Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8931

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
10-00612
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door belanghebbende naar de bankrekening van zijn voormalige echtgenote overgemaakte kinderalimentatie kan niet worden aangemerkt als onderhoudsverplichtigen als bedoeld in artikel 6.3 van de Wet IB 2001. De inspecteur heeft de kinderalimentatie terecht gekwalificeerd als uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar als bedoeld in artikel 6.3 van de Wet IB 2001.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.3
Wet inkomstenbelasting 2001 6.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1669
FutD 2012-1678
V-N Vandaag 2012/1512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 10/00612

7 juni 2012

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/557 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 15 oktober 2009 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.545.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 28 januari 2010, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.836.

1.3. Bij uitspraak van 19 augustus 2010 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 13 september 2010, aangevuld bij brief van 16 oktober 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens zijn bij brieven van 28 november 2010 en 29 december 2010 conclusies van repliek en dupliek genomen.

1.5. Op 12 januari 2011, 17 juni 2011 en 2 mei 2012 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende, waarvan afschriften zijn verstrekt aan de inspecteur.

Op 16 mei 2012 is - ter completering van het dossier - een nader stuk ontvangen van de inspecteur, waarvan een afschrift is verstrekt aan belanghebbende.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Het Hof vindt aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.1. Belanghebbende is gescheiden van [A] (hierna: voormalige echtgenote) en heeft met haar twee - in 2006 - minderjarige kinderen.

Hij heeft in 2006 als alimentatie voor genoemde kinderen in totaal een bedrag van € 3.120 (hierna ook de kinderalimentatie) overgemaakt naar de bankrekening van zijn voormalige echtgenote. De kinderalimentatie heeft belanghebbende in zijn aangifte IB 2006 onder “35 Betaalde alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen” in mindering gebracht op zijn inkomen uit werk en woning.

2.2. Sinds juni 2006 woont belanghebbende samen met [B]. In 2006 heeft de gemeente op de voet van artikel 13 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand een bedrag van € 4.640 van [B] teruggevorderd in verband met ten onrechte verstrekte bijstandsuitkeringen. Belanghebbende heeft dit bedrag betaald en in zijn aangifte IB 2006 onder “35 […] uitgaven voor onderhoudsverplichtingen” in mindering gebracht op zijn inkomen uit werk en woning.

2.3. De inspecteur was bij de aanslagregeling voornemens om van het bedrag aan betaalde kinderalimentatie slechts - het forfaitaire - bedrag van € 2.709 toe te staan en het bedrag van € 4.640 integraal te corrigeren.

Per abuis heeft hij bij de aanslagregeling van de geclaimde bedragen van € 3.120 en van € 4.640 niets geaccepteerd en deze bedragen gecorrigeerd.

2.4. De inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar zijn vergissing hersteld en alsnog, op de voet van artikel 6.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), een (forfaitair) bedrag van € 2.709 wegens uitgaven voor het levensonderhoud van de beide kinderen in aftrek toegelaten.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Bij het Hof is (uitsluitend) nog in geschil of de door belanghebbende naar de bankrekening van zijn voormalige echtgenote overgemaakte kinderalimentatie kan worden aangemerkt als onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen door hen daaraan ter zitting is toegevoegd.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Nu door de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar ter zake de kinderalimentatie een bedrag van € 2.709 in aanmerking is genomen ziet het geschil (cijfermatig) op de (al dan niet mogelijke) aftrek van een bedrag van € 411 (€ 3.120 -/- € 2.709).

4.2. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 in verbinding met het tweede lid, onderdeel a van dat artikel worden tot de persoonsgebonden aftrek onder andere de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen gerekend.

Artikel 6.3, eerste lid, van de Wet IB 2001, (tekst 2006) bepaalt, voor zover hier van belang, dat:

“Onderhoudsverplichtingen zijn:

a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;”

4.3. Niet is geschil is dat ter zake van de kinderalimentatie sprake is van “periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting”. Belanghebbende betoogt dat nu de (maandelijkse) bedragen (ter zake de kinderalimentatie) door hem naar de bankrekening van zijn voormalige echtgenote (en niet naar een bankrekening van de kinderen) zijn overgemaakt er geen sprake is van de in voornoemd artikel opgenomen uitzondering “tenzij deze worden gedaan aan [cursivering door het Hof] bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn” en er derhalve recht op aftrek bestaat. Voornoemde uitzondering ziet, volgens belanghebbende, niet op “periodieke uitkeringen die bedoeld zijn voor bloed- of aanverwanten” maar op “periodieke uitkeringen (…) die gedaan worden aan bloed- of aanverwanten”. Belanghebbende betoogt voorts dat de jurisprudentie over kinderalimentatie gewezen onder de vigeur van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) niet zonder meer van toepassing is op de bepalingen van de Wet IB 2001.

4.4 Belanghebbende kan worden toegegeven dat zijn uitleg strookt met de letterlijke tekst van 6.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.

De in artikel 6.3 van de Wet IB 2001 opgenomen opsomming van de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen is evenwel ontleend aan artikel 45, eerste lid, van de Wet IB 1964 (tekst 2000). In genoemd artikel van de Wet IB 1964 zijn de zogenoemde persoonlijke verplichtingen opgenomen. Ingevolge artikel 45, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 1964 zijn persoonlijke verplichtingen onder meer: periodieke uitkeringen en verstrekkingen als zijn bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b. In artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964 is bepaald dat het gaat om periodieke uitkeringen en verstrekkingen welke rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht, voor zover zij niet afkomstig zijn van [cursivering door het Hof] bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 is met betrekking tot de gewijzigde formuleringen en opbouw in de voornoemde wettelijke bepalingen, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Artikel 6.2.1 Onderhoudsverplichtingen

Artikel 6.2.1, eerste lid, [Hof: waarin onder meer is opgenomen, thans, artikel 6.3, eerste lid, aanhef, onder a, van de Wet IB 2001] is ontleend aan artikel 45, eerste lid, onderdelen c, d, e en h, Wet op de inkomstenbelasting 1964. Met de gewijzigde formulering en opbouw zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.”

Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 727, nr.3, pagina 251

4.5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 november 2000, nr. 35645, (o.a.Vakstudie Nieuws 2000/53.15), betreffende de vraag of ten behoeve van de kinderen aan de verzorgende ouder betaalde alimentatie-uitkeringen periodieke uitkeringen zijn ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964, als volgt beslist:

“3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de ten behoeve van de kinderen betaalde alimentatie-uitkeringen ingevolge artikel 30 van de Wet niet zijn aan te merken als inkomsten in de zin van de Wet, en dat derhalve de met betrekking tot deze uitkeringen gemaakte kosten niet kunnen worden aangemerkt als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van de Wet.

3.3 Het gaat hier om periodieke uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in de zin van artikel 1:408 van het Burgerlijk Wetboek, die op grond van het familierecht rechtstreeks toekomen aan en derhalve worden genoten door de kinderen en wat hen betreft afkomstig zijn van hun moeder, een bloedverwant in rechte lijn. Het zijn dus uitkeringen als bedoeld in artikel 30, lid 1, letter b, van de Wet. De omstandigheid dat uitkeringen als deze op de voet van artikel 1:408 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de (minderjarige) kinderen dienen te worden betaald aan de voogd of de ouder die hen verzorgt en opvoedt, brengt niet mede dat de uitkeringen door deze worden genoten. De aan de klachten ten grondslag liggende andersluidende opvatting van belanghebbende is onjuist, zodat de klachten falen.”

Belanghebbendes betoog dat artikel 1:408 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) alleen van toepassing is op uitkeringen tijdens de duur van het (echtscheidings)geding, berust op een onjuiste lezing van dat artikel.

4.6. Het onder 4.4 en 4.5 overwogene brengt het Hof tot het oordeel dat nu (1) bij de invoering van de Wet IB 2001 door de wetgever geen inhoudelijke wijzingen zijn beoogd ten opzichte van de Wet IB 1964 in het fiscale regime voor kinderalimentatie en (2) onder andere uit het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2000 afgeleid kan worden dat periodieke uitkeringen als de onderhavige (dat wil zeggen uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie van minderjarige kinderen in de zin van artikel 1:408 van het BW die betaald worden aan de verzorgende ouder) bij degene die de uitkeringen doet, onder de Wet IB 1964 niet op basis van artikel 45, eerste lid, onderdeel c, aftrekbaar zouden zijn geweest, belanghebbende geen aftrek op de voet van artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 toekomt.

4.7. De inspecteur heeft de kinderalimentatie terecht gekwalificeerd als uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar als bedoeld in artikel 6.13 van de Wet IB 2001 (tekst 2006) en (bij de uitspraak op bezwaar) ter zake een (forfaitair) aftrekbaar bedrag ad € 2.709 in aanmerking genomen.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 7 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.