Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX5850

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
23-000972-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ6666, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:2033, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen doodslag door slaan met koevoeten. Geen voorbedachte rade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000972-11

datum uitspraak: 27 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2011 in de strafzaak onder parketnummer 13-411000-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

adres: [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd [detentieadres]

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 15 en 17 februari 2011 en op de terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 15 november 2009 te Hilversum tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) toen en aldaar met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, één of meermalen met een koevoet, althans een meerkantig en/of hard en/of stomp voorwerp, op/tegen het hoofd en/of aangezicht en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen (te weten: hersenschade en/of functieverlies van hersenen en/of bloedverlies en/of afsluiting van de bovenste luchtwegen door de botbreuken van neus en bovenkaak) en/of tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2:

hij op of omstreeks 15 november 2009 te Hilversum tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan [adres]), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk op één of meer plaatsen in die woning, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een matras en/of met een hoeveelheid wasbenzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of belendende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die woning en/of belendende woning(en) zich bevindende personen (waaronder [slachtoffer]), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de eerste rechter.

Inleiding

De hierna als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn, voor zover niet anders aangegeven, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

In de onderhavige zaak gaat het om drie verdachten, te weten [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.]. Voorts speelt een rol de getuige [M.W.]. Voor de leesbaarheid zal het hof de verdachten en de getuige zoveel mogelijk aanduiden bij hun achternaam. Datzelfde geldt ook voor het [slachtoffer]. Voor zover in processen-verbaal de voornamen zijn aangeduid met een andere schrijfwijze als hiervoor vermeld wordt dat in de weergave ervan in dit arrest verbeterd opgenomen.

Ook speelt een rol [rode bestelauto] van de verdachte [H.P.] met [kenteken].

Deze wordt ook wel aangeduid als rode bestelbus of Kangoo. Het hof gaat er van uit dat het telkens om de genoemde [rode bestelauto] gaat en zal telkens zoveel mogelijk spreken over de rode bestelauto.

Ten slotte speelt een rol [het pand]. Dit wordt ook wel aangeduid als het kraakpand, de loods en het perceel op het [adres]. Het hof zal zoveel mogelijk spreken over het pand.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van moord op [slachtoffer].

Zij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Uit de verklaringen van de verdachten [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] blijkt dat zij bewust en met voorbereiding [slachtoffer] hebben opgezocht om hem een lesje te leren. Zij zijn met z'n drieën, voorzien van slagwapens uit de auto van [H.P.], naar de slaapplek van [slachtoffer] gegaan. Vrijwel direct na binnenkomst in het pand is [slachtoffer] met een koevoet eenmaal tegen het hoofd geslagen, hij is gevallen en is vervolgens meermalen met een koevoet in het gezicht geslagen. Hij is zo hard en vaak geslagen dat het bloed in het rond spatte en dat delen van zijn hersenen en schedelbeenderen op de grond werden aangetroffen. Ten slotte is het matras van [slachtoffer] in brand gestoken.

Uitgaande van de verklaring van [verdachte] en het forensische bewijs zijn [verdachte] en [E. vd V.] degenen geweest die [slachtoffer] hebben geslagen. Door opzettelijk (meermalen) met een koevoet tegen het hoofd te slaan, is sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood. Ten aanzien van [H.P.] geldt dat hij weet had van en een bijdrage heeft geleverd aan de vooraf gemaakte afspraken. Hij heeft [verdachte] naar [het pand] gebracht, de gebruikte slagwapens lagen in zijn auto evenals de jerrycan met benzine, hij heeft de wapens en één van de verdachten afgevoerd en heeft in zijn woning geholpen met het wissen van de sporen. Qua betrokkenheid en handelingen is dit ruim voldoende om hem als medepleger aan te merken. Uit de verklaringen van [verdachte], [H.P.], [E. vd V.] en [M.W.] blijkt bovendien dat "kalm beraad en rustig overleg" mogelijk is geweest, zodat sprake is van voorbedachte raad.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van zowel het medeplegen van moord als het medeplegen van doodslag, omdat daarvoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Niet alleen was het opzet van [verdachte] niet gericht op het van het leven beroven van [slachtoffer], maar bovendien heeft [verdachte] geen handelingen verricht die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid. Evenmin is sprake van voorbedachte rade. Hooguit is sprake van het medeplegen van (zware) mishandeling door [verdachte].

De raadsman heeft daartoe het volgende - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Toedracht gebeurtenissen

[verdachte] is samen met [H.P.] en [E. vd V.] de loods binnengegaan met het doel om [slachtoffer] een lesje te leren. [slachtoffer] zou klappen krijgen, omdat hij [M.W.], de vriendin van de verdachte, meermalen had beledigd, hetgeen gelet op de recente miskraam van [M.W.] extra hard aankwam bij de verdachte. Ook tussen [E. vd V.] en [slachtoffer] bestonden spanningen.

Bij het binnengaan van het pand is [slachtoffer] dreigend op [verdachte] afgekomen en daarop heeft deze [slachtoffer] een tik met een koevoet gegeven, door [verdachte] aangeduid als "stoptikkie", welke tik geen letsel veroorzaakte. Vervolgens heeft [E. vd V.] enkele keren hard op het achterhoofd van [slachtoffer] geslagen en daarna heeft [verdachte] nog ongeveer drie keer geslagen om de grijns die hij bij [slachtoffer] waarnam weg te slaan. Vervolgens heeft [verdachte] met een jerrycan benzine een matras aan de andere kant van de loods in brand gestoken. [verdachte] heeft het pand samen met [H.P.] en [E. vd V.] verlaten en is op de fiets daarvandaan vertrokken. Op dat moment was [slachtoffer] nog in leven en niet zo toegetakeld als later door de hulpdiensten is vastgesteld. [verdachte] vermoedt dan ook dat [H.P.] en [E. vd V.] na zijn vertrek nogmaals de loods zijn binnengegaan om [slachtoffer] verder toe te takelen, aldus de raadsman.

Hoewel de rechtbank voor wat betreft de gang van zaken uitgaat van de lezing van [verdachte], passeert zij de verklaring van [verdachte] op dit laatste punt.

Het dodelijk letsel zit evenwel aan de boven- en achterkant van de schedel van [slachtoffer], daar waar [verdachte] niet heeft geslagen en ook het aantreffen van bloed van [slachtoffer] op beide koevoeten, DNA van [verdachte] op de steel van de grote koevoet en de bevindingen met betrekking tot de aangetroffen verfresten op het gezicht van [slachtoffer] zijn met de lezing van [verdachte] niet in strijd.

Getuige [R. v. L. ] en voorwaardelijk verzoek

Ten aanzien van de getuige [R. v. L. ] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze getuige is gaan waarnemen op het moment dat [verdachte] al weg was en dat de getuige derhalve heeft waargenomen dat [H.P.] en [E. vd V.] opnieuw de loods zijn binnengegaan, hetgeen niet in strijd is met de verklaring van [verdachte], maar de lezing van [verdachte] omtrent het vervolg op de gang van zaken juist bevestigt. Reden waarom de verdediging bij wijze van voorwaardelijk verzoek, indien het hof de zienswijze van de verdediging niet zal overnemen, heeft gevraagd om [R. v. L. ] hieromtrent als getuige te (doen) horen.

Getuige [M.W.]

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van de getuige [M.W.] onbetrouwbaar is, omdat zij de bewoordingen van [verdachte] door elkaar haalt met hetgeen zij zelf heeft verzonnen of achteraf heeft ingevuld. [verdachte] stelt zich op het standpunt dat hij alleen tegen [M.W.] heeft gezegd dat hij de neus van [slachtoffer] kapot zou hebben geslagen, niet [slachtoffer] zelf. Voorts heeft de raadsman gewezen op het labiele optreden van [M.W.] bij de rechter-commissaris en het feit dat haar verklaringen bij de politie getuigen van gaten in het geheugen, geen duidelijk verschil tussen feit en fictie en de angst om zelf vast te blijven zitten.

Getuige [H.P.]

Ook de verklaringen van [H.P.] zijn onbetrouwbaar. Dit blijkt uit het feit dat [H.P.] zelf al heeft aangegeven niet steeds de waarheid te hebben verteld, maar ook uit zijn latere verklaring inhoudende dat hij niet heeft geslagen en niet binnen in de loods is geweest (hetgeen niet past bij het aangetroffen schoenenspoor). Verder heeft getuige [M.H. ] verklaard dat [H.P.] kan liegen als de beste. Bovendien lijdt [H.P.] volgens het rapport van het Pieter Baan Centrum aan "pseudologica fantastica".

Op grond van al deze omstandigheden dient volgens de raadsman de tussenconclusie te zijn dat [verdachte] geen doorslaggevende rol heeft gehad bij de dood van [slachtoffer].

Voorts was geen sprake van een intensieve samenwerking tussen [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.], er was geen duidelijke taakverdeling of duidelijke rol in de voorbereiding van [verdachte]. [verdachte] en de beide anderen zijn er gewoon op afgegaan om [slachtoffer] een lesje te leren. Van medeplegen is dan ook geen sprake, aldus de raadsman.

De handelwijze van [verdachte], ook daar waar hij [slachtoffer] direct bij binnenkomst slaat en deze vervolgens terwijl hij op de grond ligt nog enkele malen met een koevoet in het gezicht slaat, rechtvaardigt niet de conclusie dat het opzet van [verdachte], al dan niet in voorwaardelijke zin, gericht was op de dood van [slachtoffer], aangezien deze handelwijze evengoed ziet op het plan om [slachtoffer] een lesje te leren. [verdachte] stelt uitdrukkelijk geen opzet op de dood te hebben gehad. Hij dacht dat enkele klappen op de neus en kaak niet tot de dood zouden leiden.

Voor zover al sprake was van een vooropgezet plan, was dit gericht op een stevige afranseling van [slachtoffer] en geenszins op diens dood. Daarbij is tevens van belang dat de besluitvorming en de uitvoering plaatsvonden in plotselinge hevige drift, waarbij [verdachte] stevig had gedronken en dat er slechts een korte tijdspanne was tussen het besluit en de uitvoering. Aldus is geenszins voldaan aan de strenge eisen die de Hoge Raad stelt ten aanzien van voorbedachte raad en daarmee geen sprake van moord.

Dit alles dient volgens de raadsman te leiden tot de eindconclusie dat [verdachte] van zowel de moord als de doodslag moet worden vrijgesproken.

Het oordeel van het hof

A. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

Op 15 november 2009 is om 21.58.22 uur bij de meldkamer van de politie Gooi en Vechtstreek een 112-melding binnengekomen van een brand in [het pand]. De melder is [R. v. L. ]1.

Hierop hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich in de richting van het pand begeven. Via de meldkamer hebben zij vernomen dat twee personen uit het kraakpand in een [rode bestelauto] zijn gestapt en zijn weggereden in de richting van de 's Gravelandseweg. Omstreeks 22.10 uur, terwijl verbalisanten op het Melkpad reden, zagen zij een [rode bestelauto] op de 's Gravelandseweg rijden, komend uit de richting van [het pand]. Zij hebben aan de chauffeur een stopteken gegeven en zagen dat de [rode bestelauto] op de kruising van de 's Gravelandseweg met de Albertus Perkstraat tot stilstand kwam. [verbalisant 1] zag dat zich in de [rode bestelauto] twee mannen bevonden. De bestuurder verklaarde desgevraagd dat hij de eigenaar van de auto was. Na een korte controle van de [rode bestelauto] kregen verbalisanten van de meldkamer te horen dat het voertuig in orde was en de tenaamgestelde niet in de politiesystemen voorkwam. Daarop hebben verbalisanten hun weg vervolgd naar [het pand], waar zij omstreeks 22.12 uur aankwamen2.

Uit camerabeelden van de [firma], gevestigd aan de [adres], is gebleken dat op 15 november 2009 om 21.54.03 uur een rode bestelbus op de 's Gravelandeweg reed, komend uit de richting Melkpad en gaande in de richting [het pand].

Om 22.07.33 uur reed diezelfde bestelbus op de 's Gravelandseweg, komend vanuit de richting [het pand] en gaand in de richting van het Melkpad te Hilversum. Direct nadat de bestelauto de camera was gepasseerd, reed een voertuig met optische signalen op de 's Gravelandseweg, komend uit de richting van het Melkpad en gaande in de richting van [het pand]3.

Het hof leidt uit bewijsmiddel 2 en hetgeen hierna volgt af dat dit telkens de rode bestelauto van [H.P.] is geweest.

Omstreeks 22.15 uur troffen ter plaatse gekomen politie/brandweerlieden in het pand een man aan met een ingeslagen schedel4. Kort daarna hebben ambulancemedewerkers [1] en [2] de man met een brancard uit het pand gehaald en in de ambulance gelegd. Daar hebben zij vastgesteld dat de man was overleden5, hetgeen later is bevestigd door een schouwarts.6 Uit onderzoek is gebleken dat het ging om [slachtoffer], geboren op [1969] te [geboorteplaats] in [geboorteland]7.

Er is sectie8 verricht op het lichaam van [slachtoffer], waarbij verspreid over het gezicht en in de behaarde hoofdhuid vele, deels met elkaar samenhangende, ruw-randige letsels zijn vastgesteld. Wegens overlap van letsels is het exacte aantal niet goed aan te geven. In relatie met de letsels waren in zowel schedeldak, schedelbasis en aangezichtsschedel vele fracturen ontstaan met losse botfragmenten en botscherven. Het schedeldak was waarschijnlijk niet meer compleet. Uit de letsels was veel hersenweefsel en bloed afgelopen. Ook de hersenen waren niet meer compleet. In de schedelbasis waren de basale hersenvaten verscheurd en er was veel bloed in de omgeving. Er was geringe kneuzing van de kleine hersenen en de hersenstam.

De letsels zijn het gevolg geweest van bij leven opgelopen inwerking van uitwendig mechanisch hevig botsend geweld, zoals kan passen bij herhaaldelijk slaan met een hard voorwerp of meerdere harde voorwerpen. Gezien het aspect van de wonden kan er met één of meer harde en kantige voorwerpen zijn geslagen. Op grond van de sectiebevindingen kan niet worden vastgesteld met hoeveel voorwerpen is geslagen. Ook is het niet mogelijk vast te stellen hoe vaak er exact is geslagen. Het overlijden is het gevolg geweest van de opgelopen hersenschade en functieverlies en van de hersenen door dit geweld. Waarschijnlijk is dat het opgelopen bloedverlies en afsluiting van de bovenste luchtwegen door de botbreuken van de neus en bovenkaak aan het overlijden hebben bijgedragen.

Op 16 november 2009 omstreeks 06.00 uur zijn [H.P.]9 en [E. vd V.]10 aangehouden op het [adres], zijnde het woonadres van [H.P.]. [H.P.] en [E. vd V.] werden op 16 november 2009 omstreeks 06.27 uur door het arrestatieteam op het politiebureau Groest te Hilversum binnengebracht. [verbalisant 1] herkende [H.P.] als de bestuurder van de eerdergenoemde [rode bestelauto]11.

De woning op het [adres] is doorzocht en daarbij zijn een aantal voorwerpen veiliggesteld12.

Aan de kapstok werden twee jassen aangetroffen, een van leer en een van stof. De stoffen jas hing nat aan de kapstok. Onder de kapstok stonden twee paar schoenen. De zolen van het rechterpaar waren nat.

In een voorraadkast tegenover het keukenblok werden een korte koevoet, een lange koevoet en een jerrycan aangetroffen. Beide koevoeten zijn nader onderzocht13. Verspreid over de koevoeten zijn meerdere bloedsporen aangetroffen14. Van het DNA in de bemonsteringen (#01 en #02) van de kleine koevoet en (#03 en #04) van de grote koevoet zijn DNA-profielen verkregen. Deze DNA-profielen zijn met elkaar vergeleken en met de DNA-profielen van [slachtoffer], [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.].

Kleine koevoet

Van het DNA in de bemonsteringen #01 en #02 van bloedsporen op de kleine koevoet zijn (onvolledige) DNA-profielen verkregen van een man. Deze DNA-profielen matchen met elkaar en met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Dit betekent dat het bloed in deze bemonstering afkomstig kan zijn van [slachtoffer].

De berekende frequentie van het DNA-profiel van het bloed in de bemonstering #01 is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

De berekende frequentie van het onvolledige DNA-profiel van het bloed in de bemonstering #02 bedraagt één op 319 miljoen. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op 319 miljoen.

Grote koevoet

Van het DNA in de bemonsteringen #03 van een bloedspoor op de grote koevoet is een DNA-profiel verkregen van een man. Dit DNA-profielen matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Dit betekent dat het bloed in deze bemonstering afkomstig kan zijn van [slachtoffer].

De berekende frequentie van het DNA-profiel van het bloed in de bemonstering #03 is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Van het DNA-profiel in de bemonstering #04 van de steel van de grote koevoet is een complex DNA-mengprofiel verkregen dat DNA-kenmerken bevat van minimaal drie personen, van wie minimaal één man. Uit het DNA-profiel zijn geen DNA-profielen van individuele celdonoren af te leiden. Het DNA-profiel van [verdachte] matcht met dit DNA-mengprofiel. De DNA-profielen van [slachtoffer], [H.P.] en [E. vd V.] matchen niet met het DNA-mengprofiel. Dit betekent dat [verdachte] één van de celdonoren kan zijn van het celmateriaal in deze bemonstering en dat op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek geen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van [slachtoffer], [H.P.] en [E. vd V.]. Een statistische berekening voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match met het DNA-profiel van [verdachte] is niet uitgevoerd omdat niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren van het celmateriaal in deze bemonstering reproduceerbaar zijn vastgesteld.

Op het gelaat van [slachtoffer] is oranjerode verf (AABZ4935NL en AABZ4936NL) aangetroffen15. Dit is vergeleken met de oranjerode verf van de kleine en de grote koevoet16. De oranjerode verf van de kleine koevoet verschilt van de oranjerode verf van de grote koevoet. In het te vergelijken onderzoeksmateriaal zijn geen oranjerode verven aangetroffen die overeenkomen met de oranjerode verf van de kleine koevoet. Er zijn wel oranjerode verven in het te vergelijken onderzoeksmateriaal aangetroffen die op basis van de onderzochte kenmerken niet te onderscheiden zijn van de oranjerode verf van de grote koevoet. Dit is de oranjerode verf van het gelaat van [slachtoffer]. Het is iets waarschijnlijker dat de oranjerode verf in het gelaat van [slachtoffer] afkomstig is van de oranjerode koevoet dan dat het afkomstig is van een willekeurig ander oranje rood (breekwerktuig).

In de badkamer van de woning werd op de wasmachine een droger aangetroffen17. De droger stond nog aan. In de droger bevonden zich een aantal gewassen kledingstukken, handdoeken en dergelijke. Er zijn bloedsporen aangetroffen op de deur van de wasmachine, op de vloer voor de wasmachine en aan de binnenzijde van de badkamerdeur. Deze sporen zijn nader onderzocht18.

Van het DNA in de bemonstering aan de binnenzijde van de badkamerdeur (AABU2756NL#01) en op de grond voor de wasmachine (AABU2766NL#01) zijn DNA-profielen verkregen. Deze DNA-profielen zijn vergeleken met de DNA-profielen van [slachtoffer], [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.]. Het bloed in deze bemonsteringen kan afkomstig zijn van [slachtoffer]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het bloed in de bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Op de voor de woning aangetroffen herenfiets van het merk Batavus zijn op het linkerhandvat (AAP0241NL) en de rechter remhendel (AAAP0243NL) bloedsporen aangetroffen19. Deze bloedsporen zijn nader onderzocht20.

Van het DNA in de bemonsteringen van de rechterremhendel (AAAP0243NL#01) en van het linkerhandvat (AAAP0241NL#01) zijn DNA-profielen verkregen Deze DNA-profielen zijn vergeleken met de DNA-profielen van [slachtoffer], [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.]. Het bloed in de bemonstering van de rechterremhendel kan afkomstig zijn van [slachtoffer]. Het bloed in de bemonstering van het linker handvat kan afkomstig zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het bloed in de bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Er is onderzoek verricht naar [rode bestelauto], zijnde de auto van [H.P.]. In de cabine van de auto werd op diverse locaties in de cabine en in de laadruimte bloed aangetroffen21. Deze bloedsporen zijn nader onderzocht22. Van het DNA in de bemonsteringen van de passagiersstoel (AAAV0634NL#01), de bestuurdersstoel (AAAV0635NL#01) en de dorpel aan de linkerzijde van de laadruimte (AAAV0617NL#01) zijn DNA-profielen verkregen. Deze DNA-profielen zijn vergeleken met de DNA-profielen van [slachtoffer], [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.]. Het bloed in de bemonsteringen kan afkomstig zijn van [slachtoffer]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het bloed in de bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Op 17 november 2009 omstreeks 00:35 uur is [verdachte] op het [adres], zijnde het woonadres van zijn vriendin [M.W.] aangehouden23.

B. Het overige bewijs

B1. Inleidende beschouwingen omtrent het gebruik van verklaringen van de verdachten en getuigen voor het bewijs

Naast het bewijs van de vaststaande feiten, zoals hiervoor besproken, bevat het dossier diverse verklaringen van de verdachten in deze zaak en een aantal verklaringen van getuigen, waarbij met name die van genoemde [M.W.] van belang is voor de beoordeling van de zaak.

Elk der verdachten heeft in de loop van de procedure bij de politie en als verdachte en als getuige in elkaars zaak bij de rechter-commissaris, en voor zover van belang in telkens zijn eigen zaak: ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, verklaringen afgelegd omtrent de toedracht van de gebeurtenissen in de middag en avond van 15 november 2009.

Daarbij kan - zoals de verdediging ook naar voren heeft gebracht - worden vastgesteld dat elk der verdachten een lezing geeft die op onderdelen niet overeenkomt met de lezing van een van de andere verdachten.

Zo heeft [verdachte] in de kern verklaard dat hij het slachtoffer eerst eenmaal en later nog een aantal keren met de koevoet tegen het hoofd heeft geslagen, tussen zijn klappen door [E. vd V.][slachtoffer] meerdere malen hard (tegen het achterhoofd) heeft geslagen en [H.P.] daarbij (gedeeltelijk) aanwezig is geweest.

[E. vd V.] heeft in de kern betoogd dat [verdachte] het slachtoffer eerst heeft geslagen, en dat [verdachte] en [H.P.] het slachtoffer daarna om beurten hebben geslagen, terwijl hij, [E. vd V.], daarbij stond.

[H.P.] heeft op 25 november 2009 bij de politie verklaard dat hij in het pand aanwezig is geweest. Dit in tegenstelling tot zijn verklaringen bij de politie van 16 november 2009 en 27 januari 2010. [H.P.] heeft ontkend dat hij het slachtoffer heeft geslagen.

Naast deze tegenstrijdigheden valt tevens op dat elk der verdachten in de loop van de procedure verklaringen heeft afgelegd omtrent de gang van zaken de bewuste dag en avond die op soms meer, soms minder belangrijke onderdelen, afwijken van eerder door hem afgelegde verklaringen.

Zo heeft [verdachte] een aantal keren verklaard dat hij aan het begin van de avond [slachtoffer] al twee klappen in het gezicht heeft gegeven, terwijl hij later heeft verklaard dat hij [slachtoffer] toen wel wilde slaan, maar dat niet heeft gedaan.

[verdachte] heeft voorts verklaard dat hij, nadat hij [slachtoffer] een aantal keren met de koevoet had geslagen, wat hoofdwonden zag. Toen [verdachte] [slachtoffer] neus zag vond hij het genoeg. Er zaten wat bloedspetters op de muur en er zat wat bloed op [slachtoffer] gezicht. Later heeft [verdachte] verklaard dat hij, nadat hij [slachtoffer] een aantal klappen met de koevoet had gegeven, niet heeft gemerkt dat [slachtoffer] bloedde of dat het bloed alle kanten op spoot.

[E. vd V.] heeft bij de politie - onder meer - verklaard dat hij vanaf De Waag met [H.P.] is meegereden naar [het pand] en dat [verdachte] op zijn fiets daarheen is gekomen. Later heeft hij verklaard dat hij zelf naar [het pand] is gefietst, dat hij met [H.P.] mee terug is gereden en dat [verdachte] is terug gefietst.

Ook heeft [E. vd V.] eerst verklaard dat alleen [verdachte], [H.P.] en hij bij [slachtoffer] in het pand aanwezig zijn geweest. Later heeft hij verklaard dat ook [M.W.] in het pand aanwezig is geweest en dat ook zij [slachtoffer] heeft geslagen.

[H.P.] heeft - onder meer - verklaard dat hij geen brand heeft gezien in/bij het pand toen hij wegreed, terwijl hij later heeft verklaard dat hij de brand wel heeft gezien, in het bijzonder heeft hij toen verklaard dat hij na de brand naar buiten is gegaan en niet meer binnen is geweest. Hij heeft toen ook verklaard dat hij de jerrycan mee naar binnen heeft genomen, aan [verdachte] heeft gegeven en dat hij, nadat [verdachte] de jerrycan had gebruikt ermee terug is gelopen naar zijn auto. Later heeft [H.P.] verklaard dat hij de jerrycan bij de toegangsdeur/in de steeg heeft aangepakt en alleen op de terugweg in zijn handen heeft gehad.

[H.P.] heeft verklaard dat hij de spijkerbroek van [verdachte] die avond in de wasmachine heeft gewassen, later heeft hij verklaard dat hij de broek onder de kraan heeft uitgespoeld en daarna in de wasdroger heeft gegooid.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen geldt het volgende.

Bij voormelde stand van zaken kan vastgesteld worden dat onderdelen van de afgelegde verklaringen onjuist en dus onbetrouwbaar moeten zijn. Dit brengt echter niet mee dat daarom alle onderdelen van de afgelegde verklaringen en dus de desbetreffende verklaringen in hun geheel, wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden gesteld.

Waar met name [E. vd V.] en [H.P.] met betrekking tot de feitelijke gang van zaken rondom het slaan van [slachtoffer] de verantwoordelijkheid daarvoor meer of minder impliciet bij een of meer anderen leggen en [verdachte] in de kern daaromtrent wel steeds eensluidend heeft verklaard, vallen in een aantal verklaringen wel gemeenschappelijke elementen te onderscheiden met betrekking tot de voorgeschiedenis, de gang naar het pand, de wapens die zijn meegenomen en gebruikt, rondom het vertrek bij het pand en de gang van zaken nadien, zoals thuis bij [H.P.] of geldt dat onderdelen van de verklaringen van de verdachten worden ondersteund door ander betrouwbaar bewijsmateriaal. Voor zover onderdelen in die verklaringen dan ondersteuning vinden in onderdelen van andere verklaringen of ander bewijsmateriaal acht het hof het verantwoord daaruit bewijs te putten dat de gang van zaken ook aldus is geweest. Het spreekt voor zich dat het hof met behoedzaamheid gebruikt maakt van de in deze zaak afgelegde (onderdelen van) verklaringen.

B2. De overige bewijsmiddelen

B2.1. De onderscheiden fasen

De voorgeschiedenis:

[verdachte]24 heeft verklaard: [E. vd V.] zei dat [slachtoffer] mijn vriendin een hoer heeft genoemd. Afgelopen zondag ben ik op [slachtoffer] afgestapt en ik heb hem gevraagd of hij [M.W.] een hoer had genoemd. Hij zei toen dat ik mijn kop moest houden. [E. vd V.], [H.P.] en ik waren aan het broeden hoe wij [slachtoffer] een lesje konden leren. [H.P.] en ik hadden afgesproken dat wij [slachtoffer] flink zouden slaan.

[E. vd V.]25 heeft verklaard: Ik slaap bijna altijd in de loods aan de [adres]. Op een gegeven moment heb ik [slachtoffer] daar ook toegelaten omdat hij geen slaapplaats had. Die dag na een uur of 7 's avonds zag [verdachte] [slachtoffer] op de Groest zitten. [verdachte] ging op [slachtoffer] af. [slachtoffer] riep: "Blijf van me af". [verdachte] en [H.P.] vroegen mij om mee te gaan naar de loods. [verdachte] heeft gezegd dat wij er heen zouden gaan om [slachtoffer] een lesje te leren. Ik dacht dat, gelet op wat er daarvoor gebeurd was en het feit dat er werd gezegd dat [slachtoffer] een lesje moest worden geleerd, er klappen zouden gaan vallen. Ik heb niet geprobeerd die jongens tegen te houden.

[M.W.]26 heeft verklaard: [slachtoffer] zat op een bankje. [verdachte] was heel kwaad. Hij zei: "Ik maak hem af." [H.P.] werd kwaad en begon tegen hem (het hof begrijpt: [slachtoffer]) te schreeuwen. We zijn naar huis gegaan. Toen heeft [verdachte] met [H.P.] gesproken, hij heeft telefonisch contact gehad. Hij had met hem afgesproken naar het pand van [E. vd V.] te gaan (het hof begrijpt: waar [slachtoffer] ook verbleef).

[H.P.]27 heeft verklaard: [verdachte] vroeg aan mij: "Hoe gaan we [slachtoffer] doodmaken?"

De gang naar het pand:

[E. vd V.]28 heeft verklaard dat hij op de fiets naar [het pand] is gegaan.

[verdachte]29 heeft verklaard dat [H.P.] en hij met de auto naar [het pand] zijn gegaan.

[M.W.]30 heeft verklaard dat [verdachte] en zij op een gegeven moment uit de 'Oude Knegt' zijn vertrokken om thuis te gaan eten, dat [verdachte] en [H.P.] nadien telefonisch contact met elkaar hebben onderhouden en dat zij daarbij hebben afgesproken om naar het pand van [E. vd V.] te gaan en dat [H.P.] [verdachte] daartoe omstreeks 22.00 uur is komen ophalen.

Ook [H.P.]31 heeft verklaard dat hij op een gegeven moment uit de 'Oude Knegt' is vertrokken, dat hij toen naar zijn zwager [M.H. ] is gereden en voorts dat hij [verdachte] omstreeks 21.30 uur heeft gebeld. [M.H. ]32 heeft verklaard dat [H.P.] omstreeks 20.00 uur in zijn woning op [adres] is aangekomen.

Uit telecomgegevens33 blijkt voorts dat [H.P.] en [verdachte] om 21.38.23 uur, om 21.43.18 uur en om 21.44.36 uur telefonisch contact met elkaar gehad, waarbij [H.P.] zich - gelet op de zendmasten die zijn mobiel aanstraalde - in de richting van [verdachte] op het [adres] heeft begeven.

Uit de eerdergenoemde camerabeelden van de [firma] is gebleken dat een rode bestelauto om 21.54.03 uur op de 's Gravelandeweg rijdt, komend uit de richting Melkpad en gaande in de richting [het pand].

Het meenemen van slagwapens in de auto naar het pand en deze vervolgens naar binnen meenemen:

[verdachte]34 heeft verklaard dat [slachtoffer] met twee koevoeten is geslagen en dat die koevoeten uit de auto van [H.P.] kwamen (pagina 3092) en tevens dat [E. vd V.], [H.P.] en hij binnen in het pand waren toen [slachtoffer] werd geslagen (pagina 3089).

[H.P.]35 heeft verklaard dat er standaard gereedschap in zijn auto ligt, waaronder meerdere koevoeten (pagina 1100). Hij heeft verklaard dat eerst de korte koevoet uit zijn auto is gehaald en later de lange koevoet (pagina 1087 en 1105). Ook heeft hij verklaard dat hij binnen in het pand is geweest met [verdachte] en [E. vd V.] (pagina's 1087, 1090, 1102 en 1104).

[E. vd V.]36 heeft verklaard dat [verdachte], [H.P.] en hij gezamenlijk door de steeg zijn gelopen en het pand binnen zijn gegaan. Ook heeft hij verklaard dat hij op het moment dat zij het pand binnenliepen een breekijzer (het hof begrijpt: koevoet) heeft gezien, die uit de auto van [H.P.] is gekomen.

Het NFI onderzoek ten aanzien van de koevoeten, zoals hiervoor vermeld, laat zien dat op beide koevoeten bloed dat matcht met dat van [slachtoffer] is aangetroffen.

Rondom het vertrek uit het pand:

[verdachte]37 heeft verklaard dat toen hij de matras in brand stak, [E. vd V.] en [H.P.] onderweg naar buiten waren (met de fiets van [E. vd V.]), dat [E. vd V.] de weg naar het huis van [H.P.] niet wist en [verdachte] daarom op de fiets is gegaan en [E. vd V.] bij [H.P.] in de auto gestapt (pagina 3095). Nadat hij, [verdachte], [slachtoffer] had geslagen was zijn gezicht niet meer intact. Hij zag [slachtoffer] neus en lippen onder het bloed verdwijnen38. [verdachte] heeft ook verklaard dat hij, [E. vd V.] en [H.P.] ongeveer gelijktijdig het pand zijn uitgegaan39.

[E. vd V.]40 heeft verklaard dat [verdachte] als eerste naar buiten ging, [H.P.] daarna en hij als laatste. Er zat misschien drie of vier seconden tussen omdat hij nog even achterom heeft gekeken. Hij is toen gelijk in de auto gestapt en [H.P.] kwam naast hem zitten. [H.P.] zei: "Zo daar zijn we ook weer vanaf" (pagina 2104). Voorts dat ze nadat [H.P.] in de auto stapte zijn weggereden (pagina 2105). Hij heeft ook verklaard41 dat [verdachte] op de fiets naar het huis van [H.P.] is gegaan (pagina 2209) en dat [slachtoffer] er zo beroerd bij lag dat hij dacht dat gaat niet goed. Hij zag veel bloed en wel tien scheuren in zijn hoofd. Hij zag dat [slachtoffer] behoorlijk bloedde (pagina 2217).

[H.P.]42 heeft verklaard dat hij de rommel in zijn auto heeft gezet. Hij is samen met [E. vd V.] in de auto gestapt, terwijl [verdachte] op de fiets is gesprongen en wegfietste. Nadat hij bij het pand is weggereden kwam hij twee politieauto's tegen. Een ging hem voor, de ander bleef eerst staan maar kwam daarna achter hem aanrijden. Zij hebben in de auto gekeken, maar hebben hem toch door laten rijden. Op het moment dat hij die twee politieauto's zag staan, zei [E. vd V.] tegen hem "ik hoop dat ie dood is".

De gang van zaken nadien:

[verdachte]43 heeft verklaard: Toen ik bij [H.P.] thuis aan kwam stond [H.P.] in zijn onderbroek. Ik heb mijn spijkerbroek in de was gedaan. Ik heb mijn broek uitgetrokken en aan hem gegeven. Ik heb een broek van hem aangedaan. We hadden met elkaar afgesproken dat we ons mond zouden dicht houden over het voorval.

[E. vd V.]44 heeft verklaard: We zijn naar het huis van [H.P.] gereden. Beneden bij de flat van [H.P.] zag ik dat hij spullen uit zijn auto haalde. Ik heb in ieder geval toen weer het breekijzer gezien. [H.P.] heeft het breekijzer in de wasmachinekamer van zijn woning neergezet. [verdachte] kwam. Hij wilde zich omkleden omdat zijn kleding onder het bloed zat. Hij heeft toen van [H.P.] schone kleding gekregen en zijn kleding in de wasmachine gedaan. [H.P.] heeft toen de wasmachine aan gezet. Ik heb ook gezien dat [H.P.] en [verdachte] het breekijzer hebben schoongemaakt. U houdt mij voor dat ik eerder in mijn verklaring heb gezegd dat door [verdachte] en [H.P.] is gezegd dat ik mijn mond tegen de politie moest houden. Ik denk dat zij vinden dat ik nog veel met iedereen praat en dat ze misschien bang waren dat ik ook tegen de politie teveel zou vertellen.

[H.P.]45 heeft verklaard: Ik heb de twee koevoeten uit de auto gepakt (pagina 1172). Ik heb de koevoeten afgespoeld (pagina 1160). Wat ik gewassen heb, heb ik gewassen en daar zat de spijkerbroek van [verdachte] ook bij (pagina 1169).

B2.2 Conclusies

Het hof trekt op grond van het voorgaande in samenhang met hetgeen onder A is vermeld de volgende conclusies.

[slachtoffer] heeft de vriendin ([M.W.]) van [verdachte] beledigd en gekwetst en [verdachte] is daarom boos geworden. [verdachte] heeft daarom het voornemen opgevat [slachtoffer] een lesje te leren door hem in elkaar te slaan. [E. vd V.] en [H.P.] waren van een en ander op de hoogte en hebben zich bij dit voornemen aangesloten.

[verdachte] en [H.P.] hebben teneinde voormeld voornemen uit te voeren zich (na 21.44.36 uur) met de auto van [H.P.] begeven naar het pand waar [slachtoffer] verbleef, alwaar zij kort na 21.54.03 uur zijn aangekomen, terwijl [E. vd V.] met datzelfde voornemen zich op zijn fiets daarheen heeft begeven.

Er hebben zich ten minste twee koevoeten bevonden in de auto van [H.P.] waarmee [verdachte] en [H.P.] zich naar het pand hebben begeven. Een of meer verdachten hebben deze koevoeten vervolgens na aankomst bij het pand uit de auto gehaald en ter hand genomen. Alle drie de verdachten zijn (vervolgens) het pand binnengegaan. Niet aannemelijk is dat het meenemen van de koevoeten het pand in één van hen kan zijn ontgaan.

[verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] hebben zich na afloop van het jegens [slachtoffer] toegepaste geweld samen, althans kort na elkaar, naar buiten begeven en de als slagwapen gebruikte koevoeten zijn in de auto van [H.P.] geplaatst. [verdachte] heeft zich op de fiets begeven naar het huis van [H.P.] en [H.P.] als bestuurder en [E. vd V.] als passagier hebben zich per auto daarheen begeven. Zij zijn alle drie aldus van de plaats van het misdrijf weggevlucht, terwijl uit voormeld proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 2) en de verklaring van [H.P.] volgt dat noch [H.P.], noch [E. vd V.] bij gelegenheid van de staande houding tegenover de politie heeft verklaard dat er zich in het desbetreffende pand een zwaargewond persoon bevond, die dringend medische hulp nodig had.

[H.P.] heeft bij thuiskomst zijn kleren gewassen en tevens de broek van [verdachte]. Ook heeft [H.P.] de beide koevoeten, waarvan er ten minste één was gebruikt om [slachtoffer] te slaan, gewassen. Naar het oordeel van het hof had dit schoonmaken geen ander doel dan om sporen te verwijderen. Ten slotte is door [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] besproken dat zij tegenover de politie hun mond zouden houden omtrent al hetgeen was voorgevallen en is (daardoor) niets meer ondernomen in de richting van autoriteiten of hulpverlenende instanties om deze op de hoogte te stellen van de situatie waarin [slachtoffer] was gebracht door een of meer van hen.

B3. Eerste tussenconclusie

Door [slachtoffer] met een of meer koevoeten met kracht tegen het hoofd te slaan is sprake van doodslag. Reeds op grond van voorgaande vaststellingen in samenhang met de vaststaande feiten, is het hof van oordeel dat er tussen [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking rond deze doodslag, terwijl niet is gebleken dat een van hen zich van de gang van zaken op enig moment heeft gedistantieerd, dat ten aanzien van ieder van hen sprake is van het medeplegen daarvan.

In zoverre falen de verweren die tot een andere conclusie leiden reeds. Voor zover op dit punt nog nadere verweren zijn gevoerd, worden die hierna besproken.

B4. Verdere bewijsmiddelen omtrent wie het slachtoffer hebben geslagen

Het hof acht meer in concreto de volgende bewijsmiddelen van belang ten aanzien van de vraag wie met de koevoeten het slachtoffer hebben geslagen.

1- de verklaring van [verdachte]46

[verdachte] heeft het volgende verklaard. Ik ben met de auto van [H.P.] naar het pand gegaan. [H.P.] en ik hadden afgesproken dat we [slachtoffer] flink zouden slaan. Wij zijn de woning binnengegaan. [H.P.] gaf een koevoet aan [E. vd V.] en aan mij. Ik heb vervolgens [slachtoffer] met die koevoet op zijn hoofd geslagen en ik weet dat dat in het begin een keer is geweest, daarna sloeg [E. vd V.] hem op het hoofd met zijn koevoet. Dat gebeurde drie of vier keer. Toen ging [slachtoffer] naar de grond. Vervolgens heb ik hem nog drie of vier klappen met de koevoet op zijn hoofd geslagen. [H.P.] zei: "Steek de boel in de brand, dan kunnen wij weg". Buitengekomen spraken wij af dat wij naar de woning van [H.P.] zouden gaan.

Deze verklaring wordt ondersteund door:

2- de verklaring van de getuige [M.W.]47: Later op de nacht kwam [verdachte] thuis. Ik heb gevraagd wat er gebeurd was. Hij heeft gezegd dat hij [slachtoffer] dood heeft gemaakt. Dat hij hem gewoon kapot heeft geslagen met een koevoet. [verdachte] zei dat [E. vd V.] ook een paar klappen heeft gegeven. Dat [E. vd V.] ook geslagen heeft. Over [H.P.] heeft hij verteld dat hij er niet tegen kon. [H.P.] is naar buiten gelopen. [verdachte] heeft gezegd dat ze het samen zouden doen, [H.P.] en [verdachte]; en

3- het deskundigenrapport van het NFI, als hiervoor genoemd onder bewijsmiddel 14, waaruit het hof als voldoende aannemelijk afleidt dat het slachtoffer met beide koevoeten en dus door (ten minste) twee personen) is geslagen.

Het hof acht de verklaring van [verdachte] op de relevante onderdelen voldoende betrouwbaar. Hij heeft in de kern omtrent dit onderdeel van de gebeurtenissen steeds hetzelfde en consistent verklaard. Er is geen enkele reden aannemelijk geworden waarom [verdachte] op dit punt onwaarheid zou spreken en daarmee [E. vd V.] ten onrechte handelingen zou toeschrijven die deze niet heeft gepleegd. [verdachte] heeft daarbij (vrijwel) vanaf het eerste begin ook over zichzelf belastend verklaard. Ook de getuige [M.W.] heeft verklaard dat [verdachte] nog voordat hij was aangehouden, haar heeft verteld dat de gang van zaken in de kern aldus is geweest. De verklaringen van [H.P.] en [E. vd V.] missen die consistentie, reden waarom aan die verklaringen op dat punt wordt voorbijgegaan.

Het hof merkt op dat [E. vd V.] bij de politie (op 26 november 2009, Map B, persoonsdossier [E. vd V.], pagina 2147 e.v.) op enig moment wel heeft verklaard dat hij [slachtoffer] (ook) heeft geslagen. In het licht van de andere verklaringen van [E. vd V.] op dit punt en de context van het verhoor acht het hof deze verklaring onvoldoende concludent om daaraan bewijsbeslissingen te verbinden.

B2.5. Tweede tussenconclusie

[verdachte] heeft met een koevoet [slachtoffer] tegen het hoofd geslagen. Daarna heeft [E. vd V.] met een andere koevoet [slachtoffer] een aantal malen tegen het hoofd geslagen. Ten slotte heeft [verdachte] wederom met de koevoet [slachtoffer] tegen het hoofd geslagen. [H.P.] was daarbij (in elk geval aanvankelijk) aanwezig.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Weliswaar volgt uit de stukken van het dossier en de behandeling ter zitting dat [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] het plan hebben opgevat om [slachtoffer] een lesje te leren, dat daarbij ook door [verdachte] woorden zijn gesproken die in letterlijke zin inhielden dat [slachtoffer] zou worden gedood en dat koevoeten zijn meegenomen, deze omstandigheden vormen in het onderhavige geval, hoewel bijdragend aan het bewijs voor medeplegen, niet, noch afzonderlijk, noch in samenhang met elkaar bezien, overtuigend bewijs dat [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] vooraf het weloverwogen voornemen hebben opgevat [slachtoffer] te doden, op grond waarvan om die reden kan worden gesproken van voorbedachte raad.

Het hof leidt uit de inhoud van het dossier af dat de desbetreffende middag door zowel [verdachte], [E. vd V.] als [slachtoffer] in ruime mate alcohol was genuttigd. De uitingen van in het bijzonder [verdachte] moeten worden beschouwd als verhit taalgebruik, gevoed door emoties omtrent vermeende beledigingen van zijn vriendin [M.W.]. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om ervan uit te kunnen gaan dat [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] toen tijd en gelegenheid hebben genomen om zich vooraf te beraden op de betekenis en gevolgen van hun gezamenlijke handelwijze. Kalm beraad en rustig overleg acht het hof ook overigens niet bewezen. Het hof acht op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat de levensberoving heeft plaatsgevonden in een situatie van drift en emotie waarin "het lesje", te weten het toepassen van geweld, het karakter van doodslag heeft gekregen, maar van welke situatie niet gezegd kan worden dat de verdachten zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof acht, anders dan de advocaat-generaal, op grond van het voorgaande dus niet bewezen dat [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] hebben gehandeld met voorbedachte raad.

Nadere overwegingen met betrekking tot gevoerde verweren

Behoudens hetgeen hiervoor is overwogen en moet worden beschouwd als reactie van het hof op het ter zake door de verdediging of het openbaar ministerie naar voren gebrachte onderbouwde standpunt, overweegt het hof in dat verband nog het volgende.

De verklaring van de getuige [R. v. L. ] en voorwaardelijk verzoek

De getuige [R. v. L. ] heeft bij zijn verhoor door de politie op 16 november 2009 om 00:14 uur het volgende - kort samengevat - verklaard.

Rond 22:00 uur die voorafgaande avond was hij in zijn woning, van waaruit hij zicht had op [het pand]. Hij hoorde een mannenstem iets zeggen als "Ik ga al". Dit trok zijn aandacht. Hij keek toen door het raam naar buiten en zag een man uit het steegje lopen met een fiets aan zijn hand en voor het pand heen en weer lopen. Op een gegeven moment liep deze persoon helemaal weg naar de 's Gravelandseweg. Hij zag ook een rode bestelauto staan voor de schuifdeuren. Zo'n dertig seconden nadat de fietser uit het zicht was, zag hij een kale man (het hof begrijpt - evenals de verdediging - op basis van de door de getuige gegeven persoonsbeschrijving: [E. vd V.]) uit het steegje komen naast het pand. Deze man liep naar de auto en gaf een sein. Hij zag een oudere man (het hof begrijpt - evenals de verdediging - op basis van de door de getuige gegeven persoonsbeschrijving: [H.P.]), die achter het stuur zat, uit de auto stappen. De kale man liep toen weer terug richting het steegje met een soort bat of lat in zijn hand. Beide mannen liepen het steegje in. Hij hoorde toen iemand schreeuwen: "Ik heb niets gedaan, ik heb het niet gedaan". Daarop zag hij de oude man weer uit het steegje komen, naar de auto lopen en een jerrycan uit de auto pakken en weer terug de steeg in lopen. Op dat moment heeft de getuige 112 gebeld. Na zo'n drie à vier minuten zag hij een oranje gloed binnen. Hij heeft verder niets meer gehoord. Hij zag vervolgens dat de kale man in de steeg ging staan aan het eind bij de weg. Na zo'n twintig à dertig seconden zag hij de oude man te voorschijn komen. Vervolgens heeft hij gezien dat de auto ging keren en weer voor het pand parkeerde met de achterdeuren ter hoogte van de steeg. De kale man stond er nog steeds. Hij zag en hoorde dat de kale man spullen achterin gooide. Daarop stapte de kale man in aan de bijrijders zijde en reden ze weg richting de 's Gravelandseweg.

De raadsman van [verdachte] heeft aan deze getuigenverklaring de conclusie verbonden dat hieruit volgt dat [verdachte], die immers op de fiets vanaf [het pand] is vetrokken, enige tijd vóór [E. vd V.] en [H.P.] van de plaats van het misdrijf is weggegaan en dat de beide anderen opnieuw het pand zijn binnen gegaan en [slachtoffer] het dodelijk letsel hebben toegebracht, aangezien [slachtoffer] toen [verdachte] vertok nog in leven was. Deze gang van zaken zou volgens de raadsman mede worden ondersteund door het feit dat de getuige de woorden "Ik heb niets gedaan, ik heb het niet gedaan" heeft gehoord, welke gelet op de inhoud ervan door [slachtoffer] moeten zijn geroepen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof verbindt aan het feit dat een onbekend gebleven fietser, mogelijk zijnde [verdachte], iets eerder bij het pand aan [het pand] is vertrokken dan [E. vd V.] en [H.P.] niet dezelfde conclusies als de raadsman. Uit de verklaring van de getuige [R. v. L. ] zou naar het oordeel van het hof ten hoogste kunnen worden afgeleid dat [E. vd V.] en/of [H.P.] nà het jegens [slachtoffer] gebruikte geweld mogelijk nogmaals het pand zijn binnengegaan om nogmaals brand te stichten en gebruikte spullen mee te nemen, terwijl een van beiden zijn verantwoordelijkheid voor het gebeurde heeft afgewezen. Deze conclusie trekt het hof overigens uitdrukkelijk niet nu daaromtrent onvoldoende is komen vast te staan, reden waarom bedoelde verklaring niet voor het bewijs wordt gebruikt. Het is op grond van die verklaring niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] in die periode nogmaals is geslagen. Niet alleen betreft de periode tussen het vertrek van de onbekend gebleven fietser, mogelijk zijnde [verdachte], en het wegrijden van de auto slechts enkele minuten, hetgeen blijkt uit het tijdstip van de 112-melding van de getuige (21:58.22 uur) en het beëindigen van dat gesprek (rond 22:02 uur) (proces-verbaal van bevindingen van 6 september 2010, Map A, pagina 257-258), maar ook acht het hof gelet op het aan [slachtoffer] toegebrachte letsel in samenhang bezien met de verklaring van [verdachte] (verklaring bij de politie van 18 november 2009, Map C, persoonsdossier [verdachte]) zelf, dat hij [slachtoffer] op het laatst een aantal malen vol op het gezicht had geslagen met een koevoet en dat het bloed rond spatte niet aannemelijk dat [slachtoffer] nog kon praten laat staan met een dusdanig volume dat de getuige dit vanuit zijn eigen woning kon horen.

Het verweer wordt verworpen.

Het voorwaardelijk verzoek om de getuige [R. v. L. ] nogmaals op te roepen wordt mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bezien in samenhang met hetgeen is vervat in de gebezigde bewijsmiddelen en in aanmerking genomen dat de getuige reeds bij de rechter-commissaris is gehoord en in lijn met zijn verklaring bij de politie heeft verklaard, afgewezen, nu dit onvoldoende is gemotiveerd om de noodzaak daartoe aan te nemen.

Getuige [M.W.]

Zoals hiervoor reeds is aangegeven betracht het hof grote behoedzaamheid bij het gebruik van (onderdelen) van verklaringen van [verdachte], [H.P.] en [E. vd V.] en gebruikt het hof slechts die onderdelen van een verklaring die steun vinden in de verklaringen van anderen of andere bewijsmiddelen. Dit uitgangspunt hanteert het hof evenzo ten aanzien van de verklaringen van de getuige [M.W.]. Slechts die onderdelen van haar eerste verklaringen bij de politie die door andere bewijsmiddelen worden ondersteund zijn tot bewijs gebruikt. De omstandigheid dat de getuige zich ten aanzien van haar verhoren bij de rechter-commissaris mogelijk labiel en niet erg coöperatief heeft opgesteld doet daaraan niet af. Ook hetgeen overigens door de raadsman naar voren is gebracht leidt het hof niet tot een ander oordeel.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Getuige [H.P.]

Hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van [M.W.] en het te dien aanzien ingenomen uitgangspunt, geldt eveneens ten aanzien van de verklaringen van [H.P.]. De omstandigheid dat door het Pieter Baan Centrum is aangegeven dat gegevens uit het milieuonderzoek - [H.P.] heeft immers geweigerd aan het onderzoek mee te werken - nadrukkelijk wijzen op het bestaan van "pseudologica fantastica", waarbij [H.P.] statusverhogende activiteiten fantaseert waar hij zelf ook werkelijk in gaat geloven, maakt dit niet anders.

Ook dit verweer wordt verworpen.

Eindconclusie

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 november 2009 te Hilversum tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en mededaders toen en aldaar met dat opzet, meermalen met een koevoet tegen het hoofd en aangezicht van voornoemde [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen, te weten: hersenschade en functieverlies van hersenen en bloedverlies en afsluiting van de bovenste luchtwegen door de botbreuken van neus en bovenkaak, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de onder nummer 1 tot en met 47 bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor medeplegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het medeplegen van moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer [slachtoffer] op buitengewoon brute wijze meerdere klappen met een koevoet tegen het hoofd gegeven. De gevolgen voor het weerloze slachtoffer, dat niet in staat was zich tegen de onverhoedse aanval van verdachte en diens mededaders te verweren, waren gruwelijk. Zijn hoofd is zwaar verminkt geraakt en de toegebrachte verwondingen hebben binnen korte tijd onontkoombaar tot de dood geleid. Zijn laatste levensmomenten moet hij in angst en pijn hebben doorgebracht.

De verdachte heeft zich na het toebrengen van het letsel niet verder om het slachtoffer bekommerd en hem op respectloze wijze achtergelaten.

Voor hulpverleners moet het een schokkende ervaring zijn geweest het slachtoffer zo aan te treffen. Daarnaast moet het verlies van diens leven ten gevolge van geweld een ingrijpende ervaring zijn voor diegenen met wie hij in zijn leven verbonden was.

Het behoeft geen betoog dat door een dergelijk misdrijf de rechtsorde ernstig wordt geschokt. Met zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven.

Dit alles acht het hof buitengewoon ernstig en rekent het de verdachte zwaar aan.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 juli 2012 is de verdachte eerder ter zake van andersoortige strafbare feiten veroordeeld.

Het hof heeft kennis genomen van de NIFP-rapportage, uitgebracht op 4 februari 2011, opgemaakt door J.H. van Renesse, psychiater en P.E. Geurkink, psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna te noemen: het PBC). In dit rapport wordt de conclusie getrokken dat sprake is van alcoholafhankelijkheid doch niet zodanig dat het ten laste gelegde (mede) daaruit verklaard. De verdachte wordt daarom toerekeningsvatbaar geacht voor het ten laste gelegde (indien bewezen).

Het hof neemt de bovenvermelde conclusie van het PBC-rapport over en maakt deze tot de zijne.

Bij de weging van een en ander is dan ook onontkoombaar dat aan de verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De ernst van de feiten noopt hier bepaaldelijk toe.

In hetgeen van de zijde van de verdediging is aangevoerd kan, met inachtneming van het vorenstaande, overigens geen grond worden gevonden voor het opleggen van een straf die lager is als die welke hieronder is aangegeven. De straf is hoger dan de straf die aan de mededaders wordt opgelegd omdat de verdachte bij het misdrijf het voortouw heeft genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.A.J. Dun, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 augustus 2012.

Mr. Verhoeff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.