Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX2316

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
11-00585
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:690, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de flexibele inrichting en de multifunctionele inzetbaarheid van de bestelbus kan naar het oordeel van het Hof niet worden gesteld dat deze is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband in de zin van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet BPM. De gevraagde teruggaaf van BPM is terecht geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1901
V-N 2012/47.2.4
FutD 2012-2010
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00585

12 juli 2011

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

A, te X, belanghebbende,

gemachtigde: mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/4468 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Noord-Holland/kantoor Alkmaar,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft bij beschikking nr. […], gedagtekend 5 maart 2010, het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van de belasting van personenauto’s en motorrijtuigen (hierna: BPM) afgewezen.

Bij uitspraak, gedagtekend 22 juli 2010, heeft de inspecteur het door belanghebbende gemaakte bezwaar afgewezen.

Bij uitspraak van 30 juni 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.2. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 15 juli 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.

Op 11 mei 2012 is een brief van de gemachtigde ontvangen waarin deze aangeeft niet ter zitting te zullen verschijnen. De inspecteur heeft daarop bij brief ingekomen op 29 mei 2012 gereageerd. Voormelde brieven zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft een bestelbus van het merk […], type […] (hierna ook: de bestelbus), aangeschaft voor het vervoer van gehandicapte leerlingen. Het kenteken is op 20 november 2009 op naam van belanghebbende gesteld.

2.2. In opdracht van belanghebbende is de bestelbus aangepast voor rolstoel- en personenvervoer. Blijkens de orderbevestiging zijn onder meer de volgende voorzieningen aangebracht:

“Vloer: Een door [B] ontwikkelde [type nummer] vloer […] met drie Heavy Duty beschermde schuifrails voor het fixeren van de vouwstoelen. Hiermee is een groot aantal indelingsvarianten te realiseren. De toplaag van de vloer is voorzien van Safe Step antislip vloerbedekking.

(…)

Rolstoelfixatie: Vloer voorzien van 4 geïntegreerde 4-pints rolstoelfixatie-systemen die op eenvoudige manier kunnen worden aangespannen. Elke set is voorzien van een in de vloer geïntegreerde heupgordel uitgebreid met 3-punts gordel voor de rolstoelgebruiker.

Inbouwlift: [type aanduiding] rolstoellift, type “ Linear”. Deze 2- koloms elektro/hydraulisch bediende lift is volledig automatisch met een afrolbeveiliging op de achterzijde van het plateau, de tussenklep is gemonteerd aan de liftbok.

-Automatische handrails links en rechts van het plateau.

-Hoofdstroomschakelaar rechts op bestuurdersconsole.

Instapstang: Een instapstang linksvoor bij de instap gemonteerd.(..).

Instapstang: een instapstang lang rechtsvoor bij de instap gemonteerd (..).

Zetels: Acht ergonomisch gevormde [merknaam]® zetels die opvouwbaar, verplaatsbaar en uitneembaar zijn en die in opgevouwen toestand onder de raamsponning blijven, zodat het uitzicht naar buiten niet wordt belemmerd. De zetels zijn voorzien van een hoofdsteun, opklapbare armlegger aan de gangzijde en een 3-punts gordel met schouderhoogteverstelling zodat ook kinderen op een veilige manier vervoerd kunnen worden. (...) Opstelling 4x 1-zits links & 4x 1-zits rechts.

Montage zetels: Plaatsing van de zetels door middel van een kliksysteem in Heavy Duty beschermde schuifrails.” .

2.3. Uit de gedingstukken, waaronder foto’s en tekeningen, blijkt dat de bus kan worden aangepast aan de te vervoeren passagiers in die zin dat maximaal vier personen in een rolstoel kunnen worden vervoerd, waarbij alle zitplaatsen zijn opgeklapt, dan wel maximaal acht zitplaatsen, waarbij er geen ruimte is voor het vervoer van personen in een rolstoel, dan wel een combinatie van personen in een rolstoel en personen op een zitplaats. Belanghebbende geeft terzake in het hoger beroepschrift het volgende aan: “De “gewone” stoelen zijn overigens opklapbare stoelen niet plaats kunnen maken voor rolstoelen.”.

2.4. Op 14 december 2009 is bij de inspecteur een verzoek om teruggaaf van de BPM voor een bedrag van € 22.668 ingediend. De inspecteur heeft bij brief van 8 januari 2010 zijn voornemen het verzoek af te wijzen bekendgemaakt. Belanghebbende heeft daarop bij brief van 26 januari 2010 gereageerd en de inspecteur verzocht om zijn standpunt te heroverwegen.

In de brief van 2 februari 2010 heeft de inspecteur in reactie op het verzoek om heroverweging, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“ De wet BPM geeft aan dat voor elke geregistreerde personenauto etc., een belasting (BPM) wordt geheven. In o.a. artikel 15 wordt aangegeven wanneer er recht op teruggaaf van BPM aanwezig is. I.c. lid 1 letter g: zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband.

Hier worden 2 voorwaarden genoemd waaraan de auto moet voldoen:

- Ingericht zijn voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband;

- Uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers.

In § 9.8 van de Leidraad vindt een toelichting plaats op artikel 15 Wet.

Zo wordt § 9.8.2 het gebruik nader toegelicht:

Teruggaaf van BPM wordt alleen verleend als het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van rolstoelgebruikers en hun begeleiders van en naar instellingen die zich de zorg voor gehandicapte personen ten doel stellen.

Vervolgens wordt op een aantal begrippen een nadere toelichting gegeven. Evt. jurisprudentie bepaalt vervolgens nog de reikwijdte hier van.

In § 9.8.3. wordt de inrichting en kenmerken toegelicht.

Teruggaaf van BPM wordt slechts verleend voor een motorrijtuig dat speciaal voor het groepsvervoer van rolstoelgebruikers is ingericht. Daarvan is sprake als:

-de auto beschikt over voorzieningen waardoor deze gemakkelijk toegankelijk is voor rolstoelen, en

-in de auto bevestigingspunten zijn aangebracht voor de rolstoelen, waarmee zij kunnen worden vastgezet, opdat de veiligheid van de rolstoelgebruiker is gewaarborgd.

Deze voorzieningen moeten op een deugdelijke en permanente wijze zijn aangebracht. De aanwezigheid –naast deze voorzieningen- van gewone zitplaatsen voor een of enkele begeleiders van de gehandicapte persoenen staat het verlenen van teruggaaf niet in de weg.

Evt. jurisprudentie bepaalt vervolgens nog de reikwijdte hiervan.

De Wet en de Leidraad zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Het is niet mogelijk om op een onderdeel te voldoen aan de vereisten en vervolgens te stellen dat aan alle voorwaarden wordt voldaan en er derhalve recht op teruggaaf van BPM aanwezig is.

De wetgever heeft een en ander zo in de wet vastgelegd, mede ter voorkoming van concurrentieverstoring.

Het is de inspecteur niet toegestaan om aan uitspraken van de rechter voorbij te gaan. Deze hebben derhalve invloed op mijn standpunt.

Op grond van het bovenstaande zal ik dan ook het verzoek om teruggaaf van BPM voor de auto met kenteken [nummer] afwijzen. Voor de motivering zal dan worden volstaan met de opmerking dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor teruggaaf BPM, met verwijzing naar deze brief.”

Bij de beschikking van 5 maart 2010 is het verzoek om teruggaaf BPM afgewezen onder vermelding van het volgende: “Voor de overweging wordt verwezen naar de brief van 2 februari 2010”.

Het bezwaar tegen de beschikking is, na telefonisch horen, eveneens afgewezen.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de voor de bestelbus betaalde BPM op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM).

3.2. De voor dit geschil relevante wet- en regelgeving luidt als volgt:

Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel g van de Wet BPM:

“1. Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's die: g. zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband;”

Artikel 11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992:

“1. De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de wet bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien:

a. de personenauto beschikt over voorzieningen waardoor deze gemakkelijk toegankelijk is voor rolstoelen;

b. in de personenauto bevestigingspunten zijn aangebracht voor de rolstoelen, waarmee zij kunnen worden vastgezet, opdat de veiligheid van de rolstoelgebruiker is gewaarborgd; en

c. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van rolstoelgebruikers en hun begeleiders van en naar instellingen die zich de zorg voor gehandicapte personen ten doel stellen.”

Paragraaf 9.8.2. van de Leidraad BPM 2006, voor zover hier relevant:

“ Teruggaaf van BPM wordt alleen verleend als het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor bedrijfsmatig vervoer van rolstoelgebruikers en hun begeleiders van en naar instellingen die zich de zorg voor gehandicapte personen ten doel stellen. Een motorrijtuig dat niet uitsluitend wordt gebruikt voor rolstoelvervoer, maar bijvoorbeeld ook voor het vervoer van personen en hulpverleningsmaterialen naar evenementen en activiteiten, komt dus niet in aanmerking voor teruggaaf van BPM.”

Paragraaf 9.8.3 luidt:

“Teruggaaf van BPM wordt slechts verleend voor een motorrijtuig dat speciaal voor het groepsvervoer van rolstoelgebruikers is ingericht. Daarvan is sprake als:

-de auto beschikt over voorzieningen waardoor deze gemakkelijk toegankelijk is voor rolstoelen, en

-in de auto bevestigingspunten zijn aangebracht voor de rolstoelen, waarmee zij kunnen worden vastgezet, opdat de veiligheid van de rolstoelgebruiker is gewaarborgd.

Deze voorzieningen moeten op deugdelijke en permanente wijze zijn aangebracht. De aanwezigheid –naast deze voorzieningen- van gewone zitplaatsen voor één of enkele begeleiders van de gehandicapte personen staat het verlenen van teruggaaf niet in de weg.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij voor zover relevant, voor het geding in hoger beroep, het volgende overwogen, waarbij belanghebbende wordt aangeduid als eiseres en de inspecteur wordt aangeduid als verweerder.

“ 4.4. De rechtbank stelt vast dat in de bus bevestigingspunten aanwezig zijn voor vier rolstoelen. Voorts zijn er acht reguliere zitplaatsen aanwezig. De rechtbank is van oordeel dat daardoor niet is voldaan aan de voorwaarde dat de bus uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers en hun begeleiders. Daartoe overweegt zij als volgt.

4.5. Verweerder heeft gesteld dat moet worden uitgegaan van maximaal één begeleider per rolstoelgebruiker. Eiseres heeft niet gesteld dat meer begeleiders per rolstoel noodzakelijk zijn. Dit betekent dat bij vier rolstoelgebruikers, het aantal rolstoelplaatsen in de bus, maximaal vier begeleiders meegaan. Dit betekent dat vier van de acht reguliere zitplaatsen worden gebruikt door niet-rolstoelgebruikers of personen die geen rolstoel begeleiden. Daardoor kan geen sprake zijn van het uitsluitend gebruik voor rolstoelgebruikers en hun begeleiders.”.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De Wet BPM stelt voor de toekenning van teruggaaf van BPM voor het onderhavige vervoer de voorwaarde dat de bestelauto is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband. Uit de bewoordingen van artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BPM in samenhang met artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 volgt dat onder vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband moet worden verstaan vervoer van rolstoelgebruikers zittend in hun rolstoel, waarbij gebruik wordt gemaakt van de voorgeschreven voorzieningen voor de rolstoelen.

5.2. Belanghebbende heeft gesteld dat zij in de bestelbus ook personen vervoert, die weliswaar zijn aangewezen op een rolstoel maar die bij het vervoer in de bus daarvan geen gebruik maken. Zij maken gebruik van de zitplaatsen en hun rolstoel wordt ingeklapt meegenomen. Naar het oordeel van het Hof kan voormeld vervoer op de zitplaatsen, anders dan belanghebbende stelt, niet worden aangemerkt als uitsluitend gebruik voor vervoer van rolstoelgebruikers in de zin van de Wet BPM.

5.3. Uit de feiten van het geding leidt het Hof voorts af dat de onderhavige bus is ingericht en kan worden gebruikt voor zowel het vervoer van rolstoelgebruikers dan wel vervoer van maximaal acht andere personen op de aangebrachte zitplaatsen, dan wel voor een combinatie van de beide categorieën vervoer. De leverancier van de in de bestelbus aangebrachte inrichting omschrijft die inrichting als dé oplossing van het personenvervoer waarbij mensen met en zonder functionele beperkingen gelijkwaardig vervoer geboden wordt. Voorts stelt die leverancier dat de bestelbus in een handomdraai kan worden omgebouwd van taxibus naar rolstoelbus en omgekeerd.

5.4. Gelet op de flexibele inrichting en de multifunctionele inzetbaarheid van de bus kan naar het oordeel van het Hof niet worden gesteld dat deze is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband in de zin van de Wet BPM.

De tekst van de Leidraad BPM 2006 staat aan dit oordeel niet in de weg, reeds omdat in het onderhavige geval sprake is van meer dan één of enkele gewone zitplaatsen voor begeleiders van de gehandicapte personen, maar de bestelbus naar behoefte uitsluitend voor anderen dan rolstoelgebruikers kan worden gebruikt.

5.5. Belanghebbende stelt zich mede op het standpunt dat de beschikking van 5 maart 2010 niet dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Gelet op de inhoud van de onder 2.4. hiervoor geciteerde brief van 2 februari 2010 van de inspecteur aan belanghebbende en de in de beschikking van 5 maart 2010 opgenomen verwijzing, is het Hof van oordeel dat er geen sprake is van een onvoldoende gemotiveerde beschikking. Het standpunt van belanghebbende dient derhalve te worden verworpen.

5.6. In hoger beroep voert belanghebbende tevens aan dat de rechtbank voorbijgaat aan de relatieve competentie van gerechtshof Arnhem. Het Hof verstaat deze stelling aldus dat de relatieve competentie van de rechtbank Haarlem om te oordelen in deze zaak niet in geschil is, maar dat belanghebbende stelt dat de door de inspecteur aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Arnhem niet van toepassing kan zijn op het onderhavige geding omdat belanghebbende niet onder ressort Arnhem valt. Deze stelling treft geen doel omdat het de inspecteur vrij staat om ter onderbouwing van zijn standpunt jurisprudentie aan te halen van andere rechterlijke colleges. Het is aan dit hof een zelfstandig een oordeel te geven inzake het voorgelegde geschil. Dat oordeel is, overigens los van de uitspraak van het Hof Arnhem neergelegd in de hiervoor vermelde rechtsoverwegingen. De relatieve competentie als bedoeld in artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is in dat kader niet aan de orde.

5.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat de inspecteur het verzoek om teruggaaf van BPM terecht heeft afgewezen.

Slotsom

5.8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, D.B. Bijl en G.D. van Norden, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als griffier. De beslissing is op 12 juli 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.