Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9634

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
200.067.629-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Aan de vereisten voor de (stille) cessie van de vorderingen is voldaan. Geen grond voor dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden bij het accepteren van het Dexia Aanbod. Vorderingen die voortvloeien uit de acceptatie van het Dexia Aanbod zijn niet verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ A ],

APPELLANT,

advocaat: mr. L.C.M. Jurgens te Amsterdam,

t e g e n

de vennootschap naar Iers recht VARDE INVESTMENTS (IRELAND) LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. P.C.M. Ouwens te Spijkenisse.

De partijen worden hierna [ Appellant ] en Varde genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 26 februari 2010 is [ Appellant ] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de ¬rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (verder: de kantonrechter) van 13 januari 2010, hersteld bij vonnis van 12 mei 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 1008416 / DX EXPL 08-2742 gewezen tussen hem als gedaagde en Varde als eiseres.

[ Appellant ] heeft bij memorie een aantal ongenummerde grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, producties overgelegd en bewijs aangeboden, met conclusie dat het hof bij arrest het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog de vorderingen van Varde zal afwijzen, Varde zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen dat [ Appellant ] ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep aan Varde heeft voldaan - vermeerderd met rente - en Varde zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, eveneens vermeerderd met rente en uitvoerbaar bij voorraad.

Daarop heeft Varde bij memorie de grieven bestreden, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [ Appellant ] in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

De partijen hebben de zaak op 25 april 2012 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daaromtrent bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling

3.1. [ Appellant ] heeft op of omstreeks 5 juli 2000 en op of omstreeks 25 juni 2001 met de rechtsvoorgangster van Dexia Bank Nederland N.V. (hierna: Dexia) effectenlease¬overeenkomsten gesloten met contractnummer 56085203, respectievelijk 51790688 (hierna: de lease¬overeenkomsten). De looptijd van de ¬leaseovereenkomsten is 120 respectievelijk 36 maanden. Krachtens de leaseovereenkomsten zijn voor rekening en risico van [ Appellant ] aandelen gekocht; het aankoopbedrag is door hem van de rechtsvoorgangster van Dexia geleend. [ Appellant ] diende gedurende de looptijd van de leaseovereenkomst rentetermijnen te betalen en tegen het einde van de looptijd het aankoopbedrag van de aandelen te voldoen. De laatste verschuldigde termijn ter zake van het aankoopbedrag wordt daarbij in beginsel verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

3.2. De leaseovereenkomsten vormen een zogenaamd restschuldproduct. In verband met de (tussentijdse) beëindiging van de leaseovereenkomsten zijn eindafrekeningen opgesteld. Volgens die eindafrekeningen diende [ Appellant ] een restschuld aan Dexia te voldoen.

3.3. Op 9 april 2003 heeft [ Appellant ] voor de beide leaseovereenkomsten het “Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod” (hierna: het aanmeldingsformulier) ondertekend. Door die ondertekening is [ Appellant ] de “Overeenkomst Dexia Aanbod” aangegaan.

3.4. Bij beschikking van 25 januari 2007 (LJN AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard (hierna: de WCAM-overeenkomst) voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De WCAM-overeenkomst bevat een regeling voor de afwikkeling van schade ontstaan uit effectenleaseovereenkomsten.

3.5. De WCAM-overeenkomst voorziet in de mogelijkheid dat gerechtigden zich aan de binding daaraan onttrekken. Voorwaarde daarvoor is dat vóór 1 augustus 2007 een opt-outverklaring is ingediend. [ Appellant ] heeft geen opt-outverklaring uitgebracht.

3.6. Het door Varde op grond van de vaststellingsovereenkomst gevorderde bedrag in hoofdsom van € 14.965,45 is door de kantonrechter toegewezen, vermeerderd met rente. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen. [ Appellant ] is veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg.

3.7. [ Appellant ] betwist dat Dexia haar vordering(en) op [ Appellant ] aan Varde heeft overgedragen. In hoger beroep voert [ Appellant ] aan dat de voor een rechtsgeldige cessie vereiste mededeling hem niet heeft bereikt. De brieven zijn gezonden aan het adres [ adres ] te [ plaatsnaam ], terwijl [ Appellant ] woont op het adres [ adres ] te [ plaatsnaam ].

3.8. De kantonrechter heeft de cessie van de vordering(en) aanvaard en daartoe overwogen dat in dit geval de levering heeft plaatsgevonden door het opmaken van een akte en de registratie daarvan. Het hof komt tot hetzelfde oordeel. Op grond van het huidige artikel 3:94 lid 3 BW kan een levering van een vordering plaatsvinden door een daartoe opgemaakte authentieke akte of een geregistreerde onderhandse akte, zonder dat mededeling aan de debiteur plaatsvindt (een zogenaamde stille cessie). Het huidige lid 3 van artikel 3:94 BW is op 1 oktober 2004 in werking getreden en is met name ingevoerd om de levering van grote aantallen vorderingen mogelijk te maken, een situatie die zich in het onderhavige geval voordoet. Deze bepaling heeft, voor zover van belang, vanaf 1 oktober 2004 onmiddellijke werking ten aanzien van de op dat moment reeds bestaande vorderingen.

3.9. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de door Varde overgelegde akte van 16 december 2007 een tussen Dexia en Varde opgemaakte en geregistreerde akte is die bestemd is tot levering aan Varde van – onder andere – de vordering(en) van Dexia op [ Appellant ]. Tegenover hetgeen Varde stelt en de stukken die zij heeft overgelegd, heeft [ Appellant ] onvoldoende concreet duidelijk gemaakt dat en waarom de cessie niet is gesloten en/of aanvaard door een daartoe bevoegde (rechts)persoon. Zijn betwisting is onvoldoende gesubstantieerd. Aan de vereisten van artikel 3:94 lid 3 BW voor een geldige levering van de vordering(en) aan Varde is naar het oordeel van het hof voldaan. De mededeling van de cessie aan [ Appellant ] als debiteur is op grond van artikel 3:94 lid 3 BW geen vereiste voor de levering of overdracht van de vordering(en), maar is slechts van belang in verband met zijn mogelijkheid bevrijdend te kunnen betalen. Na de mededeling kan [ Appellant ] niet meer bevrijdend betalen aan de cedent (Dexia). Hetgeen Varde in dit verband in de procedure naar voren heeft gebracht, kan niet anders worden begrepen dan dat zij van de cessie mededeling heeft gedaan.

3.10. Het voorgaande betekent dat [ Appellant ] op ontoereikende gronden bestrijdt dat Varde rechthebbende is op de vordering(en).

3.11. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat [ Appellant ] door voor de beide leaseovereenkomsten het aanmeldingsformulier te ondertekenen is gebonden aan de Overeenkomst Dexia Aanbod (hierna in enkelvoud: de vaststellingsovereenkomst). [ Appellant ] bestrijdt dit oordeel in hoger beroep. Hij stelt niet aan de vaststellingsovereenkomst gebonden te zijn. [ Appellant ] beroept zich kort gezegd op dwaling, bedrog en/of misleiding bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst en subsidiair op vernietiging daarvan op grond van artikel 7:904 lid 1 BW.

3.12. Ter nadere onderbouwing van zijn stellingen heeft [ Appellant ] aangevoerd dat hij niet is gewaarschuwd voor het risico van het ontstaan van een restschuld. Verder zou als bij het aangaan van de leaseovereenkomsten onderzoek was gedaan naar zijn vermogenspositie zijn gebleken dat deze een onaanvaardbare zware last op hem zouden leggen. Meer in algemene zin voert [ Appellant ] aan dat bij het afsluiten van de leaseovereenkomsten onjuiste verwachtingen zijn gewekt en risico’s zijn verzwegen. De rechtsvoorgangster van Varde was een professionele bank- en beleggingsinstelling op wie een bijzondere zorgplicht rustte. Zij diende [ Appellant ] spontaan, uitdrukkelijk en volledig te informeren. Bij het doen van het Dexia Aanbod is daarentegen onjuiste en onvolledige informatie verstrekt. Dexia wist dat een onderzoek van de AFM liep. Verder waren de vorderingen van afnemers niet al verjaard, maar hebben (collectieve) stuitingen plaatsgevonden. Door Dexia is ten onrechte het standpunt ingenomen dat de leaseovereenkomsten geen koop of afbetaling of huurkoop waren, zodat wel degelijk een beroep op vernietiging van de leaseovereenkomsten kon worden gedaan. Afnemers zijn misleid, in dwaling gebracht, althans: Dexia heeft op onrechtmatige wijze de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst bevorderd. [ Appellant ] onderkent dat in beginsel een vaststellingsovereenkomst een beroep op dwaling uitsluit, maar hij voert aan dat blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad dat anders kan zijn als bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst is uitgegaan van vaststaande feiten en omstandigheden, terwijl later blijkt dat één van beide partijen uitging van een verkeerde voorstelling van zaken en ook overigens aan de vereisten voor dwaling is voldaan. [ Appellant ] stelt dat die situatie zich in zijn geval voordoet.

3.13. Het hof heeft in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 oktober 2008 (LJN: BF8807) onderzocht of en in hoeverre een vaststellingsovereenkomst die tot stand is gekomen door de ondertekening van het aanmeldingsformulier door bedrog en/of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Het hof is tot het oordeel gekomen dat de aangevoerde omstandigheden geen van alle, en evenmin in onderlinge samenhang, bedrog of misbruik van omstandigheden opleveren zoals bedoeld in artikel 3:44, derde en vierde lid, BW. Het hof kan in de onderhavige zaak niet tot een ander oordeel komen. De door [ Appellant ] gestelde omstandigheden zijn in hoofdzaak dezelfde als die in de hiervoor genoemde zaak zijn aangevoerd. Daarbij geldt dat de door [ Appellant ] aangevoerde omstandigheden vooral zien op de wijze waarop Dexia zich heeft gedragen jegens afnemers van overeenkomsten van effectenlease in het algemeen, maar spitst hij die niet toe op zijn persoonlijke situatie. Uit de aangevoerde omstandigheden blijkt naar het oordeel van het hof niet van enige opzettelijk gedane onjuiste mededeling, een opzettelijk verzwijgen van enig feit of een andere kunstgreep van Dexia erop gericht om [ Appellant ] tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst te bewegen, zoals artikel 3:44, derde lid, BW vereist voor de aanwezigheid van bedrog. De genoemde omstandigheden kunnen – zonder nadere toelichting, die ontbreekt - evenmin worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 3:44, vierde lid, BW waarvan Dexia wist of moest begrijpen dat [ Appellant ] daardoor tot het aangaan van de aanbodovereenkomsten werd bewogen, zoals vereist voor een beroep op misbruik van omstandigheden, nog daargelaten hetgeen daarvoor voor het overige is vereist.

3.14. De enkele omstandigheid dat de rechtsvoorgangster van Dexia een professionele bank- en beleggingsinstelling is op wie een bijzondere zorgplicht rustte, maakt naar het oordeel van het hof nog niet dat de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling kan worden vernietigd. De door [ Appellant ] bepleite bijzondere situatie doet zich niet voor. Op het moment dat het Dexia Aanbod werd gedaan liepen nog de procedures over de juridische kwalificatie van de effectenleaseovereenkomsten als de onderhavige. Ook was het onderzoek van de AFM nog niet afgerond. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat Dexia en [ Appellant ] ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst in onzekerheid verkeerden omtrent de vraag wat rechtens tussen hen zou gelden. De vaststellingsovereenkomst heeft de strekking hun rechtsverhouding nader te regelen en bindend vast te stellen, zodat [ Appellant ] zich ten aanzien van de vraag waaromtrent partijen in onzekerheid verkeerden niet met vrucht op dwaling kan beroepen.

3.15. Het voorgaande laat onverlet dat [ Appellant ] er terecht vanuit gaat dat de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, met name jegens een cliënt als [ Appellant ] uit hoofde van de met hem bestaande contractuele verhouding. De zorgplicht van Dexia is ook tot uitdrukking gebracht in de Algemene Bankvoorwaarden waarop [ Appellant ] zich heeft beroepen. In de rechtspraak is aanvaard dat de schending van die zorgplicht in beginsel leidt tot schadeplichtigheid. De door [ Appellant ] gestelde omstandigheden in verband met de schending van de zorgplicht zijn, zoals hiervoor is overwogen, evenwel onvoldoende om dwaling, bedrog en/of misleiding bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst te kunnen aanvaarden. Ook het beroep op de vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 7:904 lid 1 BW – waarvoor moet komen vast te staan dat de gebondenheid aan de vaststelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is - faalt om dezelfde reden. Voor zover [ Appellant ] stelt dat de rechtsvoorgangsters van Varde onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld, is door [ Appellant ] onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de consequenties daarvan zijn in het licht van door Varde ingestelde vordering(en). Ook deze stelling faalt.

3.16. Het voorgaande betekent dat [ Appellant ] is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst. De in dit verband aangevoerde grieven zijn vergeefs aangevoerd.

3.17. [ Appellant ] heeft zich beroepen op de verjaring van de vordering(en) van Varde.

3.18. De vordering van Varde is gebaseerd op de vaststellingsovereenkomst. Voor zover [ Appellant ] bedoelt dat de verjaring van de vordering(en) reeds was ingetreden toen de vaststellingsovereenkomst tot stand kwam, kan hij daarin reeds niet gevolgd worden op de grond dat de leaseovereenkomsten zijn gesloten op of omstreeks 5 juli 2000, respectievelijk op of omstreeks 25 juni 2001 en de vaststellingsovereenkomst op 9 april 2003 tot stand is gekomen. De toepasselijke vijfjarige verjaringstermijn was daarmee nog niet voltooid bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. Varde heeft een kopie overgelegd van het exploot van 3 april 2008 waarmee Varde naar zij stelt aan [ Appellant ] mededeling heeft gedaan van de cessie en [ Appellant ] is gesommeerd tot betaling. Uit de eigen stellingen van [ Appellant ] volgt dat dit exploot op het juiste adres van [ Appellant ] is betekend. Ook overigens heeft [ Appellant ] dit exploot en de stellingen die Varde op grond daarvan inneemt bij gelegenheid van de pleidooien niet bestreden. Op grond van dit exploot moet worden aangenomen dat Varde verjaring van de vordering(en) tijdig binnen vijf jaren na het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst heeft gestuit. Het beroep van [ Appellant ] op verjaring mist daarmee goede grond.

3.19. Het voorgaande brengt mee dat [ Appellant ] is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst en de vordering van Varde die daarop is gebaseerd niet is verjaard. Hetgeen [ Appellant ] in subsidiair verband aanvoert over de geldigheid van en zijn gebondenheid aan de WCAM-overeenkomst, kan daarmee verder buiten bespreking blijven.

3.20. [ Appellant ] stelt dat hij een vordering tot schadevergoeding geldend kan maken op grond van het tekortschieten van de rechtsvoorgangsters van Varde in de op hen rustende zorgplicht. Naar het hof begrijpt, wenst hij deze vordering bij wijze van verrekening in mindering brengen op hetgeen hij aan Varde is verschuldigd. Daargelaten dat [ Appellant ] niet heeft toegelicht hoe zijn vordering tot schadevergoeding zich verhoudt tot de vaststellingsovereenkomst op grond waarvan in beginsel de rechten en verplichtingen van partijen over en weer bindend zijn vastgesteld, had het op de weg van [ Appellant ] gelegen zijn vordering tot schadevergoeding deugdelijk te specificeren en met stukken te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten. Zijn tegenvordering is daardoor niet voor dadelijke toewijzing vatbaar, zodat het hof deze gelet op het bepaalde in artikel 6:136 BW niet in verrekening zal brengen.

3.21. [ Appellant ] heeft de matiging van de door hem verschuldigde bedragen aan de orde gesteld (memorie van grieven onder 34). Het beroep op matiging faalt reeds op de grond dat Varde nakoming vordert van de vaststellingsovereenkomst en daarmee niet gesproken kan worden van een verschuldigde (volledige) schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:109 BW.

3.22. Geen van de grieven kan tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. [ Appellant ] heeft voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het bewijsaanbod van [ Appellant ] wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.

3.23. [ Appellant ] heeft verzocht het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dan wel uitsluitend onder de voorwaarde dat Varde zekerheid stelt. [ Appellant ] stelt dat zich een (extreem) restitutierisico voordoet. Hij voert daartoe aan dat Varde een buitenlandse rechtspersoon waarvan de uiteindelijke aandeelhouders moeilijk of niet te traceren zijn. Varde kan het ontvangen geld gemakkelijk naar een buitenlandse bankrekening overmaken. Het hof is van oordeel dat degene die zich beroept op een restitutierisico, dit aan de hand van concrete feiten zal moeten toelichten. De door [ Appellant ] aangevoerde omstandigheden zijn te algemeen en te speculatief om de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad dan wel zekerheidstelling te kunnen rechtvaardigen. Daarbij geldt dat de enkele omstandigheid dat een veroordeling ten gunste van een in het buitenland gevestigde rechtspersoon wordt uitgesproken onvoldoende is om het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dan wel daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden.

3.24. De slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [ Appellant ] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst [ Appellant ] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Varde gevallen, op € 263,00 aan verschotten en € 2.682,00 aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, J.W. Hoekzema en E.J.H. Schrage en op 12 juni 2012 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.