Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3117

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
100.100.916/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht, wsnp. Betrokkenen hebben ten onrechte kinderopvangtoeslag ontvangen. Zij hebben hun financiële situatie van destijds niet inzichtelijk gemaakt, waardoor thans niet kan worden gezegd of hun omstandigheden zijn gewijzigd. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat zij de oorzaken die hebben geleid tot hunonachtzaam handelen nu wel onder controle hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 3 mei 2012 in de zaak met zaaknummer 200.100.916/01 van:

1. X,

2. Y,

APPELLANTEN,

advocaat: mr. E.J.G. Beerdsen te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellanten – Y c.s. dan wel X en Y ieder afzonderlijk – zijn bij op 24 januari 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2012 met rekestnummers 504189/FT-RK 11.2616 en 504190/FT-RK 11.2617, waarbij het verzoek van Y c.s. tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 24 april 2012. Bij die behandeling zijn Y c.s. verschenen, bijgestaan door hun advocaat voornoemd.

2. De gronden van de beslissing

2.1. De rechtbank heeft het verzoek van Y c.s. om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten overeenkomstig artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet (Fw) afgewezen, daar zij – samengevat - niet te goeder trouw zijn geweest bij het onbetaald laten van schulden aan de Voordeelbank B.V. en aan de KPN, omdat zij geld hebben geleend en een contract met KPN hebben gesloten ten behoeve van een onderneming van een neef van X terwijl zij wisten dat deze een negatieve BKR-registratie had. Voorts is gebleken dat Y c.s. een schuld van € 16.169,- aan de Belastingdienst hebben vanwege ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag. Ook deze schuld is naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw ontstaan. Omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw zijn volgens de rechtbank niet aangevoerd of gebleken.

2.2. In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.2.1. X en Y – geboren op 14 februari 1982 respectievelijk 9 november 1982 – zijn gehuwd en hebben drie minderjarige kinderen, de oudste is bijna 10 jaar oud, de daaropvolgende tweeling is 8 jaar oud. Y heeft sinds 1 december 2008 een vaste baan bij de Rabobank als IT-medewerker en verdient ongeveer € 2.700,- netto per maand. X is sinds 1 juli 2010 in vaste dienst van Stadsdeel Nieuw West. Sinds 12 juli 2010 is zij ziek, een WIA-aanvraag is recentelijk ingediend. X verdient ongeveer € 1.470,- netto per maand.

X stond van 1 april 2008 tot 24 juni 2008 geregistreerd als eigenaar van de eenmanszaak “Tropical Village” tevens handelend onder de naam “Woltheus Cruises”, een bedrijf met voorbereidende activiteiten voor de exploitatie van een restaurant, lounge met exotische keuken. Op 24 juni 2008 heeft G de zaak overgenomen.

2.2.2. De totale schuldenlast van Y c.s. bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 Fw op 9 november 2011 € 122.886,19, waaronder genoemde schulden aan de Belastingdienst, Voordeelbank B.V. en de KPN.

2.2.3. Y c.s. hebben gesteld dat zij in het verleden een aantal onverstandige beslissingen hebben genomen, maar dat deze fouten niet zo ernstig zijn dat dit tot afwijzing van de schuldsaneringsregeling zou moeten leiden. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Hun schulden houden direct en indirect verband met de onderneming van een neef van X, G. G vroeg hen hulp bij het opstarten van een onderneming. Omdat hij familie is en het ondernemingsplan betrouwbaar overkwam, besloten zij onder druk van de familie om hem te helpen. In eerste instantie zouden zij een lening aan G verstrekken van € 35.000,-, aan te gaan bij de Voordeelbank. G voldeed in het begin de termijnen ter aflossing van deze lening. Dit hield echter op nadat hij Y c.s. zover had gekregen om zich in te schrijven in het handelsregister als degene voor wier rekening de onderneming wordt gedreven. De informatieverstrekking door G nam echter gaandeweg af en hij heeft zonder medeweten van Y c.s. op 1 april 2008 een huurovereenkomst gesloten met het bedrijf Aqua-Riverline, dat een partyschip exploiteerde. Ook heeft G een contract gesloten met KPN. Toen X hier achterkwam heeft zij de inschrijving in het handelsregister meteen beëindigd per 24 juni 2008 en hebben Y c.s. de lening bij G opgeëist. G heeft onder andere met Aqua-Riverline een conflict gekregen en is daarna met de noorderzon vertrokken. Ondertussen kwamen Y c.s. in steeds grotere problemen doordat bij hen de rekeningen voor Tropical Village bleven binnenstromen en zij ook nog door een vonnis van de rechtbank Arnhem inzake de kwestie met Aqua-Riverline met G hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van € 28.115,34. De druk op het jonge gezin was hoog en dit heeft ertoe geleid dat Y c.s. hebben nagelaten de kinderopvangtoeslag stop te zetten toen zij er geen recht meer op hadden. X heeft onder invloed van de financiële situatie van het gezin de ontvangen gelden gebruikt voor betaling van urgente schulden. Toen Y dit ontdekte, heeft hij de kinderopvangtoeslag stopgezet. Y c.s. benadrukken dat zij nooit uit winstbejag gehandeld hebben en dat zij tweemaal zelf tot het inzicht zijn gekomen dat zij hun handelwijze moesten bijstellen.

Y c.s. zijn van mening dat zij sindsdien hun financiële situatie onder controle hebben, in die zin dat niet de verwachting bestaat dat nieuwe schulden zullen ontstaan. Y heeft een vaste baan en X, die door de situatie arbeidsongeschikt is geraakt, maakt aanspraak op een uitkering. Zij hebben hun lesje geleerd en willen hun gezinsleven door middel van hard werken weer op de rails krijgen. Y c.s. verzoeken alsnog tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten.

2.3. Het hof oordeelt als volgt.

2.3.1. Bij de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stelt het hof voorop dat de schuldenaar ingevolge artikel 288 lid 1 sub b Fw voldoende aannemelijk dient te maken dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

2.3.2. Het hof is van oordeel dat Y c.s. dit niet aannemelijk hebben gemaakt ten aanzien van het ontstaan van hun schulden, onder andere de schuld met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. Dat Y c.s. in 2009 in een financieel penibele situatie verkeerden en genoodzaakt waren – zoals zij hebben gesteld – enkele maanden de kinderopvangtoeslag voor andere doeleinden in te zetten dan waar deze voor waren bedoeld, hebben zij niet aannemelijk gemaakt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt het hof af dat Y c.s. in 2009 een gezinsinkomen hadden van ongeveer € 5.000,- bruto per maand en dat zij – naar eigen zeggen - naast hun gewone vaste lasten ongeveer € 700,- per maand aan schulden moesten aflossen. Nog afgezien van het feit dat zij daarmee niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij € 1.200,- per maand van de kinderopvangtoeslag nodig hadden, doet het er niet aan af dat zij in 2009 (maar gezien het overzicht van de Belastingdienst van 6 juli 2010 ook in de jaren 2006 tot 2009) op onrechtmatige wijze van de kinderopvangtoeslag gebruik hebben gemaakt. Zij hebben meer toeslag gevraagd en ontvangen dan waar zij recht op hadden en dit heeft alleen al in het jaar 2009 geleid tot een schuld van € 16.119,-. Ongeacht de schulden uit het bedrijf van X ontstaan, staat genoemde belastingschuld reeds in de weg aan toelating van Y c.s. tot de schuldsaneringsregeling.

2.3.3. Voorts zijn Y c.s. van mening dat hen een beroep op artikel 288 lid 3 Fw toekomt, daar zij in hun visie de omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan van hun schulden onder controle hebben gekregen. Het hof deelt deze mening niet. Het moge zo zijn dat Y c.s. beiden een vast inkomen hebben en dat zij een gezin hebben om voor te zorgen, maar onvoldoende aannemelijk is geworden dat zij de oorzaken die hebben geleid tot hun onverantwoord handelen door na te laten te melden dat zij geen recht meer hadden op kinderopvangtoeslag en aldus hun verplichtingen te veronachtzamen, thans volledig in de hand hebben, in die zin dat aannemelijk is dat dergelijk handelen zich niet snel weer zal voordoen.

2.3.4. Het bewijsaanbod van Y c.s. zal het hof passeren, nu de gewone regels betreffende bewijsvoering niet van toepassing zijn ex artikel 362 lid 2 Fw en het ook overigens niet ter zake dient. Het had op de weg van Y c.s. gelegen om, waar nodig/mogelijk onderbouwd met stukken, hun stellingen aannemelijk te maken. Dat hebben zij nagelaten.

De beslissing van de rechtbank zal dan ook worden bekrachtigd.

3. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, R.J.Q. Klomp en G.H. Lankhorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 3 mei 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.