Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX5608

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
24-08-2012
Zaaknummer
23-003340-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BR3140, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:832, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag door krachtig uitwendig inwerkend botsend geweld tegen het hoofd van het slachtoffer uit te oefenen (schoppen en stompen), waardoor het slachtoffer herseninklemming heeft opgelopen tengevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Sprake van causaal verband tussen dit geweld en dood van het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003340-10

datum uitspraak: 10 juli 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-676006-10 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [straat + huisnummer, woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 juli 2010 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 30 augustus 2011, 26 januari 2012, 9 maart 2012, 22 juni 2012 en 27 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 4 januari 2010 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (in perceel [adres]) opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader (telkens) met dat opzet, eenmaal of meermalen (telkens) (krachtig) (uitwendig inwerkend botsend (slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen)) geweld op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] uit geoefend, waardoor die [slachtoffer] (herseninklemming heeft opgelopen) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 4 januari 2010 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (in perceel [adres]) aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies en als verwikkelingen daarvan tekenen van herseninklemming), heeft/hebben toegebracht, door (telkens) opzettelijk eenmaal of meermalen (telkens) (krachtig) (uitwendig inwerkend botsend (slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen)) geweld op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] uit te oefenen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 4 januari 2010 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (in perceel [adres]) opzettelijk [slachtoffer] heeft/hebben mishandeld door eenmaal of meermalen (telkens) opzettelijk (telkens) (krachtig) (uitwendig inwerkend botsend (slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen)) geweld op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] uit te oefenen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt, mede gelet op het verhandelde ter zittingen van het hof.

Op basis van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden

Op 4 januari 2010 om 20.45 uur zijn verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] bij het perceel aan de [adres]. Daar verklaart [buurvrouw 1] dat zij in het pand [adres] in de achterkamer een lijk heeft aangetroffen. [buurvrouw 1] verklaart dat de voordeur van het pand open stond. [buurvrouw 2] (het hof begrijpt hier en hierna: [buurvrouw 2]) en [buurman] verklaren tegenover de verbalisanten dat zij die ochtend tussen 08:00 uur en 09:00 uur lagen te slapen in de woning van het perceel aan de [adres] en dat er werd aangebeld. Er stond een man voor de deur die regelmatig langskomt bij het perceel aan de [adres] en die tegenover hen verklaarde dat er een lijk lag in het pand [adres] en dat hij de politie zou gaan bellen. Omstreeks 20:20 uur besloten [buurvrouw 2] en [buurman] bij buurvrouw [buurvrouw 1] aan te bellen omdat die bij de politie werkt. [buurvrouw 1] heeft vervolgens een lijk aangetroffen. Er liggen dekens over het lijk heen.

Verbalisant [verbalisant] verricht op 4 januari 2010 om 22:15 uur tactisch onderzoek in het perceel aan de [adres]. Hij ziet dat het levenloze lichaam van een man in de achterkamer op de vloer van voornoemd perceel ligt. De man ligt met zijn hoofd op een dekbed en is bedekt met kleding en dekens. In de achterkamer treft hij voorts een paspoort aan. De houder van het paspoort zou zijn: [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]. Tevens wordt in de achterkamer in de nabijheid van het stoffelijk overschot een zwarte portemonnee aangetroffen waarin een bankpas zit op naam van [naam]. Verbalisant [verbalisant] herkent de man op de fotografische afbeelding in het paspoort als de man waarvan het levenloze lichaam in perceel aan de [adres] is aangetroffen en welke hij op de vloer van het voornoemde pand heeft zien liggen.

Verbalisant [verbalisant] stelt op 5 januari 2010 een buurtonderzoek in. De bewoners van de woningen van de percelen [adres] en [adres] verklaren allen dat zij niet rechtmatig in de woningen verblijven, maar dat er sprake is van kraken. De verwarming, het water en de elektriciteit in de woningen zijn afgesloten.

Op 13 januari 2010 is een fotomap samengesteld met personen uit het onderzoek.

Dit betreft onder andere de volgende foto’s: foto A: [slachtoffer], foto C: [getuige 1], foto D: [medeverdachte] en foto H: [naam].

Uit onderzoek blijkt de juiste identiteit van [naam] te zijn: [naam verdachte], geboren op [geboortedatum].

Diverse getuigen verklaren over de avond van 1 januari 2010 waarbij zowel het slachtoffer [slachtoffer] als verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aanwezig waren in het perceel aan de [adres]:

Getuige [getuige] verklaart dat hij op 1 januari 2010 met [naam] die hij herkent op foto C ([getuige 1]), [naam] die hij herkent op foto A (slachtoffer), [naam] die hij herkent op foto D (medeverdachte [medeverdachte]) en de Litouwer die hij herkent op foto H (verdachte) in het pand [adres] was.

Hij denkt dat zij daar op 1 januari 2010 tussen 22:00 uur en 23:00 uur zijn aangekomen. [getuige] vond dat de verdachte en de medeverdachte een dreigende uitstraling hadden. Ze maakten slaan bewegingen naar [slachtoffer]. [getuige] vond de sfeer niet goed en is weggegaan. Hij was bang. Op 4 januari 2010 werd hij door [getuige 1] gebeld. [getuige 1] vertelde hem dat [slachtoffer] hevig was geslagen en geschopt en dat hij dood was. [getuige 1] zei dat hij naar de politie zou gaan.

Getuige [getuige 1] verklaart op 12 januari 2010 dat hij op 1 januari 2010 in de avond in het pand aan de [adres] was met [slachtoffer] die hij herkent op foto A, [medeverdachte] die hij herkent op foto D, [naam] die hij herkent op foto H (verdachte) en [getuige 2]. [getuige 1] was dronken die avond. [slachtoffer] gaf [getuige 2] een klap. Er werden over en weer wat klappen uitgedeeld. [slachtoffer] en [getuige 2] waren op een gegeven moment op het bed aan het stoeien. Het stelde allemaal weinig voor. Daarna zijn ze aan een tafel gaan zitten en verder gaan drinken. [getuige 1] hoorde vervolgens dat [slachtoffer] een conflict had met de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte]. Er ontstond een ruzie waarbij gevochten werd. [getuige 1] vond dat het er te hard aan toe ging. [getuige 1] probeerde tot twee keer toe om hen uit elkaar te halen wat [getuige 1] niet lukte. [slachtoffer] kon zich alleen verdedigen. Op een gegeven moment lag [slachtoffer] op de grond en is de rest verder gaan drinken. [getuige 1] zag dat [slachtoffer] een kapotte lip had. Het was donker in de kamer. Toen [slachtoffer] op de grond lag, zei de verdachte of de medeverdachte [medeverdachte] dat [slachtoffer] in zijn broek had geplast. [getuige 1] vroeg of ze de eerste hulp niet moesten bellen. [slachtoffer] werd afgedekt met een slaapzak door een van de jongens en ze gingen slapen. De volgende morgen, 2 januari 2010, werd [getuige 1] wakker en was iedereen aanwezig. De verdachte, de medeverdachte [medeverdachte] en [getuige 2] gingen weg en [slachtoffer] lag nog op de grond te slapen. [getuige 1] legde nog een deken over [slachtoffer] en ging ook weg.

[getuige 1] verklaart op 26 januari 2010 tegenover de politie dat [slachtoffer] de avond voordat hij ging slapen op dezelfde plek lag als in de ochtend van 2 januari 2010.

Hij heeft [slachtoffer] op 3 januari 2010 gevonden en op 4 januari 2010 heeft hij de politie gebeld. Hij zegt dat hij op 4 januari 2010 in de ochtend bij de buren is geweest.

Op 4 januari 2010 om 14:48 uur is een 112 melding binnengekomen betreffende de dode man in de [adres]. De melder belde met het telefoonnummer dat in gebruik was bij [getuige 1].

[getuige 1] verklaart op 12 februari 2010 bij de rechter-commissaris dat op 1 januari 2010, toen [getuige 1] in slaap viel, het donker was en het ook donker was toen hij wakker werd. [slachtoffer] en hij waren de avond van 1 januari 2010 erg dronken. Iedereen heeft doorgedronken, behalve [getuige 2].

Voorts verklaart hij dat hij op 3 januari 2010 rond 20.00 uur ’s-avonds (dacht hij) terugkwam en zag dat [slachtoffer] niet meer ademde.

[buurman], wonende in het perceel aan de [adres], verklaart dat [getuige 1] op 4 januari 2010 omstreeks 09:00 uur voor de deur stond en zei dat [slachtoffer] dood was. [buurvrouw 2], die ook verblijft in het perceel aan de [adres], verklaart eveneens dat [getuige 1] op 4 januari 2010 tussen 08:30 uur en 09:00 uur kwam melden dat er een lijk in het perceel aan de [adres] lag. Dit wordt bevestigd door [buurvrouw 3], die ook verblijft aan het perceel aan de [adres], ter terechtzitting van 9 maart 2012. Zij verklaart dat zij het idee had dat iedereen die toen in het pand aanwezig was dit nieuws voor het eerst hoorde.

[getuige 2] was op 1 januari 2010 in de woning aan de [adres] met [naam] die hij herkent op foto C ([getuige 1]), L1 die hij herkent op foto D (medeverdachte [medeverdachte]), L2 die hij herkent op foto H (verdachte) en S die hij herkent op foto A ([slachtoffer]). In de woning dronken zij allen alcoholhoudende drank.

Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 2] dat er korte tijd een zesde persoon aanwezig was.

Toen [getuige 2] van buiten terug kwam naar binnen zag [getuige 2] dat [slachtoffer] problemen met hem (hof: [getuige 2]) had. [slachtoffer] sprak [getuige 2] aan op het feit dat hij in hun kraakpand rondliep zonder er toestemming voor te hebben gevraagd. [slachtoffer] begon met zijn armen in de richting van [getuige 2] te zwaaien. [getuige 2] schermde zich af met zijn armen, waarbij hij [slachtoffer] in het gezicht raakte. Hij pakte [slachtoffer] vast en gooide hem op het matras. [getuige 2] viel met hem mee en zij kwamen allebei op het matras terecht. [getuige 2] gaf [slachtoffer] nog een paar klappen (1e geweldsmoment). Daarna stonden zij op en gingen ze weer op hun plek zitten. Iedereen was gekalmeerd.

Toen [getuige 2] en [slachtoffer] weer zaten zei [verdachte] tegen [slachtoffer]: ‘zie je, je bent begonnen tegen een Pool en je kreeg het zelf te pakken’ (dossierpagina B0053 e.v.). [verdachte] gaf [slachtoffer] hierop een klap. Op dat moment stond [medeverdachte] op en gaf [slachtoffer] een schop. [medeverdachte] en [verdachte] gingen op [slachtoffer] af om hem te slaan. [getuige 1] zei dat ze [slachtoffer] met rust moesten laten. [getuige 2] trok ze uit elkaar (2e geweldsmoment). De eerste klap die [verdachte] gaf, was met de vuist en hij raakte [slachtoffer] in het gezicht. Daarna stond [medeverdachte] op en gaf [slachtoffer] een schop. Hij trapte hem in zijn borst of buik. Daarna gingen ze op hem inslaan. [slachtoffer] schermde zich af met zijn armen. [getuige 2] en [getuige 1] grepen in. Toen zij gestopt waren, was [slachtoffer] van slag en hij ging op een stoel zitten. [slachtoffer] probeerde [medeverdachte] en [verdachte] iets duidelijk te maken en andersom. Ze praatten met elkaar.

Na enkele minuten stond [verdachte] weer op, hij liep naar [slachtoffer] en schopte hem met zijn voet in het gezicht. [slachtoffer] viel van zijn stoel op de grond. [verdachte] liep gelijk naar hem toe. Hij was voorovergebogen en sloeg [slachtoffer]. Hij gaf [slachtoffer] meerdere vuistslagen in het gezicht (3e geweldsmoment). Ze riepen dat [verdachte] op moest houden en daarna gaf [verdachte] nog één klap. Hij sloeg met gebalde vuist. [verdachte] kwam weer terug en ze gingen verder met drinken. [slachtoffer] bleef liggen.

Na vijftien minuten liep [verdachte] naar [slachtoffer] toe en [getuige 2] zag dat [verdachte] twee of drie keer op het gezicht van [slachtoffer] stampte. In het proces-verbaal van het verhoor staat: ‘Noot verbalisant: de getuige stampt met zijn voet op de grond.’ (pagina B0041). Hij stampte niet gelijk, maar probeerde te mikken. Nadat hij de laatste trap gaf, liet [verdachte] zich op bed vallen (4e geweldsmoment).

Ter terechtzitting van het hof van 26 januari 2012, heeft [getuige 2] opnieuw de stampende beweging voorgedaan, waarmee [verdachte] [slachtoffer] op het gezicht zou hebben gestampt terwijl [slachtoffer] op de grond lag. [getuige 2] verklaart nu daaromtrent het volgende.

Vanaf mijn positie kon ik het slachtoffer niet zien toen hij op grond lag. De beweging die ik net voordeed heb ik de verdachte die in de zittingszaal aanwezig is (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte [verdachte]) zien maken, maar ik kon het slachtoffer dus niet zien. Mijn zicht werd geblokkeerd door de leuning van de bank. Ik heb aangenomen dat de beweging die ik de verdachte die in de zittingszaal aanwezig is zag maken naar het slachtoffer gericht was. Deze verdachte stond eerder opeens op nadat hij weer was gaan drinken en gaf het slachtoffer een klap met zijn vuist. Ik weet daarom zeker dat ook de beweging die ik net voordeed naar het slachtoffer gericht was. Dat kan niet anders. Aan de beweging die ik deze verdachte zag maken, kon ik afleiden dat hij zijn voet gebruikte dit keer.

Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 2] dat, nadat [slachtoffer] op de grond viel, zelfs [medeverdachte] zei dat [verdachte] [slachtoffer] met rust moest laten. [getuige 2] heeft [slachtoffer] daarna niet meer zien bewegen. [medeverdachte] en [verdachte] droegen allebei sportschoenen.

Bij de politie verklaart [getuige 2] met betrekking tot het tijdpad waarin zich dit allemaal heeft afgespeeld dat hij denkt dat ze rond 18:00 uur in het kraakpand zijn aangekomen. Het was in elk geval al donker buiten. Doordat hij veel alcoholische drank op had, kan hij zich het tijdpad moeilijk herinneren. Als hem gevraagd wordt globaal aan te geven op welk tijdstip hij denkt dat ze gingen slapen, denkt hij dat dit rond 00:00 uur ’s nachts moet zijn geweest.

Ter terechtzitting van 26 januari 2012, verklaart [getuige 2] met betrekking tot het tijdpad dat hij denkt dat zij op 1 januari 2010 om 20:00 uur in het kraakpand zijn aangekomen, maar dat hij er één of twee uur naast kan zitten. [getuige 2] denkt dat het eerste vechtmoment, tussen hem en [slachtoffer], tussen 22:00 uur en 23:00 uur was. Het moment dat [slachtoffer] op de grond is blijven liggen zou een half uur tot een uur daarna zijn. [getuige 2] denkt dat zij op 2 januari 2010 tussen 01:30 uur en 03:00 uur in slaap zijn gevallen, maar hij kan zich de tijdstippen moeilijk herinneren.

Op 2 januari 2010 omstreeks 10.00 uur werd [getuige 2] wakker. Hij zag dat [medeverdachte] en [verdachte] [slachtoffer] probeerden wakker te maken. [medeverdachte] en [verdachte] versleepten hem een klein stukje en deden een deken over hem heen. Het lukte hen niet om [slachtoffer] wakker te krijgen. Toen [medeverdachte] hem zachte klapjes gaf om hem wakker te krijgen, begon [slachtoffer] te snurken. [getuige 2] had daardoor de indruk dat [slachtoffer] deed alsof hij niet wakker wilde worden. Hij hoorde [slachtoffer] ademen en snurken. Toen [slachtoffer] werd versleept, ademde hij hard. [medeverdachte] en [verdachte] hebben vervolgens het kraakpand verlaten. [getuige 2] is met [getuige 1] uit het kraakpand vertrokken. Dit was nadat [medeverdachte] was teruggekomen en had verteld dat [verdachte] was aangehouden wegens diefstal.

[verdachte] is op 2 januari 2010 om 11:30 uur aangehouden wegens winkeldiefstal gepleegd in de [naam winkel] gevestigd aan de [adres].

Ter terechtzitting van 30 augustus 2011 heeft [verdachte] verklaard dat hij van 1 januari 2010 tot 2 januari 2010 in de ochtend inderdaad aanwezig is geweest in het pand aan de [adres], waar hij in de avond van 1 januari 2010 een confrontatie met [slachtoffer] heeft gehad. Hierbij heeft hij [slachtoffer] een paar keer op zijn gezicht geslagen.

Het lijk van [slachtoffer] is op 5 januari 2010 om 05:30 uur geschouwd door lijkschouwer [lijkschouwer]. Uit het schouwverslag blijkt dat de omgevingstemperatuur 5,7 graden Celsius was, de persoon vermoedelijk op 3 of 4 januari 2010 is overleden door geweld en dat geschat is dat hij 20-30 uren dood is op het moment van de schouwing. Daarbij wordt opgemerkt dat dit slechts een schatting betreft en dat vele factoren hierbij een rol kunnen spelen.

Ter terechtzitting van 26 januari 2012 verklaart [lijkschouwer] dat alle omstandigheden van het geval ingepast moeten worden en dat de door hem gegeven tijdspanne geen uitersten zijn. Het betreft een schatting ter plaatse.

De kamertemperatuur, de lichaamstemperatuur van het slachtoffer op het moment van overlijden, alcoholgebruik of cocaïnegebruik voor het moment van overlijden en het exacte gewicht en de lengte van het slachtoffer zijn bijvoorbeeld factoren die van invloed kunnen zijn op het tijdstip van overlijden. [lijkschouwer] verklaart dat hij op basis van de omstandigheden die op dat moment bij hem bekend waren uit is gegaan van een postmortale tijd van 20-30 uren. Nu kan hij deze termijn verlengen naar 30-35 uren, onder voorbehoud dat het mogelijk blijft dat op grond van andere omstandigheden de termijn nog verder kan worden verlengd.

Op 6 januari 2010 tussen 13:00 uur en 17:00 uur vindt een schouwing plaats. Bij de sectie op het lichaam is vastgesteld dat er een volledige lijkstijfheid is van alle spiergroepen en dat de lijkvlekken deels wegdrukbaar zijn en een beginnende groenverkleuring in de buik is. In het voorlopig sectierapport wordt vermeld dat deze bevindingen passen bij een postmortale tijd van bijvoorbeeld 2 dagen. In het uiteindelijke sectierapport wordt deze termijn nader vastgesteld op 2 tot 3 dagen.

Ter terechtzitting van 9 maart 2012 heeft de deskundige arts-patholoog [arts-patholoog] verklaard dat postmortale veranderingen zeer onderhevig zijn aan verschillende factoren, waardoor er geen definitief tijdsinterval is te geven van de postmortale tijd. De door de lijkschouwer en haar aangegeven tijdsintervallen van de postmortale tijd zijn slechts een schatting van wat mogelijk is. De bevindingen in de literatuur omtrent postmortale veranderingen verschillen van elkaar. Vandaar dat er in haar rapporten een klein verschil zit. Het zijn en blijven schattingen. De omgevingstemperatuur is een factor die van invloed kan zijn op postmortale veranderingen. Een postmortale tijd van 2 tot 3 dagen komt bij de bevindingen zoals waargenomen bij de sectie op het lichaam in deze zaak het meest voor. Er zou dan ook gezegd kunnen worden dat zij in haar voorlopig sectierapport ook een marge van 2 tot 3 dagen aan had moeten geven. [arts-patholoog] verklaart verder dat zij een schatting heeft gegeven van de postmortale tijd zonder rekening te houden met externe factoren. De omstandigheden van het geval moeten hierin ingepast worden. Als je temperatuurbepalingen meeneemt kun je tot een betere schatting komen van de postmortale tijd. De bevindingen van de deskundige [lijkschouwer] sluiten haar bevindingen niet uit en omgekeerd.

Ter terechtzitting van 26 januari 2012 verklaart [lijkschouwer] dat zijn rapport globaal is, omdat hij slechts een uitwendige schouwing doet. De patholoog-anatoom daarentegen doet een volledig pathologisch onderzoek met de mogelijkheid om meer gedetailleerd te werk te gaan. Volgens [lijkschouwer] kan er dan ook geconcludeerd worden dat de latere rapporten (het hof begrijpt uit de context: de rapporten van de arts-patholoog [arts-patholoog]) specifieker en nauwkeuriger zijn en daarom boven zijn rapport gaan.

Bij de sectie op het slachtoffer [slachtoffer] zijn er tekenen van ingewerkt hevig uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd met onder andere een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies en als verwikkelingen daarvan tekenen van herseninklemming, waarmee het intreden van de dood zonder meer wordt verklaard. Deze letsels zijn bij leven ontstaan en kunnen zijn ontstaan door bijvoorbeeld een val of een hevige slag op het hoofd. De ouderdom van de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies wordt door de neuropatholoog geschat op maximaal circa 1 doch niet meer dan 1,5 dag vóór het overlijden.

Ter terechtzitting van 9 maart 2012 heeft de deskundige arts-patholoog [arts-patholoog] nog verklaard dat er sprake moet zijn geweest van “substantiële geweldsinwerking”, dus met voldoende kracht, om dit soort letsel te veroorzaken.”

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 juli 2010 heeft arts en patholoog [neuropatholoog] verklaard dat de bloeding onder het harde hersenvlies ruimte inneemt en dat door dit ruimte-innemend proces druk ontstaat op de hersenstam waardoor belangrijke functies die door de hersenstam worden aangestuurd verstoord raken. Toenemende druk bij de hersenstam gaat gepaard met een geleidelijke verstoring van het bewustzijn waardoor iemand steeds minder helder en dieper comateus wordt. In de beginfase van dit proces kan iemand nog ademhalen, maar dit zal geleidelijk verstoord raken. Snurken is mogelijk gedurende deze fase.

Klinisch patholoog [klinisch patholoog] heeft wonddateringsonderzoek verricht. Er is weefsel onderzocht van verschillende letsels. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 juli 2010 heeft [klinisch patholoog] dit onderzoek toegelicht. Uit het onderzoek komt een beeld naar voren dat het slachtoffer letsels heeft die zijn ontstaan 4 tot 6 uren en 6 tot 12 uren voor het overlijden van het slachtoffer. Dit beeld past beter bij geweld dat is toegepast 1 dag voor het overlijden van het slachtoffer, dan bij geweld dat is toegepast 3 dagen voor het overlijden van het slachtoffer. Uit het onderzoek blijkt immers dat een deel van het letsel minimaal 4 tot 6 uren voor het overlijden is ontstaan en dat deze ondergrens kan worden opgerekt naar een dag. Het proces dat plaatsvindt bij een wond kan echter door verschillende factoren worden vertraagd. Bijvoorbeeld als iemand gedurende een geruime tijd bewusteloos heeft gelegen en onderkoeld is geweest.

[klinisch patholoog] heeft verklaard dat de bevindingen van het wonddateringsonderzoek passen in de bevindingen van het neuropathologisch onderzoek. Met het gegeven dat iemand bewusteloos en onderkoeld heeft gelegen kan immers worden verklaard waarom het proces in het letsel op de huid jonger lijkt te zijn dan de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies. Als iemand onderkoeld en bewusteloos heeft gelegen, worden de hersenen kunstmatig op temperatuur gehouden en zal het wondproces daar sneller verlopen dan de wondreacties op de (onderkoelde) huid.

Ter terechtzitting van 30 augustus 2011 is de deskundige [klinisch patholoog] opnieuw gehoord. Wederom verklaart [klinisch patholoog] dat de temperatuur in het kraakpand sterk van invloed kan zijn op het proces van de wondvorming. Verder ligt het daarnaast nog aan waar het letsel zich bevindt. Zo verklaart hij dat het hoofd langer warm gehouden zal worden dan de rest van het lichaam. Het beeld vanuit zijn onderzoek zal dan ook minder betrouwbaar zijn dan het beeld van de hersenen. Ook is van belang welk deel van de wond is onderzocht. In het centrum van de wond is het beeld heel anders dan aan de randen. Vanuit het centrum breidt die wond zich namelijk later uit, waardoor de randen van de wond een jonger beeld geven dan het centrum. Het is dus belangrijk zijn bevindingen in te passen in het geheel van omstandigheden van dit individuele geval. Omdat in de forensische setting geen achtergrondinformatie wordt verstrekt, kan het gebeuren dat de resultaten van zijn onderzoek niet geheel betrouwbaar zijn.

Ter terechtzitting van 9 maart 2012 heeft de deskundige [arts-patholoog] over de wonddatering nog verklaard dat een wonddateringsonderzoek geen onderzoek naar postmortale tijd betreft en dit onderzoek geen informatie kan geven over het tijdstip van overlijden. Dit onderzoek geeft slechts informatie over de ouderdom van letsels die bij leven zijn ontstaan. Daarbij is dit slechts een schatting. Als dit niet klopt met de overige tactische bevindingen, moeten deze resultaten niet meegewogen worden om iets anders, zoals het tijdstip van overlijden, vast te stellen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de verdachte vrij te spreken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Allereerst voert de raadsman daartoe aan dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat de verdachte de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft verricht, in elk geval voor zover dit betreft het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer]. [getuige 2] is immers de enige die hieromtrent verklaart en op de betrouwbaarheid van zijn verklaring is het nodige af te dingen. Daarbij verklaart [getuige 2] ter terechtzitting van 26 januari 2012 dat hij aannam dat [slachtoffer] in het gezicht werd getrapt, maar dat hij het slachtoffer vanuit zijn positie niet goed kon zien. Verder hebben de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij hun vertrek uit de [adres] in de ochtend van 2 januari 2010 alleen een kapotte lip en een schram op het gezicht geconstateerd. Dit gegeven lijkt niet te passen bij de beschreven geweldshandelingen.

Van de eventueel resterende geweldshandelingen kan dan niet gezegd worden dat zij opzet opleveren op de dood of zwaar lichamelijk letsel.

Causaliteit

De raadsman voert verder aan dat, mocht het hof van oordeel zijn dat de verdachte de door [getuige 2] beschreven geweldshandelingen heeft verricht, het overlijden van [slachtoffer] niet kan worden verklaard door deze geweldshandelingen.

De raadsman baseert zijn standpunt op de bevindingen van de onderzoeken van het NFI. Op basis van deze bevindingen is niet te herleiden dat het fatale letsel op 1 januari 2010 is toegebracht, hetgeen volgt uit het tactische onderzoek. De raadsman hecht hierbij vooral waarde aan het verslag betreffende een niet natuurlijke dood d.d. 5 januari 2010, opgemaakt door lijkschouwer [lijkschouwer]. In dit verslag wordt geconcludeerd dat de tijdspanne waarbinnen het slachtoffer is overleden tussen 3 januari 23:30 uur en 4 januari 2010 09:30 uur gelegen is. Doordat de lijkschouwer rekening heeft gehouden met de temperatuur in de woning, dient naar de mening van de raadsman meer waarde aan zijn rapport gehecht te worden omtrent het tijdstip van overlijden dan aan de overige rapporten van het NFI. Dat [lijkschouwer] zijn bevindingen ter terechtzitting van 26 januari 2012 enigszins heeft genuanceerd doet volgens de raadsman hier niet aan af. [lijkschouwer] zou hiertoe zijn aangespoord door een spervuur aan vragen, waardoor hij de grenswaarde opschuift naar “mogelijk 35 uur”. Daarbij heeft het hof hem ten onrechte voorgehouden dat zijn gegevens sterk afwijken van de bevindingen van de gerechtelijke sectie.

Doordat de ouderdom van de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden, door de neuropatholoog geschat wordt op maximaal circa 1 doch niet meer dan 1,5 dag voor het overlijden, moet de fatale klap op basis van dit rapport en het rapport van [lijkschouwer] niet eerder dan op 2 januari om 11:30 uur hebben plaatsgevonden. Mocht toch waarde gehecht worden aan de sectierapporten van de deskundige [arts-patholoog], dan nog moet op basis van de schouw- en sectiebevindingen geconcludeerd worden dat het slachtoffer niet eerder dan in de (late) avond van 3 januari 2010 is overleden. Uitgaande van het gegeven dat de ouderdom van het dodelijk letsel door de neuropatholoog wordt geschat op circa 1 doch niet meer dan 1,5 dag voor het overlijden, kan de fatale klap ook dan niet zijn toegebracht op de avond van 1 januari 2010. De bevindingen vanuit het deskundigenonderzoek stroken volgens de raadsman dan ook niet met de bevindingen vanuit het tactische onderzoek.

Daarnaast is de raadsman van oordeel dat het wonddateringsonderzoek een rol kan spelen bij het vaststellen van het vermoedelijke tijdstip van overlijden. Uit het wonddateringsonderzoek komt naar voren dat het slachtoffer letsel heeft dat is ontstaan 4 tot 6 uren en 6 tot 12 uren voor het overlijden van het slachtoffer. Dit beeld past volgens de raadsman niet in de vergelijking waaruit volgt dat tussen het door de getuigen beschreven geweld op 1 januari 2010 en het tijdstip van overlijden (tenminste) achtenveertig uur moet zijn verstreken. Aan de hand van deze bevindingen kan de dood van [slachtoffer] volgens de raadsman niet het gevolg zijn van het gevecht op 1 januari 2010. De raadsman is daarnaast van mening dat ook het tactisch onderzoek deze conclusie ondersteunt. Zo heeft de buurvrouw [buurvrouw 3] zowel bij de politie als ter terechtzitting van 9 maart 2012 verklaard dat zij zeker weet dat zij het slachtoffer op 3 januari 2010 buiten op straat heeft horen schreeuwen. Dit zou betekenen dat [slachtoffer] toen nog in leven moet zijn geweest. Deze verklaring zou bovendien niet op zichzelf staan, daar de overige buurtbewoners ook verklaren over vechtpartijen in de periode tussen 1 en 4 januari 2010.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het slachtoffer mogelijk is overleden ten gevolge van een andere vechtpartij of een val. Het krakerspand was vrij toegankelijk voor een scala aan personen. Uit verklaringen van getuigen blijkt bovendien dat er rond het huis een gewelddadige sfeer hing. Het is mogelijk dat na de avond van 1 januari 2010 een andere vechtpartij heeft plaatsgevonden en het slachtoffer door toedoen van anderen is overleden. Gezien de verklaring van [buurvrouw 3], in combinatie met de verklaringen van de overige buurtbewoners zijn er meer dan sterke aanwijzingen dat zich op de avond van 3 januari een geweldsincident heeft afgespeeld in of rondom de woning aan de [adres]. Nu er voldoende realistische alternatieve scenario’s aanwezig zijn, kan niet worden geoordeeld dat het de verdachte is geweest die het fatale letsel heeft toegebracht.

Oordeel van het hof

Het hof acht bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Causaliteit

Met de verdediging neemt het hof aan dat [getuige 1] op 4 januari 2010 voor het eerst aan de deur is geweest bij de buren van [adres] om te vertellen dat er een lijk in het pand aan de [adres] lag. Dat [getuige 1] op 4 januari 2010 voor het eerst heeft gemeld dat [slachtoffer] dood was, sluit echter geenszins uit dat [slachtoffer] niet al op een eerder tijdstip is overleden. Op grond van de getuigenverklaringen stelt het hof vast dat [slachtoffer] is overleden tussen het moment dat [getuige 1] het pand aan de [adres] heeft verlaten op 2 januari 2010 na 11:30 uur en het moment dat [getuige 1] bij de buren van [adres] langs is geweest op 4 januari 2010 omstreeks 09:00 uur. Uit de verklaring van [getuige 2] in samenhang bezien met de aanhouding van [verdachte] in de Albert Heijn, kan immers worden geconcludeerd dat [getuige 1] het pand op 2 januari 2010 na 11.30 uur heeft verlaten en dat [slachtoffer] op dat moment nog in leven was.

Op grond van het neuropathologisch onderzoek stelt het hof vast dat de verdachte is overleden ten gevolge van een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, waardoor herseninklemming is ontstaan dat de dood heeft veroorzaakt. Dit letsel is ontstaan bij leven en is veroorzaakt door uitwendig mechanisch botsend geweld, zoals een val of een hevige slag op het hoofd. De ouderdom van de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies wordt door de neuropatholoog geschat op maximaal circa 1 doch niet meer dan 1,5 dag voor het overlijden.

Uitgaande van de vaststelling dat [slachtoffer] (in ieder geval) tussen 2 januari 2010 na 11:30 uur en 4 januari 2010 omstreeks 09:00 uur is overleden, en rekeninghoudend met de geschatte ouderdom van de bloeduitstorting (1 a 1.5 dag) gaat het Hof ervan uit dat het dodelijk letsel in ieder geval moet zijn toegebracht in de periode tussen 31 december 2009 om 23:30 uur en 3 januari 2010 omstreeks 09:00 uur.

Op 5 januari 2010 om 05:30 uur is het lijk geschouwd door lijkschouwer [lijkschouwer]. In dit verslag wordt vermeld dat het slachtoffer vermoedelijk op 3 of 4 januari 2010 is overleden. Geschat wordt dat het slachtoffer 20 tot 30 uren dood is op het moment van de schouwing. Op grond van deze bevindingen zou het slachtoffer zijn overleden tussen 3 januari 2010 om 23:30 uur en 4 januari 2010 om 9:30 uur. Ter zitting van 26 januari 2012 heeft deze deskundige echter verklaard dat de latere rapporten specifieker zijn, nauwkeuriger en boven zijn rapport gaan, omdat hem toen nog niet alle omstandigheden bekend waren.

Vervolgens heeft er een gerechtelijke schouwing plaatsgevonden door [arts-patholoog] op 6 januari 2010 tussen 13:00 uur en 17:00 uur. Nu zij ter terechtzitting van 9 maart 2012 heeft aangegeven dat uitgegaan moet worden van haar definitieve sectierapport, zal het hof het voorlopige sectierapport buiten beschouwing laten. In het definitieve sectierapport wordt een postmortale tijd geschat van bijvoorbeeld 2 tot 3 dagen. Op grond van deze bevindingen zou het slachtoffer zijn overleden tussen 3 januari 2010 om 13:00 uur en 4 januari 2010 om 17:00 uur. De deskundigen geven aan dat hun inschatting van de postmortale tijd slechts schattingen betreffen en dat de omstandigheden van het geval daarin ingepast moeten worden. De grenzen zijn dus niet absoluut. Het hof ziet gezien de verklaringen van beide deskundigen ([lijkschouwer] en [arts-patholoog]) ter terechtzitting, anders dan de verdediging, geen reden om meer waarde te hechten aan de geschatte postmortale tijd van de lijkschouwer [lijkschouwer]. Uitgaande van de door de deskundigen gegeven postmortale tijd en het gegeven dat de ouderdom van het dodelijk letsel door de neuropatholoog wordt geschat op circa 1 doch niet meer dan 1,5 dag voor het overlijden, moet het dodelijk letsel niet eerder zijn toegebracht dan op 2 januari 2010 om 01:00 uur. Uitgaande van de eerdere vaststelling dat het dodelijk letsel moet zijn toegebracht tussen 31 december 2009 om 23:30 uur en 3 januari 2010 om 09:00 uur, zijn de uitersten waarbinnen de fatale klap moet zijn toegebracht, op basis van zowel het tactisch als het deskundigenonderzoek, tussen 2 januari 2010 om 01:00 uur en 3 januari 2010 om 09:00 uur. Daarbij moet dan niet uit het oog worden verloren dat dit gebaseerd is op schattingen.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte [verdachte], medeverdachte [medeverdachte], het slachtoffer [slachtoffer], [getuige 2] en [getuige 1] van 1 januari 2010 tot in de ochtend van 2 januari 2010 in het pand aan de [adres] waren. Terwijl zij hier verbleven hebben er vier van elkaar te onderscheiden geweldsmomenten plaatsgevonden. Allereerst tussen [getuige 2] en [slachtoffer] (1e geweldsmoment), later tussen [verdachte] en [medeverdachte] enerzijds en [slachtoffer] anderzijds (2e geweldsmoment) en vervolgens twee maal tussen [verdachte] en [slachtoffer] (3e en 4e geweldsmoment). Hoewel het tijdpad door [getuige 2] niet goed meer kon worden weergegeven, doordat zij allen onder invloed van alcohol verkeerden, heeft dit zich naar zijn schatting afgespeeld tussen 18:00 uur op 1 januari 2010 en 03:00 uur op 2 januari 2010.

Uit de verklaring van [getuige 2] komt naar voren dat tijdens het derde en vierde geweldsmoment op de avond van 1 op 2 januari 2010 zwaar geweld is uitgeoefend door [verdachte] op het hoofd van [slachtoffer]. [verdachte] schopt [slachtoffer] in zijn gezicht, waardoor [slachtoffer] van zijn stoel op de grond valt en blijft liggen. Vervolgens geeft [verdachte] [slachtoffer] meerdere vuistslagen in het gezicht. Kort daarop loopt [verdachte] naar [slachtoffer] toe en stampt hij, naar [getuige 2] aanneemt, meermalen op het gezicht van [slachtoffer]. [getuige 2] kon zien dat [slachtoffer] op de grond lag en dat [verdachte] zijn been optrok en met kracht naar beneden bewoog. Hij heeft niet gezien dat de voet van [verdachte] in het gezicht of tegen het hoofd van het slachtoffer kwam, maar gezien de ligging van het slachtoffer en de plaats waar [verdachte] zijn been optrok en liet neerkomen, kon hij dat wel afleiden. [slachtoffer] is hierna niet meer opgestaan. Deze verklaring wordt deels ondersteund door de verklaring van [getuige 1]. Hij weet weliswaar niet exact aan te geven welke geweldshandelingen er zijn verricht, maar geeft aan dat [getuige 2] hierover kan verklaren. Wel komt uit zijn verklaring naar voren dat er hevig geweld is uitgeoefend door de verdachte op het slachtoffer.

Uit de verklaring van [getuige] komt ten slotte nog naar voren dat de verdachte die avond een dreigende houding had, waarbij hij slaan bewegingen maakte naar het slachtoffer. [getuige] werd daardoor bang en heeft het pand verlaten. Het verweer van de raadsman dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat de verdachte de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft verricht, in elk geval voor zover dit betreft het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer], wordt verworpen, nu het zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen.

Het hof is van oordeel dat voornoemde handelingen de dood van [slachtoffer] hebben veroorzaakt, nu uit het neuropathologisch onderzoek blijkt dat dergelijke geweldshandelingen op het hoofd het ontstaan van het fatale letsel kunnen verklaren. Op grond van het tactisch onderzoek staat niet precies vast wanneer dit letsel is toegebracht. Dit is in elk geval tussen 18:00 uur op 1 januari 2010 en 03:00 uur op 2 januari 2010 geweest. Zoals hiervoor overwogen moet op grond van het deskundigenonderzoek de fatale klap zijn toegebracht tussen 2 januari 2010 om 01:00 uur en 3 januari om 09:00 uur. Dat het overlijden van [slachtoffer] niet kan worden verklaard door de geweldshandelingen van de verdachte, zoals door de verdediging bepleit, omdat tijdstip van overlijden vanuit het deskundigenonderzoek niet zou stroken met de tactische bevindingen, is dan ook volgens het hof onjuist.

Het wonddateringsonderzoek maakt dit niet anders, nu de deskundige [klinisch patholoog] ter terechtzitting (van 8 juli 2010) heeft verklaard dat zijn bevindingen zeer wel kunnen stroken met die van het neuropathologisch onderzoek, gegeven het feit dat het koud was en het slachtoffer bewusteloos.

Voorts heeft deze deskundige ter terechtzitting van 30 augustus 2011 verklaard dat het hoofd het langst warm blijft, waardoor het beeld vanuit het wonddateringsonderzoek minder betrouwbaar zal zijn dan het beeld van de hersenen. Verder is nog belangrijk welk deel van de wond is onderzocht. Vanuit het centrum breidt die wond zich namelijk later uit, waardoor de randen van de wond een jonger beeld geven dan het centrum. Het is dus belangrijk de bevindingen van het wonddateringsonderzoek in te passen in het geheel van omstandigheden van dit individuele geval. Omdat in de forensische setting geen achtergrondinformatie wordt verstrekt, “kan het gebeuren dat de resultaten van mijn (hof: [klinisch patholoog]) onderzoek in de gegeven casus niet geheel betrouwbaar zijn”.

Ter terechtzitting van 9 maart 2012 heeft de deskundige [arts-patholoog] daarnaast nog verklaard dat een wonddaterinsonderzoek geen informatie kan geven over het tijdstip van overlijden. Dit onderzoek geeft slechts een schatting omtrent de ouderdom van letsels die bij leven zijn ontstaan en als dit niet klopt met de overige tactische bevindingen, moeten deze resultaten niet meegewogen worden om het tijdstip van overlijden vast te stellen. Het hof hecht dan ook geen waarde aan de resultaten van het wonddateringsonderzoek, nu dit onderzoek geen onderzoek naar postmortale tijd betreft en dit onderzoek geen informatie kan geven over het tijdstip van overlijden.

Al het voorgaande betekent dat het verweer van de verdediging over het ontbreken van causaal verband, zoals hierboven vermeld, wegens onmogelijkheid in de tijd wordt verworpen.

Alternatieve scenario’s

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat er voldoende realistische alternatieve scenario’s aanwezig zijn, waardoor niet kan worden geoordeeld dat het de verdachte moet zijn geweest die de fatale klap heeft uitgedeeld.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Gezien het voorgaande moet dit alternatieve scenario zich hebben afgespeeld tussen 2 januari 2010 om 11: 30 uur en 3 januari 2010 omstreeks 09:00 uur. Op het eerstgenoemde tijdstip heeft [getuige 1] immers pas het pand aan de [adres] verlaten en op basis van de deskundigenonderzoeken moet het fatale letsel zijn toegebracht vóór 3 januari 2010 omstreeks 09:00 uur. Het hof acht gezien al het voorgaande niet aannemelijk dat [slachtoffer] tengevolge van een val of door geweld buiten het derde en vierde geweldsmoment is overleden.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat er regelmatig vechtpartijen waren rondom het pand aan de [adres]. Het is daardoor mogelijk dat na de avond van 1 januari 2010 een andere vechtpartij heeft plaatsgevonden. Nergens blijkt echter enige betrokkenheid van [slachtoffer] bij deze vechtpartijen in de periode waarbinnen het fatale letsel moet zijn toegebracht. Alleen [buurvrouw 3] verklaart dat zij zeker weet dat zij [slachtoffer] buiten op straat heeft horen schreeuwen in de avond van 3 januari 2010. Buiten het feit dat zij [slachtoffer] slechts een gering aantal keren heeft horen praten, staat deze verklaring op zichzelf. Daarbij blijkt uit het deskundigenonderzoek dat de fatale klap vóór 3 januari 2010 om 09:00 uur heeft moeten plaatsvinden. Het hof acht het daarom onmogelijk dat [buurvrouw 3] het slachtoffer buiten heeft horen schreeuwen op de avond van 3 januari 2010. Het hof acht een alternatief scenario dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Gelet op de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] is daarnaast komen vast te staan dat [slachtoffer] na het derde geweldsmoment op de grond terecht is gekomen en is blijven liggen. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] verklaren dat [slachtoffer] nog steeds op de grond lag toen zij het pand verlieten in de ochtend van 2 januari 2010. Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt dat [slachtoffer] wellicht een klein stukje is versleept, maar hij lag nog steeds in de achterkamer. Uit die verklaringen blijkt verder dat [slachtoffer] nog is toegedekt. [slachtoffer] heeft die ochtend alleen nog zwaar geademd en gesnurkt, hetgeen volgens de deskundige [neuropatholoog] kan optreden in het proces van geleidelijke verstoring van het bewustzijn bij toenemende druk bij de hersenstam. [getuige 1] verklaart dat hij [slachtoffer] nog steeds op de grond zag liggen toen hij hem dood aantrof en ook getuige [buurvrouw 1] heeft het lichaam van [slachtoffer] op 4 januari 2010 toegedekt en liggend in de achterkamer aangetroffen.

Conclusie:

Op grond van al het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof bewezen dat [slachtoffer] is komen te overlijden ten gevolge van de geweldshandelingen van de verdachte tijdens het derde en vierde geweldsmoment, zoals door [getuige 2] verklaard (hierboven weergegeven op pagina 5), in de late avond/nacht van 1 op 2 januari 2010, te weten op 2 januari 2010 rond 1.00 uur.

De verdachte heeft het fatale letsel toegebracht door het schoppen, stompen en het stampen met zijn voet tegen het hoofd van [slachtoffer]. Zoals blijkt uit het neuropathologisch onderzoek van de deskundige [neuropatholoog], is [slachtoffer] ten gevolge hiervan 1 a 1.5 dag later overleden, derhalve in de loop van 3 januari 2010.

Dit past eveneens in de uitkomsten van het tactisch onderzoek en de resultaten van de schouwing van de deskundige [arts-patholoog], van welke resultaten het hof uitgaat, in aanmerking genomen dat nog rekening gehouden dient te worden met de externe factoren. Deze resultaten stroken met de bevindingen van de lijkschouwer [lijkschouwer], doch zijn nauwkeuriger en definitief vastgesteld.

Medeplegen

Het hof is van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte het geweld dat het fatale letsel heeft veroorzaakt, samen met de medeverdachte [medeverdachte] heeft toegepast. Het hof gaat er immers vanuit dat het fatale letsel in het derde en vierde geweldsmoment is toegebracht en niet is komen vast te staan dat [medeverdachte] feitelijk heeft meegedaan aan dit geweld. Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt juist dat, nadat [slachtoffer] op de grond viel, ook [medeverdachte] zei dat [verdachte] [slachtoffer] met rust moest laten. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte] zich nog voldoende heeft gedistantieerd, ondanks het gezamenlijk optreden tevoren en de volgende ochtend, zodat geen sprake is van medeplegen van doodslag. Het hof acht het hierbij van belang dat het slachtoffer na het tweede geweldsmoment weer is opgestaan en heeft gepraat. Daarna is door de verdachte fors geweld toegepast tegen het hoofd van het slachtoffer, waarna het slachtoffer niet meer is opgestaan.

Opzet

Het hof is van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is waarin vitale organen, zoals de hersenen, zich bevinden en dat geweld tegen het hoofd fatale gevolgen kan hebben. Met het toepassen van fors geweld tegen het hoofd, zoals stompen, stampen en schoppen, bestaat de aanmerkelijke kans dat letsel wordt toegebracht dat uiteindelijk tot de dood kan leiden. De verdachte heeft deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard door krachtig uitwendig inwerkend botsend geweld op/tegen het hoofd van [slachtoffer] uit te oefenen.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen

Ter terechtzitting heeft de raadsman verzocht, mocht het hof de verklaringen van [getuige 1] voor de bepaling van het tijdstip van overlijden tot het bewijs bezigen, hem als getuige te doen horen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Met de verdediging heeft het hof aangenomen (proces-verbaal 9 maart 2012) dat [getuige 1] op 4 januari 2010 voor het eerst aan de deur is geweest bij de buren van [adres] om te vertellen dat er een lijk in het pand aan de [adres] lag. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de buren van het pand aan de [adres]. Nu het hof de verklaringen van [getuige 1] voor de bepaling van het tijdstip van overlijden voor het overige niet voor het bewijs zal bezigen, zal dit verzoek worden afgewezen.

Mocht de raadsman hebben bedoeld de getuige [getuige 1] nog op andere punten te horen, dan is deze getuige bij de politie en de rechter-commissaris gehoord in het bijzijn van de verdediging en is door de raadsman niet aangegeven op welke punten hij deze getuige nog nader wenst te horen.

De raadsman heeft voorts verzocht, mocht het hof tot een bewezenverklaring komen, de getuige [naam], de vriendin van de bewoner van de [adres], als getuige te doen horen. Naar aanleiding van het eerder gedane verzoek van de raadsman om deze getuige ter terechtzitting op te roepen, is door de advocaat-generaal aan de politie opdracht gegeven de getuige telefonisch te bevragen om na te gaan of zij iets zou kunnen verklaren over de gebeurtenissen rond de lijkvinding dan wel de vechtpartijen op straat in de buurt van het kraakpand in de [adres] begin januari 2010. In het proces-verbaal van bevindingen hieromtrent van 18 juni 2012 staat als verklaring van haar vermeld dat zij in de nacht voorafgaand dat de politie bij haar aan de deur is geweest (het hof begrijpt uit het dossier (dossierpagina A 0030 e.v.) dat de politie op 5 januari 2010 te 22.35 uur aan de deur is geweest), ergens wakker van is geworden, maar dat zij geen daadwerkelijke waarnemingen had gedaan. Hier wenst de raadsman nadere vragen over te stellen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Gelet op voornoemd proces-verbaal van bevindingen acht het hof het niet noodzakelijk de getuige [naam] te horen. Nu [getuige 1] op 4 januari 2010 in de ochtend bij de buren heeft gemeld dat [slachtoffer] dood was, kan enige gebeurtenis in de nacht voorafgaand aan 5 januari 2010, te weten de nacht van 4 op 5 januari 2010 voor deze zaak verder niet van belang zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij in de periode van 1 januari 2010 tot 4 januari 2010 te [plaats], in perceel [adres] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet krachtig uitwendig inwerkend botsend geweld op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] uit geoefend, waardoor die [slachtoffer] herseninklemming heeft opgelopen tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het primair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft – kennelijk als uitvloeisel van een dronkemansruzie- het slachtoffer, met wie hij in een kraakpand alcohol aan het drinken was, zodanig ernstig mishandeld dat het slachtoffer ten gevolge daarvan uiteindelijk is overleden. De verdachte heeft zich hierna niet meer om het slachtoffer bekommerd en hem gewond achtergelaten in de woning, waarin beiden toen verbleven. Wellicht was het voor het slachtoffer anders afgelopen wanneer hem de volgende ochtend van 2 januari 2010 adequate medische hulp was geboden. De verdachte heeft met zijn handelen op een brute wijze een einde gemaakt aan het leven van een drieëntwintigjarige jongeman die nog een toekomst voor zich had. Bovendien heeft hij de nabestaanden van het slachtoffer hun dierbare ontnomen en daarmee onherstelbaar leed toegebracht. Uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer blijkt wat de gevolgen voor haar zijn. Het hof rekent de verdachte het bovenstaande zeer zwaar aan.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 februari 2012 is de verdachte niet eerder in Nederland veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

het in beslag genomen voorwerp onder nummer 1 van de beslaglijst die als bijlage 1 aan dit arrest is gehecht.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. B.F. de Poorter en mr. M.M.H.P. Houben, in tegenwoordigheid van N. de Visser, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 juli 2012.