Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0411

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
200.088.620/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid van weg. Uitleg van de term "de bestaande weg". Nu een beslissende markering ontbreekt, moet aansluiting worden gezocht bij de functie van een weg. Als "bestaande weg" geldt het stuk grond dat moet worden vrijgehouden om per auto te kunnen rijden van het perceel van de gerechtigde naar de openbare weg en vice versa, waarbij als maatstaf geldt dat dit vrijhouden voor dat doel redelijkerwijs noodzakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.088.620/01

29 mei 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1.[ APPELLANT sub 1 ],

2. [ APPELLANTE sub 2 ],

beiden wonende te [ Z ], gemeente [ H ],

APPELLANTEN IN HET PRINCIPAAL APPEL,

GEÏNTIMEERDEN IN HET INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. E.C.J. Ris te Amsterdam,

t e g e n

1. [ GEÏNTIMEERDE sub 1 ],

2. [ GEÏNTIMEERDE sub 2 ],

beiden wonende te [ Z ], gemeente [ H ],

GEÏNTIMEERDEN IN HET PRINCIPAAL APPEL,

APPELLANTEN IN HET INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. G.M. Pierik te Purmerend.

De partijen worden hierna [ Appellanten ] en [ Geïntimeerden ] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Bij dagvaarding van 18 april 2011 zijn [ Appellanten ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 19 januari 2011, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 120669 / HA ZA 10-559 gewezen tussen hen als gedaagden en [ Geïntimeerden ] als eisers.

1.2 Bij arrest van 28 juni 2011 heeft het hof een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft plaatsgehad op

6 september 2011. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 Bij memorie van grieven hebben [ Appellanten ] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van [ Geïntimeerden ] zal afwijzen, althans zal bepalen dat het aan [ Geïntimeerden ] toekomende parkeervlak

2,30 meter breed is vanaf de perceelsgrens en 4,50 diep vanaf de openbare weg, met veroordeling van [ Geïntimeerden ] in de kosten van het geding in beide instanties.

1.4 Bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, hebben [ Geïntimeerden ] de grieven van

[ Appellanten ] bestreden, incidenteel appel ingesteld, één grief tegen het vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. In het principaal appel hebben zij geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen en [ Appellanten ] zal veroordelen in de kosten van het principaal appel, met nakosten. In het incidenteel appel hebben zij geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, [ Appellanten ] zal bevelen de erfdienstbaar te respecteren zoals die in de memorie is omschreven, op straffe van verbeurte van dwangsommen, voor recht zal verklaren dat aan [ Geïntimeerden ] een oppervlakte toekomt voor het gebruik van de erfdienstbaarheid van weg van 350 centimeter breed vanaf de erfgrens en 585 diep vanaf de openbare weg, althans een door het hof te bepalen oppervlakte, en [ Appellanten ] zal veroordelen in de kosten van het incidenteel appel, met nakosten.

1.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel hebben [ Appellanten ] de grief van [ Geïntimeerden ] bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot afwijzing van hetgeen middels het incidenteel appel wordt beoogd.

1.6 Ten slotte is arrest op de stukken gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 De rechtbank heeft in het vonnis onder 2 sub a tot en met e feiten vastgesteld. De eerste grief van [ Appellanten ] en de grief van [ Geïntimeerden ] zien op een deel van de sub c vastgestelde feiten. Voorts hebben deze grieven blijkens hun strekking ook invloed op het sub e vastgestelde feit. Het hof zal daarmee rekening houden. Voor het overige bestaat over de door de rechtbank vastgestelde feiten geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2 Het gaat in dit geding om het volgende.

a. Partijen zijn eigenaren van aan elkaar grenzende bebouwde percelen. [ Geïntimeerden ] wonen sedert 1978 aan het adres

[ adres ] te [ plaatsnaam ]. [ Appellanten ] bewonen sedert

januari 2010 de woning aan de [ adres ] te [ plaatsnaam ].

b. Bij akte van 7 juli 1978 is ten laste van perceel

[ straatnaam ] 67 en ten gunste van perceel [ straatnaam ] 65 een erfdienstbaarheid gevestigd die als volgt is omschreven:

"De comparanten verklaarden ten laste van de bij deze akte verkochte kavel en ten behoeve van kavel III te vestigen de erfdienstbaarheid van weg om te voet te gaan of per rijwiel, auto of ander vervoermiddel te rijden vanaf het heersende erf naar de openbare straatweg, genaamd de [ straatnaam ] en vanaf deze straatweg naar het heersende erf over de bestaande weg."

In de akte is geen afstand of oppervlakte opgenomen waarvoor de erfdienstbaarheid van weg zou moeten gelden.

c. Sedert het vestigen van de erfdienstbaarheid hebben

[ Geïntimeerden ] gebruik gemaakt van het perceel van - de rechtsvoorgangers van - [ Appellanten ]

d. In tegenstelling tot zijn rechtsvoorgangers hebben [ Appellanten ] niet één, maar twee auto's voor hun woning geparkeerd, namelijk, vanaf de weg gezien, een bestelauto aan de linkerzijde (de zijde van de woning van [ Geïntimeerden ]) en een personenauto aan de rechterzijde. De personenauto staat deels onder een afdak. De bestelauto is daarvoor te hoog.

2.3 In eerste aanleg hebben [ Geïntimeerden ], zakelijk weergegeven, gevorderd dat de rechtbank [ Appellanten ] veroordeelt de erfdienstbaarheid te respecteren, op straffe van verbeurte van dwangsommen, en dat de rechtbank voor recht verklaart dat [ Geïntimeerden ] ingevolge de erfdienstbaarheid een oppervlakte voor het gebruik toekomt van 260 centimeter breed en

585 centimeter diep. De rechtbank heeft het gevorderde toegewezen, met maximering van de dwangsommen en uitvoerbaarverklaring bij voorraad van haar vonnis voor zover dat het bevel en de proceskostenveroordeling betreft.

2.4 In een executiegeding heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Alkmaar bij vonnis van 9 juni 2011 overwogen dat beide partijen van een verkeerde erfgrens zijn uitgegaan en [ Geïntimeerden ] verboden de executie van het thans bestreden vonnis voort te zetten, voor zover het ziet op handelen in strijd met het bij dat vonnis gegeven bevel in de periode tot 17 mei 2011.

2.5 Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in rov. 1.4 is overwogen, hebben [ Geïntimeerden ] in hoger beroep hun eis gewijzigd. [ Appellanten ] hebben bij memorie van grieven een subsidiaire conclusie geformuleerd, maar die conclusie heeft niet zozeer de strekking van een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [ Geïntimeerden ], als wel het karakter van een reconventionele vordering. Nu [ Appellanten ] in eerste aanleg geen eis in reconventie hebben ingesteld, gaat het hof daaraan voorbij.

2.6 De grieven stellen het geschil in volle omvang aan de orde en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.7 Bij de uitleg van de akte van vestiging van een erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.

2.8 Anders dan partijen kennelijk hebben onderkend, bevat de akte van vestiging een regel omtrent de vraag die partijen verdeeld houdt. Er staat namelijk: "over de bestaande weg". Deze zinsnede dient aldus te worden uitgelegd dat [ Appellanten ] het stuk grond op hun perceel moeten vrijhouden dat ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid (samen met een stuk grond op het perceel van [ Geïntimeerden ]) dienst deed als weg van het perceel van [ Geïntimeerden ] naar de [ straatnaam ].

2.9 De term "bestaande weg" dient te worden uitgelegd.

Naar algemeen spraakgebruik is een weg een stuk grond dat gebruikt wordt om erover te rijden. Doorgaans is een weg als zodanig herkenbaar door enige vorm van markering, soms door sporen van herhaaldelijk gebruik.

2.10 Uit de overgelegde foto's en tekeningen leidt het hof af dat niet is gemarkeerd welk deel van het perceel van [ Appellanten ] deel uitmaakt van de "bestaande weg" in de zin van de akte van erfdienstbaarheid. Er is ter plaatse wel een markering aanwezig, maar die markeert een ruimte die omschreven kan worden als een parkeerplaats. Enerzijds wordt, indien op die parkeerplaats een auto staat geparkeerd, de uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg onmogelijk gemaakt, anderzijds kan niet de gehele parkeerplaats worden aangemerkt als deel van de "bestaande weg", aangezien een deel daarvan direct voor de voorgevel van het huis van Ulenberg c.s. is gelegen en daarom niet als doorgangsweg kan worden gebruikt.

2.11 Nu een beslissende markering ontbreekt, moet aansluiting worden gezocht bij de functie van een weg, te weten een stuk grond dat gebruikt wordt om erover te rijden.

Hierbij is van belang dat uit art. 5:74 BW voortvloeit dat aan de eigenaar van het dienende erf niet meer overlast mag worden aangedaan dan redelijkerwijs voor een behoorlijke uitoefening van het recht noodzakelijk kan worden geacht.

Een en ander leidt ertoe dat als "bestaande weg" in de zin van de akte van vestiging moet worden aangemerkt: het stuk grond dat moet worden vrijgehouden om per auto te kunnen rijden van het perceel van [ Geïntimeerden ] naar de [ straatnaam ] en vice versa, waarbij als maatstaf geldt dat dit vrijhouden voor dat doel redelijkerwijs noodzakelijk is. Dat betekent dat de doorgang per auto wel enige moeite mag kosten, maar niet zeer moeilijk mag zijn. Het betekent ook dat de erfdienstbaarheid niet mag verhinderen dat [ Appellanten ] hun beide auto's voor hun woning kunnen parkeren, tenzij dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de doorgang per auto als hiervoor omschreven.

2.12 [ Geïntimeerden ] hebben onvoldoende gesteld om het oordeel te kunnen dragen dat het stuk grond dat volgens hen moet worden vrijgehouden, voldoet aan bovenstaande maatstaf. Indien een kleiner stuk grond wordt vrijgehouden, wordt daardoor het heen en weer rijden tussen het perceel van [ Geïntimeerden ] en de [ straatnaam ] weliswaar bemoeilijkt, maar niet in zo ernstig mate dat het redelijkerwijs noodzakelijk is dat dit niet gebeurt.

2.13 [ Geïntimeerden ] hebben aangevoerd dat zij vanaf 1978 tot januari 2010 nimmer zijn beperkt in de uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg. Op grond van die stelling beroepen zij zich erop dat de erfdienstbaarheid met de door hen bepleite inhoud is ontstaan door verjaring.

Dit beroep faalt. Indien rechtsvoorgangers van [ Appellanten ] gedurende een verjaringstermijn een grotere ruimte hebben vrijgehouden dan voortvloeit uit de bij akte van 7 juli 1978 gevestigde erfdienstbaarheid, dan is daarmee nog geen sprake van het voor verjaring vereiste bezit van een ruimere erfdienstbaarheid. Uit die gestelde omstandigheden kan immers naar verkeersopvattingen geen wilsuiting van

[ Geïntimeerden ] worden afgeleid om een bevoegdheid uit te oefenen tot gebruik van een groter stuk grond dan het stuk grond waarop de weg is gelegen die in de akte van vestiging in de omschrijving van de erfdienstbaarheid wordt genoemd.

2.13 Voorts hebben [ Geïntimeerden ] aangevoerd dat zij de erfdienstbaarheid geruime tijd te goeder trouw zonder tegenspraak op een zodanige wijze hebben uitgeoefend dat daaruit moet worden afgeleid dat een stuk grond van de door hen genoemde omvang moet worden vrijgehouden.

Ook dit beroep faalt. Onvoldoende is gesteld om te kunnen aannemen dat de wijze van uitoefening anders is geweest dan dat [ Geïntimeerden ] de erfdienstbaarheid hebben gebruikt waarvoor zij gegeven is: voor het per auto rijden van en naar de [ straatnaam ]. Indien de rechtsvoorgangers een groter stuk grond hebben vrijgehouden dan redelijkerwijs noodzakelijk is om per auto van het perceel van [ Geïntimeerden ] naar de [ straatnaam ] en terug te rijden, kan daaruit niet een wijze van uitoefening worden afgeleid als waarop art. 73 lid 1 BW ziet. Bovendien bestaat er, gelet op de bewoordingen van de akte van vestiging en de hiervoor gegeven uitleg daarvan, geen twijfel over de wijze van uitoefening in de zin van

art. 73 lid 1 BW.

2.14 Op grond van het voorgaande dient het bestreden vonnis te worden vernietigd. Het hof zal, zoals [ Geïntimeerden ] in hoger beroep subsidiair hebben gevorderd, een bevel en een verklaring voor recht geven met een door het hof bepaalde inhoud. Ter voorkoming van executiegeschillen, en in verband met de omstandigheid dat thans slechts gedeeltelijk duidelijkheid kan worden geschapen, zal het hof geen dwangsommen opleggen. Partijen worden over en weer deels in het ongelijk gesteld. Daarom zullen alle proceskosten worden gecompenseerd.

2.15 Partijen wordt in overweging gegeven om, teneinde verdere geschillen te voorkomen, met inachtneming van de uitspraak van het hof, met behulp van hun advocaten en een door partijen gezamenlijk aan te wijzen notaris, een duidelijker omschreven erfdienstbaarheid te vestigen, waarin de omvang van het vrij te houden stuk grond wordt vastgelegd met afmetingen en een tekening. Opmerking verdient dat het vrij te houden stuk grond niet rechthoekig van vorm behoeft te zijn, maar ook de vorm van een driehoek of vierhoek met een schuine zijde kan hebben, al dan niet met een kromming in een van de zijden. Partijen wordt voorts in overweging gegeven de omvang van het vrij te houden stuk grond ter plaatse te markeren (vastlegging in een akte kan dan desgewenst achterwege blijven). Mogelijk kan een wijkagent of een buurtmediator in dit verband goede diensten bewijzen.

3. Beslissing

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

vernietigt het bestreden vonnis;

beveelt [ Appellanten ] de erfdienstbaarheid te respecteren zoals die in de akte van vestiging is gevestigd en in de hierna volgende verklaring voor recht wordt uitgelegd;

verklaart voor recht dat [ Geïntimeerden ] er aanspraak op kunnen maken dat [ Appellanten ] een zodanig stuk grond van hun perceel vrijhouden als redelijkerwijs noodzakelijk is om per auto te kunnen rijden van het perceel van [ Geïntimeerden ] naar de [ straatnaam ] en vice versa;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg, in principaal appel en in incidenteel appel aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het over en weer meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen,

J.C. Toorman en G.C.C. Lewin en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 29 mei 2012.