Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3128

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
200.000.072-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak. Vervolg van 22 november 2011. Hof komt niet terug van tussenarrest. Er wordt (nieuwe) deskundige benoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.000.072/01

5 juni 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ A ],

APPELLANT in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam.

Partijen worden hierna [ Appellant ] en London genoemd.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In deze zaak heeft het hof op 22 november 2011 een (derde) tussenarrest gewezen. Het hof verwijst naar dat arrest voor het verloop van het geding tot die datum.

De bij dat arrest gelaste comparitie van partijen heeft op 27 maart 2012 plaatsgevonden. Van die zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2. De verdere beoordeling

2.1. In voormeld tussenarrest oordeelde het hof onder meer dat het rapport van de door de deskundige [ deskundige ] ingeschakel-de revalidatiearts [ revalidatiearts ] van 13 mei 2010, als aangevuld op 20 oktober 2010, niet bruikbaar is. Omdat het rapport van [ deskundige ] geheel uitging van en volledig voortbouwde op de rapportage van [ revalidatiearts ], trok het hof vervolgens met betrekking tot het rapport van [ deskundige ] dezelfde conclusie. Het hof gelastte een comparitie van partijen teneinde met partijen te bespreken op welke wijze de procedure diende te worden voortgezet en om een minnelijke regeling te beproeven.

2.2. In de periode tussen de uitspraak van voormeld arrest en de comparitie van partijen is er een (nieuwe) briefwisseling tussen de advocaten van partijen geweest. Het gaat hier om brieven van mr. Endedijk van 28 februari 2012 en 14 maart 2012, alsmede, telkens met bijlagen, van mr. Van Hout van 5 maart 2012 en (twee stuks) van 25 maart 2012. Al deze brieven zijn bij gelegenheid van de comparitie in het geding gebracht. Na die zitting heeft het hof, hoewel het hem daartoe toestemming had gegeven, geen nadere brief van mr. Endedijk meer ontvangen. In haar brief van 5 maart 2012 heeft mr. Van Hout het hof verzocht terug te komen op de zojuist onder 2.1 weergegeven beslissingen in het tussenarrest van 22 november 2011. Op deze kwestie is het hof tijdens de comparitie niet ingegaan, maar zal dat – zoals tijdens de comparitie aangegeven - nu wel doen.

2.3. Het hof begrijpt de brief van 5 maart 2012 van mr. Van Hout aldus dat [ Appellant ] daarin betoogt dat overweging 2.2.7 van het laatste tussenarrest, alsmede de daarop voortbouwende overwegingen 2.2.8 en 2.2.9 van dat arrest, berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag (vgl. HR 26 november 2010, NJ 2010/634).

2.4.1. [ Appellant ] stelt allereerst dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [ deskundige ] weliswaar de bevoegdheid is toegekend zijn medisch adviseur een belastbaarheidsprofiel op te laten stellen, maar niet om het door [ S ] uitgevoerde onderzoek min of meer over te laten doen. Kern van het betoog van [ Appellant ] is dat het hof geen beperkingen heeft gesteld aan de wijze waarop een eventueel belastbaarheidspatroon diende te worden opgesteld noch aan de mee te wegen informatie, zelfs niet nadat London had geageerd tegen de wijze waarop [ revalidatiearts ] zijn werk deed.

2.4.2. Het hof ziet geen aanleiding op voormeld oordeel terug te komen. Dat het hof [ revalidatiearts ] (via de benoemde deskundige [ deskundige ]) geen beperkingen bij zijn onderzoek heeft opgelegd, vloeit voort uit de veronderstelling dat [ revalidatiearts ] niet zou treden buiten de hem gegeven opdracht, te weten het opstellen van een belastbaarheidprofiel op basis van in eerdere rapportages, waaronder in het bijzonder die van [ S ] van 14 maart 2001, omschreven functiebeperkingen. Anders dan [ Appellant ] meent, heeft [ revalidatiearts ] dat echter wel gedaan, zoals het hof in overweging 2.2.7 van het laatste tussenarrest heeft uiteengezet en bij welk oordeel het hof blijft.

2.4.3. Achteraf bezien was het wellicht wenselijk geweest, indien het hof - naar aanleiding van de bij brief van 11 juni 2010 geuite kritiek van London op de werkwijze van [ revalidatiearts ] - het verzoek van London om een comparitie van partijen te gelasten zou hebben gehonoreerd. Gelet echter op het feit dat mr. Van Hout zich ook thans nog op het standpunt stelt dat er, kort gezegd, met het rapport van [ revalidatiearts ] niets mis is, was de kans op een succesvolle tussentijdse interventie van het hof gering geweest. Overigens blijkt uit de brief van het hof van 5 juli 2010 dat het niet tot de door mr. Endedijk verzochte comparitie is overgegaan, omdat mr. Van Hout zich bij brief van 28 juni 2010 tegen dat verzoek had verzet.

2.5.1. Voorts stelt [ Appellant ] dat het hof [ revalidatiearts ] ten onrechte heeft verweten dat hij het rapport van [ S ] niet tot uitgangspunt van zijn onderzoek heeft genomen. Volgens [ Appellant ] heeft het hof [ revalidatiearts ] geen beperkingen opgelegd met betrekking tot de bij diens beoordeling te betrekken informa-tie. Ook maakt [ Appellant ] er bezwaar tegen dat het hof heeft overwogen dat het grote verschil tussen de eindconclusies van Kuiper en die van [ deskundige ] alleen daardoor kan worden verklaard.

2.5.2. Eerstgenoemde stelling van [ Appellant ] berust op een onjuiste lezing van het tussenarrest van 22 november 2011. Het hof heeft immers niet overwogen dat [ revalidatiearts ] ten onrechte niet het rapport van [ S ] tot uitgangspunt van zijn onderzoek heeft genomen, maar dat [ revalidatiearts ] ten onrechte, kort gezegd, niet de (reeds uitgebrachte) medische rapporten, waaronder in het bijzonder dat van [ S ], tot uitgangspunt van zijn onderzoek heeft genomen. Uit overweging 2.1 van het tussenarrest van 26 januari 2010, bezien in verband met overweging 3.16 van het tussenarrest van 1 september 2009, kan genoegzaam worden opgemaakt dat de in laatste overweging genoemde rapportages bij het door [ revalidatiearts ] uit te voeren onderzoek buiten beschouwing dienden te blijven, zodat eveneens onjuist is de visie van [ Appellant ] dat het hof [ revalidatiearts ] ten aanzien van de in beschouwing te nemen medische rapportages geen beperkingen heeft opgelegd.

2.5.3. Gezien het voorgaande ziet het hof evenmin aanleiding terug te komen op zijn oordeel dat het grote verschil tussen de rapporten van Kuiper en [ deskundige ] alleen daardoor kan worden verklaard dat [ revalidatiearts ] “onmiskenbaar meer beperkingen heeft vastgesteld dan [ S ] had gedaan”, nog daargelaten dat die overweging niet dragend was voor de conclusie dat het rapport van [ revalidatiearts ] – en daarmee dat van [ deskundige ] - niet bruikbaar was.

2.6. De stelling van [ Appellant ] dat het hof [ revalidatiearts ] verwijt dat hij geen neuroloog of neuropsycholoog is, berust eveneens op een onjuiste lezing van het tussenarrest. De omstandigheid dat [ revalidatiearts ] geen neuroloog of neuropsycholoog is, is immers slechts van belang geoordeeld vanwege het feit dat [ revalidatiearts ] het onderzoek van de neuroloog [ S ] min of meer heeft overgedaan en daarmee buiten zijn vakgebied is getreden.

2.7. Ten slotte bevat het gestelde onder 4 van de onderhavige brief van mr. Van Hout geen aanknopingspunten voor de stelling dat onjuist is de overweging van het hof dat [ revalidatiearts ] ten onrechte het rapport van [ M ] bij zijn beoordeling heeft betrokken. In welke mate [ revalidatiearts ] betekenis aan dat rapport heeft toegekend is daarbij niet van belang.

2.8. De slotsom is dat het hof blijft bij de zojuist onder 2.1 weergegeven beslissingen.

2.9. Partijen hebben tijdens de comparitie afgesproken dat op basis van dezelfde opdracht en vraagstelling als in het tussenarrest van 26 januari 2010 is geformuleerd een nieuw arbeidsdeskundig rapport zal worden uitgebracht. Overeenkom-stig het toen eenparig door partijen gedane voorstel zal het hof daartoe de registerarbeidsdeskundige/ergonoom J.A.J. Wouters, verbonden aan Bureau voor arbeidsgeschiktheidsvraag-stukken Terzet v.o.f. te Nijkerk, als deskundige benoemen en bij de opdracht vermelden dat deze, indien hij wenst dat een belastbaarheidpatroon wordt opgesteld, ten aanzien van de persoon van de medisch adviseur die gevraagd zal worden dat onderzoek uit te voeren, de instemming van partijen behoeft.

2.10. In de omstandigheden van het geval ziet het hof aanleiding te bepalen dat partijen ieder de helft van het voorschot van de deskundige hebben te dragen, met dien verstande dat aan [ Appellant ], die op toevoeging procedeert, op grond van het bepaalde in artikel 195 van het Wetboek van Bur-gerlijke Rechtsvordering geen voorschot kan worden opgelegd.

2.11. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3. De beslissing

Het hof:

benoemt tot deskundige:

J.A.J. Wouters, registerarbeidsdeskundige/ergonoom,

p/a Nijverheidsstraat 9,

3861 RJ Nijkerk,

Telefoon: 033-4320230,

met de opdracht het hof – al dan niet na het opstellen van een belastbaarheidpatroon door zijn medisch adviseur - gemotiveerd en gedocumenteerd bericht uit te brengen met betrekking tot de volgende vragen:

1. Betekenen de functiebeperkingen zoals deze zijn omschre-ven in de medische rapportages waaronder in het bijzonder het expertiserapport van prof. dr. [ S ], neuroloog, d.d. 14 maart 2001 dat [ Appellant ] arbeidsdeskundig gezien beperkingen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid, zo mogelijk per periode aangegeven, vanaf de dag van het ongeval tot heden en tot aan het 65e levensjaar?

2. Is [ Appellant ] als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van loonvormende arbeid geheel dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt te achten als gevolg van het ongeval van 22 januari 1998?

3. Valt in redelijkheid aan te nemen dat de arbeidsonge-schiktheid in de toekomst zou afnemen, zo mogelijk per periode aangegeven tot het 65e levensjaar?

4. Geven de standpunten van partijen, de medische informatie en/of uw bevindingen in het algemeen nog aanleiding tot opmerkingen die van belang kunnen zijn voor het nemen van de beslissingen in deze zaak?

wijst de deskundige erop dat hij, indien hij wenst dat een belastbaarheidpatroon wordt opgesteld, ten aanzien van de persoon van de medisch adviseur die gevraagd zal worden dit onderzoek uit te voeren de instemming van partijen behoeft;

bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal doen toekomen;

bepaalt dat partijen vóór 26 juni 2012 kopieën van de overige gedingstukken en – voor zover mogelijk - andere door deze noodzakelijk geachte stukken aan de deskundige zul¬len doen toekomen;

bepaalt dat de des¬kundige een voor¬schot toekomt van € 5.000,= (inclusief btw);

bepaalt dat London vóór 26 juni 2012 als voorschot op de kosten van de deskundige een bedrag van € 2.500,= ter griffie van het hof zal de¬poneren door overma¬king op de rekening bij de Royal Bank of Scotland (RBS), rekeningnum¬mer [ ], ten name van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, Gerechtshof Amsterdam, onder vermelding van “voorschot deskundige, zaak [ Appellant ]/London, zaaknummer 200.000.072/01”;

verstaat dat aan [ Appellant ] geen voorschot wordt opgelegd, omdat aan hem een toevoeging is verleend;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voor¬schot de deskundige hiervan in kennis zal stel¬len en dat de deskun¬dige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelf¬stan¬dig - in de zin van artikel 198 lid 2 Rv, dat wil zeggen niet on¬der leiding van het hof - zal verrichten en dat dit onderzoek zal plaatsvinden op een door de deskun¬dige te bepalen tijdstip;

wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 Rv, met name op de verplichting om bij het onderzoek par¬tijen in de gelegenheid te stellen opmer¬kingen te maken en ver¬zoe¬ken te doen en om in het schrifte¬lijk bericht te doen blijken of aan dit voor¬schrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkin¬gen en/of verzoe¬ken;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 25 september 2012, onder indiening van een (gespecificeerde) declaratie onder vermelding van “zaaknummer 200.000.072/01”;

verwijst de zaak naar de rol van 25 september 2012 voor deskundigenbericht. Partijen – eerst [ Appellant ] en vervolgens London – zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en A.M.A. Verscheure, en is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2012 door de rolraadsheer.