Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0238

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
10-00040
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt voor periode na kennisneming van de wijziging van het standpunt waaraan vóór die wijziging een gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1788
FutD 2012-1811
V-N Vandaag 2012/1674
V-N 2012/45.21.12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 10/00040

7 juni 2012

uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen

de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/1743 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst Holland-Noord/kantoor Alkmaar, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2005 met dagtekening 10 december 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.023 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 2.667.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 27 februari 2009, de aanslag gehandhaafd.

1.2. Bij uitspraak van 7 december 2009 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 22 januari 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.

1.5. Bij brief van 11 februari 2012 heeft belanghebbende verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting op 21 februari 2012. Dit verzoek is bij brief van 14 februari 2012 afgewezen. Bij brief van 20 februari 2012 heeft belanghebbende verzocht om heroverweging van de weigering van het gevraagde uitstel. Bij brief van 21 februari 2012 is het verzoek om uitstel alsnog ingewilligd.

1.6. Bij brief van 21 februari 2012 heeft belanghebbende een wrakingsverzoek ingediend.

De Wrakingskamer van dit gerechtshof heeft onder beschikkingnummer 200.102.880/01 op 16 maart 2012 het verzoek tot wraking ongegrond verklaard.

1.7. Bij brief van 3 maart 2012 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend. Een afschrift daarvan is aan de wederpartij gezonden.

1.8. Van het verhandelde ter zitting van de eerste meervoudige belastingkamer op 20 maart 2012 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen. Namens PostNL is bij email van 5 april 2012 aan de griffier desgevraagd bericht dat het pakket met de barcode waarin de uitnodiging voor het bijwonen van de zitting van 20 maart 2012 zich bevond, is vermist.

1.9. De behandeling van het beroep is vervolgens verwezen naar de zeventiende enkelvoudige belastingkamer, alwaar het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012.

De griffier heeft belanghebbende bij aangetekend schrijven uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. Deze uitnodiging is blijkens gegevens van PostNL op 11 april 2012 op het adres van belanghebbende afgeleverd.

2. Feiten

Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast:

2.1. Belanghebbende is geboren in 1926. Hij woont samen met zijn zoon, geboren in 1971, in een huis, waarvan hij genothebbende krachtens eigendom is. Belanghebbende en zijn zoon zijn elkaars fiscale partners. In de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 van belanghebbende zijn geen inkomsten uit eigen woning in aanmerking genomen.

2.2. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2005 heeft belanghebbende bij zijn berekening van de gemiddelde rendementsgrondslag ter bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen een schuld ter grootte van € 21.800 in aanmerking genomen. Dit bedrag bestaat uit een schuld van € 24.000 op 1 januari 2005 en van € 25.000 ultimo 2005 (hierna: de schuld), waarop 2 x het drempelbedrag van € 2.700 in aftrek is gebracht. De inspecteur heeft bij het regelen van de aanslag de gemiddelde rendementsgrondslag verhoogd met € 21.800.

2.3. In een procedure bij de rechtbank over de aanslag IB/PVV voor het jaar 2001 heeft de inspecteur in zijn verweerschrift, gedagtekend 6 juni 2005, het standpunt ingenomen dat de schuld bij de aanslagregeling ten onrechte in aanmerking is genomen en dat deze fout via interne compensatie alsnog kan worden gecorrigeerd. In de uitspraak van de rechtbank in deze procedure AWB 09/1743 van 16 december 2009 is het beroep op interne compensatie verworpen.

2.4. Bij de aanslagregeling voor de jaren 2002, 2003 en 2004 is de aangifte, waarin de schuld in aftrek is gebracht, niet gecorrigeerd.

3. Geschil

Evenals bij de rechtbank is – voor zover thans van belang - in geschil of de schuld voor de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking mag worden genomen. Voorts is in geschil of de inspecteur is uitgegaan van de juiste WOZ-waarde.

Ten slotte heeft belanghebbende grieven aangevoerd die betrekking hebben op de voorlopige aanslag IB/PVV 2007 en 2008, een kwijtscheldingsformulier en de discriminerende werking van de regelingen met betrekking tot proceskostenvergoeding en schadevergoeding.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank heeft over de schuld overwogen dat als gevolg van de wettelijke regelingen uitsluitend ‘werkelijk bestaande schulden’ in box 3 in aanmerking kunnen worden genomen en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schuld een zodanige schuld is. Het Hof acht dit oordeel juist. Anders dan belanghebbende bepleit rust de bewijslast voor het bestaan van een (aftrekbare) schuld op belanghebbende en is van omkering van de bewijslast geen sprake. Een juiste wetstoepassing kan alleen dan achterwege blijven indien enig beginsel van behoorlijk bestuur daartoe noopt.

4.2. Belanghebbende stelt dat de inspecteur bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de schuld in mindering kan worden gebracht. Hij verwijst daartoe naar de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot het jaar 2001 en de vaststelling van de aanslagen voor de daarop volgende jaren tot en met 2004.

4.3. Hangende de procedure betreffende de aanslag voor het jaar 2001 is de inspecteur in zijn op 5 juni 2006 gedagtekende verweerschrift teruggekomen van zijn standpunt dat de schuld in aanmerking kon worden genomen. De rechtbank heeft hierover geoordeeld dat een dergelijke wijziging van standpunt geen gevolgen mag hebben voor een eenmaal opgelegde aanslag en het verzoek van de inspecteur om interne compensatie toe te passen afgewezen.

4.4. Anders dan belanghebbende bepleit brengt het door de rechtbank afgewezen verzoek om voor een bepaald jaar interne compensatie met betrekking tot een ten onrechte in aanmerking genomen schuld toe te passen niet mee dat belanghebbende erop kan vertrouwen dat de inspecteur de jaren daarna zal instemmen met het aftrekken van een schuld waarvan het bestaan niet is bewezen. Ook de omstandigheid dat nadien aanslagen zijn opgelegd waarbij de aangifte niet is gecorrigeerd en de schuld in aftrek is toegelaten, is onvoldoende om te oordelen dat belanghebbende er op mocht vertrouwen dat de inspecteur zijn gewijzigde standpunt heeft verlaten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij hem de indruk is gewekt dat de inspecteur welbewust het standpunt heeft ingenomen dat de schuld aftrekbaar is (verg. HR 13 december 1989, LJN ZC4179.

4.5. De grief van belanghebbende met betrekking tot de WOZ-waarde kan niet leiden tot vermindering van de aanslag reeds omdat belanghebbende geen eigenwoningforfait heeft aangegeven en de WOZ-waarde ook overigens geen rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de hoogte van de aanslag.

4.6. Over de grieven die belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot andere aanslagen en kwijtscheldingsproblematiek, zal het Hof zich niet uitlaten, nu deze grieven niet kunnen leiden tot vermindering van de onderhavige aanslag en derhalve in deze procedure niet ter beoordeling van het Hof staan.

Slotsom

4.7. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank daarom bevestigen.

5. Proceskosten

Het Hof acht de beslissing van de rechtbank om voor het beroep bij de rechtbank geen proceskostenvergoeding toe te kennen juist en stemt in met de overweging van de rechtbank met betrekking tot de door belanghebbende gestelde discriminerende werking van de regelingen met betrekking tot proceskostenvergoeding en schadevergoeding.

Het Hof acht geen termen aanwezig om voor het hoger beroep een kostenveroordeling toe te kennen op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. J.P.F. Slijpen, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 7 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.