Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX4797

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
200.088.167/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stallingsovereenkomst. Een busje wordt gestolen uit een door een stallingsbedrijf voor stalling gebruikte kas. De eigenaar spreekt het stallingsbedrijf aan op de schade wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de stallingsovereenkomst. Het hof verstrekt een bewijsopdracht over de vraag of de algemene voorwaarden, waarin staat vermeld dat de eigenaar verplicht is het gestalde object tegen diefstal te verzekeren, ter hand zijn gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2013/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.088.167/01

26 juni 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. J.P. de Man te Rotterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABC STALLING AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.W. Ebbink te Haarlem.

De partijen worden hierna [appellant] en ABC Stalling genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Bij dagvaarding van 23 mei 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2009 en 2 maart 2011, in deze zaak onder

zaak-/rolnummer 410804 / HA ZA 08-2946 gewezen tussen (onder meer) hem als eiser en ABC Stalling als gedaagde.

1.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes grieven tegen de vonnissen aangevoerd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, naar het hof verstaat, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis zal vernietigen en alsnog, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, ABC Stalling zal veroordelen tot betaling van € 32.500,00, althans een door het hof te bepalen bedrag aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten van € 1.788,00, althans een door het hof te bepalen bedrag, en tot terugbetaling van € 2.270,50 als het bedrag dat [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis van 2 maart 2011 aan ABC Stalling heeft betaald, met veroordeling van ABC Stalling in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3 Bij memorie van antwoord heeft ABC Stalling de grieven bestreden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof de vonnissen zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep.

1.4 [appellant] heeft op 20 december 2011 een gedingstuk met producties genomen en daarbij zijn eis verminderd. Hierop heeft ABC Stalling gereageerd bij gedingstuk van

17 januari 2012.

1.5 Op 29 mei 2012 is een aanvullende productie van de zijde van [appellant] binnengekomen. Bij H-formulier van 29 mei 2012 is zijdens ABC Stalling bezwaar ertegen gemaakt dat deze productie in het geding wordt gebracht.

1.6 Op 5 juni 2012 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. C.N. Vethanayagam, advocaat te Rotterdam, en ABC Stalling door haar in de kop van dit arrest vermelde advocaat. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnota's die zij hebben overgelegd. De advocaat van [appellant] heeft ten pleidooie de eis verminderd. Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 De rechtbank heeft in het vonnis van 17 juni 2009 onder rov. 2.2 tot en met 2.9 een aantal feiten vastgesteld. Die feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2 Tussen partijen staat het volgende vast.

a. ABC Stalling voert een stallingsbedrijf dat tegen vergoeding de opslag van auto's, caravans, boten en motoren verzorgt in een kas gelegen aan de Osdorperweg te Amsterdam.

b. [appellant] is eigenaar van een bestelbusje. Hij gebruikte het om in de zomermaanden naar Marokko te reizen. De rest van het jaar maakt hij gebruik van zijn personenauto.

c. [appellant] heeft een stallingsovereenkomst met ABC Stalling gesloten. Hij is schriftelijk met ABC Stalling overeengekomen dat hij zijn Volkswagen Multivan 2,5 TDI Caravalle 2,5 met kenteken [nummer] (dit is het hiervoor onder rov. 2.2 sub b bedoelde busje) vanaf 12 september 2005 gedurende een jaar bij ABC Stalling mocht stallen tegen betaling van het normale tarief van € 250,00 minus € 50,00 korting, hetgeen uitkomt op € 200,00. Deze overeenkomst is telkens stilzwijgend met een jaar verlengd.

d. In de schriftelijke overeenkomst is onder meer vermeld:

"? eigenaar stallingsobject verklaart bekend te zijn met de stallingsvoorwaarden en is per tekening hiermee accoord."

Deze vermelding wordt hierna aangeduid als: het bekendheidsbeding. Op het in het geding gebrachte afschrift van de schriftelijke overeenkomst is het hokje voor het bekendheidsbeding aangekruist.

e. In de door ABC Stalling gehanteerde algemene voorwaarden is onder meer opgenomen:

"STALLINGSVOORWAARDEN

(...)

4 Aansprakelijkheid en verzekering

• Huurder is verplicht het ter stalling aangeboden object WA en casco te verzekeren."

f. De werkwijze van ABC Stalling is als volgt. Als de eigenaar zijn auto wil brengen of ophalen, dient hij dit vierentwintig uur van tevoren bij ABC Stalling te melden, waarna de eigenaar op het gemelde tijdstip zijn auto kan ophalen/brengen. Een medewerker van ABC Stalling rijdt de auto in en uit de kas en kiest een plaats in de kas om de auto te stallen. Indien nodig worden de auto's gedurende de stallingsperiode door een medewerker verplaatst. De eigenaren van de te stallen auto's dienen hiertoe een exemplaar van de sleutels van het voertuig gedurende de stallingsperiode bij ABC Stalling achter te laten. Deze sleutels worden door ABC Stalling bewaard in een kluis, die zich bevindt in de stallingsruimte. Er is niet permanent personeel in de kas aanwezig en de kas is niet bewaakt met camera's of voorzien van een alarminstallatie. ABC Stalling is niet verzekerd voor brandschade aan en/of diefstal van de auto's.

g. Tussen 18.00 uur op 14 mei 2008 en 6.30 uur op

15 mei 2008 is in de kas ingebroken en is onder meer het busje van [appellant] wederrechtelijk uit de stalling weggenomen. De kluis waarin de sleutels werden bewaard, is na de diefstal open aangetroffen met aan de voorzijde tussen beide deuren braaksporen.

h. [appellant] en ABC Stalling hebben bij de politie aangifte gedaan van de diefstal. Er heeft geen technisch politieonderzoek naar de inbraak plaatsgevonden.

2.3 Aan de vordering van [appellant] is de stelling ten grondslag gelegd dat ABC Stalling toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de stallingsovereenkomst en dat [appellant] daardoor het gevorderde bedrag aan schade heeft geleden.

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis van 17 juni 2009 (hierna: het tussenvonnis) drie bewijsopdrachten aan

[appellant] verstrekt. Bij het bestreden vonnis van

2 maart 2011 (hierna: het eindvonnis) heeft zij geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in de eerste twee bewijsopdrachten en dat daarom moet worden aangenomen dat ABC Stalling heeft voldaan aan haar zorgplicht. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Tegen die afwijzing is het hoger beroep gericht.

2.4 [appellant] heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat de stallingsovereenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst van bewaarneming. ABC Stalling heeft dat standpunt in eerste aanleg bestreden. Nu dit van belang kan zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering zal het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep eerst dit geschilpunt beoordelen.

2.5 Bewaarneming is de overeenkomst waarbij de ene partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de bewaargever, verbindt, een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven. De hiervoor in rov. 2.2 sub f weergegeven afgesproken werkwijze bij het brengen en ophalen van het busje, waaronder de omstandigheid dat een sleutel van het busje aan ABC Stalling moest worden afgegeven, wijst erop dat de auto aan ABC Stalling werd toevertrouwd en dat de hoofdverplichting van ABC Stalling niet alleen het bewaren betrof, maar ook het teruggeven. Bij de beoordeling of partijen de overeenkomst aldus mochten/moesten uitleggen dat zij ook de verplichting om de auto terug te geven als hoofdverplichting mochten/moesten aanmerken, kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ook de hoogte van de vergoeding (het "loon") een rol spelen, maar de overeengekomen prijs is in dit geval niet dermate laag dat [appellant] op grond daarvan moest aannemen dat hij de auto op eigen risico in de kas van ABC Stalling liet staan en/of dat het teruggeven van de auto niet als hoofdverplichting dient te worden aangemerkt. De omstandigheid dat ABC Stalling aan [appellant] de mogelijkheid bood om in plaats van het busje een personenauto te stallen, kan niet ertoe leiden dat de verplichting om de auto terug te geven, niet als hoofdverplichting dient te worden aangemerkt.

Het hof verenigt zich daarom met het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een overeenkomst van bewaarneming en dat het niet-teruggeven van de auto een tekortkoming oplevert in de nakoming van een hoofdverplichting.

2.6 Voorts verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat deze tekortkoming niet aan ABC Stalling kan worden toegerekend, indien ABC Stalling heeft voldaan aan haar uit de overeenkomst voortvloeiende zorgplicht. Daartegen is ook geen grief gericht.

2.7 Bij de beoordeling van de vraag hoe ver de zorgplicht reikt is van belang of de algemene voorwaarden (de hiervoor in rov. 2.2 sub e bedoelde stallingsvoorwaarden) tussen partijen gelden. Het hof zal daarom thans de grieven behandelen die betogen dat dit niet het geval is (de grieven II geheel, III geheel en V gedeeltelijk, en het in de memorie van grieven onder 54 tot en met 71 vervatte betoog).

2.8 Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder 54 aangevoerd dat ABC Stalling het hokje voor het bekendheidsbeding waarschijnlijk al bij het sluiten van de stallingsovereenkomst heeft aangekruist. Bij grief II heeft hij gesteld dat hijzelf het hokje niet heeft aangekruist. Kennelijk was het standpunt van [appellant] bij memorie van grieven dat ABC Stalling het hokje bij het sluiten van de stallingsovereenkomst heeft aangekruist zonder dat [appellant] dit heeft gemerkt.

In de pleitnota onder 22 heeft [appellant] daarentegen gesteld dat het hokje achteraf door ABC Stalling is aangekruist. Dat is een andere stellingname. Door daarbij te vermelden dat hij zijn standpunt "herhaalt", heeft hij de rechter en de wederpartij op het verkeerde been gezet. Dit nieuwe standpunt is te laat naar voren gebracht en dient derhalve buiten beschouwing te blijven. Ten overvloede overweegt het hof dat het uit eigen waarneming niet kan onderschrijven dat het kruisje bij het bekendheidsbeding er anders uitziet dan de andere kruisjes op de stallingsovereenkomst, zoals

[appellant] heeft aangevoerd. Het hof gaat daarom ervan uit dat ABC Stalling bij het sluiten van de stallingsovereenkomst het hokje voor het bekendheidsbeding heeft aangekruist. Het hof wijst er daarbij nog op dat

[appellant] geen eigen exemplaar van de stallingsovereenkomst heeft overgelegd waarop dat hokje niet is aangekruist, niet heeft aangevoerd dat hem geen exemplaar van de stallingsovereenkomst ter hand is gesteld, en geen reden heeft aangevoerd waarom op diverse andere plaatsen op de stallingsovereenkomst wel hokjes zijn aangekruist en het hokje voor het bekendheidsbeding niet.

2.9 Indien een wederpartij van een gebruiker een beroep doet op vernietigbaarheid van algemene voorwaarden op de grond dat zij niet ter hand zijn gesteld, zal de gebruiker moeten bewijzen dat zij wel ter hand zijn gesteld. Op het feitelijke uitgangspunt dat het hokje bij het sluiten van de stallingsovereenkomst is aangekruist, baseert het hof in dit geval het vermoeden dat bij het sluiten van de stallingsovereenkomst de algemene voorwaarden aan [appellant] ter hand zijn gesteld. [appellant] zal worden toegelaten tot tegenbewijs. Deze beoordeling levert geen strijd op met artikel 6:236, aanhef en sub k, BW. Die bepaling staat er immers niet aan in de weg dat het hof een vermoeden baseert op een feitelijk uitgangspunt.

2.10 Voor het geval [appellant] erin slaagt voornoemd tegenbewijs te leveren, overweegt het hof als volgt. In dat geval zijn de algemene voorwaarden vernietigbaar op de grond dat niet bewezen is dat zij ter hand zijn gesteld. Onvoldoende specifieke stellingen zijn aangevoerd en te bewijzen aangeboden om aan te nemen dat [appellant] ook zonder terhandstelling van de algemene voorwaarden wist of moest begrijpen dat de bedoeling van ABC Stalling was dat

[appellant] het busje zelf tegen diefstal zou verzekeren.

In dat geval moet worden aangenomen dat ABC Stalling is tekortgeschoten in haar zorgplicht door de combinatie van onbetwiste omstandigheden, in samenhang beschouwd, dat

ABC Stalling het busje niet tegen diefstal heeft verzekerd, en ook geen alarmsysteem, geen camerabewaking en geen nachtwaker had. In het midden kan dan blijven of de sleutels werden bewaard in een aparte ruimte en of de kluis deugdelijk was en ook deugdelijk was afgesloten. In dat geval is ABC Stalling dus gehouden tot schadevergoeding en zal er gelegenheid worden geboden tot nader partijdebat over de hoogte van de schade.

2.11 Voor het geval [appellant] niet erin slaagt voornoemd tegenbewijs te leveren, overweegt het hof als volgt (2.11 tot en met 2.16). In dat geval zijn de algemene voorwaarden niet vernietigbaar op de grond dat zij niet ter hand zijn gesteld.

2.12 Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het beding dat [appellant] verplicht is het busje tegen diefstal te verzekeren (zie hiervoor rov. 2.2 sub e) niet onredelijk bezwarend is. Een professioneel bedrijf kan rechtsgeldig met een consument overeenkomen dat de consument gebruik kan maken van door het bedrijf ter beschikbaar te stellen ruimte om daar zaken op te slaan, die al dan niet waardevol zijn, met uiteenlopende afspraken over de vraag welke partij het risico van diefstal zal dragen en welke maatregelen al dan niet getroffen zullen worden om het risico op diefstal te beperken. Die afspraken kunnen variëren van een volledige garantie dat het bedrijf de schade zal vergoeden in geval van diefstal, tot een afspraak dat het gevaar van diefstal volledig voor risico van de consument komt zonder dat het bedrijf enige maatregel treft om dat risico te beperken. Deze contractsvrijheid wordt niet beperkt door de Nederlandse en Europese regelgeving inzake algemene voorwaarden.

2.13 Het hof verenigt zich voorts met het oordeel van de rechtbank dat het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat ABC Stalling zich op die verzekeringsplicht van [appellant] beroept. Onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld die een andersluidend oordeel zouden kunnen dragen.

2.14 Ook indien de verplichting van [appellant] om het busje zelf tegen diefstal te verzekeren, slechts zou blijken uit de ter hand gestelde algemene voorwaarden en hij voor het overige niet is gewezen op die verplichting, komt het voor zijn risico indien hij de algemene voorwaarden niet heeft gelezen, begrepen en/of bewaard. Die verplichting is ook dan een relevante omstandigheid bij de beoordeling van de omvang van de zorgplicht van ABC Stalling ter zake van het voorkomen van schade wegens diefstal. In beginsel reikt, indien is overeengekomen dat de bewaargever zelf de te bewaren zaak moet verzekeren tegen diefstal, de bedoelde zorgplicht van de bewaarnemer minder ver dan indien dat niet is overeengekomen. Ten eerste mag de bewaargever dan in beginsel niet verwachten dat ook de bewaarnemer een verzekering tegen diefstal afsluit en ten tweede reikt dan de op de bewaarnemer rustende plicht om maatregelen te treffen ter beperking van het risico van diefstal, minder ver.

2.15 Tussen partijen staat vast dat de vergoeding voor het eerste jaar van stalling € 250,00 bedroeg, minus een korting van € 50,00. Dit is een relevante omstandigheid bij de beoordeling van de omvang van de zorgplicht van ABC Stalling ter zake van het voorkomen van schade wegens diefstal: hoe hoger de vergoeding, des te meer zorg mag men in beginsel verwachten. Voorts is geen grief gericht tegen de vaststelling van de rechtbank (rov. 4.4 van het tussenvonnis) dat [appellant] de kas waarin de voertuigen werden gestald, bij het brengen van het busje heeft gezien. Ook dat is van belang, omdat hij zich daarmee tot op zekere hoogte een beeld heeft kunnen vormen van de mate van inbraakgevoeligheid van de kas. Voorts is van belang dat auto's, caravans, boten, motoren en busjes die in bewaring worden gegeven, in beginsel waardevolle zaken zijn: hoe waardevoller de te bewaren zaken zijn, des te meer zorg mag in beginsel van de bewaarnemer worden verwacht. Ten slotte is nog van belang dat niet is gesteld of gebleken dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst vragen heeft gesteld over de plaats waar de sleutels werden bewaard en/of de wijze waarop de ruimte tegen diefstal was beveiligd.

2.16 Indien [appellant] niet erin slaagt voornoemd tegenbewijs te leveren, is er onvoldoende gesteld om aan te nemen dat ABC Stalling is tekortgeschoten in haar zorgplicht. In dat geval mocht [appellant] niet meer verwachten dan dat

ABC Stalling de sleutel van het busje elders dan in of in de dichte nabijheid van het busje zou bewaren en dat zij de roldeur 's nachts deugdelijk zou afsluiten. Niet is gesteld dat ABC Stalling niet aan deze vereisten heeft voldaan. De verwijten die [appellant] ABC Stalling maakt, getuigen er dan van dat [appellant] te zware eisen stelt aan de op ABC Stalling rustende zorgplicht. In dat geval is de vordering terecht afgewezen.

2.17 De grieven I geheel, V ten dele en VI geheel hebben betrekking op de reikwijdte van de zorgplicht van

ABC Stalling. Na het voorgaande behoeven zij geen afzonderlijke bespreking meer.

2.18 De aanvullende productie van de zijde van [appellant] die op 29 mei 2012 is binnengekomen, kan bij gebrek aan belang buiten beschouwing blijven.

3. Beslissing

Het hof:

laat [appellant] toe tot tegenbewijs tegen het vermoeden dat bij het sluiten van de stallingsovereenkomst de algemene voorwaarden aan [appellant] ter hand zijn gesteld;

bepaalt dat, indien [appellant] daartoe getuigen wil voorbrengen, het getuigenverhoor zal worden gehouden in het Paleis van Justitie van dit hof ten overstaan van

mr. G.C.C. Lewin, daartoe als raadsheer-commissaris aangewezen, op het adres Prinsengracht 436 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;

verwijst de zaak naar de rol van 10 juli 2012 voor opgave verhinderdata aan beide zijden in de maanden september tot en met december 2012;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen,

C.C. Meijer en G.C.C. Lewin, en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 26 juni 2012.