Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX5389

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
200.094.307-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek moeder (wederom) te belasten met gezag toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 6 maart 2012 in de zaak met zaaknummer 200.094.307/01 van:

1. […],

2. […],

wonende te […],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. C.M.C. Laumanns te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. E.K.G.M. Martens te Venlo.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellanten worden hierna respectievelijk de grootvader en de grootmoeder, alsmede gezamenlijk de grootouders genoemd. Geïntimeerde wordt hierna de moeder genoemd.

1.2. De grootouders zijn op 20 september 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 21 juni 2011 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 163536/09 3847, 165042/09 1509 en 171290/10 810.

1.3. De grootouders hebben op 23 september 2011 de stukken in eerste aanleg en op 5 oktober 2011 nadere stukken ingediend.

1.4. De moeder heeft op 8 november 2011 een verweerschrift ingediend.

1.5. De zaak is op 11 januari 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

-de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat, die tevens optrad voor de grootvader;

-de moeder, bijgestaan door haar advocaat en mr. H. Jansen, advocaat te Venlo;

-mevrouw K.E. Oosterhof, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad);

-mevrouw E. Verberne (hierna: de gezinsvoogd), namens Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, Team Opperdan (hierna: BJAA).

1.7. De grootvader en de heer [x] (hierna: de vader) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2. De feiten

2.1. De moeder en de vader hebben een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [het kind]) [in] 2005. De vader heeft [het kind] erkend. Vanaf de geboorte had de moeder alleen het gezag over haar. [het kind] verblijft sinds augustus 2005 bij de grootouders, die de ouders van de vader zijn.

2.2. De ouders kampten ten tijde van de geboorte van [het kind] met verslavingsproblematiek. [het kind] is vlak na haar geboorte onder toezicht gesteld. In het kader van de ondertoezichtstelling is [het kind] uit huis geplaatst, aanvankelijk in een babygroep van Altra Jeugdhulpverlening en vervolgens bij de grootouders.

2.3. Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem van 8 maart 2007 is, op verzoek van de Raad, BJAA benoemd tot tijdelijk voogdes over [het kind].

2.4. De moeder is in de periode van 18 mei 2006 tot april 2008 in Venezuela en in de periode van april 2008 tot 7 augustus 2008 in Nederland gedetineerd geweest wegens drugshandel. Na haar detentie heeft de moeder enige tijd verbleven bij Exodus, een woonproject voor ex gedetineerden. Eind mei 2009 is de moeder zelfstandig gaan wonen samen met [dochter], het [in] 2006 geboren zusje van [het kind]. Sedert januari 2009 is er weer contact tussen de moeder en [het kind].

2.5. Bij beschikking van 23 maart 2010, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank de Raad gelast onderzoek te verrichten naar – onder meer – de vraag of de belangen van [het kind] zouden worden verwaarloosd indien de moeder in het gezag over [het kind] wordt hersteld. De Raad heeft hieromtrent op 30 juni 2010 rapport uitgebracht en de rechtbank geadviseerd de moeder te herstellen in het gezag over [het kind]. De Raad heeft bij brieven van 6 april 2011, 13 april 2011 en 20 april 2011 voormelde rapportage aangevuld.

2.6. Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat [het kind] en de moeder gerechtigd zijn één weekend in de veertien dagen omgang met elkaar te hebben, waarbij de moeder [het kind] aan het begin van het weekend bij de grootouders ophaalt en de grootouders [het kind] aan het eind van het weekend bij de moeder ophalen, alsmede de helft van de schoolvakanties. Voorts is op het verzoek van de Raad [het kind] onder toezicht gesteld van BJAA en machtiging verleend tot plaatsing van [het kind] in een netwerkgezin met ingang van 21 juni 2011 tot 21 juni 2012. Voor zover de grootouders hebben bedoeld te verzoeken om aan hen vervangende toestemming te verlenen om met [het kind] te verhuizen naar Spanje, is dat verzoek afgewezen. Voorts kwam de rechtbank niet toe aan een verzoek van BJAA tot toestemming voor plaatsing van [het kind] in het buitenland op grond van artikel 1:306 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. In eerste aanleg, voor zover thans van belang, heeft de moeder verzocht haar weer met het gezag over [het kind] te belasten en hebben de grootouders verzocht te bepalen dat zij worden belast met de voogdij over [het kind].

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, naast de hiervoor onder 2.6 vermelde beslissingen, BJAA ontslagen uit de tijdelijke voogdij over [het kind] en de moeder belast met het gezag over [het kind].

3.2. De grootouders verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, hun inleidend verzoek tot gezamenlijke voogdij over [het kind] alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de moeder en de Raad in de kosten van het geding.

3.3. De moeder verzoekt, naar het hof begrijpt, de grootouders niet ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, althans het door hen verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de grootouders in de kosten van deze procedure.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Voor zover de grootouders ter zitting in hoger beroep hebben verzocht tevens te bepalen dat [het kind] woonplaats zal hebben bij de grootouders en het pleeggezin van de grootouders een perspectief biedend pleeggezin is, alsmede dat de bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling zal worden beperkt, in die zin dat de vóór de bestreden beschikking bestaande omgangsregeling zal worden hersteld, gaat het hof aan die verzoeken voorbij. Dit geldt evenzeer voor het ter zitting in hoger beroep gedane subsidiaire verzoek tot benoeming van BJAA als voogdes over [het kind]. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt de in beginsel strakke regel dat een partij, behoudens ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij, geen nieuw verzoek mag indienen na de door de wet daartoe aangewezen gelegenheid, zijnde in het onderhavige geval het beroepschrift. De moeder heeft zich uitdrukkelijk verzet gevoerd tegen het in dit stadium nog doen van voormelde verzoeken. Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om op grond van de aard van de procedure een uitzondering op voornoemde hoofdregel te aanvaarden.

4.2. Anders dan de moeder stelt, is het hof van oordeel dat uit het beroepschrift van de grootouders voldoende duidelijk blijkt op welke gronden zij menen dat de door hen bestreden beschikking onjuist is. Het beroepschrift bevat derhalve de gronden waarop het beroep berust en voldoet daarmee aan het bepaalde in artikel 359, gelezen in samenhang met artikel 278, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de grootouders niet ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep.

4.3. De grootouders stellen – zakelijk weergegeven – dat de moeder ten onrechte wederom met het gezag is belast en onvoldoende is komen vast te staan dat [het kind] wederom aan de moeder mag worden toevertrouwd. De moeder heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.4. De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De aanleiding voor de benoeming van BJAA tot tijdelijk voogdes bestaat thans niet meer en [het kind] zal geen ernstig nadeel ondervinden van de beslissing de moeder wederom met het gezag te belasten, temeer omdat de plaatsing van [het kind] bij de grootouders is gewaarborgd.

4.5. Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de rechtbank terecht en op goede gronden de moeder wederom met het gezag heeft belast. In dit kader dient te worden beoordeeld of [het kind] wederom aan de moeder mag worden toevertrouwd.

4.6. Ingevolge artikel 1:253r lid 1 BW is het bepaalde in artikel 1:253q BW van overeenkomstige toepassing, indien:

a. één of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of

b. het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is.

Ingevolge het tweede lid is het gezag dat aan één of beide ouders toekomt, geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet.

Genoemde overeenkomstige toepassing betekent dat ingevolge artikel 1:253q lid 3 BW de rechtbank in die gevallen de andere ouder met het gezag belast, tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. Alsdan benoemt zij een voogd.

Ingevolge het vijfde lid wordt, voor zover hier van belang, de in het derde lid eerstgenoemde ouder, wanneer de grond van zijn onbevoegdheid is vervallen, op zijn verzoek, wederom met het gezag belast, indien de rechtbank overtuigd is dat het kind wederom aan de ouder mag worden toevertrouwd.

4.7. Het hof stelt voorop dat het hoger beroep er mede toe strekt fouten en omissies in eerste aanleg, te herstellen. Voor zover de grootouders betogen dat zij in eerste aanleg zijn benadeeld in hun processuele mogelijkheden omdat zij niet over alle door de moeder ingebrachte stukken beschikten, behoeft deze grief geen verdere bespreking. Gebleken is immers dat de grootouders thans in hoger beroep kennis hebben kunnen nemen van die stukken, nu deze door de moeder als productie 9 bij haar verweerschrift in het geding zijn gebracht.

4.8. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder in het verleden feitelijk in de onmogelijkheid verkeerde het gezag uit te oefenen. De moeder, die als enige het gezag had, was ten tijde van voormelde beschikking van 8 maart 2007 gedetineerd in Venezuela. Deze omstandigheden doen zich thans niet meer voor. Hieruit volgt dat de grond waarop destijds het gezag van de moeder van rechtswege was geschorst, is komen te vervallen.

Thans dient het hof op grond van het bepaalde in artikel 253q lid 5 BW te beoordelen of [het kind] wederom aan de moeder mag worden toevertrouwd. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

Het hof acht – evenals de Raad en BJAA – van belang dat [het kind] vanaf zeer jonge leeftijd bij de grootouders verblijft en aldaar veilig is gehecht. Anders dan de grootouders acht het hof niet aannemelijk dat de stabiele en veilige opvoedingssituatie van [het kind] bij de grootouders zal worden ondermijnd, indien de moeder wederom met het gezag zou worden belast. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat bij de bestreden beschikking [het kind] tevens onder toezicht is gesteld en voorts een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een netwerkpleeggezin – te weten dat van de grootouders – is verleend en de moeder daarvan niet in hoger beroep is gekomen. Voorts heeft de moeder tijdens de procedure uitdrukkelijk en bij herhaling verklaard dat zij niet voornemens is om [het kind] uit haar vertrouwde omgeving bij de grootouders weg te halen. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder te kennen gegeven dat het goed gaat met [het kind] en dat zij op haar plek is bij de grootouders. De grootmoeder heeft dit ter zitting in hoger beroep bevestigd.

Gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof de stelling van de grootouders dat de moeder de belangen van [het kind] niet voorop stelt, evenmin aannemelijk geworden. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de moeder meewerkt aan de hulpverlening door BJAA en dat zij een psychologisch onderzoek van [het kind] door De Bascule van belang acht. De gezinsvoogd heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat door De Bascule zal worden onderzocht waar het heftige gedrag dat [het kind] tweemaal tijdens de omgang met de moeder vertoonde, vandaan komt en of sprake is van loyaliteitsproblematiek. Het hof overweegt in dit verband dat het ontstaan van een loyaliteitsconflict bij [het kind] met alle mogelijke inspanningen van alle betrokkenen dient te worden voorkomen, dan wel gezamenlijk dient te worden aangepakt.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het belang van [het kind] zich er niet tegen verzet, wanneer de moeder wederom met het gezag zal worden belast. De stelling van de grootouders dat zij voor alle gezagsbeslissingen toestemming van de moeder behoeven en, gelet op de moeizame onderlinge communicatie, de grootouders en de moeder ter zake niet tot overeenstemming zullen komen, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu het hof bij de huidige stand van zaken geen aanleiding ziet te veronderstellen dat de moeder bij het nemen van gezagsbeslissingen niet in het belang van [het kind] zal handelen.

4.9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van de grootouders faalt. Gelet op de aard van de zaak is er onvoldoende aanleiding om hen te veroordelen in de proceskosten, zoals door de moeder is verzocht. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

4.10. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen Gunst, A. van Haeringen en A.V.T. de Bie in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2012.