Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3743

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
23-001559-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte mishandelt een persoon die even daarvoor met zijn vuisten de ruiten van de flat waarin verdachte woonde probeerde in te slaan. Slachtoffer bloedt daardoor hevig aan zijn handen. De verdachte geeft hem een paar “corrigerende “ tikken. Geen sprake van noodweer, omdat het slachtoffer reeds was gestopt met inslaan van de ruiten en geen dreigende beweging naar de verdachte maakte. De verdachte neemt het slachtoffer mee naar zijn flat om hem te verzorgen. Getuigen zien dat, trekken de verkeerde conclusie en waarschuwen de politie die in de veronderstelling verkeert dat iemand in verdachtes woning ernstig gewond is. Zij treden binnen zonder toestemming. Binnentreden is rechtmatig, Noodzaak tot horen van getuigen daarom niet noodzakelijk. Bij vaststellen hoogte straf is rekening gehouden met bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-00

datum uitspraak: 2 augustus 2012

promis

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van (datum vonnis) in de strafzaak onder de parketnummers 15 en 15 (TUL) tegen

Naam verdachte,

Geboorteplaats en geboortedatum,

adres

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 29 maart 2012 en op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1:

hij op of omstreeks 03 maart 2012 te Purmerend opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (naam slachtoffer) meermalen, althans éénmaal, met een stok, althans een langwerpig en/of hard voorwerp, heeft geslagen op/tegen het (achter)hoofd en/of de arm(en) en/of elders op/tegen het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:

hij op of omstreeks 03 maart 2012 te Purmerend (naam slachtoffer) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde (naam slachtoffer) dreigend de woorden toegevoegd :"vuile vieze kankerlijer, ik zoek uit wie je bent; ik maak jou af; ik kom er achter wie jij bent; jij bent nog niet klaar met mij; mijn vrienden zoeken jou op, echt waar man ik maak jou af; jullie komen allemaal aan de beurt agentjes", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof ten aanzien van de op te leggen straf tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Verzoek tot het horen van getuigen

De raadsman heeft het hof verzocht twee anonieme getuigen, van wie het adres bij de politie bekend zou zijn, en de heer (naam getuige) als getuigen te horen, omdat de politie naar aanleiding van in het bijzonder de verklaringen van de twee anonieme getuigen in de woning van de verdachte is binnengetreden en de verdediging hun betrouwbaarheid wil toetsen, terwijl (naam getuige) kan verklaren of hij al dan niet onder bedreiging van de verdachte met hem is meegegaan naar diens woning.

Het hof overweegt en beslist hieromtrent het volgende:

Uit het proces-verbaal van politie van 3 maart 2012 van de verbalisanten (namen verbalisanten) blijkt het volgende. De verbalisanten kwamen na een melding op de (adresgegevens), alwaar zij gewenkt werden door twee personen die anoniem wensten te blijven. Deze personen verklaarden dat zij een knal hadden gehoord en op straat veel glas en bloed op de grond zagen liggen, zij namen waar dat twee mannen een hevige woordenwisseling hadden en dat één van hen (het slachtoffer) een bebloede hand had en veel bloed verloor. Zij zagen voorts dat tegen het slachtoffer door de andere man werd gezegd hebben dat hij mee naar binnen moest en dat hij anders zou worden doodgeschoten. Zij zagen dat het slachtoffer en de andere man, een kleine kale man, de derde flat van de (adresgegevens) binnen gingen. De verbalisanten zijn hierop naar die flat op de (adresgegevens) gelopen. Zij zagen dat de ruiten voor de ingang van deze flat stuk waren en dat er een spoor van bloed op de grond lag. Het was aan verbalisant (naam verbalisant) ambtshalve bekend dat de in de desbetreffende flat woonachtige verdachte lid was van een extremistische groepering en dat hij regelmatig was geregistreerd ter zake van geweldsdelicten en als gevaarlijk aangemerkt kon worden.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden konden de verbalisanten in redelijkheid veronderstellen dat zich iemand in verdachte’s woning bevond die zodanig gewond was en dringend hulp nodig had, dat dit noopte tot het zonder toestemming van de verdachte binnentreden in diens woning. De omstandigheid dat de informatie van de anonieme getuigen op onderdelen - in het bijzonder de bedreiging van de verdachte aan het adres van (naam slachtoffer) - achteraf niet juist zou blijken te zijn, doet aan de rechtmatigheid van het binnentreden niet af. Bij deze stand van zaken is het horen van die getuigen niet noodzakelijk, hetgeen eveneens voor (naam getuige) heeft te gelden, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 3 maart 2012 te (plaatsnaam) opzettelijk mishandelend een persoon, te weten (naam slachtoffer), meermalen, met een langwerpig hard voorwerp heeft geslagen tegen de arm en elders tegen het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2:

hij op 3 maart 2012 te (plaatsnaam) (naam slachtoffer) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde (naam slachtoffer) dreigend de woorden toegevoegd :"vuile vieze kankerlijer, ik zoek uit wie je bent, ik maak jou af; ik kom er achter wie jij bent, jij bent nog niet klaar met mij, mijn vrienden zoeken jou op, echt waar man ik maak jou af, jullie komen allemaal aan de beurt agentjes".

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsverweer ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte jegens verbalisant (naam slachtoffer), mede gelet op de context waarin deze zijn gedaan, geen bedreiging in strafrechtelijke zin opleveren, zodat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt dit verweer op de gronden zoals weergegeven in het vonnis van de politierechter op pagina 8 onder 4.3, tweede alinea.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het slachtoffer bezig was met het inslaan van de ruiten van de flat waar de verdachte woonde en dat, toen de verdachte hem daarop aansprak, het slachtoffer dreigend op hem af kwam, waardoor de verdachte zich genoodzaakt zag het slachtoffer enige “corrigerende” tikken te geven.

Het hof verwerpt dit verweer. Weliswaar heeft het slachtoffer ramen van de flat van de verdachte ingeslagen, maar op het moment dat de verdachte hem daarop aansprak, was hij daarmee reeds opgehouden en niet aannemelijk is dat hij enige dreigende beweging maakte in de richting van de verdachte of op hem af kwam. Van een situatie die noopte tot enige verdediging van lijf of goed als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht was derhalve geen sprake.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf¬baarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit straf¬baar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk door de politierechter te Haarlem bij vonnis van 15 februari 2011 opgelegde gevangenisstraf van 3 weken, om te zetten in een werkstraf voor de duur van 42 uren, subsidiair 21 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft onder verwijzing naar het thans geldende artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 15 februari 2011, parketnummer 15…, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en aldus het slachtoffer pijn en letsel toegebracht. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een agent, bij wie de verdachte als gevaarlijk bekend stond. De agent voelde zich daardoor zo onveilig dat hij afzag van het doen van een formele aangifte om te voorkomen dat zijn persoonsgegevens bij de verdachte bekend zouden worden. Dergelijk gedrag getuigt voorts van gebrek aan respect voor het openbaar gezag.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juli 2012 is hij eerder veroordeeld ter zake van bedreiging en geweldsdelicten.

Bij deze stand van zaken is in beginsel een gevangenisstraf alleszins gerechtvaardigd.

De raadsman heeft aangevoerd dat de overgangsbepaling van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht in het voordeel van de verdachte moet worden uitgelegd en wel aldus dat de in die bepaling genoemde periode van vijf jaar pas begint aanvangt met de inwerkingtreding van de bepaling op 3 januari 2012.

Het hof verwerpt dit betoog, omdat het geen steun vindt in de tekst van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht of de overgangsregeling noch in de toelichting daarop.

Aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten te kampen had met aanzienlijke spanningen, onder meer veroorzaakt door een lopende procedure over de omgangsregeling met zijn dochter en het daarmee verband houdende bezoek van een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming op de dag dat de ruiten van zijn flat werden ingeslagen. De verdachte was bang dat een woning met ingeslagen ruiten geen goede indruk zou maken en dat er daardoor van een omgangsregeling niets terecht zou komen. De verdachte had zich in verband met spanningen kort vóór het begaan van deze feiten enige tijd vrijwillig laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Aannemelijk is dat de spanning waaraan verdachte onderhevig was van grote invloed is geweest op zijn handelwijze en dat hij onvoldoende was toegerust zijn om zijn woede adequaat te kanaliseren. Voorts neemt het hof aan dat de wijze waarop de politie bij hem is binnengevallen op een moment dat hij doende was het slachtoffer te helpen een grote impact had op zijn gemoedstoestand.

Het hof ziet hierin aanleiding om, mede gelet op het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast dient dan wel, mede in verband met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, een taakstraf in de vorm van een werkstraf te worden opgelegd van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Haarlem van 15 februari 2011 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar worden verlengd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) dagen.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter te Haarlem van 15 februari 2011 parketnummer 15…., met een termijn van 1 (een) jaar.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. W.M.C. Tilleman en mr. J.P.W. Helmonds, in tegenwoordigheid van R.A.M. Truijens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 augustus 2012.

Mrs. Tilleman en Helmonds zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 23-001559-12

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 2 augustus 2012.

Tegenwoordig zijn:

mr. A.M. van Woensel, voorzitter,

R.A.M. Truijens, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. R. Terpstra, advocaat-generaal.

De voorzitter doet de zaak tegen de verdachte uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.