Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0224

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
11-00190
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Kennelijk onbehoorlijk bestuur. Belanghebbende is als bestuurder van de BV terecht aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven loonbelasting, kosten en invorderingsrente. De ontvanger heeft echter niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan ter zake van de boetes.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 32
Invorderingswet 1990 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1946 met annotatie van Beune
V-N Vandaag 2012/1703
V-N 2012/46.27.24
FutD 2012-1814
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00190

28 juni 2012

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/455 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst Amsterdam,

de ontvanger.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De ontvanger heeft bij beschikking van 3 februari 2006 belanghebbende als bestuurder aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen van de belastingschuldige [A BV] (hierna: de BV) over het jaar 2002, het eerste, derde en vierde kwartaal van 2003, alle kwartalen van 2004 en het eerste tot en met het derde kwartaal van 2005, alsmede de in verband daarmee verschuldigde boetes, de invorderingsrente tot en met 30 januari 2006 en kosten, in totaal tot een bedrag van € 121.499,25.

1.2. De ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 22 mei 2006, het tegen die beschikking ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Bij uitspraak van de rechtbank van 21 maart 2007 is het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de ontvanger opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

1.4. De ontvanger heeft bij uitspraak, gedagtekend 11 januari 2010, de beschikking aansprakelijkstelling gehandhaafd.

1.5. Bij uitspraak van 26 januari 2011, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.6. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 10 maart 2011, aangevuld bij brieven gedagtekend 10 maart 2011 en 31 maart 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Belanghebbende heeft in een e-mail aan het Hof van 23 april 2012 aangekondigd niet ter zitting te zullen verschijnen en is ook niet ter zitting verschenen.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Bij beschikking van 3 februari 2006 met nummer A06B92150F061017 is eiser tevens aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen omzetbelasting van de BV.

2.2. Op 11 januari 2010 heeft verweerder het in die zaak ingediende bezwaar afgewezen.

2.3. Een faxbericht van 22 februari 2010 van de gemachtigde van eiser gericht aan deze rechtbank houdt onder meer in:

“Inzake: beroepschrift van de heer [X] tegen de beschikking van 11 januari 2010, inhoudende de beslissing op bezwaar (A06B92150F61017).

(…)

De Belastingdienst Amsterdam heeft bij beschikking van 11 januari 2010 (kenmerk: A06B92150F61017) de bezwaren van [X] – zoals opgenomen in zijn bezwaarschrift van 15 maart 2006 – ongegrond verklaard, alsmede het bestreden besluit gehandhaafd.

[X] kan zich niet verenigen met deze beslissing (...)”

2.4. Bij brief van 1 maart 2010 heeft de griffier van deze rechtbank aan de gemachtigde het volgende bericht:

“(…)

onderwerp het beroep van [X] te [Z]

(…)

U bent bij deze rechtbank in beroep gegaan tegen het besluit van 11 januari 2010 (…).

Uw beroep is bij ons geregistreerd onder procedurenummer 10/940 IW V00. (…)”

2.5. Een op 31 maart 2010 door de gemachtigde van eiser aan de rechtbank verzonden faxbericht houdt onder meer in:

“Inzake: beroepschrift van de heer [X] tegen de beschikking van 11 januari 2010, inhoudende de beslissing op bezwaar (A06B92150F61017).

In aansluiting op uw brief van 1 maart 2010 bericht ik u dat het namens cliënt, de heer [X], op 22 februari 2010 ingediende beroep wordt ingetrokken.

Voor de goede orde merk ik op dat de intrekking louter ziet op procedure nummer 10/940IBVOO en niet op de procedure welke bij u bekend is onder nummer AWB 10/455.””

2.2. Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.3. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.4. Belanghebbende is sedert 9 maart 1999 de bestuurder [B BV] die op haar beurt sedert 31 juli 2002 de bestuurder is van de BV. Belanghebbende is derhalve (middellijk) bestuurder van de BV.

2.5. Ter zitting heeft de ontvanger onder meer verklaard:

“U houdt mij voor dat op pagina’s 6 en 7 van mijn verweerschrift in hoger beroep staat dat de aansprakelijkstelling voor het bedrag van € 121.499,25 vermeerderd moet worden met invorderingsrente vanaf 2 april 2004, terwijl uit de beschikking aansprakelijkstelling afgeleid kan worden dat reeds rekening is gehouden met verschuldigde invorderingsrente tot en met 30 januari 2006. De datum 2 april 2004 is een vergissing. Er is inderdaad in het bedrag van € 121.499,25 rekening gehouden met invorderingsrente tot en met 30 januari 2006.

U houdt mij voorts voor dat belanghebbende voor boetes aansprakelijk is gesteld, maar dat ik in de stukken slechts de aansprakelijkstelling voor de loonbelastingschuld, de kosten en de invorderingsrente noem. U vraagt mij of ervan uitgegaan kan worden dat de boete steeds 10% van de verschuldigde belasting is geweest. (…) U wijst mij op bijlage 73 van het verweerschrift in eerste aanleg. Daar is te zien dat de naheffingsaanslag loonbelasting over de periode van 1 augustus tot en met 31 december 2002 geen verhoging bevat. De naheffingsaanslag over het eerste kwartaal van 2003 bevat een verhoging van € 62. Dat is 1% van de verschuldigde loonbelasting. De boete bij de naheffingsaanslag over het derde kwartaal van 2003 bedroeg 5% en bij de naheffingsaanslag over het vierde kwartaal van 2003 10%. U kunt ervan uitgaan dat de boetes bij de overige naheffingsaanslagen ook 10% hebben bedragen.”

2.6. De ontvanger heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep onder meer het volgende opgenomen:

“- Met ingang van augustus 2002 is [A BV] actief geworden voor de loonbelasting en omzetbelasting. Aangezien [A BV] op dat moment (nog) niet beschikte over een loonbelastingnummer heeft [A BV] over de periode 1 augustus 2002 tot en met 31 december 2002 begin 2003 een papieren aangifte loonbelasting ingediend. Over dit tijdvak heeft de inspecteur op 26 maart 2003 een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd (…). De betaaltermijn van die naheffingsaanslag bedraagt 14 dagen.

- Na de toekenning van een loonbelastingnummer per begin 2003 doet [A BV] met ingang van 2003 elektronisch aangifte per kwartaal (zie bijlage 1 van dit verweerschrift), te weten over:

- het eerste kwartaal 2003 op 22 april 2003

- het tweede kwartaal 2003 op 9 juli 2003

- het derde kwartaal 2003 op 6 oktober 2003

- het vierde kwartaal 2003 op 6 januari 2004

- het eerset kwartaal 2004 op 5 april 2004

- het tweede kwartaal 2004 op 8 juli 2004

- het derde kwartaal 2004 op 7 oktober 2004

- het vierde kwartaal 2004 op 7 januari 2005

- en verder

[A BV] heeft nagelaten om de volgens eigen aangifte verschuldigde loonbelasting te betalen.

- Op 9 juni 2004 heeft de ontvanger een intern ambtsbericht naar de deurwaarder gestuurd met het verzoek om beslag te leggen ten laste van [A BV] (zie bijlage 9 verweerschrift in 1e instantie).

- Op 28 oktober 2004 heeft de deurwaarder beslag roerende zaken gelegd ten late van [A BV] op het zaakadres [A-straat 1] te [Q] (zie bijlage 10 verweerschrift in 1e instantie).

- Op 24 november 2004 ontvangt de ontvanger een faxbericht van belanghebbende (zie bijlage 12 verweerschrift in 1e instantie).

- Op 26 november 2004 zendt de ontvanger belanghebbende een brief waarin hij mededeelt dat het hiervoor genoemde faxbericht wordt aangemerkt als een melding betalingsonmacht namens [A BV] en waarin hij verzoekt om inzicht te geven in de omstandigheden die tot de betalingsonmacht hebben geleid. De gevraagde informatie dient vóór 11 december 2004 ingediend te zijn (zie bijlage 13 verweerschrift in 1e instantie).

- Op 23 december 2004 ontvangt de ontvanger de gevraagde nadere informatie, evenals een ingevuld formulier melding van betalingsproblemen bij belastingen en premies (…) (zie bijlage 14 verweerschrift in 1e instantie).

- Gedagtekend 22 februari 2005 zendt de ontvanger de beslissing rechtsgeldigheid melding betalingsonmacht naar belanghebbende. De ontvanger adresseert de brief aan het adres waar belanghebbende volgens de Gemeentelijke Basisadministratie woonachtig is. De melding betalingsonmacht is als niet-rechtsgeldig aangemerkt omdat de gevraagde informatie niet tijdig is verstrekt (zie bijlage 15 verweerschrift in 1e instantie).”

3. Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende als bestuurder van de BV terecht en tot het juiste bedrag aansprakelijk is gesteld voor de door de BV verschuldigde, onbetaald gebleven loonbelasting, boetes, kosten en invorderingsrente.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bestuurders van rechtspersonen zijn op grond van artikel 36 Invorderingswet 1990 (hierna: IW) onder de in dat artikel aangegeven omstandigheden en met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden hoofdelijk aansprakelijk voor door de rechtspersoon verschuldigde maar niet betaalde belastingen, waaronder de loonbelasting. Ingevolge artikel 36, vijfde lid, aanhef en onderdeel c, IW wordt onder bestuurder, indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, mede verstaan ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam. Derhalve kan belanghebbende, mits is voldaan aan de overige in artikel 36 IW vermelde voorwaarden, aansprakelijk worden gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen van de BV over de periode augustus tot en met december 2002, het eerste, derde en vierde kwartaal van 2003, het jaar 2004 en het eerste tot en met het derde kwartaal van 2005.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur

4.2.1. De ontvanger heeft, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat aan de ontvanger in november dan wel december 2004 rechtsgeldig melding is gedaan van betalingsonmacht, de aansprakelijkstelling voor de loonbelastingschuld mede gebaseerd op de stelling dat het niet betalen van die schuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het Hof stelt in dit verband voorop dat de stelplicht en bewijslast voor de feiten en omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur rusten op de ontvanger.

4.2.2. De ontvanger voert aan dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur bestaat uit het volgende handelen of nalaten, afzonderlijk alsook in onderlinge samenhang beschouwd:

- De BV heeft overeenkomstig haar eigen aangiften verschuldigde loonbelasting niet betaald;

- Belanghebbende heeft namens de BV herhaaldelijk toezeggingen gedaan dat de BV de loonbelasting zou gaan betalen maar is deze toezeggingen niet nagekomen;

- Belanghebbende voerde niet een behoorlijke administratie van de ontvangen en openstaande aanslagen, doordat betalingen voor diverse vennootschappen werden gedaan zonder vermelding van het juiste betalingskenmerk met als gevolg dat er onvoldoende inzicht in de financiële positie van de BV was;

- Belanghebbende heeft ten onrechte volgehouden dat de BV haar loonbelastingschuld zou kunnen betalen indien en nadat aan haar teruggaven omzetbelasting zouden worden verleend. De hiervoor benodigde informatie heeft belanghebbende namens de BV pas in mei 2009 aangeleverd bij de inspecteur. De inspecteur heeft de teruggaven omzetbelasting in augustus 2009 vastgesteld. Over 2004 leidde dit tot een teruggaaf omzetbelasting ad € 15.091 en over 2005 tot een teruggaaf ad € 9.358. Gelet op de volgens eigen aangifte verschuldigde loonbelasting over 2002 ad € 10.654, 2003 ad € 31.356, 2004 ad € 40.349 en 2005 tot en met het derde kwartaal ad € 33.534, is de ontvanger van mening dat belanghebbende onvoldoende financieel en zakelijk inzicht heeft getoond;

- Belanghebbende heeft gesteld dat op het moment dat de BV elektronisch aangiften loonbelasting kon doen er al sprake was van betalingsonmacht.

In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende in zijn bezwaarschrift en zijn hoger beroepschrift heeft gesteld kon hij al met ingang van 2003 elektronisch aangiften loonbelasting indienen, dus kort na de start van het bedrijf. Dat belanghebbende als bestuurder dit niet heeft onderkend is hem te verwijten;

- De BV heeft haar bedrijfsvoering gecontinueerd tot in 2010 en zij heeft gedurende die tijd nimmer de door haar aangegeven loonbelasting betaald.

4.2.3. Deze stellingen zijn door belanghebbende niet of althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Alsdan acht het Hof aannemelijk dat het niet betalen van de loonbelastingschuld het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het tijdstip dat voor de onderhavige naheffingsaanslagen een tijdige melding van betalingsonmacht op grond van artikel 36, tweede lid, IW kon worden gedaan. De ontvanger heeft belanghebbende dan ook terecht aansprakelijk gesteld voor de loonbelastingschuld.

4.2.4. Ook als belanghebbende moet worden gevolgd in zijn stelling dat mevrouw [C] de algehele dagelijkse leiding had over het bedrijf en daarmee verantwoordelijk was voor de onderneming in de ruimste zin van het woord, waaronder de financiële administratie en de belastingbetalingen, en dat dientengevolge mevrouw [C] als feitelijk bestuurder van de BV moet worden aangemerkt, leidt dit niet tot een ander oordeel. Immers, het had op belanghebbendes weg gelegen om, als bestuurder van de BV, mevrouw [C] (beter) aan te sturen. Belanghebbendes passiviteit (het afzien van het instrueren en aansturen van mevrouw [C] en het evenmin zelf feitelijk betrokken zijn bij de gang van zaken in de BV) is veeleer een aanvullende grond voor de conclusie dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

4.3. Nu het Hof aannemelijk acht dat het niet betalen van de loonbelastingschuld het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, behoeft de vraag of al dan niet tijdig betalingsonmacht is gemeld, geen behandeling meer.

Kosten en invorderingsrente

4.4. Het Hof acht voorts op grond van het voorgaande aannemelijk dat het belopen van kosten en invorderingsrente aan hem is te wijten zodat hij ingevolge artikel 32, tweede lid IW ook in zoverre terecht aansprakelijk is gesteld.

Boetes

4.5. In de beschikking aansprakelijkstelling is begrepen, zo heeft de ontvanger ter zitting van het Hof desgevraagd bevestigd, de aansprakelijkstelling voor (verzuim)boetes. Echter, de ontvanger heeft niet voldaan aan de op hem rustende last om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan geoordeeld kan worden dat belanghebbende een zelfstandig verwijt treft ter zake van het belopen van deze boetes als bedoeld in artikel 32, tweede lid, IW. Op deze grond dient de aansprakelijkstelling met het bedrag van de boetes ad € 8.699 te worden verminderd.

Slotsom

4.6. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar van de ontvanger vernietigen en het in de beschikking aansprakelijkstelling opgenomen bedrag van € 121.499,25 verminderen met het bedrag van de boetes ad € 8.699 tot € 112.800,25, waarbij het Hof verstaat dat de ontvanger de invorderingsrente dienovereenkomstig zal verminderen.

5. Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief in beroep op: 1 (voor proceshandelingen: beroepschrift (1 punt)) x € 437 (waarde per punt) x 1 (wegingsfactor) = € 437 en in hoger beroep op: 1 (voor proceshandelingen: beroepschrift (1 punt)) x € 437 (waarde per punt) x 1 (wegingsfactor) = € 437, derhalve in totaal € 874.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert het bedrag van de aansprakelijkstelling tot € 112.800,25 en verstaat dat de ontvanger de invorderingsrente dienovereenkomstig zal verminderen;

- veroordeelt de ontvanger in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 437 in beroep en tot een bedrag van € 437 in hoger beroep, derhalve in totaal tot een bedrag van € 874;

- gelast de ontvanger aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 41 (beroep bij de rechtbank) en € 112 (hoger beroep bij het Hof), derhalve in totaal € 153, te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter van de belastingkamer, E.A.G. van der Ouderaa en A.M.J.G. van Amsterdam, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler-Cox, als griffier. De beslissing is op 28 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1..bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.