Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1588

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
200.100.657-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve ontslag bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector familierecht

Uitspraak: 19 juni 2012

Zaaknummer: 200.100.657/01

Zaaknummer eerste aanleg: 531690

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. E.A.J. Verschuur-van der Voort te Bloemendaal.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant is op 19 januari 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 oktober 2011 van de rechtbank Haarlem Sector kanton, met kenmerk 531690.

1.2. De zaak is op 16 april 2012 tegelijkertijd met de zaken met zaaknummers 200.100.011/01, 200.100.014/01, 200.100.019/01, 200.100.659/01, 200.100.674/01, 200.100.695/01, 200.100.697/01, 200.100.698/01, 200.100.906/01, 200.100.907/01, 200.100.908/01 en 200.100.911/01 ter terechtzitting behandeld.

1.3. Ter terechtzitting is verschenen:

- appellant, bijgestaan door zijn advocaat.

1.4. […] (hierna: [X]), de heer ing. […] (hierna: [Y]) en de advocaat-generaal zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

De goederen van [X] zijn sinds 15 april 1996 onder bewind gesteld. Appellant is op 25 april 2002 tot bewindvoerder benoemd.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is appellant ontslagen als bewindvoerder over de goederen van [X]. [Y] is benoemd als opvolgend bewindvoerder.

3.2. Appellant verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Appellant is ambtshalve door de kantonrechter ontslagen als bewindvoerder en curator in alle zaken waarin hij tot bewindvoerder respectievelijk curator is benoemd. De oorzaak daarvoor ligt in het volgende. Appellant heeft in 2011 in totaal € 242.000,- van de spaarrekening van mevrouw [J] - wier goederen onder zijn bewind waren gesteld en in welke zaak hij bewindvoerder was - opgenomen om die kortdurend te lenen aan twee andere cliënten om zo een hoog rendement op het spaargeld van mevrouw [J] te realiseren, naar hij stelt met mondelinge toestemming van één van de dochters van mevrouw [J], althans zo heeft hij dat opgevat. Hij was van plan het geld, nadat dit op zijn eigen rekening was gestort vervolgens te hebben willen uitlenen aan zijn twee andere cliënten, met goede bedoelingen en met afweging van de risico’s, zowel ten aanzien van mevrouw [J] (die meer rente kreeg dan bij een bank) als ten aanzien van de twee in financiële nood verkerende cliënten. Hij was voornemens om via een hypothecaire inschrijving van korte duur (zes tot twaalf maanden) het geld van mevrouw [J] tegen 4,5% rente uit te lenen. In de leningsovereenkomst stond appellant als uitlener vermeld. Toen de advocaat van één van de dochters van mevrouw [J] hem meedeelde dat hij zonder toestemming had gehandeld, heeft appellant de bedragen zo snel mogelijk teruggestort en zijn excuses aangeboden. Voorts heeft hij aangeboden in deze zaak vrijwillig terug te treden als bewindvoerder.

Appellant erkent dat hij niet volgens de regels heeft gehandeld door de bedragen uit te lenen zonder voorafgaande rechterlijke machtiging. Appellant vindt echter dat hij vanwege deze fout niet ook moet worden ontslagen als bewindvoerder van in dit geval [X], temeer omdat hij zijn taken altijd naar volle tevredenheid van zijn cliënten heeft uitgevoerd.

Ter zitting in hoger beroep heeft appellant verklaard dat de leningen aan zijn twee in financiële nood verkerende cliënten uiteindelijk niet zijn verstrekt door het ingrijpen van de advocaat van één van de dochters van mevrouw [J].

4.2. Op grond van artikel 1:448 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bewindvoerder wegens gewichtige redenen ambtshalve door de kantonrechter worden ontslagen. Het hof dient thans de vraag te beantwoorden of de handelswijze van appellant zoals beschreven onder 4.1. een gewichtige reden vormt die tot ontslag dient te leiden.

4.3. Op grond van artikel 1:441 BW behoort tot de taken van de bewindvoerder het zorg dragen voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder behoeft echter toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter voor onder meer het lenen van geld. Op deze wijze kan worden voorkomen dat de bewindvoerder te zware verplichtingen aangaat voor de rechthebbende.

De taken van de bewindvoerder zijn verder omschreven in de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind. Het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren (LOVCK) heeft zijn goedkeuring gehecht aan deze Aanbevelingen, zoals opgesteld door de Commissie Bewind en Familie. Deze aanbevelingen strekken landelijk tot uitgangspunt. Voor beschikkingshandelingen behoeft de bewindvoerder toestemming van de wilsbekwame rechthebbende of in plaats daarvan machtiging van de kantonrechter. Hieronder valt onder meer het lenen of uitlenen van geld.

In paragraaf B2 van de aanbevelingen meerderjarigenbewind is onder meer vermeld: “Het is verboden gelden van de rechthebbende op een en/of rekening met de bewindvoerder of anderen, dan wel op een rekening op naam van de bewindvoerder “inzake” de rechthebbende te hebben.

4.4. Dat appellant in het geval van mevrouw [J] een fout heeft gemaakt door in strijd met de voorschriften geen machtiging van de kantonrechter te vragen voor het lenen en vervolgens uitlenen van het aanzienlijke bedrag van € 242.000,-, staat thans niet meer ter discussie, maar wel de reikwijdte van deze fout. Het hof is van oordeel dat appellant door zijn handelswijze, die in strijd is met de wettelijke voorschriften en de Aanbevelingen van het LOVCK, er blijk van heeft gegeven onvoldoende besef te hebben van de eisen die worden gesteld aan een goed en integer bewindvoerderschap. Door het geld van mevrouw [J] op eigen naam uit te willen lenen, heeft hij een ontoelaatbaar risico genomen ten aanzien van haar vermogen. Zo zou in geval van het overlijden van appellant, het geld van mevrouw [J] in zijn nalatenschap zijn gevallen. Het feit dat appellant dit onaanvaardbare risico heeft genomen zonder zich bovendien te realiseren dat hij voor het (uit)lenen van een dergelijk groot bedrag een machtiging van de kantonrechter nodig had, is een fout die hem zwaar is aan te rekenen en die niet alleen zijn bewindvoerderschap in het geval van mevrouw [J] raakt, maar ook zijn bewindvoerderschap in al zijn andere zaken. Anders dan appellant acht het hof deze handelswijze een dusdanige schending van de gedragsnormen voor bewindvoerders, dat moet worden geoordeeld dat ook in het geval van het bewind over de goederen van [X] sprake is van een gewichtige reden die het ambtshalve ontslag van appellant rechtvaardigt.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van den Bergh, mr. R.G. Kemmers en mr. J. Kok in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012.