid is rekening gehouden in het bewijsvermoeden: “De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden” [cursivering door het Hof].

4.8.2. Hetzelfde heeft te gelden voor de stelling van gemachtigde dat in vakantieperiodes de post wordt bezorgd door minder ervaren invalkrachten die sneller fouten maken in de bezorging. Deze in algemene zin verwoorde stelling (zo gemachtigde al kan worden gevolgd in haar stelling dat 23 augustus 2010 midden in een vakantieperiode valt en dan de kans bestaat dat de post is bezorgd door minder ervaren invalkrachten die sneller fouten maken) is onvoldoende voor de conclusie dat redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan ontvangst of aanbieding van de onderhavige aanmaningsbrief.

4.8.3. De omstandigheid dat belanghebbende is gevestigd op een eerste etage in een woonwijk (i.c. op het woonadres van haar directeur) waarbij (zo maakt het Hof op uit de overgelegde foto’s) de brievenbus van belanghebbende zich bevindt tussen de brievenbus van de bovenburen en die van de benedenburen, is evenmin voldoende voor ontzenuwing van voormeld bewijsvermoeden. Op de foto’s is waar te nemen dat het om drie aparte brievenbussen gaat die in de voorgevel zijn aangebracht en die in één oogopslag van elkaar zijn te onderscheiden. Het Hof acht daarbij van belang dat de naam van belanghebbende grote gelijkenis vertoont met de naam van haar directeur zodat onduidelijkheid bij de postbezorging (als de post is gericht aan belanghebbende en op de brievenbus alleen de naam van de directeur is vermeld) niet snel zal ontstaan. Zo al onduidelijkheid ontstaat door het ontbreken van een vermelding van de naam van belanghebbende bij de brievenbus, is dat een omstandigheid die aan belanghebbende is toe te rekenen.

4.9. Gemachtigde heeft nog gesteld dat zij verbonden is aan een ‘eerlijk en betrouwbaar kantoor’ dat de noodzakelijke stappen zou hebben ondernomen (ook als belanghebbende op dat moment de openstaande facturen nog niet had voldaan, hetgeen met een zekere regelmaat voorkwam, zo heeft zij ter zitting verklaard) indien zij op de hoogte was geweest van de aanmaning. Ook als gemachtigde in deze stelling moet worden gevolgd, leidt dit niet tot een ander oordeel. Immers, deze stelling gaat uit van de vooronderstelling dat belanghebbende na ontvangst van de aanmaning haar gemachtigde tijdig heeft geïnformeerd. Het uitblijven van een adequate reactie door (het kantoor van) gemachtigde leidt niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie dat belanghebbende de aanmaning niet heeft ontvangen, maar kan (onder meer) tevens veroorzaakt zijn door het niet (tijdig) informeren door belanghebbende van haar gemachtigde.

Deze laatste mogelijkheid mag niet worden uitgesloten, gelet op het betalingsgedrag en het aangiftegedrag van belanghebbende. Zo heeft de inspecteur onweersproken verklaard dat in de jaren 2008 tot en met 2011 in totaal 31 dwangbevelen aan belanghebbende zijn betekend en dat in 2011 twaalf aanmaningsbrieven loonbelasting zijn verzonden waarna evenzovele keren een boete is opgelegd, en heeft gemachtigde ter zitting verklaard dat het regelmatig voorkwam dat belanghebbende facturen niet betaalde als gevolg waarvan de gemachtigde haar werkzaamheden tijdelijk opschortte. De inspecteur heeft er eveneens op gewezen dat na oprichting van belanghebbende in 1999 in de eerste vijf jaar geen aangifte vennootschapsbelasting is gedaan waarna steeds ambtshalve aanslagen zijn opgelegd en dat aan belanghebbende regelmatig ‘systeemaanslagen’ loonbelasting en omzetbelasting worden opgelegd omdat de aangiften ontbreken.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat de aanmaningsbrief op het adres van belanghebbende is ontvangen of aangeboden en dat belanghebbende in deze brief is aangemaand om (alsnog) tijdig aangifte te doen, zoals weergegeven onder 2.3. Nu belanghebbende daaraan niet binnen de in deze brief gestelde termijn gevolg heeft gegeven, heeft de inspecteur terecht de onderhavige verzuimboete opgelegd. Het Hof is van oordeel dat in het onderhavige geval een verzuimboete van € 567 niet uitgaat boven hetgeen passend en geboden is.

4.11. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mrs. J. den Boer, voorzitter, H.E. Kostense en A.M. van Amsterdam, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 6 september 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.