Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1692

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
17-07-2012
Zaaknummer
200.088.983-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Inboedelverzekering. Trouwsieraden. Factuur uit India in Hindi met later toegevoegd €-teken voor het factuurbedrag en punt/komma en streepje achter het factuurbedrag. Voldoende gemotiveerde betwisting van de door de verzekeraar gestelde opzet tot misleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.088.983/01

3 juli 2012

GERECHTSHOF AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. C.C.C.A.M. Kuijken te Valkenswaard,

t e g e n

de naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.P. Vink te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [appellant] en London genoemd.

1.1. Bij dagvaarding van 31 mei 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2011, in deze zaak onder zaaknum¬mer/rolnummer 465631/HA ZA 10-2447 gewezen tussen hem als eiser en London als gedaagde.

1.2. [appellant] heeft bij memorie een (uit verschillende onderdelen opgebouwde) grief aangevoerd en daarbij bewijs aangeboden, met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, alsnog - uitvoerbaar bij voorraad – London zal veroordelen het verzekeringsgeld van € 36.368,52 vanwege door hem geleden inbraakschade te voldoen, met wettelijke rente hierover vanaf 20 april 2009 tot aan de dag der algehele voldoening en London zal veroordelen, op straffe van een dwangsom, alle (rechts)personen aan wie zij of haar vertegenwoordiger kenbaar heeft gemaakt dat [appellant] heeft gefraudeerd, onwaarheden heeft verteld en/of onbetrouwbaar is, schriftelijk kenbaar te maken dat deze uitlatingen onjuist zijn alsook London zal bevelen zich tot het uiterste in te spannen vermeldingen van [appellant] in het Incidentenregister, het Centraal Informatie Systeem en bij het Bureau Justitiële Zaken ongedaan te maken, een en ander met veroordeling van London in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3. Daarop heeft London geantwoord en daarbij bewijs aangeboden, met conclu¬sie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding (het hof leest:) in hoger beroep.

1.4. Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.9) een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. In zijn memorie van grieven heeft [appellant] een aanvulling gegeven op de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld. Zo nodig komt deze aanvulling hierna nog aan de orde. Omtrent de juistheid van de vastgestelde feiten bestaat echter geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling

3.1. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

(i) [appellant] heeft een inboedelverzekering afgesloten bij London. Artikel 4 van de algemene voorwaarden van London bevat onder meer de bepaling (4.4) dat, indien onjuiste gegevens zijn verstrekt en/of fraude is gepleegd, schade van de verzekering is uitgesloten. Fraude wordt (onder 4.4.b) omschreven als: handelen met als opzet de verzekeraar te misleiden. Als verdere gevolgen van fraude wordt onder meer genoemd (eveneens onder 4.4.b) dat de verzekeraar gerechtigd is andere verzekeraars van de gepleegde fraude in kennis te stellen en er een registratie van persoonsgegevens plaatsvindt in daartoe geëigende bestanden en tussen maatschappijen gangbare signalerings¬systemen.

(ii) In het weekend van 18 en 19 april 2009 is ingebroken in de woning van [appellant] te Eindhoven. Op 20 april 2009 heeft [appellant] aangifte gedaan bij de politie en melding gedaan bij London. Op het schadeclaimformulier heeft [appellant] onder meer vermeld dat een trouwset is ontvreemd ter waarde van

€ 18.150,¬-.

(iii) London heeft onderzoeksbureau Toplis [H.] (hierna: Toplis) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de schadeclaim. In het eindverslag van expertise van Toplis van 4 september 2009 wordt onder meer vermeld dat met betrekking tot de aankoop van de gouden trouwsieraden door [appellant] een uit Mumbai (India) afkomstige factuur is overhandigd, waarop het bedrag van € 18.150,- te lezen is, maar dat bij nader onderzoek is gebleken dat het €-teken en de punt en komma met andere inkt was geschreven en dat uit de vertaalde tekst bleek dat het niet ging om de aankoop van gouden trouwsieraden maar om de aankoop van slechts één ring. In het rapport staat voorts dat de verzekerde ([appellant]) en zijn zus niet eensluidend verklaarden over het ‘aanpassen’ van de factuur en dat, na onderzoek, is vastgesteld dat een gemiddelde prijs van een trouwset in India tussen de twee en drieduizend euro ligt. De factuur en de verklaringen van [appellant] en zijn zuster zijn als bijlagen bij het expertiseverslag gevoegd. De schade aan lijfsieraden is, onder voorbehoud van dekking, in het rapport vastgesteld op € 3.092,07 inclusief btw en daarnaast is als claim ter beoordeling van de behandelaar een bedrag genoemd van € 39.835,- (behalve op de trouwsieraden tevens betrekking hebbend op andere sieraden en horloges en op € 600,- contant geld).

(iv) Bij brief van 23 september 2009 heeft London [appellant] bericht dat [appellant] opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt met het kennelijke doel haar te misleiden, dat het verzoek tot schadeuitkering onder de inboedelverzekering wordt afgewezen en dat zij de gegevens van [appellant] zal laten opnemen in het Incidentenregister en het Centraal Informatie Systeem.

(v) Bij vonnis van 14 januari 2010 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam de vorderingen van [appellant] tot uitkering van de schade tot een bedrag van € 22.700,- (het bedrag van de maximale dekking voor sieraden) en tot doorhaling van de registratie in de registers afgewezen.

3.2. [appellant] heeft in de onderhavige procedure de vorderingen ingesteld zoals hiervoor onder 1.2 zijn weergegeven. Hij betwist dat hij met de onder 3.1(iii) bedoelde factuur opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen.

3.3. Dat [appellant] als bewijs van de aankoop van een trouwset een factuur heeft overgelegd waarop de in Hindi gestelde tekst in vertaling luidt “ring met (gele) topaas” en dat voor het op die factuur vermelde bedrag van 18150 naderhand een euroteken is geplaatst en achter het bedrag een punt/komma en een streepje, wordt op zichzelf niet door [appellant] betwist. De grief van [appellant] strekt er in de kern toe te betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende heeft aangevoerd om de aanpassingen op de factuur te verklaren en er ten onrechte van is uitgegaan dat [appellant] deze factuur heeft overgelegd met de opzet te misleiden. Hieromtrent geldt het volgende.

3.4. London heeft zich beroepen op artikel 4 aanhef en onder 4.4 en 4.4.b van haar algemene voorwaarden (zie hiervoor onder 3.1.(i)) en op het bepaalde in artikel 7:941 lid 5 BW. Het overleggen van een factuur met een omschrijving die niet blijkt te kloppen met wat de verzekerde daaromtrent heeft meegedeeld en met een bedrag waarin veranderingen zijn aangebracht, is op zichzelf een omstandigheid die doet vermoeden dat sprake is van een poging de verzekeraar opzettelijk te misleiden. In het onderhavige geval heeft [appellant] echter gemotiveerd betwist dat bij hem opzet tot misleiding aanwezig is geweest. Anders dan de rechtbank acht het hof hetgeen door [appellant] in dat verband is aangevoerd een voldoende gemotiveerde betwisting van de stelling van London.

3.5. [appellant] heeft aangevoerd dat hij zijn zuster, [M.], in 2007 een bedrag van € 25.000,- heeft meegegeven om in India een trouwset (een set gouden sieraden) voor hem te kopen. Dit heeft zij volgens [appellant] gedaan en hem na terugkomst de sieraden en de thans in geding zijnde factuur gegeven. Afspraak was, aldus [appellant], dat zij hetgeen resteerde van het bedrag van € 25.000,- mocht houden. [appellant] stelt dat hij niet beter wist dan dat op de factuur stond vermeld dat het om de verkoop van een trouwset ging en dat het bedrag voor die trouwset € 18.150,- betrof. Dat het euroteken en de komma en het streepje met andere inkt waren geschreven is hem naar zijn zeggen niet opgevallen.

3.6. Uit het paspoort van de zus van [appellant] blijkt (zo staat in het onderzoeksrapport van Toplis) dat zij op 14 augustus 2007 (de datum die op de factuur staat vermeld) daadwerkelijk in India was. Voorts heeft [appellant] foto’s verstrekt waarop zijn echtgenote met gouden sieraden staat afgebeeld. Volgens [appellant] kan hij bij gebrek aan wetenschap zelf niets verklaren over de wijzigingen ten aanzien van het factuurbedrag. Hij stelt van zijn zus te hebben gehoord dat zij, toen haar was opgevallen dat het valutateken op de factuur ontbrak, naar de verkoper is teruggegaan, die het teken en de punt/komma en het streepje alsnog heeft toegevoegd. Hij stelt dat hij in de eerste plaats zijn zus gelooft, maar dat niet uitgesloten is dat zijn zus zelf een rol heeft gespeeld bij de wijziging.

3.7. London heeft gewezen op een aantal discrepanties en onwaarschijnlijkheden in het verhaal van [appellant], maar het hof acht hetgeen London op dit punt heeft aangevoerd niet van dien aard dat daarmee zodanig afbreuk wordt gedaan aan het verweer van [appellant] dat dit niet meer als voldoende gemotiveerde betwisting van de door London gestelde opzet tot misleiding kan gelden.

3.8. In de eerste plaats acht London de verklaringen die zijn verkregen van [appellant] en de zus van [appellant] ongeloofwaardig en tegenstrijdig. Dat de verklaring van [appellant] aan de onderzoeker van Toplis omtrent hetgeen hij in eerste instantie van zijn zus (althans haar echtgenoot) heeft begrepen op onderdelen afwijkt althans af lijkt te wijken van de verklaring die zijn zus zelf aan de onderzoeker van Toplis heeft gegeven (welke verklaring zij - door akkoord ondertekening van een brief van de advocaat van [appellant] waarin deze verslag doet van een met haar gevoerd telefoongesprek – nadien nader heeft uitgelegd/aangevuld), maakt zijn betwisting als zodanig niet reeds op voorhand van onwaarde.

3.9. London heeft voorts betoogd dat een bedrag van 18150 in roepie omgerekend een bedrag van € 350,59 is en dat dit een prijs is die past bij een topazen ring. Ook als dit juist is, laat dit echter onverlet dat de factuur aan [appellant] – die, zoals London niet heeft betwist, geen Hindi kan lezen - kan zijn gepresenteerd als de factuur voor een trouwset. Als dit zo is, zoals [appellant] aanvoert, kan hem niet worden tegengeworpen dat hij geen verklaring kan geven omtrent de achtergrond van de tekst en de wijzigingen op de factuur.

3.10. Verder heeft London aangevoerd dat een gemiddelde trouwset tussen € 2.000,- en € 3.000,- kost en heeft zij ter onderbouwing daarvan verwezen naar de verklaring van een deskundige. Los van het feit dat in het rapport van Toplis geen verdere bijzonderheden worden vermeld ten aanzien van het op dit punt verrichte onderzoek, acht het hof de uitleg van [appellant] dat een “gemiddelde trouwset” niet bestaat en dat het van de welstand van de bruidegom en van het bedrag dat deze aan een trouwset wil spenderen afhangt welk bedrag hieraan wordt uitgegeven, plausibel.

3.11. De omstandigheden dat de euro geen officieel betaalmiddel is in India en dat de uitvoer van een bedrag van € 25.000,- in contanten niet bij de douane is aangegeven, zijn evenmin van dien aard dat hiermee de betwisting van [appellant] op voorhand wordt ontkracht.

3.12. Slotsom van het vorenstaande is dat nu [appellant] de stelling van London dat hij haar opzettelijk heeft willen misleiden voldoende gemotiveerd heeft betwist, het aan London is haar stelling ter zake te bewijzen. Zij zal, conform haar bewijsaanbod, in de gelegenheid worden gesteld dit bewijs te leveren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. Beslissing

Het hof:

Laat London toe te bewijzen dat [appellant] de onder 3.1(iii) bedoelde factuur ter onderbouwing van zijn schadeclaim heeft overhandigd terwijl hij wist dat de omschrijving en/of het bedrag op de factuur niet klopte met hetgeen hij daaromtrent had opgegeven;

bepaalt dat de getuigen zullen worden gehoord door mr. M.M.M. Tillema, raadsheer-commissaris, in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;

verwijst de zaak naar de rol van 14 augustus 2012 voor opgave door partijen van hun verhinderdata in de maanden september, oktober en november 2012;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, M.M.M. Tillema en J.W. Hoekzema en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2012 door de rolraadsheer.