Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1564

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
200.068.554-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige maatregel aangaande het ouderlijk gezag in afwachting van de voortgezette behandeling van de zaak over het ouderlijk gezag, die is aangehouden teneinde de vader van het kind in [land] op te roepen.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, 's-Gravenhage, 15-11-1965 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 22 februari 2012 in de zaak met zaaknummer 200.068.554/01 van:

[…],

wonende op een geheim adres,

APPELLANTE,

advocaat: mr. E.M.J. van Nieuwenhuizen te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. Het hof heeft in deze zaak op 16 november 2010 een tussenbeschikking gegeven waarin is vastgesteld dat de man niet op de juiste wijze is opgeroepen. Daarop is bepaald dat partijen zouden worden opgeroepen tegen een nader te bepalen datum.

1.3. Op 10 januari 2011 heeft de voortgezette behandeling ter terechtzitting plaatsgevonden. Het hof heeft de zaak aangehouden omdat de man wederom niet goed was opgeroepen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.4. De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting van 22 februari 2012, alwaar zijn verschenen:

• de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

• F.L.M. Huizinga namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam & Gooi en Vechtstreek, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2. De feiten

In aanvulling op de feiten die in de tussenbeschikking van 16 november 2010 zijn vastgesteld, staat tussen partijen voorts nog het volgende vast:

Het huwelijk van partijen is op 1 oktober 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 maart 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden echtscheidingsbeschikking is – voor zover thans van belang –:

• het verzoek van de vrouw het gezamenlijk ouderlijk gezag over [het kind] te beëindigen en het gezag aan haar alleen toe te wijzen afgewezen;

• op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw bepaald dat zij met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand huurster zal zijn van de echtelijke woning te [a].

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat aan haar het eenhoofdig gezag over [het kind] toekomt, subsidiair dat het hoofdverblijf van [het kind] bij haar is, meer subsidiair haar met de voogdij te belasten mocht haar voorkeur tot toepassing van Nederlands recht weersproken worden, onder intrekking van de verzochte toewijzing van het huurrecht, dan wel te beslissen als het hof juist zal achten.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Aangezien de man nog niet op de juiste wijze was opgeroepen, is de zaak aangehouden teneinde de man in [land] op te roepen op de wijze als voorzien in het Haags Betekeningsverdrag 1965 (HBetV). De man is inmiddels met inachtneming van die voorschriften opgeroepen voor de voortgezette behandeling van de zaak ter terechtzitting van 10 december 2012 om 9.30 uur, waarvoor ook de vrouw en de Raad zullen worden opgeroepen.

In afwachting daarvan heeft de vrouw op 25 oktober 2011 het hof verzocht om een spoedige beslissing op haar verzoek om het eenhoofdig gezag over [het kind]. Het hof zal thans beoordelen of sprake is van een zodanig spoedeisende toestand aangaande het gezag over [het kind] die het nemen van een voorlopige maatregel in de zin van artikel 15 lid 3 HBetV rechtvaardigt.

4.2. Uitgangspunt is dat de rechter kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Namens de vrouw is ter zitting verklaard dat zij geregeld door de man is bedreigd en onder druk gezet. Hiervan is enkele maanden geleden nog sprake geweest, toen de man heeft gedreigd [het kind] mee te nemen naar [land]. De vrouw woont daarom thans met [het kind] op een voor de man en haar familie geheim adres. De man woont in [land].

Het hof acht het op grond van deze omstandigheden aannemelijk dat partijen thans niet in staat zijn beslissingen van enig belang over [het kind] in gezamenlijk overleg te nemen, althans vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [het kind] kunnen voordoen. De voor een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening vereiste communicatie tussen partijen is op dit moment niet aanwezig, en niet te verwachten is dat hierin in de komende tijd verbetering zal optreden. Het hof acht het daarom in het belang van [het kind] noodzakelijk dat de vrouw in de periode totdat definitief zal zijn beslist op haar verzoek aangaande het gezag over [het kind], de nodige beslissingen ten behoeve van [het kind] zal kunnen nemen. Hiervoor is nodig, gelijk de Raad ter zitting in hoger beroep heeft geadviseerd, dat de vrouw in die periode alleen met het gezag over [het kind] zal worden belast.

4.3. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bepaalt dat de vrouw voorlopig het eenhoofdig gezag over [het kind] heeft totdat het hof definitief zal hebben beslist;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van de zaak aan tot de nader bepaalde terechtzitting van 10 december 2012 om 9.30 uur;

houdt iedere verdere beslissing op het onder 3.2 verwoorde verzoek van de vrouw aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Kleene-Eijk, R.G. Kemmers en C.A. Joustra in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.