Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3125

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
200.106.679/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht, wsnp. Geen keer ten goede hoewel betrokkene geen onderneming meer heeft. De echtgenote handhaaft haar verzoek niet. Het hof is van oordeel dat zij wel belang bij haar verzoek kan hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 12 juli 2012 in de zaak met zaaknummer 200.106.679/01 van:

1. X,

2. Y,

APPELLANTEN,

advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellanten – X c.s. dan wel X en Y ieder afzonderlijk – zijn bij op 11 mei 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 8 mei 2012 met rekestnummers 135872/FT-EA 12.203 en 135873/FT-EA 12.204, waarbij het verzoek van X c.s. tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2. Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 3 juli 2012. Bij die behandeling zijn X c.s. verschenen, bijgestaan door mr. Van Espen voornoemd.

2. De beoordeling

2.1. De rechtbank heeft het verzoek van X c.s. om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten afgewezen, omdat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest, met name omdat hij een eigen onderneming heeft gevoerd en (nagenoeg) geen boekhouding heeft bijgehouden en ter beschikking heeft. Het verzoek van Y heeft de rechtbank afgewezen, omdat zij naar het oordeel van de rechtbank alleen gebaat is bij toelating indien haar echtgenoot eveneens is toegelaten, nu de gemeenschapsschulden na afloop van een alleen op Y toepasselijke schuldsaneringsregeling op haar verhaalbaar blijven.

2.2. In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.2.1. X en Y zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Zij hebben twee minderjarige kinderen van 15 en 10 jaar oud.

X heeft van 16 september 2002 tot 10 mei 2010 een eenmanszaak gehad “Autobedrijf Y”, een detailhandel in gebruikte auto’s.

Sinds 1 mei 2012 heeft X een halfjaarcontract en werkt hij in ieder geval 15 uur per week bij een autobedrijf. Y werkt 8 uur per week als gastouder bij een gastouderbureau.

De goederen van X c.s. zijn bij beschikking van 22 november 2010 van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, onder bewind gesteld.

2.2.2. De totale schuldenlast van X c.s. bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 van de Faillissementswet (Fw) op 24 februari 2012 € 71.759,08 aan concurrente en € 44.465,01 aan preferente schulden. De schulden betreffen voornamelijk zakelijke schulden uit de onderneming.

2.2.3. X c.s. zijn van mening wel te goeder trouw te zijn geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden. Zij hebben het volgende aangevoerd.

X is vanuit een uitkeringssituatie zijn bedrijf begonnen, daardoor onder andere door een starterskrediet gestimuleerd door de gemeente. Het bedrijf had wat opstartproblemen, maar X kon zijn rekeningen voldoen. Hij verwachtte dat het bedrijf ongeveer 5 jaar nodig zou hebben om goed te draaien, maar toen kwam de crisis van 2008. De autoverkoop liep terug en X moest het ene gat met het andere dichten. Het bedrijfsresultaat over de jaren 2007-2010 was zo slecht dat de boekhouder geen jaarrekeningen meer heeft opgemaakt. X heeft in die jaren wel aan zijn aangifteverplichtingen omzetbelasting voldaan. Uiteindelijk kon X zijn vaste lasten niet meer betalen, kreeg hij psychische klachten en heeft hij in 2010, mede onder druk van zijn vrouw, het bedrijf gestaakt. X c.s. wilden geen uitkering aanvragen en ook geen hulp aannemen, maar uiteindelijk hebben zij dit wel gedaan. Y is gaan werken en ook X heeft een parttime baan, die hij in de toekomst hoopt uit te breiden.

X c.s. betreuren de gang van zaken, maar hebben nooit kwade opzet gehad ten aanzien van het ontstaan van hun schulden. Zij zijn van mening voor de schuldsaneringsregeling in aanmerking te komen. Zij willen thans lucht om zich verder te kunnen ontwikkelen.

2.3. Bij de beoordeling van het verzoek tot toelating

tot de schuldsaneringsregeling stelt het hof voorop dat de schuldenaar ingevolge artikel 288 lid 1 sub b Fw. voldoende aannemelijk dient te maken dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

Naar het oordeel van het hof zijn X c.s. daarin niet geslaagd. X heeft tien jaar een onderneming gehad, die nimmer rendabel is geweest. Het hof is van oordeel dat X eerder zijn bedrijfsactiviteiten had moeten staken, in ieder geval na vijf jaar, zijnde de termijn die volgens X zelf ervoor staat om een bedrijf op te starten en winstgevend te maken. Niet te goeder trouw zijn daarom met name de schulden die zijn ontstaan om het bedrijf maar in stand te houden en de vaste lasten te voldoen, zoals aan de ICS en de Bizner Bank, alsmede de onbetaald gelaten aangiften inkomstenbelasting. Bovendien ontbreken de jaarstukken van de onderneming over de jaren 2007 tot en met 2010. X was als zelfstandig ondernemer echter verantwoordelijk voor het doen van aangiften en het bijhouden van een geordende administratie. Het hof is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat X bij het ontstaan van onder meer genoemde schulden te goeder trouw zijn geweest. Reeds genoemde schulden staan aan zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.

Voorts is het hof van oordeel dat X geen beroep op artikel 288 lid 3 Fw toekomt. Het enkele feit dat hij zijn onderneming heeft gestaakt, thans in loondienst werkt en sinds november 2010 een civiel bewindvoerder heeft, is daartoe onvoldoende. X heeft het hof bovendien niet kunnen overtuigen dat hij na het staken van de onderneming een ontwikkeling heeft doorgemaakt waardoor hij de omstandigheden die hem in de financiële problemen hebben gebracht, namelijk het voeren van een eigen onderneming, thans onder controle heeft, nu uit hetgeen hij ter zitting heeft verklaard het hof afleidt dat hij nog altijd graag ondernemer zou willen zijn.

Met betrekking tot Y overweegt het hof dat zij, anders dan de rechtbank, wel een belang kan hebben bij toelating tot de schuldsaneringsregeling ook als X niet wordt toegelaten. Nu Y echter te kennen heeft gegeven zich in de redenering van de rechtbank te kunnen vinden en haar verzoek te handhaven voor het geval haar man wordt toegelaten, zal het hof ook haar verzoek afwijzen.

Het vonnis van de rechtbank zal dan ook worden bekrachtigd.

3. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer,

W.J. Noordhuizen en C. Uriot en uitgesproken ter openbare terecht¬zitting van het hof van 12 juli 2012 in tegen¬woordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.