Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9319

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
10-00313
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2010:BM0270, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk doen van onjuiste aangifte.

In geschil is vervolgens of een bedrag van € 8.586 op het resultaat uit overige werkzaamheden in mindering kan worden gebracht.

Het Hof komt tot het oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij heeft ingebracht niet aannemelijk maakt dat er voldoende causaal verband is tussen de genoemde betalingen en de frauduleus door belanghebbende verkregen inkomsten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1830 met annotatie van Schouten
V-N Vandaag 2012/1655
FutD 2012-1749
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 10/00313

7 juni 2012

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Y, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 08/5911 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 156.630.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 28 juli 2008, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.672.

1.3. Bij uitspraak van 7 april 2010 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 18 mei 2010, aangevuld bij brief van 16 juni 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1.1. De rechtbank heeft onder meer de volgende feiten vastgesteld waarbij belanghebbende wordt aangeduid als eiser en de inspecteur als verweerder:

2.1. Eiser is bij vonnis van 15 maart 2007 door de rechtbank Amsterdam strafrechtelijk veroordeeld voor het ‘medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’. Eiser heeft samen met een ander gedurende een aantal maanden in 2003 een groot aantal aangiften IB/PVV en voorlopige teruggaven IB/PVV op naam van andere personen in strijd met de waarheid ingevuld en deze ingediend bij de Belastingdienst. De mededader had als voormalige boekhouder van bedrijven de gegevens van een aantal werknemers tot zijn beschikking, waarvan hij zonder hun medeweten gebruik heeft gemaakt. De teruggaven werden vervolgens op de bankrekeningen van eiser en een of meer anderen gestort.

2.2. Verweerder heeft reeds naar aanleiding van het voorafgaande strafrechtelijke onderzoek op 15 december 2006 het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser gecorrigeerd en een definitieve aanslag opgelegd.

2.3. Naar aanleiding van een door eiser ingediend bezwaarschrift tegen de aanslag heeft verweerder deze verminderd. Blijkens de motivering bij de uitspraak op bezwaar van 28 juli 2008 heeft verweerder daarbij rekening gehouden met de volgende uitgangspunten:

“Uit de stukken volgt dat de volgende bedragen ten onrechte door de Belastingdienst op de rekeningen van de heer X zijn gestort:

Datum betaling Rekeningnummer Bedrag belastingplichtige

14-05-2003 39.37.70.060 € 13.675 A

24-06-2003 39.37.70.060 € 9.939 B

10-09-2003 39.37.70.060 € 10.178 C

Teruggaven ontvangen op rekening Rabobank € 33.792

25-07-2003 84.62.83.476 € 177 D

Teruggave ontvangen op rekening Fortisbank € 177

21-05-2003 64.64.910 € 79 E

30-05-2003 64.64.910 € 631 F

30-05-2003 64.64.910 € 795 G

20-06-2003 64.64.910 € 1.659 H

02-07-2003 64.64.910 € 2.438 I

Teruggaven ontvangen op rekening Postbank € 5.602

Totaal ten onrechte ontvangen € 39.571

In totaal is voor een bedrag van € 21.447,83 door de Belastingdienst beslag gelegd, inclusief het conservatoir beslag.

De bedragen die in deze zaak ten onrechte zijn uitbetaald zijn deels overgemaakt naar rekeningen van de heer X en deels op rekeningen van de heren J1 en J2. De heren X en K hebben in mei en juni 2003 van de rekeningen van de heren J contante bedragen opgenomen van in totaal € 35.000. Van de rekeningen van de heer X zijn in deze periode contante bedragen opgenomen van in totaal € 15.750. Door de heer X is vervolgens in totaal

€ 12.450 teruggestort op een algemeen rekeningnummer van de Belastingdienst.

In mijn brief van 2 juni 2008 heb ik het standpunt ingenomen dat laatstgenoemd bedrag niet alleen van de rekeningen van de heer X afkomstig is, maar dat een groot deel daarvan betrekking heeft op opnamen van de rekeningen die op naam van de heren J stonden. Dit deel kan niet in aftrek worden gebracht op het resultaat uit overige werkzaamheden van de heer X. Het deel dat wel in aftrek kan worden gebracht heb ik berekend op

€ 15.750 / (€ 35.000 + € 15.750) x € 12.450 = € 3.864. Ik gaf derhalve vervolgens aan voornemens te zijn om een bedrag van € 18.123 -/- € 3.864 = € 14.259 als resultaat uit overige werkzaamheden aan te merken.

(…)

De heer X heeft een substantieel inkomen van zijn inkomen over 2003 ten onrechte niet in zijn aangifte aangegeven. Daardoor heeft hij niet de vereiste aangifte ingediend en zijn de omkering en de verzwaring van de bewijslast van toepassing. Dit brengt met zich dat de heer X overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre het resultaat uit overige werkzaamheden op een lager bedrag dan € 14.259 dient te worden vastgesteld. Dit heeft de heer X tot dusver niet gedaan. De enkele kennisgeving zonder nadere onderbouwing met bewijsstukken dat alleen bedragen van zijn eigen rekeningen heeft gebruikt om bedragen terug te storten naar de Belastingdienst is daarvoor onvoldoende. Ik stel het resultaat uit overige werkzaamheden derhalve vast op € 14.259.

(…) ik stel het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt vast:

Looninkomsten € 74.968

Af: zuivere inkomsten uit eigen woning € 15.555

€ 59.413

Bij: resultaat uit overige werkzaamheden € 14.259

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 73.672”

Het Hof zal van dezelfde feiten uitgaan en voegt daaraan nog de volgende toe:

2.1.2. Belanghebbende heeft op 21 en 23 mei en op 27 en 30 juni 2003 contant geld opgenomen van zijn bankrekening bij de Rabobank. In totaal betreft het € 15.750, waarvan € 5.750 ( in drie bedragen) op 21 mei 2003, en € 3.750 (in drie bedragen) op 27 juni 2003.

2.1.3. Belanghebbende heeft in mei en juni bedragen gestort op bankrekeningen van de Belastingdienst. Het betreft:

“Betaling aan Ontvanger Amsterdam:

- € 5.750 op 22-05-03 gestort door X met bestemming 1321.91.246.H01 (K)

- € 3.000 op 27-06-03 gestort door X met bestemming 1321.91.246.H01 (K)

Betaling aan Centrale Administr. Betalingsverkeer te Apeldoorn:

- €3.700 op 27-06-03 gestort door X met bestemming 65012318H10 (L)”.

2.1.4. K is de in overweging 2.1. van de rechtbankuitspraak bedoelde mededader van belanghebbende die als voormalig boekhouder beschikte over de voor het plegen van de fraude benodigde gegevens. L is gedupeerde in een oplichtingszaak en heeft aangifte gedaan tegen K.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Tussen partijen is in geschil of het door de inspecteur ter zake van de opbrengsten van de door belanghebbende gepleegde fraude als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen bedrag van € 14.259 met € 8.586 moet worden verminderd hetgeen belanghebbende verdedigt en de inspecteur betwist.

3.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij het bepalen van het resultaat de onder 2.1.3. gemelde betalingen in aftrek komen, omdat het een deel van het totale met de fraude gerealiseerde voordeel is dat krachtens een met K overeengekomen resultaatverdeling toekomt aan hem, en/of omdat sprake is van in aanmerking te nemen negatieve inkomsten of kosten.

3.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het totaal van de onder 2.1.3. gemelde betalingen (€ 12.450) op het resultaat in mindering komt. Nu bij de uitspraak op bezwaar reeds rekening is gehouden met een bedrag van € 3.864, dient – aldus belanghebbende – het in aanmerking te nemen resultaat nog met € 8.586 te worden verminderd.

3.4. De inspecteur verdedigt onder meer dat de onder 2.1.3. gemelde betalingen niet in aftrek komen bij het bepalen van het resultaat en dat derhalve geen aanleiding bestaat het bij de uitspraak op bezwaar in aanmerking genomen resultaat te verminderen.

3.5. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Indien – zoals zich in dezen voordoet – de inspecteur gemotiveerd betwist dat bepaalde door een resultaatgenieter verrichte betalingen in aanmerking kunnen komen bij het vaststellen van het resultaat, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden stelt en bij betwisting aannemelijk maakt die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat die betalingen wel in aanmerking moeten worden genomen.

4.2.1. Belanghebbende’s betoog inhoudende dat hij € 12.450 - in de vorm van het betalen van twee belastingaanslagen van K en één belastingaanslag van L - krachtens een met K overeengekomen resultaatverdeling moest betalen, is door de inspecteur betwist.

4.2.2. Tegenover de betwisting door de inspecteur maakt belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk dat de betalingen strekten tot een verdeling van de met de door hen gepleegde fraude gezamenlijk verkregen opbrengsten waartoe hij jegens K – al dan niet op grond van een (natuurlijke) verbintenis – gehouden was. In het bijzonder de feiten weergegeven onder 2.1.2. en 2.1.3. en de omstandigheid dat K bij de FIOD-ECD heeft verklaard de fraude eerst gedaan te hebben met bankrekeningen die op naam stonden van belanghebbende en nooit bankrekeningen van zichzelf te hebben gebruikt, zijn daartoe noch op zichzelf, noch in onderling verband en samenhang beschouwd, voldoende.

4.2.3. Bij zijn onder 4.2.2. weergegeven oordeel heeft het Hof onder andere in aanmerking genomen dat bij de fraude ook gebruik werd gemaakt van rekeningen van J1 en J2, en dat K als verdachte gehoord heeft erkend van rekeningen van J1 geld te hebben opgenomen en belanghebbende steeds heeft ontkend dat door hem bedragen zijn opgenomen van de rekeningen op naam van J1 en J2. Het is dan ook denkbaar dat K zijn deel van de fraudeopbrengst heeft verkregen via de rekeningen van J, en dat de onder 2.1.3. gemelde betalingen van in totaal € 12.450 een andere buiten de sfeer van de werkzaamheden gelegen oorzaak hadden (zoals bijvoorbeeld het aflossen van een privé-lening of het voldoen van een andere privé-verplichting van belanghebbende).

4.3. De onder 2.1.3. gemelde betalingen vormen voor zover het betreft de stortingen bedoeld om af te boeken op de belastingaanslag van K - anders dan belanghebbende betoogt - ook geen ‘negatieve inkomsten’ voor belanghebbende. Met de betalingen werden immers belastingschulden van K voldaan en dergelijke betalingen vormen noch een (gedeeltelijke) terugtaling van de door fraude door belanghebbende (en/of zijn mededaders) van de Belastingdienst verkregen inkomsten, noch anderszins een als negatieve inkomsten aan te merken ongedaanmaking van de frauduleus door belanghebbende verkregen inkomsten. In ieder geval heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft ingebracht - mede gelet op hetgeen onder 4.2.3. is overwogen - niet aannemelijk gemaakt dat er voldoende causaal verband is tussen de genoemde betalingen en de frauduleus door belanghebbende verkregen inkomsten.

4.4. Het betalen van in totaal € 8.750 op een belastingaanslag van een mededader (K) vormt - anders dan belanghebbende verdedigt - op zichzelf ook geen ‘vergoeding van door het misdrijf veroorzaakte schade’ zoals bij pleidooi in hoger beroep is betoogd. Dat belanghebbende door die betalingen van in totaal € 8.750 desalniettemin gedupeerden van de fraude op enigerlei wijze schadeloos heeft gesteld is niet aannemelijk geworden.

Ook overigens vindt het Hof in het dossier geen aanleiding de betalingen van de belastingaanslag van K door belanghebbende als bij de bepaling van belanghebbendes resultaat in aanmerking te nemen kosten of lasten in aanmerking te nemen.

4.5. Het antwoord op de vraag of de betaling van de belastingaanslag van L ten bedrage van € 3.700 bij belanghebbende tot een vermindering van het in aanmerking te nemen inkomen kan leiden kan in het midden blijven nu de inspecteur van de onder 2.1.3. gemelde betalingen van in totaal € 12.450 - per abuis - reeds € 3.864 in aftrek heeft toegelaten. De omstreden aanslag is derhalve ook indien de hiervoor geformuleerde vraag positief beantwoord wordt, niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

5. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, P.F. Goes en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 7 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.