Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX5412

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
200.093.446-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verlenging partneralimentatie. “Oud geval”, art. II lid 2 Wet limitering alimentatie na scheiding van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 1 mei 2012 in de zaak met zaaknummer 200.093.446/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. G.F. de Graaf te Alkmaar,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A. Hijner te Alkmaar.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 6 september 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 juni 2011 van de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 123581/FA RK 10-938.

1.3. De man heeft op 31 oktober 2011 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 16 januari 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.6. De advocaat van de man heeft het hof bij brief van 9 februari 2012 bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en heeft verzocht om een eindbeslissing in het hoger beroep. De advocaat van de vrouw heeft dit bij brief van 10 februari 2012 bevestigd.

2. De feiten

2.1. Partijen [in] 1974 gehuwd. Hun huwelijk is op 9 mei 1984 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 april 1984 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind A] [in] 1979 en [kind B] [in] 1981.

Het hof zal, voor zover hierna bedragen worden genoemd, deze telkens afronden, tenzij anders vermeld.

2.2. Bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van 1 november 1988 is bepaald dat de man aan de vrouw een uitkering in haar levensonderhoud dient te betalen van ƒ 200,- (€ 90,76) per maand met ingang van 1 januari 1988 (in 2012 als gevolg van indexering inmiddels € 159,36).

2.3. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1947. Zij is alleenstaand.

Zij ontvangt met ingang van 4 juni 1996 een uitkering op grond van de WAO op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Deze uitkering bedraagt thans € 1.429,41 bruto per maand.

Vanaf haar 65ste levensjaar ([in] 2012) ontvangt zij een AOW-uitkering van € 913,91 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

Haar inkomen bedroeg in 1987 in totaal € 9.170,- bruto, waaronder € 6.069,- uit arbeid aan de Europese school, € 1.546,- aan uitkeringen van de bedrijfsvereniging en € 1.146,- aan bijstandsuitkering van de Gemeentelijke Sociale Dienst Bergen.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is - met wijziging van de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 1 november 1988 - bepaald dat de in die beschikking vastgestelde verplichting van de man een uitkering in het levensonderhoud van de vrouw te betalen, zal eindigen met ingang van 1 maart 2012 en dat de termijn na ommekomst daarvan niet voor verlenging vatbaar is.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man om de bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van 1 november 1988 vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, primair vanaf 9 mei 1999, althans subsidiair op een door de rechtbank te bepalen termijn en datum gelegen kort na 9 mei 1999, doch in ieder geval ruimschoots voor 1 oktober 2010, als beëindigd te verklaren en de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot haar levensonderhoud zal doorlopen tot 1 april 2027, dan wel tot een datum die het hof juist zal achten alsmede te bepalen dat deze termijn na ommekomst ervan voor verlenging vatbaar is.

3.3. De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De vrouw betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de verplichting van de man een uitkering tot haar levensonderhoud te betalen zal eindigen met ingang van 1 maart 2012 en dat de termijn na ommekomst daarvan niet voor verlenging vatbaar is.

Zij voert hiertoe onder meer aan dat zij - anders dan de rechtbank heeft aangenomen - geen recht kan doen gelden op een gedeelte van het ouderdomspensioen van de man. Partijen zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd, waarbij iedere gemeenschap is uitgesloten. Omdat de echtscheiding van partijen voor 30 april 1995 is ingeschreven is niet de Wet verevening Pensioenrechten van toepassing. Een andere grondslag voor verdeling of verevening van het ouderdomspensioen van de man is evenmin aanwezig, nu de regels die door de Hoge Raad zijn gegeven in zijn arrest in de zaak Boon/Van Loon uitsluitend zien op pensioen dat in een huwelijksgemeenschap is gevallen, waarvan hier geen sprake is.

Daarnaast heeft de rechtbank volgens de vrouw geen rekening gehouden met het feit dat de vrouw, wanneer zij 65 jaar wordt, geen recht heeft op een volledige AOW-uitkering omdat zij zich op latere leeftijd in Nederland heeft gevestigd. Zij heeft evenmin recht op een buitenlandse oudedagsvoorziening.

Tevens meent zij dat de rechtbank ten onrechte in de bestreden beschikking heeft opgenomen dat bij een beslissing over een beëindiging van de onderhoudsbijdrage volgens de vrouw kan worden aangesloten bij de datum waarop zij 65 jaar wordt. Het is niet haar bedoeling geweest dat de onderhoudsverplichting van de man per die datum beëindigd zou worden. Gelet op het feit dat zij geen recht heeft op pensioenverrekening en omdat zij geen volledige AOW-uitkering zal ontvangen, is het niet redelijk dat bij de beëindiging van de onderhoudsverplichting wordt aangesloten bij de datum waarop zij 65 jaar wordt. Alsdan bedraagt haar inkomensterugval meer dan 10%.

Bovendien had de rechtbank - aldus de vrouw - bij haar beoordeling van het verzoek van de man nog de omstandigheden moeten betrekken dat partijen tijdens het huwelijk een traditionele rolverdeling hadden, dat de vrouw na de scheiding als enige de kinderen heeft verzorgd, dat zij geen recht heeft gehad op verrekening van het vermogen van de man en dat zij geen eigen vermogen heeft. Op grond van het voorgaande verzoekt zij de alimentatieverplichting van de man te verlengen tot 1 april 2027 en te bepalen dat de verplichting na ommekomst van deze termijn voor verlenging vatbaar is.

4.2. De man betwist niet dat hij over voldoende draagkracht beschikt om de bij beschikking van 1 november 1988 vastgestelde uitkering te (blijven) betalen. Hij stelt zich echter op het standpunt dat de door de vrouw gestelde behoefte aan alimentatie niet meer in enigerlei verband staat met het ontbonden huwelijk. Wat betreft de door de vrouw aangevoerde argumenten wijst hij allereerst op een opgave van het ABP van 22 september 2010, waarin staat dat de voorwaardelijke (pensioen)uitkering voor de vrouw een bedrag van € 836,80 bruto per jaar bedraagt. Hij is ervan uitgegaan dat de vrouw recht had op voornoemd bedrag. Mocht dat niet zo zijn, dan is hij bereid het bedrag toe te kennen aan de vrouw onder de voorwaarde dat zij ondubbelzinnig bevestigt dat zij met deze voorwaardelijke uitkering instemt en zal berusten in de beschikking van de rechtbank.

Verder kan de omstandigheid dat de vrouw geen volledige AOW-uitkering zal ontvangen - aldus de man - niet aan hem worden tegengeworpen. Uit de jurisprudentie en wetgeving blijkt dat alimentatie eindig dient te zijn. De onderhoudsplicht is in duur beperkt teneinde een grens aan te geven tussen de privaatrechtelijke verplichting en de publieke zorg. Het is niet gerechtvaardigd dat de onderhoudsplicht na het huwelijk ongelimiteerd blijft bestaan, aldus de man.

De man is voorts van mening dat de vrouw haar verdiencapaciteit onvoldoende heeft benut. Volgens hem waren er vanaf 1993 (toen het jongste kind 12 jaar was geworden) geen bijzondere omstandigheden die verhinderden dat de vrouw op meer passende wijze deel kon nemen aan het arbeidsproces of zich daarop door een passende opleiding kon voorbereiden. Het huwelijk van partijen heeft de verdiencapaciteit van de vrouw volgens hem niet negatief beïnvloed.

Tot slot voert de man aan dat de inkomensachteruitgang aan de zijde van de vrouw als gevolg van het wegvallen van de alimentatie onder deze omstandigheden niet als zo ingrijpend valt aan te merken dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar gevergd kan worden, met name niet wanneer de vrouw instemt met de door de man gestelde voorwaarden op grond waarvan zij € 70,- per maand zal kunnen meedelen in het pensioen van de man.

4.3. Het hof stelt allereerst vast dat de terugval in inkomen voor de vrouw in geval van beëindiging van de alimentatie, gelet op haar zeer lage inkomen, ingrijpend is. Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden of beëindiging van de onderhoudsverplichting van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Naar vaste rechtspraak moeten hoge motiveringseisen worden gesteld aan beslissingen die het recht op alimentatie met toepassing van het hier toepasselijke art. II lid 2 Wet limitering alimentatie na scheiding definitief doen eindigen, waarbij alle relevante omstandigheden, zowel aan de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw, in aanmerking moeten worden genomen. Bij de beoordeling daarvan zijn in ieder geval de volgende omstandigheden van belang:

a) de leeftijd van degene die tot uitkering gerechtigd is,

b) de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren,

c) de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed, en

d) de omstandigheid dat de tot uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot uitkering is gehouden.

4.4. Het hof overweegt als volgt.

De man en de vrouw zijn in 1974 gehuwd. Uit het huwelijk, dat bijna 10 jaar heeft geduurd, zijn twee kinderen geboren. De kinderen hebben na de echtscheiding, totdat zij meerderjarig waren, bij de vrouw gewoond.

De vrouw heeft na de echtscheiding in eerste instantie alle tijd aan de verzorging en opvoeding van de kinderen besteed. Zij heeft in een later stadium getracht inkomsten uit arbeid te verwerven, hetgeen haar in beperkte mate is gelukt tot zij ziek werd in 1996. Zij leed aan een in een laat stadium gediagnosticeerde ernstige parasitaire infectie. Zij ondervindt nog steeds de gevolgen hiervan. Daarnaast hebben problemen in de opvoeding van de kinderen gedurende een lange periode veel tijd en aandacht van de vrouw gevraagd. De medische klachten en psychische problemen van de vrouw hebben ertoe geleid dat zij in de Ziektewet is geraakt en uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt is verklaard.

Het hof is op grond van de stukken en het ter terechtzitting verhandelde van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw na beëindiging van het huwelijk over onvoldoende mogelijkheden beschikte om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten en door middel van inkomsten uit arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat zij daarin niet geslaagd is, is haar niet aan te rekenen, gelet op haar familieomstandigheden en gezondheid. Mede hierdoor alsmede gelet op haar leeftijd is zij ook thans niet in staat om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De vrouw heeft als gevolg hiervan geen pensioen kunnen opbouwen. Daarnaast heeft zij geen recht op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de man dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Dat de man bereid is haar dit gedeelte toe te kennen onder door hem gestelde voorwaarden is geen op zichzelf staand recht, maar komt in wezen neer op voorzetting van verstrekking van levensonderhoud aan de vrouw. Voorts beschikt zij niet over enig vermogen. Haar inkomen bestond tot [in] 2012, de datum waarop zij 65 jaar is geworden, uit haar WAO-uitkering en de alimentatie van de man. Met ingang van [in] 2012 is haar inkomen aanzienlijk verminderd, gelet op het feit dat zij met ingang van die datum geen WAO, maar een (gekorte) AOW uitkering ontvangt.

4.5. Gelet op het voorgaande acht het hof algehele beëindiging van de onderhoudsverplichting voor de vrouw van zo ingrijpende aard dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar gevergd kan worden. Het hof zal het verzoek van de vrouw om de termijn van de onderhoudsverplichting van de man te verlengen derhalve toewijzen. Het hof zal daarbij de door de vrouw genoemde datum van 1 april 2027 hanteren, nu de man tegen die datum op zich geen verweer heeft gevoerd. Het hof laat hierbij meewegen dat de draagkracht van de man niet ter discussie staat. Zijn enkele stelling dat hij bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd 33 % in inkomen is achteruit gegaan, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu hij ter zitting in hoger beroep heeft toegegeven nog steeds over voldoende draagkracht te beschikken.

Gelet op de leeftijd van de vrouw en haar financiële toekomstperspectief zal het hof voorts bepalen dat de onderhoudsverplichting na ommekomst van deze termijn voor verlenging vatbaar is.

4.6. Het hof zal niet ingaan op het bij zijn verweerschrift gedane bewijsaanbod van de man, reeds nu dit aanbod ongespecificeerd is.

4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarin is bepaald dat verplichting van de man een uitkering in het levensonderhoud van de vrouw te betalen met ingang van 1 maart 2012 wordt beëindigd, en in zoverre opnieuw rechtdoende;

verlengt de in de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 1 november 1988 vastgelegde verplichting van de man een uitkering in het levensonderhoud van de vrouw te betalen tot 1 april 2027;

bepaalt dat na ommekomst van deze termijn verlenging mogelijk is;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, A.R. Sturhoofd en M.E. Burger in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2012.