Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0231

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
10-00477
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende slaagt ook in hoger beroep niet in het door hem te leveren bewijs dat de verbouwingskosten voor een groter dan het door de inspecteur in aanmerking genomen deel strekken tot instandhouding van de woning, dat wil zeggen voor het voorkomen en opheffen van ingetreden achteruitgang en verval en voor herstel in bruikbare staat

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1676
V-N 2012/41.2.2
FutD 2012-1810
NTFR 2012/2037 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 10/00477

31 mei 2012

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hogere beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

de gemachtigde mr. J.G.H. Nijboer (Van Zwol Wijntjes accountants & belastingadviseurs), de gemachtigde,

tegen

de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/4028 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 1 juni 2010 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht Herman Gorterstraat, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 5 augustus 2008 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.345.

1.2. Het daartegen gemaakte bezwaar is gedagtekend 15 september 2008. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingediende beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard in haar uitspraak van 1 juni 2010.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 13 juli 2010, aangevuld bij brief van 12 augustus 2010. De inspecteur heeft bij brief van 25 september 2010 bericht voor zijn verweer te verwijzen naar het in beroep ingediende verweerschrift.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. De gemachtigde die bij aangetekende brief van 28 februari 2012, verzonden aan Postbus [aaa], 3800 [aa] Amersfoort, is uitgenodigd voor de zitting, is niet verschenen. Blijkens gegevens van PostNL is de deze brief afgeleverd op 29 februari 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1.1. Voor de vaststelling van de feiten volstaat het Hof met een verwijzing naar de volgende door de rechtbank in de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 van haar uitspraak opgenomen feiten, waarin belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

2.1. Eiser en zijn echtgenote zijn eigenaar van de woning [a-straat 1] te [P]. De woning is een rijksmonument.

2.2. In de aangifte voor het jaar 2005 heeft eiser als kosten van onderhoud van de woning een bedrag van € 69.773 vermeld. Na toepassing van de drempel van € 6.080 heeft hij een bedrag van € 63.693 op zijn inkomsten in mindering gebracht.

2.3. Verweerder heeft in de aanslagregeling een taxatierapport, opgemaakt op 6 februari 2008 door J.H. van Roshum, laten uitbrengen. In het taxatierapport concludeert de taxateur dat in 2005 alleen een deel van de kosten voor herstel van de bestaande keuken (€ 5.000) en kosten voor werkzaamheden aan het dak (€ 2.975) aftrekbaar zijn.

2.4. Verweerder heeft het voorstel van de taxateur gevolgd en heeft bij het opleggen van de aanslag rekening gehouden met een bedrag € 7.975 aan onderhoudskosten en een bedrag van € 1.211 aan kosten, lasten en afschrijvingen. Dit heeft erin geresulteerd dat -na toepassing van de drempel- het door eiser aangegeven bedrag van kosten van de woning van € 63.693 is gecorrigeerd met € 60.587 en dat aan eiser een aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.345.

2.5. In bezwaar en beroep heeft eiser het nadere standpunt ingenomen dat het bedrag van de onderhoudskosten op € 58.793 moet worden gesteld. Deze kosten heeft eiser als volgt berekend:

specificatie van de aangifte:

aannemer € 30.000

keuken € 21.983

tegels € 3.997

architect € 1.200

vloer € 8.500

dak MS montage € 2.975

Waterschapsbelasting € 13

opstalverzekering € 562

eigenaarsdeel OZB € 167

afschrijving € 446

totaal € 69.773

af: drempel € 6.808

in aftrek gebracht € 63.693

Correcties:

aannemer € 1.000

1e verdieping (wijzigen indeling) € 2.800

verplaatsing kosten boiler € 500

architectkosten wijziging indeling € 600

€ 4.900

3. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of ter zake van de woning meer kosten in aftrek kunnen worden gebracht op het inkomen uit werk en woning over het jaar 2005 dan het door bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2005 door de inspecteur in aanmerking genomen bedrag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank heeft onder 4.1.1 t/m 4.3.1 van haar uitspraak als volgt overwogen:

4.1.1. Ingevolge artikel 6.31 eerste lid onder a, van de Wet IB 2001 worden als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand, indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 betreft, in aanmerking genomen het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen -andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal en beklemming- verminderd met de in dat artikellid aangegeven drempel.

4.1.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 24 september 1997, BNB 1997/390 en HR 10 maart 1999, BNB 1999/213) kunnen bij een bestaande eigen (monumenten)woning uitsluitend verbouwingskosten in aanmerking worden genomen voor zover deze strekken tot instandhouding van de woning, dat wil zeggen voor het voorkomen en opheffen van ingetreden achteruitgang en verval en voor herstel in bruikbare staat. Indien bij verbouwingswerkzaamheden zowel herstel als vernieuwing plaatsvindt, moeten de verbouwingskosten worden gesplitst in (aftrekbare) onderhoudskosten en (niet aftrekbare) kosten van verbetering.

4.2. In beginsel rust op eiser de bewijslast om, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, feiten en omstandigheden te stellen waaruit geconcludeerd moet worden dat er sprake is van onderhoudskosten in vorenbedoelde zin.

4.3.1. Bij de beoordeling volgt de rechtbank grotendeels de door eiser gegeven specificatie van de aangifte, zoals weergegeven onder 2.5.

4.2. Vervolgens heeft de rechtbank in de onderdelen 4.3.2 t/m 4.3.9 geoordeeld dat belanghebbende er niet in is geslaagd bewijs te leveren dat de in de specificatie bij de aangifte, zoals opgenomen onder 2.5 van de rechtbankuitspraak, opgenomen kosten zijn aan te merken als onderhoudskosten in voormelde zin.

4.3. Het Hof acht de overwegingen en de beslissing van de rechtbank juist.

4.3.1. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de rechtbank haar oordeel dat ten aanzien van de keuken slechts € 5000 in aftrek is toegelaten en dat het meerdere als verbetering dient te worden aangemerkt, onvoldoende heeft gemotiveerd. Naar het oordeel van het Hof miskent belanghebbende hierbij dat de bewijslast dat een hoger bedrag aftrekbaar is, op hem rust. Dat de uitgaven voor zover deze het afgetrokken bedrag van € 5000 als verbetering worden aangemerkt behoeft geen zelfstandige motivering.

4.3.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep enkele bewijsmiddelen ingebracht zoals een offerte d.d. 21 oktober 2005, een bevestiging van een bestelling van parket inclusief legkosten, een rekening van de boiler, een ringleiding en toebehoren alsmede enkele stukken betreffende elektrotechnische werkzaamheden. Het hoger beroepschrift is voor een groot deel een herhaling van het beroepschrift. In de motivering wordt slechts voor wat betreft de parketvloer verwezen naar vermelde bewijsmiddelen.

4.3.3. Voor wat betreft de parketvloer heeft belanghebbende gesteld dat het uitvlakken van de vloer en het leggen van een parketvloer daarover voordeliger was dan het herstellen van de originele vloer. Het Hof kan dat uit de overgelegde bevestiging van de bestelling van de parketvloer niet afleiden.

4.3.4. Ook voor het overige heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd ook in de hogerberoepfase niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. J.P.F. Slijpen, voorzitter, E. van Waaijen en B. Emmerig, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier.

De beslissing is op 31 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.