Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX7236

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
23-001930-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 31 Vluchtelingenverdrag. Verblijf Griekenland. Het hof verwerpt het op artikel 31 Vluchtelingenverdrag gegronde beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Door of namens de verdachte is niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdens zijn meerjarig verblijf in Griekenland heeft moeten vrezen voor vervolging wegens één van de in art. 1 van het Verdrag genoemde vervolgingsgronden, dat Griekenland ten aanzien van verdachte de verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag niet nakomt of dat verdachte gegronde vrees heeft voor een schending van andere elementaire mensenrechten in Griekenland. Voor zover Griekenland het land van doorreis was, heeft de verdachte onvoldoende verifieerbare feiten en omstandigheden aangevoerd die zijn verweer kunnen adstrueren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001930-11

datum uitspraak: 7 september 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 3 mei 2011 in de strafzaak onder parketnummer 15-800565-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Syrië) op [datum] 1987,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 mei 2011 en op de terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting gevoerd verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw - kort samengevat - aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het, gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag, te lichtvaardig tot vervolging van de verdachte –die, afkomstig uit Syrië naar Griekenland is gereisd- is overgegaan. Zij heeft, onder verwijzing naar het arrest dat is gewezen in de zaak van M.S.S. tegen België en Griekenland van het EHRM, aangevoerd dat de Griekse situatie voor asielzoekers - zoals zij het heeft geformuleerd - niet ideaal is.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

Het hof overweegt als volgt.

De officiële Nederlandse tekst van artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag (hierna: het Verdrag) luidt als volgt:

De verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.

Blijkens deze bepaling verplichten de verdragsluitende partijen zich te onthouden van het opleggen van strafsancties aan vluchtelingen wegens onrechtmatige binnenkomst of verblijf. Nederland is één van de verdragsluitende partijen. Ingevolge artikel 1 van het Verdrag is onder vluchteling te verstaan: de vreemdeling die een gegronde vrees heeft voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een sociale groep, waartegen hij geen effectieve bescherming kan inroepen (‘persecution’).

Een door de Nederlandse strafrechter opgelegde straf is een strafsanctie als bedoeld in artikel 31 van het Verdrag.

Het hof ontleent aan de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting het navolgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij op grond van zijn economische situatie vertrokken is vanuit Syrië, omdat hij aldaar naar eigen zeggen als Palestijn als “derderangsburger” werd behandeld en geen rechten had. Na dat vertrek heeft hij gedurende drie jaren in Griekenland verbleven, waar hij als schilder heeft gewerkt. Daaruit heeft hij een gemiddeld daginkomen van 35 euro genoten. De verdachte heeft in Griekenland geen asiel aangevraagd, omdat hij van anderen had gehoord dat hij geen verblijfsvergunning zou krijgen. Na dat onafgebroken verblijf van drie jaren, is hij met vervalste papieren Nederland ingereisd, met het oog op het aanvragen van asiel.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte niet verschenen. Zijn raadsvrouw heeft gesteld dat hij op 29 september 2011 “op straat is gezet”, dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst geen informatie heeft over de verblijfplaats van de verdachte en dat het ook overigens onbekend is waar hij zich thans bevindt. Het hof zal bij de beoordeling van het verweer uitgaan van de door de door de verdachte aangevoerde feiten.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat de verdachte bescherming geniet van artikel 31 van het Verdrag, aangezien hij niet kan terugkeren naar Griekenland, nu Griekenland niet als “veilig” land kan worden aangemerkt, overweegt het hof als volgt.

Voor een geslaagd beroep op art. 31 van het Verdrag is vereist, onder meer, dat door of namens de verdachte aannemelijk is gemaakt dat hij tijdens zijn meerjarig verblijf in Griekenland heeft moeten vrezen voor vervolging wegens één van de in art. 1 van het Verdrag genoemde vervolgingsgronden, dat Griekenland ten aanzien van verdachte de verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag niet nakomt of dat verdachte gegronde vrees heeft voor een schending van andere elementaire mensenrechten in Griekenland. Het hof is van oordeel dat feiten of omstandigheden op grond waarvan het bestaan hebben van die evenbedoelde vrees moet worden aangenomen niet aannemelijk zijn geworden.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat de verdachte op doorreis was door Griekenland en Syrië het land betreft, vanwaar de verdachte is gevlucht, is het hof van oordeel dat de verdachte onvoldoende verifieerbare feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zijn verweer kunnen adstrueren. De verdachte is in hoger beroep niet ter terechtzitting aanwezig geweest en heeft geen (nadere) onderbouwing van zijn standpunt gegeven. Evenmin is duidelijk of een asielaanvraag is gedaan en, zo ja, wat de status daarvan is. Het aangevoerde biedt derhalve onvoldoende aanknopingspunten om de conclusie te kunnen dragen dat de verdachte bescherming geniet van artikel 31 van het Verdrag.

Op grond van het vorenstaande kan niet worden geconcludeerd dat het openbaar ministerie in dit specifieke geval te lichtvaardig tot vervolging is overgegaan.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Syrië, voorzien van het nummer N003144098, op naam van [valse naam], geboren op [datum] 1978, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 april 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Syrië, voorzien van het nummer N003144098, op naam van [valse naam], geboren op [datum] 1978, waarvan hij wist dat het reisdocument vervalst was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vervalst is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bezit van een vervalst reisdocument, waarmee hij Nederland probeerde in te reizen. Op deze manier heeft hij het vertrouwen geschaad dat door de met grensbewaking belaste autoriteiten dient te worden gesteld in documenten die dienen tot het bewijs van de identiteit van de gebruiker ervan. Het hof acht dit een ernstig feit, waardoor de samenleving op verschillende wijzen schade kan worden berokkend.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 augustus 2012 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Anders dan de politierechter is het hof van oordeel dat van feiten of omstandigheden, die nopen tot verlaging van het in de regel bij strafoplegging geldende uitgangspunt van een gevangenisstraf van twee maanden in vergelijkbare zaken, niet is gebleken. In dit oordeel ligt besloten dat het hof het ten aanzien van de strafoplegging gevoerde verweer, te weten oplegging van een lagere straf kan bijdragen aan een voor de verdachte positieve uitkomst in een asielprocedure, verwerpt.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. M.N. Maris, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

7 september 2012.

Mr. A.D.R.M. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.