Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX7642

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-00579
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank omdat zij termen aanwezig had moeten achten voor een proceskostenveroordeling en teruggave van het griffierecht. Belanghebbende was genoodzaakt om beroep in te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2204
V-N 2012/52.13 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2012/542
FutD 2012-2456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00579

9 juli 2012

eerste meervoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/815 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 23 mei 2011 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2012.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak op bezwaar van 1 maart 2011;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep van in totaal € 546,25;

- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 41 (beroep bij de rechtbank) en € 112 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 153 te vergoeden.

Gronden

1. Aan belanghebbende is met dagtekening 17 mei 2010 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

2. Na daartegen ingesteld bezwaar en beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 13 december 2010 (kenmerk AWB 10/3777) de heffingsambtenaar opgedragen om belanghebbende in de gelegenheid te stellen om de gronden van zijn bezwaar aan te vullen en opnieuw te beslissen op het bezwaar.

3. Bij brief van 3 januari 2011 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende verzocht voor 17 januari 2011 de gronden van zijn bezwaar aan hem op te sturen.

4. De gemachtigde heeft met datum 12 januari 2011 ter attentie van de in punt 3. bedoelde ambtenaar een motivering van het bezwaarschrift toegezonden.

5. Cition B.V., belast met de uitvoering van het parkeerbeleid in diverse stadsdelen in Amsterdam, heeft bij brief van 25 januari 2011 aan de gemachtigde meegedeeld dat op 16 juli 2010 uitspraak is gedaan op een eerder tegen de naheffingsaanslag ingediend bezwaarschrift en dat het in beginsel niet mogelijk is een tweede bezwaarschrift in te dienen.

6. De gemachtigde heeft naar aanleiding van de brief van 25 januari 2011, aan Cition B.V. het volgende meegedeeld: ‘Ten aanzien van uw stelling dat er geen tweede bezwaarschrift kan worden ingediend en dat er alleen nog beroep kan worden ingesteld, merken wij op dat er helemaal geen sprake is van een tweede bezwaarschrift. De beslissing op bezwaar van 16 juli 2010 is immers prematuur gebleken, omdat de gronden voor bezwaar nog niet waren aangedragen. Dat is inmiddels gebeurd op 12 januari 2011, zodat u alsnog en nu wel inhoudelijk op het bezwaar en de gronden dient te beslissen.

Wij verzoeken u ons binnen zeven dagen na heden aan te geven of uw brief van 25 januari 2011 uw definitieve beslissing op het bezwaar van 8 juni 2010 (en tevens de gronden van 12 januari 2011) vormt en of wij überhaupt nog enige beslissing van u in dit dossier kunnen verwachten.’

7. Belanghebbende heeft op 10 februari 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. De heffingsambtenaar heeft met datum 1 maart 2011 een verweerschrift ingediend en hierin onder meer vermeld dat de brief van 25 januari 2011 onterecht is en dat hij op 1 maart 2011 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Hierin is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

8. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 23 mei 2011 onder punt 4 het volgende overwogen:

‘Het beroepschrift is ingediend vóórdat de uitspraak op bezwaar was gedaan. Tot de stukken van het geding behoort een brief van Cition met dagtekening 25 januari 2011. In deze brief staat onder meer vermeld dat verweerder (Hof: de heffingsambtenaar) geen aanleiding ziet om de uitspraak op bezwaar te herzien. Op grond van deze brief mocht eiser (Hof: belanghebbende) menen dat er ten tijde van het indienen van het beroepschrift een besluit tot stand gekomen was. Gelet op hetgeen is bepaald in het eerste lid van artikel 6:10 van de Awb is eiser ontvankelijk in zijn beroep. De rechtbank zal derhalve overgaan op de inhoudelijke behandeling van de zaak.’

9. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank in haar uitspraak van 23 mei 2011 terecht heeft overwogen dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. Niet in geschil is het oordeel van de rechtbank dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht heeft opgelegd.

10. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank belanghebbende terecht ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep. Het Hof zal de uitspraak op bezwaar van 1 maart 2011 aanmerken als het besluit dat ter toetsing is voorgelegd aan de rechtbank, nu de brief van 25 januari 2011 niet als zodanig kan worden aangemerkt.

11. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de rechtbank het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard omdat het beroep is voortgekomen uit de weigering van de heffingsambtenaar om op het bezwaar te beslissen, zoals verwoord in de brief van 25 januari 2011. Het beroep is volgens belanghebbende nodig geweest om een inhoudelijke beoordeling van het geschil te krijgen.

12. De heffingsambtenaar voert aan dat in de onderhavige procedure geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding en dat bovendien de gemeente reeds in de kosten werd veroordeeld in de procedure waarin de zaak door de rechtbank werd terugverwezen naar de gemeente omdat de uitspraak op bezwaar niet juist was gedaan.

13. Het Hof is van oordeel dat de brief van 25 januari 2011, waarin door Cition B.V. aan belanghebbende is meegedeeld dat een tweede uitspraak op bezwaar in beginsel niet mogelijk is, onjuiste informatie bevat. In het onderhavige geval was naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 13 december 2010 door de heffingsambtenaar aan belanghebbende gevraagd aanvullende gronden voor het bezwaar aan hem toe te zenden. Nadat belanghebbende dit overeenkomstig dit verzoek heeft gedaan, bericht Cition B.V. dat geen tweede uitspraak op bezwaar wordt gedaan. Dit is in strijd met hetgeen door de rechtbank in de hiervoor bedoelde uitspraak van 13 december 2010 aan de heffingsambtenaar is opgedragen. Nu de heffingsambtenaar (aanvankelijk) heeft nagelaten een uitspraak op bezwaar te doen en hij belanghebbende evenmin heeft geïnformeerd over zijn vraag of de brief van 25 januari 2011 de definitieve beslissing op het bezwaar van 8 juni 2010 (en tevens de gronden van 12 januari 2011) vormde dan wel of er nog een beslissing kon worden verwacht, was belanghebbende genoodzaakt om beroep in te stellen. Alleen op die manier kon hij de onjuiste informatie in de brief van Cition B.V. van 25 januari 2011 ter beoordeling van de rechter voorleggen. De rechtbank had gelet op het voorgaande termen aanwezig moeten achten voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten van de procedure en teruggave van het griffierecht moeten gelasten. Het Hof zal daarom de uitspraak van de rechtbank vernietigen.

14. Het Hof zal, gelet op het voorgaande en met inachtneming van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, de heffingsambtenaar veroordelen in de kosten van het beroep en het hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten op 2,5 punten (beroepschrift bij de rechtbank, hoger beroepschrift bij het Hof en conclusie van repliek) x € 437 en 0,5 voor het gewicht van de zaak = € 546,25.

De mondelinge uitspraak is gedaan op 9 juli 2012 door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, J.P.A. Boersma en D.J. de Korte, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door het lid van de belastingkamer en de griffier.

De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.