Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9360

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
23-003341-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:2013, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht verjaringstermijn overtredingen. Overtreding naar oud recht verjaard, naar huidig recht niet. Hof past gunstigste regeling toe. OM niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003341-10

datum uitspraak: 18 juni 2012

VERSTEK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 april 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-780376-09 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1983],

adres: [adres], [plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 6 december 2007 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Meeuwenlaan, (komende uit de richting van de Waddenweg) en gaande in de richting van de Johan van Hasseltweg, alwaar de verdachte ter hoogte van de kruising (rotonde) met de Johan van Hasseltweg rechtsaf de Johan van Hasseltweg in wilde slaan, een bestuurder van een fiets (te weten [slachtoffer]), die zich op dat moment ter hoogste van de kruising (rotonde) met de Johan van Hasseltweg op de Meeuwenlaan bevond (komende uit de richting van de Waddenweg en gaande in de richting van de Fazantenweg), geen voorrang heeft verleend en/of heeft geraakt en/of heeft aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar voornoemde fietser geraakt en/of aangereden, als gevolg waarvan [slachtoffer] pijn en/of letsel en/of schade heeft bekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge 378a van het Wetboek van Strafvordering.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat nu de verdachte geen schriftelijke grieven heeft ingediend, geen gemachtigd raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen noch de verdachte ter terechtzitting voor het gerechtshof is verschenen teneinde zijn grieven tegen het vonnis mondeling uiteen te zetten, de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep nu hij geen rechtens te respecteren belang heeft bij behandeling van het hoger beroep.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld overeenkomstig de beslissingen van de kantonrechter.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De procesgang

De verdachte wordt verdacht van overtreding van het bepaalde van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) begaan op 6 december 2007, waarover hij op die dag ook door de politie is gehoord.

Op 17 maart 2010 is hij gedagvaard ten einde ter terechtzitting van de kantonrechter te verschijnen op 6 april 2010.

Op 30 juli 2010 is hem de uitspraak betekend, waartegen hij op 5 augustus 2010 hoger beroep heeft ingesteld. Op 29 november 2011 heeft de fungerend voorzitter van het gerechtshof bevolen dat de zaak in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt. Op 4 juni 2012 heeft het hof de zaak ter terechtzitting behandeld.

De wettelijke relevante regeling met betrekking tot verjaring

Artikel 70 (oud, tekst tot 1 februari 2008) luidt, voor zover hier van belang als volgt:

1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1°. in twee jaar voor alle overtredingen

Op 1 februari 2008 is in werking getreden de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330), waarin de verjaringstermijn voor overtredingen in artikel 70, onder 1° van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is gewijzigd in die zin dat,‘twee’ vervangen is door ‘drie’ (zie onderdeel artikel II van het wetsontwerp).

Is het tenlastegelegde feit verjaard?

Volgens het oude recht, zoals dat gold ten tijde van het tenlastegelegde en tot 1 februari 2008, bedroeg de vervolgingsverjaring voor overtredingen twee jaren (artikel 70 Sr. oud) te rekenen vanaf de dag na het begaan van die overtreding (artikel 71 Sr). Dat brengt met zich dat deze zaak volgens het oude recht was verjaard op 7 december 2009 hetgeen tot gevolg zou hebben dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden verklaard in zijn vervolging

Uitgaande van de sedert 1 februari 2008 geldende regelgeving is het recht tot vervolging tot op heden echter niet verjaard. De verjaringstermijn ingevolge deze regeling bedraagt immers drie jaren en is door het uitbrengen van de inleidende dagvaarding -als daad van vervolging bedoeld in artikel 72 Sr- gestuit.

De vraag dient derhalve te worden beantwoord of in casu de vanaf 1 februari 2008 geldende wettekst van artikel 72 Sr al dan niet directe werking heeft en, in het verlengde daarvan, of het openbaar ministerie al dan niet niet-ontvankelijk is zijn vervolging.

Daarbij is van belang dat in de onderhavige situatie de verjaringstermijn volgens het oude recht nog niet was verstreken op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe regeling.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht tot vervolging van de voorliggende overtreding van artikel 5 WVW 1994 niet was verjaard.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Verjaring moet, (mede) gelet op de plaatsing van de bepalingen daaromtrent in het Wetboek van Strafrecht, tot het materiële recht worden gerekend (het hof sluit zich in dit verband aan bij de conclusie onder 10.4.5 van Knigge voor HR 12 juli 2011 BP6878, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis) Mede gelet op de wetssystematiek valt daarom niet in te zien dat aan het bepaalde in artikel 1, tweede lid Sr. betekenis zou moeten worden ontzegd ten aanzien van veranderingen in de verjaringstermijn.

Gelet op het vorenstaand is het hof van oordeel dat in de onderhavige situatie de voor de verdachte meest gunstige wettelijke bepaling dient te worden toegepast, te weten de tot 1 februari 2008 geldende tekst van artikel 70 Sr en op grond daarvan de conclusie moet worden getrokken dat thans sprake is van een voltooide verjaring.

Bespreking tegenargumenten en nadere motivering

Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad in het hiervoor vermelde arrest van 12 juli 2011 - evenals in zijn arrest van 29 januari 2010, BK 1998 - overwoog dat ‘naar hedendaagse rechtsopvatting’ een verandering van de verjaringregeling geldt met onmiddellijke ingang.

In de eerste plaats niet omdat in deze arresten de Hoge Raad zijn argumentatie deed steunen op de Wet opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten (Stb. 2005,595). Hij wees in dat verband op de (gewijzigde) memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel, waarin met betrekking tot de vervolgingsverjaring onder meer het volgende was opgenomen: “Inwerkingtreding van dit wetsvoorstel (...) heeft tot gevolg dat de verjaringstermijn van reeds gepleegde ernstige misdrijven wordt verlengd.” Het hof is van oordeel dat uit deze passage niet in algemene zin kan worden afgeleid dat ook wijziging van de verjaringstermijn van overtredingen tot verlenging van een op het moment van die wijziging lopende verjaringstermijn kan leiden. Dat is van belang, nu het in casu om een overtreding gaat.

Het hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat de regeling van de verjaring direct het legaliteitsbeginsel raakt: de punitieve bevoegdheden van de overheid worden met terugwerkende kracht ruimer. Een dergelijke uitbreiding behoeft daarom uitdrukkelijke legitimatie waarbij als uitgangspunt geldt dat de wetgever tijdens het wetgevingsproces duidelijk maakt op welke gevallen de nieuwe regeling van toepassing is. In het onderhavige geval is de verlenging van de verjaringstermijn bij overtredingen van twee naar drie jaren bij amendement van het tweede kamerlid Griffith (kamerstuk 29849, nummer 20) met algemene stemmen toegevoegd aan het hiervoor genoemde wetsontwerp, dat heeft geleid tot de Wet OM-afdoening. Het voorgestelde amendement had tot doel de als te kort ervaren termijn voor het ten uitvoer leggen van straffen opgelegd voor overtredingen te verlengen en aldus de tenuitvoerlegging van de sancties veilig te stellen. Dit amendement heeft niet tot enige discussie tijdens het wetgevingsproces geleid Of deze wetswijziging gevolgen had voor reeds lopende verjaringstermijnen is dan ook niet aan de orde geweest. Evenmin is in het wetsvoorstel een overgangsbepaling opgenomen. Het hof is dan ook van oordeel dat, nu terzake geen bijzondere voorziening is getroffen, artikel 1 lid 2 Sr van toepassing is en zal toepassing geven aan de voor de verdachte gunstigste regeling, te weten de ‘oude’ bepaling.

Slotsom

Bij deze stand van zaken oordeelt het hof dat het openbaar ministerie geen vervolgingsrecht meer had op het moment van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding en dat de kantonrechter het openbaar ministerie ten onrechte in de vervolging heeft ontvangen. Dit leidt tot de slotsom dat de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij behandeling van zijn zaak in hoger beroep.

Het hof passeert dan ook het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 416 lid 2 Sv en oordeelt op grond van het voorgaande dat het openbaar ministerie niet- ontvankelijk is in zijn vervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. R.C.P. Haentjens en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. van Rede, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juni 2012.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.