Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8753

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
200.082.482
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijksvermogensregime naar Turks recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.082.482

(zaaknummer rechtbank 261464 / HA ZA 09-219)

arrest van de vierde kamer van 5 juni 2012

in de zaak van

[appellante],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. J.J. Stobbe,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de man,

advocaat: mr. R. Vleugel.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

1 april 2009, 25 november 2009 en 29 september 2010 die de rechtbank Utrecht tussen de vrouw als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie heeft gewezen. Van de vonnissen van 25 november 2009 en 29 september 2010 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 december 2010;

- de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging eis;

- de memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 De man en de vrouw zijn op 18 november 1981 in Turkije met elkaar gehuwd.

3.2 Bij verzoekschrift van 19 april 2006 heeft de man de echtscheiding verzocht. Bij beschikking van 19 juli 2006 heeft de rechtbank Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 31 januari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4. De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1 Tussen partijen is in geschil de afwikkeling van hun - door echtscheiding ontbonden - huwelijk. In hoger beroep liggen de navolgende geschilpunten nog ter beoordeling voor.

- de verrekening van de schuld aan Solveon Incasso B.V. (verder: Solveon). Hierop ziet grief 1 van de vrouw;

- de verrekening van de schuld aan Tegelland Arnhem B.V. (verder: Tegelland). Hierop ziet grief 2 van de vrouw;

- de vordering tot immateriële schadevergoeding van de vrouw uit hoofde van artikel 174 van het Turks Burgerlijk Wetboek (verder: TBW). Hierop ziet grief 3 van de vrouw;

- de afgifte van de persoonlijke bezittingen van de man dan wel zijn vordering tot vervangende schadevergoeding indien voornoemde goederen niet worden afgegeven.

4.2 De in het petitum van de memorie van grieven door de vrouw vermelde vordering te bepalen dat de opbrengst van beide onroerende zaken staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres 1] en aan de [adres 2] zal worden toegescheiden aan de vrouw, dan wel enige andere verdeelsleutel vast te stellen door het hof in goede justitie te bepalen, ligt naar het oordeel van het hof in hoger beroep niet voor. De rechtbank heeft over deze vordering in haar vonnis van 29 september 2010 geoordeeld dat partijen tijdens de comparitie van

17 maart 2010 (onvoorwaardelijk) overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot (de verkoop en de verdeling van de mogelijke overwaarde van) deze onroerende zaken en zij heeft de vorderingen van de vrouw in zoverre afgewezen. Tegen dit oordeel heeft de vrouw geen, althans een onvoldoende duidelijke grief geuit, zodat het hof aan dat oordeel van de rechtbank gebonden is.

4.3 Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat de rechtbank heeft geoordeeld dat op het huwelijksgoederenregime van partijen Turks recht van toepassing en dat bij de beoordeling zal worden uitgegaan van de toepasselijkheid van het ‘verwervingsdeelnemingsregime’, zoals sinds 1 januari 2002 is opgenomen in het TBW. Nu tegen dit oordeel geen grieven of bezwaren zijn geuit, zal ook het hof daarvan uitgaan. De rechtbank heeft eveneens onbestreden geoordeeld dat alle bezittingen van partijen moeten worden beschouwd als verwervingen. Ook het hof gaat daarvan uit.

4.4 Met de grief 1 maakt de vrouw bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen een schuld aan Solveon van € 45.488,27 hadden en dat zij gehouden is de helft van dit bedrag aan de man te vergoeden. Met grief 2 maakt de vrouw bezwaar tegen het oordeel dat partijen gehouden zijn in gelijke mate bij te dragen aan de schuld aan Tegelland.

4.5 Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof het volgende voorop. Het hof leidt uit de artikelen 230 en 231 TBW af dat een schuld die betrekking heeft op de verwervingen in de zin van artikel 219 TBW (ook indien zij uitsluitend op naam van één van partijen is gesteld) in de verrekening dient te worden betrokken, met dien verstande dat een negatief saldo niet in beschouwing wordt genomen. Een schuld bezwaart dat gedeelte van het vermogen waarop zij betrekking heeft. Indien niet duidelijk is aan welk gedeelte de schuld toebehoort, wordt deze geacht betrekking te hebben op de verwervingen en niet op het persoonlijk vermogen van één van partijen in de zin van artikel 220 TBW.

4.6 De schuld aan Solveon van € 45.488,27 is naar het oordeel van het hof vast komen te staan. De vrouw heeft de stelling van de man dat partijen een overbruggingskrediet hadden afgesloten welke na verkoop van de woning aan de [adres 3] diende te worden afgelost, niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Uit de door de vrouw overgelegde brief van Solveon van 29 augustus 2006 en de voorlopige afrekening betreffende de [adres 3] van 1 september 2006 kan worden afgeleid dat de woning aan de [adres 3] in totaal € 260.157,73 heeft opgebracht en dat daarop in mindering kwam een bedrag van in totaal € 297.805,29 (€ 68.235,12 in verband met aflossing hypotheek en betaling diverse kosten en € 229.570,17 in verband met het overbruggingskrediet), zodat een debetsaldo van € 37.640,56 resteerde. Dit sluit aan bij de stellingen van de man omtrent de hoogte van de schuld. Uit de brief van Solveon van 18 januari 2007 kan worden afgeleid dat deze schuld op die datum tot € 45.488,27 is opgelopen. De schuld van € 45.488,27 aan Solveon staat hiermee vast.

Uit het door de man overgelegde bankafschrift van 13 maart 2007, blijkt vervolgens dat dit bedrag is afgelost door de vader van de man, [A.]. Het hof is voorts van oordeel dat de man gemotiveerd heeft gesteld dat het geen schenking van de vader aan hem betrof maar dat hij dit bedrag aan zijn vader schuldig is gebleven, hetgeen door de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd is betwist . Nu deze schuld betrekking heeft op de verwervingen van partijen (de woningen aan de [adres 3] e[adres 1]) dient deze schuld in de verrekening te worden betrokken. Grief 1 van de vrouw faalt.

4.7 Ten aanzien van de wijze van de verrekening heeft de rechtbank beslist dat het door de vrouw aan de man te betalen bedrag met betrekking tot de schuld aan Tegelland en de geldlening aan de vader van de man zal worden verrekend met de overwaarde van de onroerende zaken aan de [adres 1] en de [adres 2] te [woonplaats]. Nu tegen dit oordeel geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit, zal het hof het vonnis op dit onderdeel bekrachtigen.

4.8 De schuld aan Tegelland houdt verband met een vloerverwarming die is geplaatst in de aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende woning aan de [adres 1] te [woonplaats]. Over de werkzaamheden door Tegelland is een geschil ontstaan. De rechtbank Utrecht heeft uiteindelijk bepaald dat de man aan Tegelland ruim € 20.000,- moet betalen. Zoals hiervoor in 4.3 is overwogen moet die woning als verwerving worden beschouwd. Dat ook de vrouw daarvan uitgaat, blijkt uit haar stelling dat zij (ten minste) recht heeft op de helft van de overwaarde van die woning. Nu de vloerverwarming is gelegd in die woning, dient de schuld verbandhoudend met de aanleg daarvan te worden beschouwd als toebehorend aan die woning, en daarmee aan de verwervingen van partijen. Haar stelling dat de man alleen op de [adres 1] heeft gewoond en de vrouw nooit, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat dit haaks staat op hetgeen zij en de man tijdens de comparitie van 13 juli 2009 hebben verklaard, vloeit hieruit - mede bezien in het licht van haar hiervoor genoemde stellingen - nog niet voort dat die woning tot het persoonlijk vermogen van de man behoorde.

De overige bedragen waartoe de man krachtens het vonnis van de rechtbank Utrecht van

11 juli 2007 jegens Tegelland is veroordeeld houden naar het oordeel van het hof direct verband met de aanleg van de vloerverwarming en dienen daarom eveneens te worden aangemerkt als een schuld die betrekking heeft op de verwervingen. Dat de man het nodeloos op een procedure heeft laten aankomen of deze nodeloos heeft voortgezet is naar het oordeel van het hof, om redenen door de rechtbank in het vonnis van 29 september 2010 vermeld die het hof tot de zijne maakt, onvoldoende gemotiveerd gesteld. Andere feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de man de schuld aan Tegelland zelf moet dragen zijn evenmin gesteld of gebleken. Grief 2 van de vrouw faalt.

4.9 Grief 3 van de vrouw bevat een vermeerdering van eis, nu zij voor het eerst in hoger beroep vordert dat de man wordt veroordeeld tot betaling aan haar van immateriële schadevergoeding wegens aantasting van haar persoonlijkheid. Zij beroept zich daartoe op artikel 174 TBW.

Het hof stelt voorop dat - anders dan waarvan de man kennelijk uitgaat - het de vrouw is toegestaan bij memorie van grieven haar eis te vermeerderen, behoudens uitzonderingen die niet zijn gesteld of gebleken. De vermeerderde eis ligt daarom ter beoordeling voor.

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of deze vordering naar Nederlands recht of Turks recht dient te worden beoordeeld, nu deze naar het oordeel van het hof op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar is. Daarbij is van belang dat het Nederlands recht een immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 174 TBW niet kent. Uit het door de vrouw overgelegde rapport van het IJI, waar zij zich op beroept, volgt dat overspel als zodanig naar Turks recht geen reden is om immateriële schadevergoeding te vragen. Hieruit vloeit voort dat zelfs indien de stelling van de vrouw dat de man drie jaar lang een buitenechtelijke verhouding heeft gehad met een collega op het werk juist is - de man heeft dit betwist en de door de vrouw overgelegde stukken rechtvaardigen die conclusie niet zonder meer - die enkele omstandigheid nog geen recht op immateriële schadevergoeding rechtvaardigt. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden zijn niet gesteld of gebleken. Het hof zal deze vordering van de vrouw daarom afwijzen. Grief 3 van de vrouw faalt.

4.10 De eerste grief van de man ziet op de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot afgifte van zijn persoonlijke bezittingen.

Het hof oordeelt als volgt. Zelfs indien uit het proces-verbaal van aangifte van 13 april 2004 moet worden afgeleid dat de persoonlijke bezittingen waarvan de man afgifte vordert op dat moment in bezit van de vrouw waren - nu in het proces-verbaal geen specificatie van die zaken is opgenomen - hieruit niet volgt dat de vrouw deze bij het definitieve uiteengaan van partijen nog steeds in haar bezit had. Uit de verklaringen van partijen tijdens de comparitie van 13 juli 2009 kan worden afgeleid dat zij toen zij de eerste keer uit elkaar gingen op de [adres 3] woonden, maar dat zij zich daarna voor een periode verzoend hebben en samen aan de [adres 1] zijn gaan wonen. Het proces-verbaal van aangifte waarnaar de man verwijst, ziet op de periode waarin de vrouw nog aan de [adres 3] woonde. Hieruit volgt echter niet dat zij, nadat partijen zich hadden verzoend en in de [adres 1] woonden, deze spullen bij het verlaten van laatstgenoemde woning (nog steeds) in haar bezit had. Het ligt ook niet voor de hand dat de man gedurende de tijd dat partijen weer samenwoonden niet de beschikking over die spullen heeft gehad of heeft kunnen hebben. Het proces-verbaal van aangifte van de dochter van partijen bevat evenmin een bevestiging voor de stelling van de man, nu zij niets heeft verklaard over de bezittingen van de man.

De conclusie is dat uit de stellingen van de man niet volgt dat de vrouw de persoonlijke bezittingen van de man in haar bezit had/heeft. Nu de man in hoger beroep geen bewijsaanbod heeft gedaan is voor bewijslevering geen plaats. Omstandigheden die een omkering van de bewijslast rechtvaardigen, zoals de man voor ogen staat, acht het hof in het licht van het voorgaande niet aanwezig. Grief 1 van de man faalt.

4.11 Uit hetgeen hiervóór in rov. 4.10 is overwogen, vloeit voort dat ook grief 2 van de man - waarmee hij opkomt tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn (subsidiaire) vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding wegens het niet afgeven van zijn persoonlijke bezittingen - faalt.

5. Slotsom

5.1 De slotsom van het voorgaande is dat de grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep falen, zodat het bestreden vonnis integraal moet worden bekrachtigd.

5.2 Nu partijen gehuwd zijn geweest en het geschil hieruit voortvloeit en beide partijen in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 29 december 2010;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.H.A Moes, J.H. Lieber en A.E.F. Hillen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2012.