Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0998

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
23-001372-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot werkstraf na plegen wederspannigheid. Proportioneel geweld aangewend (naar de grond brengen en boeien). Niet bewezen is verklaard het letsel dat verbalisant heeft bekomen, doordat verdachte door andere verbalisanten naar de grond is gebracht om verzet te breken. Het hof ziet dat letsel als gevolg van de wezenlijke interventie door verbalisanten die op professionele wijze verdachte naar de grond brachten.

Deze handeling vormde immers de oorzaak van de valpartij met letsel tot gevolg. Dat letsel is mitsdien niet in redelijkheid aan verdachte toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001372-10

datum uitspraak: 10 juli 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2010 in de strafzaken onder de parketnummers 13-410432-09 en

13-447352-06 (TUL) tegen

[Naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en - datum]

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

22 maart 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2011 en 26 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 mei 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] (allen opsporingsambtenaren van de politie Amsterdam/Amstelland verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 447e Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie Meer en Vaart, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin de bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en/of een of meermalen (met kracht) te trappen en/of te schoppen in de richting van bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en) en/of zich met kracht te hebben omgedraaid terwijl die opsporingsambtenaar [verbalisant 1] verdachte middels een nekklem tot bedaren probeerde te brengen en/of zich (vervolgens) met kracht te hebben laten vallen op/tegen het been en/of op/tegen het onderlichaam van die opsporingsambtenaar [verbalisant 1], tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar [verbalisant 1] enig lichamelijk letsel [letsel] bekwam.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging en bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

Uit het proces-verbaal van bevindingen, alsmede uit de verklaringen die verbalisanten bij de raadsheer-commissaris hebben afgelegd is gebleken dat verbalisanten op 17 mei 2009 opdracht kregen om naar de [adres] te gaan, waar ter hoogte van perceel [nummer] een hevige ruzie zou plaatsvinden tussen een man en een vrouw, waarbij de vrouw door de man zou worden geslagen. Ter plaatse werden verbalisanten door omstanders gewezen op een man, een vrouw en een kind. Verbalisanten zagen deze vrouw samen met het kind huilend weglopen. Zij hebben de man - naar later blijkt: de verdachte [naam] - staande gehouden op verdenking van mishandeling dan wel huiselijk geweld en hem gevraagd naar zijn identiteitsbewijs. De verdachte werd hierop zichtbaar boos en bleef op luide en agressieve toon weigeren zijn identiteitsbewijs te overhandigen. Hierop hebben verbalisanten de verdachte aangehouden ter zake van het niet voldoen aan de legitimatieplicht. Toen verbalisanten probeerden de verdachte de handboeien om te doen, zagen en voelden zij dat de verdachte zich hiertegen met kracht verzette. Verbalisant Tulp heeft vervolgens tevergeefs geprobeerd de verdachte door middel van een nekklem naar achteren te bewegen. Omdat de verdachte zich hevig en met kracht tegen zijn aanhouding bleef verzetten hebben verbalisanten na een voorafgaande waarschuwing pepperspray gebruikt. Ook hierna bleef de verdachte zich verzetten. Uiteindelijk is het verbalisanten gelukt de verdachte de handboeien om te doen en hem naar het politiebureau Meer en Vaart te vervoeren.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat sprake is geweest van buitenproportioneel geweld door verbalisanten. Zij hebben niet gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak van het ten laste gelegde. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake geweest is van een opzettelijke geweldshandeling tegen verbalisant [verbalisant 1]. De verdachte was in paniek en heeft geprobeerd zich los te rukken. Hij is besprongen door verbalisanten, waardoor hij is gevallen. De verdachte heeft niet kunnen voorzien dat zijn pogingen zich te ontzetten tot letsel bij verbalisant Tulp zou leiden. Dit letsel kan hem derhalve niet worden toegerekend.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verbalisanten rechtmatig hebben gehandeld. Zij hebben gepast geweld gebruikt omdat de verdachte zich tegen zijn aanhouding heeft verzet. Het letsel bij verbalisant [verbalisant 1] is een direct gevolg van dit verzet en kan de verdachte worden toegerekend.

Het hof komt tot het oordeel dat, gelet op bovenvermelde omstandigheden, door verbalisanten geen buitenproportioneel geweld is aangewend. Zij hebben derhalve gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het toegepaste proportionele geweld bestond uit het naar de grond brengen en het boeien van de verdachte teneinde zijn verzet te breken. Door eerstgenoemde handeling (het naar de grond brengen) is de verdachte op verbalisant [verbalisant 1] gevallen die tengevolge daarvan letsel heeft bekomen. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof het toegebrachte letsel niet als gevolg van het plegen van het verzet van de verdachte maar als gevolg van van de wezenlijke interventie door verbalisanten, die op professionele wijze (getraind in het omgaan met verdachten onder de gegeven omstandigheden en met de kennis en ervaring om de situatie onder controle te krijgen) de verdachte naar de grond brachten, welke handeling als zodanig de oorzaak vormde van de valpartij met letsel tot gevolg. In dat licht bezien kan dat gevolg niet in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend zodat hij van dat onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 mei 2009 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en

[verbalisant 3] (allen opsporingsambtenaren van de politie Amsterdam/Amstelland) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 447e Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, althans vast hadden teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie [bureau], zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trappen en zich met kracht te hebben omgedraaid terwijl die opsporingsambtenaar [verbalisant 1] verdachte middels een nekklem tot bedaren probeerde te brengen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een werkstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 750,00, met oplegging aan de verdachte van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De politierechter heeft het openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak met parketnummer 13-447352-06 niet ontvankelijk verklaard.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 750,00, met oplegging aan de verdachte van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr en dat het openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13-447352-06 niet ontvankelijk zal worden verklaard.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich bij zijn aanhouding met geweld te verzetten. Dergelijk grensoverschrijdend gedrag is ernstig, ook omdat de desbetreffende verbalisanten erdoor in zijn of haar gezag worden aangetast. Bovendien getuigt dergelijk gedrag jegens politieambtenaren in functie van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 juni 2012 is de verdachte eerder strafbare feiten veroordeeld.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf voorts gelet op de inhoud van een over de verdachte uitgebracht rapport van de Reclassering Nederland, opgemaakt op 10 juli 2007 en op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals hij deze ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegelicht.

Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf van na te melden duur passend.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.400,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van dat deel van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kan benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 63 en 180 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van 18 augustus 2006 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf in de strafzaak met parketnummer 13-447352-06. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Nu uit de stukken van het dossier is gebleken dat het bewezen verklaarde is begaan na het einde van de proeftijd, zal het openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging niet ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering tot schadevergoeding niet ontvankelijk.

Verklaart de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 29 mei 2009, in de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van

18 augustus 2006 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in de strafzaak met parketnummer

13-447352-06 niet ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. H.J. Bronkhorst en mr. J.P.W. Helmonds, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 juli 2012.