Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0458

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
200.069.525
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0457, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid producent op grond van onrechtmatige daad. Subrogatie verzekeraar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.069.525

(zaaknummer rechtbank 236627)

arrest van de eerste kamer van 26 juni 2012

in de zaak van

de naar buitenlands recht opgerichte vennootschap

M.A.N. Nutzfahrzeuge Aktiengesellschaft,

gevestigd te München (Duitsland),

appellante,

advocaat: mr. L.J. Böhmer,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.

gevestigd te Amsterdam,

2. de vennootschap onder firma

[geïntimeerde sub 2],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. E.M. van Orsouw.

Appellante zal hierna worden aangeduid als MAN. Geïntimeerden zullen afzonderlijk worden aangeduid als Delta Lloyd en [geïntimeerde] en gezamenlijk als Delta Lloyd c.s.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 12 maart 2008, 16 juli 2008 en 7 april 2010 die de rechtbank Utrecht tussen MAN, PON Equipment Rental & Lease B.V. en M.A.N. Truck & Bus B.V. als gedaagden en Delta Lloyd c.s. als eisers heeft gewezen. Van de vonnissen van 12 maart 2008 en 7 april 2010 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 juni 2010,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van MAN en Delta Lloyd c.s.

2.2 Mr. Van Orsouw heeft bij brieven van 20 februari 2012 en 1 maart 2012 voor het pleidooi in hoger beroep nog nieuwe producties aan de wederpartij en het hof toegezonden. Mr. Böhmer heeft bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van de bij de brief van 1 maart 2012 gevoegde productie 11, omdat deze te laat is toegezonden en hij geen gelegen¬heid meer heeft gehad dit stuk in het Duits te laten vertalen en met zijn cliënt te bespreken. Hij heeft er evenwel mee ingestemd dat de productie wordt toegelaten, indien MAN gelegenheid krijgt zich hierover nog bij akte uit te laten in het geval dat het hof deze productie in zijn beoordeling zal betrekken. Het hof heeft in overeenkomstige zin beslist.

2.3 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.17 van het bestreden vonnis van 7 april 2010.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 MAN is in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 12 maart 2008 en het eindvonnis van 7 april 2010. Tegen het genoemde tussenvonnis heeft zij echter geen grieven aangevoerd, zodat het hof het hoger beroep in zoverre zal verwerpen.

4.2 In het vonnis van 12 maart 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van Delta Lloyd c.s. kennis te nemen en dat de vorderingen dienen te worden beoordeeld naar Nederlands recht. In hoger beroep vormt dit geen punt van discussie meer tussen partijen. Ook het hof zal van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaan.

4.3 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. MAN is fabrikant van MAN-bedrijfswagens en bussen. [geïntimeerde] heeft eind december 1999 een trekker van het merk MAN F 2000 (hierna: de trekker) besteld bij dealer Sommerauer Trucks Westerbroek B.V. MAN heeft de trekker via haar Nederlandse importeur geleverd aan Sommerauer. Eind mei 2000 heeft Sommerauer de trekker geleverd aan PON Equipment Rental & Lease B.V., die de trekker op grond van een leaseovereenkomst aan [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld. Op 24 februari 2001 - ongeveer negen maanden nadat [geïntimeerde] de trekker in gebruik had genomen - is de trekker, met oplegger en lading, bijna volledig uitgebrand. De brand is ontstaan tijdens een rit op de snelweg A7 ter hoogte van Winschoten, toen de vaste chauffeur met de trekker, met een oplegger gehuurd bij Reining Groningen en lading toebehorend aan Cardo Door Holland, van Scandinavië op weg was naar [plaats].

4.4 Delta Lloyd c.s. stellen op basis van onderzoek door diverse experts dat de brand het gevolg is van een gebrek dat reeds bij de oplevering in de trekker aanwezig was. Zij stellen daarom dat MAN als producent jegens de gebruikers van haar product aansprakelijk is uit onrechtmatige daad, omdat het product bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was de schade heeft veroorzaakt. Op grond daarvan heeft Delta Lloyd, krachtens subrogatie, vergoeding gevorderd door MAN van de bedragen die Delta Lloyd in verband met de brand heeft uitgekeerd en de kosten die zij in dat kader heeft gemaakt. [geïntimeerde] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade die als eigen risico onder de verzekering voor haar rekening is gebleven. MAN heeft zich tegen de vorderingen verweerd.

4.5 Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen van Delta Lloyd c.s. jegens MAN toegewezen, in die zin dat MAN is veroordeeld tot betaling van € 165.954,58 met wettelijke rente aan Delta Lloyd en € 1.043,69 met wettelijke rente aan [geïntimeerde]. MAN is tevens veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze veroordelingen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank komt MAN op in dit hoger beroep.

Aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad

4.6 Met het gestelde in de memorie van grieven onder het opschrift “feiten en omstandig¬heden” en de grieven 2, 4 en 5 (abusievelijk ook genummerd als grief 4) stelt MAN opnieuw de vraag aan de orde of zij (als producent van de trekker) op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de onderhavige schade. Zoals de rechtbank voorop heeft gesteld, is dit het geval als MAN een product (de trekker) in het verkeer heeft gebracht dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het is bestemd schade heeft veroorzaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat daarvan in dit geval sprake is, als de door MAN geleverde trekker bij aflevering een gebrek bezat dat ertoe heeft geleid dat de trekker tijdens het rijden spontaan in brand vloog. Over de vraag of de trekker een dergelijk gebrek had en of de brand daardoor is veroorzaakt, verschillen partijen evenwel van mening. Duidelijk is dat de stelplicht en bewijslast ter zake rusten op Delta Lloyd c.s.

4.7 Op grond van de bevindingen van de experts gaan beide partijen ervan uit dat de brand is ontstaan door kortsluiting, veroorzaakt doordat afgebroken onderdelen van het koppelings¬huis de elektrische bedrading bij de motor van de trekker hebben doorgesneden. Beide partijen nemen aan dat het koppelingshuis uit elkaar is geslagen als gevolg van extreme wrijvingshitte die in het koppelings¬huis is opgetreden. Volgens Delta Lloyd c.s. is deze wrijvingshitte ontstaan door rijden met een slippende koppeling. Het slippen van de koppeling is veroorzaakt door het klemmen van één van de regelzuigers, en het klemmen van de regelzuiger is weer het gevolg van vuil dat in de koppelings¬bekrachtiger is binnen¬gedrongen door een gat in het filterelement, zo stellen zij. MAN meent daarentegen dat geen verdergaande uitspraak over de (achterliggende) oorzaak kan worden gedaan, simpelweg omdat nader bewijs daarvoor ontbreekt. Volgens MAN hebben de experts op dit punt slechts gissingen gedaan. MAN acht het uitgesloten dat het aangetroffen vuil in de zuiger of de geconstateerde slijtage aan de zuiger en cilinderwand relevant is voor de brandoorzaak.

4.8 Aan de door Delta Lloyd c.s. in deze procedure overgelegde expertiserapporten kan, voor zover hier van belang, het volgende worden ontleend.

4.9 Allereerst hebben de verzekeringsexperts [A] en [B] in opdracht van Delta Lloyd onderzoek naar de brand gedaan. [A] heeft bij zijn eerste onderzoek op basis van het schadebeeld geconstateerd dat de brand een gevolg is geweest van een technisch mankement in de koppeling: tijdens het rijden met de auto is door een slippende koppelings¬plaat zoveel wrijvingswarmte ontstaan in de koppeling dat de drukgroep op enig moment in roodgloeiende toestand uit elkaar is gebarsten, aldus het tussenrapport van [A] van 20 maart 2001 (productie 10 bij inleidende dagvaarding). [B] heeft in zijn rapport van 11 april 2001 (productie 11 bij inleidende dagvaarding) vastgesteld dat de gietijzeren ring van de koppeling oververhit was geraakt en diepe groeven vertoonde, overeenkomend met groeven in de metalen ring van de koppelingsplaat, en dat de voering van de koppelingsplaat geheel was verbrand. Volgens [B] is in het koppelingshuis een grote wrijvingshitte ontstaan. Ten gevolge van die wrijvingshitte en de centrifugaalkrachten is de gietijzeren ring in vier delen uit elkaar gebarsten en door het koppelingshuis naar buiten geslagen. Ook in de visie van [B] moet de oorzaak van de opgetreden wrijvingshitte worden gezocht in een slippende koppeling.

4.10 Blijkens het rapport van 23 april 2001 (productie 12 bij inleidende dagvaarding) heeft [A], samen met de door de lading¬verzekeraar ingeschakelde expert Langeraap, nader onderzoek ingesteld. Hieruit bleek volgens hen dat de koppelingsb¬ekrachtigingscilinder, die onder de versnellingsbak is gemonteerd, een storing vertoonde: de zuiger in deze cilinder was met moeite te demonteren, wat veroorzaakt bleek te worden door “vreten” van deze cilinder. Daardoor was tijdens het rijden met de auto na een koppeling¬bediening de zuiger blijven hangen, waardoor de bekrachtiging middels luchtdruk bleef aanhouden, de drukgroep vrij werd gedrukt en de koppeling heet werd, aldus het rapport.

4.11 CED Bergweg B.V. heeft in opdracht van MAN Truck & Bus B.V. eveneens onder¬zoek naar de oorzaak van de brand verricht. CED Bergweg constateert in haar rapport van 7 juni 2001 (productie 13 bij inleidende dagvaarding) ten aanzien van de koppeling dat de druktafel diepe groeven vertoonde door het inlopen van de klinknagels van de koppelings¬plaat. Volgens haar is de extreme thermische belasting aldus in verband te brengen met wrijvingshitte die bij het slippen van de koppeling is ontstaan en heeft dit ertoe geleid dat de druktafel tijdens het draaien van de motor uiteen is gebroken. Ten aanzien van de koppelingsbekrachtiger stelt CED Bergweg vast dat de van lichtmetaal vervaardigde zuiger aan twee zijden groeven en krassen vertoont en dat, gezien de aard van de beschadigingen, deze het gevolg zijn van een vervuiling die heeft geleid tot het klemmen van de zuiger. CED Bergweg merkt verder op dat door het klemmen de zuiger niet volledig door de veer kon worden teruggedrukt en dat dit heeft geleid tot het aanhouden van de bekrachtiging en het in een bepaalde mate vrijgeven van de koppeling.

4.12 Stork FDO B.V. heeft in opdracht van Delta Lloyd nader onderzoek verricht naar de slijtagesporen op de zuiger en de vervuiling in de koppelingsbekrachtiger. In haar rapport van 9 februari 2006 (productie 16 bij inleidende dagvaarding) heeft Stork geconcludeerd dat het een abrasieve slijtage betreft, veroor¬zaakt door een vervuiling bestaande uit korrels aluminiumoxiden. Deze aluminium¬oxiden hebben kunnen binnendringen door een doorgang in het filterelement dat aan de buitenzijde van de cilinderwand van de koppelings¬bekrachtiger is geplaatst. Het binnendringen van de aluminiumoxiden heeft over een langere periode plaatsgevonden, aldus het rapport van Stork.

4.13 Naar aanleiding van de bevindingen van Stork heeft [B] ten slotte nog nader onderzoek naar het kogelfilter van de werkcilinder van de koppeling gedaan. In een aanvullende rapportage van 20 februari 2012 (productie 10 voor pleidooi in hoger beroep) schrijft [B] hierover dat de afmeting van het gaatje in het filterelement ongeveer 0,2 mm bij 0,3 mm bedraagt, terwijl het kleinst waargenomen kogeltje een diameter heeft van 0,37 mm. Dit betekent dat het gat niet door een kogeltje in dat gat is afgedicht, maar hooguit door een kogeltje aan het oppervlak afgedekt kan zijn geweest.

[B] heeft vervolgens vastgesteld dat het filter bestaat uit een samenstel van kogeltjes die een platte ronde schijf vormen. Hieruit volgt dat er geen kogeltjes ontbraken aan de oppervlakte van de schijf: als er een of meerdere kogeltjes aan de oppervlakte aanwezig zouden zijn geweest, dan had dit een uitstulping tot gevolg gehad. Een uitstulping past echter niet binnen de samenstelling van het filter en de wijze van montage.

4.14 MAN heeft tegen de conclusies van de experts van Delta Lloyd en van CED Bergweg ingebracht dat de onderzoekers hun aanname dat de zuiger in de cilinder tijdens het rijden is blijven hangen, hebben gebaseerd op het feit dat de zuiger bij het onderzoek ná de brand klem zat en moeilijk was te verwijderen. Volgens MAN hebben de onderzoekers daarbij de meest voor de hand liggende verklaring voor het klemmen van de zuiger over het hoofd gezien, namelijk dat dit door uitzetting van metalen als gevolg van de hitte van de brand is veroorzaakt. MAN betoogt verder dat de experts niet de stukken van het koppelingshuis bij elkaar hebben gezocht en hebben geprobeerd het koppelingshuis te reconstrueren, en evenmin hebben onderzocht op welk moment de zuiger in de cilinder klem is geraakt.

Delta Lloyd c.s. hebben in reactie daarop een verklaring van [A] overgelegd (productie 2 bij memorie van antwoord), inhoudende dat [A] het koppelingshuis zelf uit de verbrande auto heeft geschroefd en dat hij heeft geconstateerd dat alle mechanische componenten nog intact waren ondanks de brand. De verklaring houdt verder in dat de koppelingscilinder niet door de brand was aangetast en ook niet dusdanig was verbrand dat hierdoor de zuiger is gaan klemmen, zodat de zuiger al vóór de brand moet hebben vastgezeten. Tijdens het pleidooi heeft [A] dit nog eens geïllustreerd, door op de overgelegde foto’s (productie 9 voor het pleidooi) aan te wijzen dat zelfs slangen en kabels ter plaatse niet waren gesmolten. MAN heeft dit alles niet (gemotiveerd) betwist. Gelet daarop kan de mogelijkheid dat de zuiger door de brand beklemd is geraakt genoegzaam worden uitgesloten. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de zuiger al vóór de brand klemde. Verder blijkt uit het voorgaande dat de experts het koppelingshuis wel degelijk hebben onderzocht, maar geen aanwijzingen voor een andere technische oorzaak van de brand hebben gevonden.

4.15 MAN heeft de bevindingen van [A] en CED Bergweg dat de zuiger was beschadigd door “vreten” c.q. groeven en krassen vertoonde, op zichzelf verder niet betwist. Evenmin heeft zij de conclusie van Stork bestreden dat de beschadiging is ontstaan door abrasieve slijtage, veroor¬zaakt door vuil (korrels aluminiumoxiden) dat via een doorgang in het filterelement in de cilinder heeft kunnen binnendringen. Wel bestrijdt zij dat vuil en/of krassen in de cilinder de oorzaak van een slippende koppeling kunnen zijn. Zij beroept zich daarbij allereerst op het feit dat zij over de hele wereld trekkers (met koppelingsbekrachtiger) verkoopt en dat deze trekkers ook in de meest stoffige streken op aarde, zoals woestijnen en jungles, rijden en in winterse gebieden met veel strooizout, zonder problemen te vertonen. Volgens MAN ziet zij zeer regelmatig goed functionerende trekkers met veel grotere hoeveelheden vuil in de cilinder, zonder dat sprake is van een klemmende zuiger. Naar het oordeel van het hof levert dit betoog echter geen voldoende betwisting op van het oordeel van de experts dat de geconstateerde beschadiging van de onderhavige zuiger (als gevolg van abrasieve slijtage door binnen¬gedrongen aluminiumoxiden) wel tot klemmen heeft geleid: dit reeds omdat MAN niet heeft gesteld dat de cilinders in de door haar bedoelde trekkers hetzelfde type vervuiling zouden vertonen (geen stof of strooizout, maar aluminiumoxiden) en evenmin duidelijk heeft gemaakt dat deze in dezelfde mate als de onderhavige zouden zijn beschadigd. [A] heeft bovendien verklaard dat de zuigers die tijdens een bezoek van partijen aan de fabriek van Knorr-Bremse (de fabrikant van de koppelingsbekrachtiger) werden getoond, niet vergelijkbaar waren met de zuiger van de trekker van [geïntimeerde]: deze laatste was in veel ernstiger mate beschadigd en gevreten, aldus [A] (zie productie 2 bij memorie van antwoord). MAN heeft ook dit bij pleidooi niet tegengesproken.

4.16 Verder stelt MAN dat zij door middel van een proef in het laboratorium van Knorr heeft aangetoond dat vuil en krassen in de cilinder niet de oorzaak van de slippende koppeling zijn. MAN verwijst daarbij naar een rapportage in de vorm van een aantal sheets van de heer [C] van Knorr d.d. 2 december 2010. Over het uitgevoerde experiment schrijft [B] (productie 1 bij memorie van antwoord) dat geprobeerd is de situatie na te bootsen met een ander type koppelingsbekrachtiger, waarbij de zuiger werd geblokkeerd door middel van het aanbrengen van een bout. Volgens [B] kon niet worden vastgesteld in welke positie de zuiger zich bevond en evenmin of de situatie eenzelfde was als opgetreden tijdens de rit met de trekker van [geïntimeerde]. Volgens zijn verslag concludeerden de medewerkers van Knorr dat, als de zuiger blijft hangen c.q. vastloopt, de chauffeur dit moet merken omdat er een steeds hogere druk wordt opgebouwd. [B] merkt hierover op dat dit effect pas optreedt als de koppeling meerdere malen achtereen wordt bediend. Hij wijst er daarbij op dat de chauffeur in het onderhavige geval op een lang traject reed en daardoor slechts weinig heeft hoeven schakelen/ontkoppelen. [A] zet in zijn reactie (productie 2 bij memorie van antwoord) uiteen dat het voor de hand ligt dat de zuiger door de drukkracht bij bediening van de koppeling beweegt, ook al zit de zuiger door de vervuiling en beschadiging vast. Volgens hem zat het probleem echter niet in het vastzitten van de zuiger tijdens het koppelen; het probleem ontstond na het bedienen van de koppeling, als het koppelingspedaal is losgelaten en de hydraulische druk op de zuiger grotendeels wegvalt. Door de beschadiging bleef de zuiger haken en keerde deze dus niet terug in ruststand, waardoor de luchtdruk niet kon wegstromen en permanent druk bleef uitoefenen op de bekrachtigingszuiger, aldus [A]. MAN is ook hierop bij pleidooi niet (gemotiveerd) ingegaan. Aan haar stelling dat de vervuiling en beschadiging van de cilinder/ zuiger geen rol (kunnen) hebben gespeeld bij de brand, gaat het hof daarom als onvoldoende onderbouwd voorbij. Aan het door MAN gedane (tegen)bewijsaanbod komt het hof niet toe.

4.17 Als mogelijke alternatieve oorzaak noemt MAN verder nog de rijstijl van de chauffeur (rijden met een voet op het koppelingspedaal) of een niet helemaal terugkerende koppeling nader de chauffeur zijn voet van het koppelingspedaal heeft gehaald. Over de eerstgenoemde mogelijkheid heeft [A] (in zijn reactie op de memorie van grieven, productie 2 bij memorie van antwoord) verklaard dat dit zou betekenen dat de chauffeur zijn voet constant in een zwevende positie zou moeten houden, omdat bij een geringe indrukking van het pedaal de koppeling vrijkomt en de auto niet meer rijdt, hetgeen fysiek niet is vol te houden. Volgens Delta Lloyd c.s. is deze oorzaak daarom niet aannemelijk, te meer omdat de chauffeur van de trekker tientallen jaren ervaring als chauffeur had. MAN is hierop niet nader ingegaan, zodat ook het hof het ervoor houdt dat deze oorzaak niet aannemelijk is. Voor zover MAN met de tweede mogelijkheid heeft bedoeld dat de koppeling door een andere (mechanische) oorzaak slipte, geldt dat MAN geen verdere toelichting of onder¬bouwing voor die stelling heeft aangevoerd, zodat het hof ook daaraan voorbij moet gaan.

4.18 Naar het oordeel van het hof staat, gelet op het voorgaande, genoegzaam vast dat de extreme wrijvingshitte die in het koppelingshuis is opgetreden, door rijden met een slippende koppeling is ontstaan. Nu het door de experts beschreven klemmen van de regelzuiger in de koppelingsbekrachtiger een plausibele verklaring vormt voor het slippen van de koppeling, er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een andere technische oorzaak en overige alternatieve oorzaken redelijker¬wijs kunnen worden uitgesloten, kan met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat dit de uiteindelijke oorzaak is geweest van de brand.

4.19 Zoals hiervoor al is vermeld, heeft MAN verder niet betwist dat de zuiger beschadigd is geraakt doordat vuil via een opening in het filterelement in de cilinder heeft kunnen binnendringen. Onbetwist is ook dat dit gat daar niet hoorde te zijn. Uit de bevindingen van [B] (zie rov. 4.13) kan voorts worden afgeleid dat het gat, gezien de constructie van het kogelfilter, niet door een of meer kogeltjes afgedicht of afgedekt kan zijn geweest en dus van aanvang af moet hebben bestaan. Het in het rapport van Stork nog uitgesproken vermoeden, dat er bolletjes van het filterelement zijn losgekomen en door gaatjes in de cilinderwand in de cilinder terecht zijn gekomen, is daarmee achterhaald. Aan de door MAN genoemde mogelijkheid dat bij de aanrijding van de trekker bij het wegrijden van de veerboot, eerder op 24 februari 2001, bolletjes zijn losgekomen, wordt daarom voorbij¬gegaan. Hetzelfde geldt voor de door MAN geopperde mogelijkheid dat op enig ander moment gedurende het gebruik van de trekker een onderdeel van het filter is losgeraakt. De conclusie moet derhalve zijn dat op dit punt sprake was van een gebrek, dat al bij de oplevering in de trekker aanwezig was. Daaraan doet niet af dat, zoals MAN benadrukt, de trekker meer dan 110.000 km zonder klachten heeft gereden voordat de brand ontstond: kennelijk is sprake geweest van een gebrek, waarvan de gevolgen zich pas na enige tijd hebben gemanifesteerd.

4.20 Het door MAN bij pleidooi aangevoerde verweer dat de huidige stellingname van Delta Lloyd c.s. over het gebrek (in het bijzonder over de diameter van het gaatje) nieuw is en als tardief buiten beschouwing moet blijven, wordt gepasseerd: Delta Lloyd c.s. hebben deze stelling immers ook al bij de eerste gelegenheid in hoger beroep - bij memorie van antwoord (zie onder 38) - aangevoerd.

4.21 Het voorgaande betekent dat, nu het genoemde gebrek er uiteindelijk toe heeft geleid dat de trekker tijdens het rijden in brand is gevlogen, MAN als producent aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg daarvan lijdt. Er is sprake van een onrechtmatige daad die aan MAN kan worden toegerekend, aangezien deze is te wijten aan haar schuld, althans aan een oorzaak die krachtens verkeersopvattingen voor haar rekening komt. Dat MAN een uitgebreid arsenaal heeft aan maatregelen en testen van trekkers voordat deze de fabriek verlaten, zoals MNA stelt, maakt dit niet anders, nu deze maatregelen en testen een cruciaal gebrek, zoals hier aan de orde, kennelijk niet hebben kunnen voorkomen. Met het voorgaande is verder het causale verband tussen de onrechtmatige daad en de schade (de gevolgen van de ontstane brand) ook gegeven. De grieven van MAN, die tegen de desbetreffende oordelen van de rechtbank zijn gericht, falen derhalve.

4.22 Nu het aanvullende rapport van Element (voorheen Stork, productie 11 voor het pleidooi) niet in de beoordeling wordt betrokken, behoeft MAN niet in de gelegenheid te worden gesteld zich daarover nog uit te laten (zie rov. 2.2).

4.23 Voor de goede orde merkt het hof nog op dat MAN geen grieven heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.43-4.45 en 4.52 van het eindvonnis) over het verweer van MAN dat de chauffeur van de trekker het slippen van de koppeling voorafgaand aan de brand had kunnen en moeten onderkennen en daarom eerder had moeten stoppen en de trekker langs de kant van de weg had moeten zetten. In hoger beroep staat dit verweer dan ook niet meer ter discussie.

Subrogatie

4.24 Met grief 3 betoogt MAN dat Delta Lloyd ten aanzien van een aantal schades niet heeft bewezen dat zij in de rechten van [geïntimeerde] is gesubrogeerd. MAN wijst er onder meer op dat Delta Lloyd niet het polisblad van de motorrijtuigenverzekering voor de trekker en de aansprakelijkheidsverzekeringen voor de lading en de oplegger heeft overgelegd, en evenmin de in 2001 geldende polisvoorwaarden van deze verzekeringen. MAN betwist verder dat [geïntimeerde] zelf schade heeft geleden wegens het verlies van de trekker, de oplegger en de lading. Ook bestrijdt zij dat [geïntimeerde] schade heeft geleden wegens een claim van Rijkswaterstaat. Ten slotte betwist MAN dat de door Delta Lloyd gestelde betalingen zijn verricht en dat [geïntimeerde] een eigen risico van in totaal € 1.043,69 heeft betaald. De door Delta Lloyd c.s. overgelegde schermprinten kunnen volgens MAN niet als bewijs dienen.

4.25 Artikel 7:962 BW bepaalt dat, indien de verzekerde ter zake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, die vorderingen bij wijze van subrogatie op de verzekeraar overgaan voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt. Voor toewijzing van de vordering uit hoofde van subrogatie is dus vereist dat komt vast te staan dat (a) [geïntimeerde] verzekerde is van Delta Lloyd, (b) [geïntimeerde] ter zake van door hem geleden schade een vordering tot schade¬vergoeding op MAN heeft, anders dan uit verzekering, en (c) Delta Lloyd deze schade heeft vergoed.

4.26 Ad (a). Niet in geschil is dat het bestaan van een verzekeringsovereenkomst met alle middelen rechtens kan worden bewezen. Als bewijs van de verzekeringsovereenkomst met betrekking tot de trekker heeft Delta Lloyd een polisblad/uitdraai van polisgegevens van polis¬nummer 2008774494 overgelegd (productie 3 bij akte na comparitie). In dit document is [geïntimeerde] Transport v.o.f. als verzekeringnemer vermeld. Blijkens het document is de verzekering gesloten voor een bedrijfswagen. Het document maakt verder melding van het verzoek de polis te schorsen “wegens total loss, door schade 240.02.01”. Hieruit blijkt dat het om de onderhavige trekker gaat. Bij de stukken bevindt zich verder een no-claim¬verklaring onder hetzelfde polisnummer, met vermelding van V.O.F. [geïntimeerde] Transport als verzekeringnemer en 25 februari 2001 als datum van beëindiging van de verzekering, en met als omschrijving van het verzekerde risico “wettelijke aansprakelijkheid/ volledig casco”. Delta Lloyd wijst er verder op dat in de rapportages van de verzekerings¬experts uit 2001 ook steeds de naam van de verzekerde en het polisnummer is genoemd.

Ten aanzien van de oplegger heeft Delta Lloyd verwezen naar het polisaanhangsel van de vervoerdersaansprakelijkheidsverzekering (aansprakelijkheid containers) uit 2003 op naam van V.O.F. [geïntimeerde] (productie 9 bij akte na comparitie). Dit aanhangsel vermeldt als ingangsdatum van de verzekering 1 januari 1995 en als verzekerd risico de aansprakelijkheid van verzekerde voor schade aan containers, trailers en andere soortgelijke objecten, eigendom van derden, die gekoppeld aan eigen vervoermiddelen worden gebruikt.

Wat de lading betreft, heeft Delta Lloyd verwezen naar het polisaanhangsel van de vervoerdersaansprakelijkheidsverzekering uit 2007 op naam van [X] (productie 6 bij akte na comparitie). Dit aanhangsel vermeldt als ingangsdatum 1 januari 1995 en als verzekerd risico de aansprakelijkheid van verzekerde in zijn hoedanigheid van vervoerder voor de ten vervoer ontvangen lading.

Delta Lloyd heeft ten slotte een uittreksel uit het handelsregister overgelegd, waaruit blijkt dat “[X]” de officiële naam is van de vennootschap en “[geïntimeerde sub 2]” een van haar handelsnamen.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze gegevens, in onderling verband en samenhang bezien, genoegzaam van de door Delta Lloyd c.s. gestelde verzekeringsovereenkomsten met betrekking tot de trekker, oplegger en lading.

Aan de onder (a) genoemde voorwaarde is daarmee voldaan.

4.27 Ad (b). Zoals volgt uit rov. 4.21, acht het hof MAN op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van de brand. Dát [geïntimeerde], hoewel zij geen eigenaar was van de trekker, oplegger en lading, schade heeft geleden als gevolg van de brand, staat naar het oordeel van het hof ook genoegzaam vast.

Ten aanzien van de trekker rustte het juridisch en economisch eigendom weliswaar bij PON Equipment Rental & Lease B.V., maar in de algemene voorwaarden bij de lease¬overeen¬komst was, naar MAN niet heeft betwist, bepaald dat het risico van het object voor de duur van de overeenkomst voor rekening was van [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] aansprakelijk was voor (onder meer) het tenietgaan van of schade aan het object. Delta Lloyd c.s. stellen dan ook terecht dat [geïntimeerde] in de verhouding met de leasemaatschappij risicodrager was. De schade door de brand kwam in die verhouding dus voor rekening van [geïntimeerde]. Dat een huurovereenkomst van rechtswege eindigt bij het tenietgaan van het gehuurde, zoals MAN heeft opgemerkt, doet daaraan niet af.

De oplegger had [geïntimeerde] gehuurd van Reining Groningen B.V. Bij brief van 26 februari 2001 heeft Reining Groningen [geïntimeerde] voor de schade aan de trailer aansprakelijk gesteld. MAN heeft onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat [geïntimeerde] op grond van de huur¬overeen¬komst ook gehouden was de schade aan de oplegger aan de verhuurder te vergoeden. Bij dat laatste is nog van belang dat niet alleen de experts van Delta Lloyd, maar ook de door de importeur van MAN ingeschakelde experts van CED Bergweg deze schadepost zonder meer hebben geaccepteerd, wat erop wijst dat de vergoedingsplicht buiten twijfel stond.

De lading werd door [geïntimeerde] vervoerd in opdracht van de belanghebbende, Cardo Door Holland. Zoals MAN heeft erkend, heeft Cardo Door [geïntimeerde] bij brief van 14 mei 2001 aansprakelijk gesteld voor de ladingschade. Delta Lloyd c.s. stellen, onder verwijzing naar een verklaring van de schadebehandelaar, dat deze schade is afgewikkeld conform de toepasselijke CMR-voorwaarden voor internationaal transport. MAN heeft ook hier onvoldoende gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] gehouden was deze schade te vergoeden. Dat Delta Lloyd c.s. de onderliggende contracten niet heeft overgelegd, is onvoldoende reden om daar anders over te oordelen.

Gelet op het voorgaande is aan de onder (b) genoemde voorwaarde, dat [geïntimeerde] ter zake van de door hem geleden schade als gevolg van de brand, anders dan uit verzekering, een vordering tot schade¬vergoeding op deze punten heeft op MAN, eveneens voldaan.

4.28 Ad (c). MAN heeft de schade¬bedragen, zoals door de rechtbank vastgesteld, in hoger beroep niet meer bestreden. Wel bestrijdt zij nog dat Delta Lloyd de gestelde betalingen ter vergoeding van deze schades (minus eigen risico) heeft verricht. Op basis van de door Delta Lloyd c.s. overgelegde bewijsstukken acht het hof echter genoegzaam aangetoond dat Delta Lloyd de gestelde betalingen heeft gedaan. Delta Lloyd c.s. hebben niet alleen (uit haar administratie afkomstige) transactieoverzichten overgelegd, waarin de ten behoeve van [geïntimeerde] als verzekeringnemer uit te keren bedragen zijn vermeld (te weten de vastgestelde schadebedragen voor respectievelijk de trekker, de oplegger en de lading en de bergingskosten en kosten van incidentmanagement, verminderd met eigen risico), maar ook rekeningafschriften waaruit blijkt dat Delta Lloyd de daarmee corres¬ponderende bedragen in guldens, onder vermelding van de in de transactieoverzichten genoemde schadenummers, respectievelijk aan de tussenpersoon van [geïntimeerde] en recht¬streeks aan de assurantiemakelaar van de ladingbelanghebbende heeft betaald. Een dergelijk betalingsbewijs ontbreekt alleen ten aanzien van de aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte bergingskosten en kosten van incidentmanagement. Mede gelet op de gedetailleerde toe¬lichting die Delta Lloyd heeft gegeven op de afwikkeling van deze schadepost en die MAN als zodanig niet heeft betwist, staat echter ook deze betaling genoegzaam vast. Uit voormelde gegevens volgt verder dat de schade die onder het eigen risico viel voor rekening van [geïntimeerde] is gebleven. Aan de betwisting door MAN, die zich voornamelijk op de bewijswaarde van de schermprinten richt, gaat het hof daarom voorbij.

4.29 Uit de in rov. 4.26 genoemde verzekeringsgegevens blijkt dat [geïntimeerde] verzekeringen bij Delta Lloyd had afgesloten voor de thans aan de orde zijnde risico’s. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat verder in het midden kan blijven welke polisvoorwaarden ten tijde van het incident in 2001 golden en wat de exacte omvang van de dekking was: op grond van artikel 7:962 lid 1 BW gaan immers vorderingen tot schadevergoeding bij wijze van subrogatie over op de verzekeraar die de schade vergoedt, ook als deze daartoe (mogelijk) niet verplicht was. Het voorgaande betekent dat ook aan de voorwaarde sub (c) is voldaan.

4.30 Gelet op het voorgaande deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat Delta Lloyd is gesubrogeerd in de rechten van [geïntimeerde] jegens MAN. Voor zover MAN zich met haar opmerking over de claim van Rijkswaterstaat richt tegen de overweging van de rechtbank dat Delta Lloyd ook voor wat betreft mogelijk toekomstige vorderingen in de rechten van [geïntimeerde] is gesubrogeerd (zie rov. 4.24 en 4.25 van het eindvonnis), geldt dat MAN daarbij geen belang heeft. In rov. 4.62 van het eindvonnis heeft de rechtbank immers geoordeeld dat de door Delta Lloyd c.s. gevorderde verklaring voor recht dat MAN verplicht is alle schade te vergoeden die Delta Lloyd nog gehouden is aan derden te betalen (waarbij met name gedoeld werd op de vordering van Rijkswaterstaat), niet voor toewijzing vatbaar is.

4.31 De conclusie uit het vorenstaande is dat ook grief 3 faalt.

5. Slotsom

5.1 De grieven falen, zodat het bestreden eindvonnis moet worden bekrachtigd. Het hoger beroep tegen het tussenvonnis zal, bij ontbreken van tegen dat vonnis gerichte grieven, worden verworpen.

5.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof MAN veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep, gericht tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 12 maart 2008;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 april 2010;

veroordeelt MAN in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Delta Lloyd c.s. vastgesteld op € 7.896,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 6.190,- voor verschotten;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, Ch.E. Bethlem en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2012.