Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9317

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
11-00708
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BV3592, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:783, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhuur door directeur/groot-aandeelhouder van deel van eigen woning aan zijn B.V. is geen economische activiteit.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 2540 met annotatie van Thiemann
V-N Vandaag 2012/1601
V-N 2012/44.2.4
FutD 2012-1752
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00708

14 juni 2012

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Maatschap X1 en X2 te Z, belanghebbende,

gemachtigde mr. E.A. Laman (Mazars Paardekooper Hoffman N.V.),

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 10/1834 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende diende op 24 oktober 2008 voor het tijdvak 1 juli 2008 tot en met 30 september 2008 een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting in ten bedrage van € 9.956, welk verzoek op 14 januari 2009 is aangevuld met een bedrag ad € 1.019. Bij beschikking van 6 mei 2009 heeft de inspecteur het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 27 februari 2010 heeft de inspecteur het verzoek ontvankelijk verklaard en heeft hij het verzoek om teruggaaf afgewezen.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 25 juli 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 5 september 2011, aangevuld bij brief van 11 november 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is geen maatschap in civielrechtelijke zin en is als zodanig niet ingeschreven in het Handelsregister.

Het samenwerkingsverband wordt gevormd door X1en X2. X1 en X2 zijn partners.

2.2. X1 en X2 hebben grond gelegen aan de A-straat 0 te Z gekocht. Ter zake van deze aankoop is omzetbelasting in rekening gebracht. In 2006 is gestart met de bouw van een woning op deze grond (hierna: de onroerende zaak of de woning). De woning is medio 2008 gereedgekomen, waarna X1 en X2 – ieder voor de onverdeelde helft eigenaar – hun intrek erin hebben genomen.

2.3. X1 is directeur/grootaandeelhouder van B Makelaars BV (hierna: B). Hij heeft ter zake een arbeidsovereenkomst met B gesloten. B beschikt over een kantoorpand aan de C-straat te P.

2.4.1. Het samenwerkingsverband heeft met B een huurovereenkomst gesloten. Voor zover van belang is hierin vermeld:

“ONDERGETEKENDEN

De Maatschap X1 en X2, wonende te (…) Z, met omzetbelastingnummer (…), hierna te noemen “verhuurder”

EN

B (…), vertegenwoordigd door (…) X1 (…), hierna te noemen “huurder”

ZIJN OVEREENGEKOMEN

Het gehuurde, bestemming

1.1 Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder de kantoorruimte met archiefruimte, hierna ‘het gehuurde’ genoemd, gelegen (…) Z (…), welke kantoorruimte en archiefruimte nader is aangegeven op de als bijlagen bij deze overeenkomst gevoegde en daarvan deeluitmakende door partijen geparafeerde tekening, waarin wordt aangegeven welke installaties en andere voorzieningen wel, en welke installaties en andere voorzieningen niet, tot het gehuurde behoren en waarin tevens een beschrijving van de staat van het gehuurde wordt gegeven, eventueel aangevuld met door partijen geparafeerde foto’s.

1.2 Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als kantoorruimte.

(…)

Duur, verlenging en opzegging

3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 10 (tien) jaar, ingaande op 22 juli 2008 en lopende tot en met 31 juli 2018.

(…)

Huurprijs, omzetbelasting, huurprijsaanpassing, betalingsverplichting, betaalperiode

4.1 De aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt op jaarbasis € 8.375,-- exclusief omzetbelasting (…).

4.2 Partijen komen overeen dat verhuurder wel omzetbelasting in rekening brengt en wel met ingang van 22 juli 2008.

4.3 Huurder en verhuurder maken gebruik van de mogelijkheid om op grond van Mededeling 45, besluit van 24 maart 1999, nr. VB 99/571, af te zien van het indienen van een gezamenlijk optieverzoek voor een met omzetbelasting belaste verhuur. Huurder verklaart door ondertekening van de huurovereenkomst mede ten behoeve van de rechtsopvolger(s) van verhuurder, dat hij het gehuurde blijvend gebruikt of blijvend laat gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bestaat.”

2.4.2. De verhuurde kantoorruimte en archiefruimte bevinden zich in het souterrain van de onroerende zaak. De verhuurde ruimtes hebben geen eigen opgang en zijn alleen te bereiken via de centrale hal van de woning. Het gehuurde beschikt niet over een watervoorziening en over sanitaire voorzieningen.

2.5. Het gehuurde wordt door X1 gebruikt voor de werkzaamheden die hij verricht voor B. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de centrale hal, van de in de woning aanwezige sanitaire voorzieningen en van de watervoorziening van de woning.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij – voor zover van belang – heeft overwogen:

“4.1.5. De rechtbank stelt voorop dat het eiseres (Hof: belanghebbende) vrijstaat een (onzelfstandig) deel van de woning tegen vergoeding te verhuren aan B Makelaars B.V. Gelet op de omstandigheden waaronder de verhuur plaatsvindt, kwalificeert deze echter niet als een economische activiteit voor de heffing van omzetbelasting nu het niet aannemelijk is dat eiseres de werkruimte aan een ander ter beschikking zou stellen dan een aan haar gelieerde derde, zoals B Makelaars B.V. Dit geldt nog sterker voor het gebruik van de centrale hal, de sanitaire voorzieningen en de watervoorzieningen, zonder dat hiervoor een vergoeding is bedongen. Bovendien geschiedt het gebruik van de ruimtes door X1 in het kader van de vervulling van de dienstbetrekking met B Makelaars B.V. Uit het voorgaande volgt dat de verhuur onder zodanige voorwaarden is overeengekomen dat hieraan onvoldoende economische betekenis toekomt (vgl. HR 23 december 1998, BNB 1999/76). Gelet op het vorenstaande kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiseres de woning feitelijk aan geen ander dan zichzelf ter beschikking stelt. Dat er met enige regelmaat ook directievergaderingen in de kantoorruimte plaatsvinden, maakt dit niet anders. Eiseres kwalificeert op grond van de verhuur van de werkruimte aan B Makelaars B.V. derhalve niet als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting.

4.2. Nu eiseres niet kwalificeert als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting behoeven de overige geschilpunten die zien op de verhuur van de ruimtes geen bespreking.

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of belanghebbende met betrekking tot de verhuur van een deel van de woning recht heeft op een teruggaaf van een bedrag ad € 10.975 (€ 9.956 + € 1.019).

Hierbij spitst het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende ter zake van deze verhuur als ondernemer in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (c.q. belastingplichtige in de zin van artikel 9, lid 1, van de BTW-richtlijn) dient te worden aangemerkt.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ten name van Maatschap X1 en X2, en vervolgens bezwaar, beroep en hoger beroep ingediend onder diezelfde benaming. De inspecteur heeft beschikt en uitspraak op bezwaar gedaan op dezelfde tenaamstelling. Hoewel geen maatschapscontract is opgemaakt zal het Hof het tussen X1 en X2 bestaande samenwerkingsverband (evenals de rechtbank) als maatschap aanduiden. Het Hof merkt daarbij op dat een tenaamstelling waarin de namen van beide betrokkenen voorkomt, in de omstandigheden van het onderhavige geval als adequaat kan worden aangemerkt.

6.2. Het enkele feit dat X1 directeur-grootaandeelhouder van B Makelaars B.V. is, staat er niet aan in de weg dat belanghebbende geacht kan worden zelfstandig te handelen bij de verhuur van de onderhavige kantoor- en archiefruimte in het souterrain (vgl. Hof van Justitie 27 januari 2000, Heerma, C-23/98, BNB 2000/297).

6.3. Het ligt op de weg van belanghebbende aan te tonen dat aan de voorwaarden voor aftrek van voorbelasting is voldaan, en in het bijzonder dat zij voldoet aan de criteria om als belastingplichtige te worden aangemerkt (Hof van Justitie 26 september 1996, Renate Enkler, nr. C-230/94, V-N 1997, blz. 653). Daartoe moeten alle exploitatie-omstandigheden worden onderzocht.

6.4. De rechtbank heeft terecht betekenis gehecht aan de omstandigheid dat van de centrale hal, de sanitaire voorzieningen en watervoorzieningen gebruik wordt gemaakt zonder dat hiervoor een vergoeding is bedongen.

Het Hof neemt voorts in aanmerking dat het huurcontract geen bepaling bevat dat de eigenaars van de woning geen privegebruik van de werkruimte mogen maken, dat belanghebbende niet, althans onvoldoende, heeft weersproken dat zich naast de werk- en archiefruimte in het souterrain nog een privéruimte bevindt, en dat ander personeel van B geen toegang heeft tot het verhuurde als X1 en X2 niet thuis zijn.

Hieraan doet niet af de verwijzing van belanghebbende naar verhuur van ruimten aan studenten of toeristen, nu een dergelijke verhuur niet kan worden gekwalificeerd als een overeenkomstige economische activiteit.

6.5. In het licht van het vorenoverwogene en tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende onvoldoende objectieve gegevens aangedragen om zijn stelling dat de verhuur van de ruimten in het onderhavige geval dient te worden aangemerkt als een economische activiteit, te kunnen staven.

Slotsom

6.6. Het hoger beroep is ongegrond, zodat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, B.A. van Brummelen en B. Emmerig, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 14 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.