Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9637

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
200.075.371-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Verzekering van onder andere het risico van onvrijwillige werkloosheid ten behoeve van een gesloten lening. Beroep van de verzekeraar op een uitsluiting in de algemene verzekeringsvoorwaarden. Een bepaling in een verzekeringsovereenkomst die de omvang van het verzekerde risico omschrijft of afbakent dient niet als een algemene voorwaarde, maar als een kernbeding te worden aangemerkt voor zover dat beding (volgens artikel 6:231 aanhef en onder a BW) duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Uitleg polisvoorwaarden. De bepaling regelt de dekking naar tijd (een beperking van het inlooprisico) en is een kernbeding. Het niet ter hand stellen van de algemene verzekeringsvoorwaarden kan daarmee niet leiden tot vernietiging van het beding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2012/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JUBILEE EUROPE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. M.T. Spronck te Apeldoorn,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonend te [ A ],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. R.P.F. Kamphuis te Amsterdam.

De partijen worden hierna Jubilee en [ Geïntimeerde ] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 29 september 2010 is Jubilee in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de ¬rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (verder: de kantonrechter) van 12 april 2010 en 6 september 2010, in deze zaak onder kenmerk CV 09-40977 gewezen tussen haar als gedaagde en [ Geïntimeerde ] als eiser.

Jubilee heeft bij memorie vier grieven tegen de vonnissen waarvan beroep aangevoerd, met conclusie dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, deze zal vernietigen, de vordering van [ Geïntimeerde ] alsnog zal afwijzen, hem zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen hij ter uitvoering van het eindvonnis waarvan beroep heeft ontvangen, vermeerderd met rente en [ Geïntimeerde ] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, eveneens vermeerderd met rente.

Daarop heeft [ Geïntimeerde ] bij memorie de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van Jubilee in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens heeft Jubilee een akte genomen en daarbij producties overgelegd. [ Geïntimeerde ] heeft daarop bij akte gereageerd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis onder 1.1 tot en met 1.9 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daaromtrent bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling

3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 8 september 2008 heeft [ Geïntimeerde ] een verzekeringsovereenkomst gesloten met de rechtsvoorgangster van Jubilee in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van enkele Lloyd’s syndicaten.

3.2. De verzekering betreft een zogenoemde Krediet-Protector ten behoeve van de door [ Geïntimeerde ] op 15 september 2008 met DSB Bank gesloten overeenkomst van geldlening. De verzekering verzekert het risico van arbeidsongeschiktheid en onvrijwillige werkloosheid. Het verzekerd bedrag bij onvrijwillige werkloosheid bedraagt € 382,35 per maand gedurende maximaal twaalf maanden.

3.3. Op 24 oktober 2008 heeft [ Geïntimeerde ] een brief van zijn werkgever ontvangen waarin deze hem meedeelt de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te willen ontbinden per 1 december 2008. Vervolgens hebben [ Geïntimeerde ] en zijn werkgever op 30 december 2008 een beëindigingsovereenkomst ondertekend. Zij zijn onder andere overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst van [ Geïntimeerde ] per 31 december 2008 eindigt. In de overeenkomst is opgenomen dat geen sprake is van aantoonbaar verwijt van een van de partijen.

3.4. [ Geïntimeerde ] heeft op 19 maart 2009 bij de rechtsvoorgangster van Jubilee melding gedaan van onvrijwillige werkloosheid. Die heeft bij brief van 14 april 2009 aan [ Geïntimeerde ] meegedeeld dat geen dekking bestaat voor de aanspraak tot een verzekeringsuitkering. Zij heeft zich beroepen op artikel 11 van de algemene voorwaarden Krediet-Protector KP 07/2008 alwaar is bepaald dat geen aanspraak op uitkering bestaat ingeval van een “(...) op handen zijnde werkloosheid die bij u bekend was bij het aangaan van, of u was medegedeeld binnen 90 dagen, na aanvang van deze verzekering”.

3.5. In deze procedure vordert [ Geïntimeerde ] uitkering onder de verzekering voor een bedrag van € 4.588,20, dat is het verzekerd maandbedrag bij onvrijwillige werkloosheid van € 382,35 gedurende een periode van twaalf maanden. De kantonrechter heeft dit bedrag toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en Jubilee veroordeeld in de proceskosten.

3.6. De kantonrechter heeft overwogen dat ‘de algemene voorwaarden’ niet aan [ Geïntimeerde ] ter hand zijn gesteld, zodat zijn beroep op de vernietigbaarheid daarvan slaagt. Aan het beroep van Jubilee op het bepaalde in artikel 11 van die voorwaarden is de kantonrechter om die reden voorbij gegaan. Verder heeft [ Geïntimeerde ] volgens de kantonrechter uit de passage op het polisblad, inhoudende dat de verzekering de eerste 90 dagen geen dekking biedt, mogen afleiden dat het eindigen van het dienstverband per 31 december 2009 voldoende grond is voor een beroep op uitkering. Tot slot heeft de kantonrechter overwogen dat ook als de algemene voorwaarden wel op de overeenkomst van toepassing zijn Jubilee niet uitdrukkelijk heeft gewezen op de aanvullende of wellicht zelfs met het bepaalde op het polisblad strijdige door haar ingeroepen beding van artikel 11 van die voorwaarden. Op deze grond heeft de kantonrechter geoordeeld dat [ Geïntimeerde ] niet heeft hoeven te begrijpen dat naast de uitsluitingstermijn op het polisblad nog een aanvullende voorwaarde werd gesteld in de algemene voorwaarden.

3.7. De grieven die Jubilee tegen de vonnissen waarvan beroep heeft aangevoerd, zijn terecht voorgesteld. Het hof overweegt daartoe het volgende.

3.8. Vast staat dat het polisblad, gedateerd 8 september 2008, door [ Geïntimeerde ] is ontvangen en door hem is ondertekend. Jubilee heeft erop gewezen dat op het polisblad uitdrukkelijk staat vermeld dat zowel het polisblad als de daarbij behorende algemene voorwaarden KP 07/2008 de inhoud van de dekking bepalen.

3.9. Het hof overweegt dat als een voorgedrukte verzameling van contractsbepalingen met de benaming ‘algemene voorwaarden’ wordt aangeduid, dat nog niet meebrengt dat die contractsbepalingen kwalificeren als algemene voorwaarden in de zin van Titel 5, afdeling 3 van Boek 6 BW. Artikel 6:231 aanhef en onder a BW bepaalt dat bedingen die de kern van de prestatie aangeven geen algemene voorwaarden zijn. Blijkens de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling is het uitgangspunt dat het begrip ‘bedingen die de kern van de prestaties aangeven’ zo beperkt mogelijk dient te worden opgevat. Daarbij heeft de wetgever onderkend dat wat tot de kernbedingen moet worden gerekend van contract tot contract kan verschillen, al naar gelang de aard van de prestaties en de inhoud en strekking van de voor dat contract geldende wettelijke regels. In het bijzonder is onderkend dat bij verzekeringsovereenkomsten, ook als het begrip kernbedingen beperkt wordt opgevat, de kernbedingen groot in aantal kunnen zijn. De omvang van de dekking is vaak in uitvoerige opsommingen van gedekte en uitgesloten risico's neergelegd (Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1527).

3.10. Het voorgaande, daarbij in aanmerking genomen de wijze waarop in de considerans van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Pb 1993, L 95/29) het begrip kernbeding in verband met verzekeringen wordt ingevuld, is het hof van oordeel dat een bepaling in een verzekeringsovereenkomst die de omvang van het verzekerde risico omschrijft of afbakent niet als een algemene voorwaarde, maar als een kernbeding dient te worden aangemerkt, voor zover dat beding (volgens artikel 6:231 aanhef en onder a BW) duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd.

3.11. Of de bepalingen waarop het geschil betrekking heeft als kernbedingen in de hiervoor genoemde zin moeten worden aangemerkt, zal door uitleg daarvan moeten worden vastgesteld. Aangezien niet is gesteld, noch is gebleken dat over de inhoud van de polisvoorwaarden werd onderhandeld, is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepalingen zijn gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.

3.12. Op het polisblad staat vermeld dat de verzekering de eerste 90 dagen na de ingangsdatum geen dekking biedt voor het risico van onvrijwillige werkloosheid. Daarnaast bevat artikel 11 van de algemene voorwaarden onder het kopje “Wat is niet gedekt?” het beding dat geen aanspraak op dekking bestaat bij een “(...) op handen zijnde werkloosheid die bij u bekend was bij het aangaan van, of u was medegedeeld binnen 90 dagen, na aanvang van deze verzekering”.

3.13. De bewoordingen van de polisvoorwaarden bieden naar het oordeel van het hof geen steun aan de stelling van [ Geïntimeerde ] dat de bepalingen op het polisblad speciale voorwaarden zijn die vóórgaan op de bepalingen in de algemene voorwaarden KP 07/2008. De bedoeling om met het bepaalde op het polisblad af te wijken van de algemene voorwaarden KP 07/2008 blijkt immers niet uit de bewoordingen van het polisblad. Zoals hiervoor al is overwogen, is de verzekering blijkens het polisblad juist uitdrukkelijk gesloten op basis van de voorwaarden die zowel op het polisblad, als in de daarbij behorende algemene voorwaarden KP 07/2008 zijn omschreven. [ Geïntimeerde ] stelt dat zijn wil slechts was gericht op het aangaan van een verzekeringsovereenkomst bestaande uit de kernbedingen zoals die blijken uit het polisblad. Hij meent dat hij daarom slechts van deze bedingen mag uitgaan en dat Jubilee hem voor andersluidende bedingen had moeten waarschuwen. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Uit de bewoordingen van het polisblad dat door hem is ondertekend, volgt dat partijen de verzekering uitdrukkelijk mede hebben gesloten op basis van de voorwaarden zoals omschreven in de algemene voorwaarden KP 07/2008. Door aanbod en aanvaarding zijn die voorwaarden van toepassing op de verzekering. Dat die voorwaarden niet aan [ Geïntimeerde ] zijn verstrekt en hij van de inhoud daarvan geen kennis heeft genomen, staat aan de gebondenheid daaraan niet in de weg.

3.14. Het hof is van oordeel dat de beide genoemde bepalingen van de polisvoorwaarden de omvang van het verzekerde risico omschrijven en dat risico naar tijd afbakenen (een beperking van het inlooprisico). De bepalingen zijn ook voldoende duidelijk en begrijpelijk geformuleerd, ook in onderlinge samenhang gelezen. De beide bepalingen zien naar het oordeel van het hof op de situatie dat kort na het afsluiten van de verzekering het verzekerde risico zich realiseert. De bepalingen vullen elkaar aan. Zowel het zich realiseren van het risico van werkloosheid binnen 90 dagen na aanvang van de verzekering, als een op handen zijnde werkloosheid die bij het aangaan van de verzekering bekend was of binnen deze termijn is meegedeeld, is niet verzekerd. Ingevolge artikel 6:231 aanhef en onder a BW is afdeling 6.5.3 BW niet van toepassing op deze kernbedingen. Daarvan uitgaande heeft de kantonrechter het beroep van [ Geïntimeerde ] op de bepalingen in die afdeling ten onrechte gehonoreerd.

3.15. Het voorgaande brengt mee dat het hof alsnog het beroep van Jubilee op de hiervoor aangehaalde uitsluiting van artikel 11 van de polisvoorwaarden zal beoordelen. Jubilee heeft in dat verband gesteld dat uit de brief die [ Geïntimeerde ] op 24 oktober 2008 van zijn werkgever heeft ontvangen duidelijk blijkt dat [ Geïntimeerde ] binnen 90 dagen na de ingangsdatum van de verzekering in conflict is gekomen met zijn werkgever en dat hem door zijn werkgever uitdrukkelijk is meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd per 1 december 2008.

3.16. Uit de bewoordingen van het beding volgt naar het oordeel van het hof dat een aanspraak niet is verzekerd indien een op handen zijnde werkloosheid aan de verzekerde is meegedeeld binnen 90 dagen na aanvang van de verzekering. Die situatie heeft zich voorgedaan. Bij de akte van 13 maart 2012 heeft [ Geïntimeerde ] ook toegegeven dat hem binnen 90 dagen na het aangaan van de verzekering is meegedeeld dat hij werkloos zou worden. [ Geïntimeerde ] voert niettemin aan dat de consequentie van het ontbreken van dekking niet kan worden aanvaard. Zijn stellingen slagen echter niet, omdat deze uitgaan van het hiervoor verworpen uitgangspunt dat alleen de bedingen op het polisblad voor hem bindend zouden zijn. [ Geïntimeerde ] beroept zich nog op voorschriften bij en krachtens de Wft. Dat betreft evenwel voorschriften op het terrein van het toezicht die niet de strekking hebben de inhoud en geldigheid van een verzekering als de onderhavige te bepalen. Dat de consequenties van de ingeroepen uitsluiting volgens [ Geïntimeerde ] ingrijpend zijn, staat niet aan de toepassing daarvan in de weg. Het staat een verzekeraar vrij om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij, op een voor de verzekeringsnemer voldoende duidelijk kenbare wijze, bepaalde (inloop)risico’s van verzekeringsdekking uit te sluiten.

3.17. [ Geïntimeerde ] heeft bewijs aangeboden, maar geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.

3.18. De slotsom is dat het hoger beroep terecht is ingesteld. De vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd. De vordering van [ Geïntimeerde ] zal alsnog worden afgewezen.

3.19. Jubilee heeft gevorderd dat [ Geïntimeerde ] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen hij ter uitvoering van het eindvonnis van Jubilee heeft ontvangen, vermeerderd met wettelijke rente. [ Geïntimeerde ] verzet zich daartegen met een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Hij heeft de gelden aangewend om de lening af te lossen, waarvoor de verzekering ook was bedoeld. Hij kan de lening niet uit eigen middelen aflossen. Het betoog van [ Geïntimeerde ] ziet eraan voorbij dat bij gebreke van een verzekerde aanspraak [ Geïntimeerde ] de lening wel degelijk uit eigen middelen dient af te lossen. Los daarvan handelt degene die betaling vordert op grond van een executoriale titel, welke nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, op eigen risico. Als een vonnis in hoger beroep wordt vernietigd is de betaling onverschuldigd geschied en dient deze ongedaan te worden gemaakt. De door [ Geïntimeerde ] aangevoerde omstandigheden zijn niet toereikend om de vordering tot terugbetaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te doen zijn. Het hof zal de vordering tot terugbetaling toewijzen.

3.20. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [ Geïntimeerde ] worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep en opnieuw rechtdoende;

wijst de vorderingen van [ Geïntimeerde ] af;

veroordeelt [ Geïntimeerde ] tot terugbetaling van hetgeen Jubilee aan [ Geïntimeerde ] ter uitvoering van het bestreden eindvonnis heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van algehele terugbetaling;

verwijst [ Geïntimeerde ] in de proceskosten van het geding in beide instanties en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Jubilee gevallen, in eerste aanleg op € 300,00 aan salaris gemachtigde en in hoger beroep op € 336,89 aan verschotten en € 948,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en E.M. Polak en op 19 juni 2012 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.