Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8715

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
11-00012
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals bij de rechtbank is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. In het bijzonder is in geschil of voldoende kenbaar was gemaakt dat voor het onder 2.2 vermelde parkeren belasting was verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1672
FutD 2012-1700
Belastingblad 2012/365
V-N Vandaag 2012/1565
V-N 2012/44.24.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00012

14 juni 2012

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z],

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/1912 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 5 februari 2010 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 2 april 2010, de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Bij uitspraak van 29 november 2010, verzonden op 6 december 2010, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift gedagtekend 7 januari 2011, bij het Hof ingekomen op 10 januari 2011. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast.

2.2. Op 5 februari 2010 is om 20:20 uur aan belanghebbende, als houder van de auto met het kenteken [11-KK-LL], in verband met parkeren in de [A] ter hoogte van huisnummer 224, een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

2.3. In de Verordening Parkeerbelastingen 2010 is bepaald dat op de plek waar belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd, parkeerbelasting is verschuldigd.

2.4 Belanghebbende is vanaf het [B] naar een parkeerplaats gereden via het [C] en is daarbij een parkeerautomaat, welke zich bevindt op het trottoir hoek [C] en [A], gepasseerd.

3. Het geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. In het bijzonder is in geschil of voldoende kenbaar was gemaakt dat voor het onder 2.2 vermelde parkeren belasting was verschuldigd

4. Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende wordt in de hierna opgenomen overwegingen van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.

5. Ingevolge artikel 1, onder a, en artikel 4, eerste lid, van de Verordening parkeerbelastingen 2010 van de gemeente Amsterdam (hierna: de verordening) is parkeerbelasting verschuldigd bij de aanvang van het parkeren op een daarvoor aangewezen plaats. Niet in geschil is dat de auto van eiser geparkeerd stond op een dergelijke plaats zonder dat de hiervoor verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Hieruit volgt dat de naheffingsaanslag in beginsel terecht is opgelegd.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting te voldoen, kan blijken uit de aanwezigheid van zodanige apparatuur bij of in de nabijheid van de plaats, maar ook uit bebording of andere aanwijzingen bij de plaats of in de naaste omgeving daarvan op zo een wijze dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor die plaats redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Hiervoor is niet vereist dat aan het begin en het eind van elke straat door middel van bebording wordt aangegeven dat het een straat betreft waar voor het parkeren van een auto parkeerbelasting verschuldigd is.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op weg naar de betreffende parkeerplek een parkeerautomaat is gepasseerd. Door de plaatsing van de parkeerautomaat nabij het parkeerterrein is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt dat voor het parkeren op of in de nabijheid van het parkeerterrein betaald dient te worden. Dat bedoelde parkeerautomaat niet of nauwelijks verlicht was en het in de omgeving donker was, doet aan voorgaand oordeel niet af. Immers, de bestuurder van een auto heeft, anders dan eiser meent, een onderzoeksplicht. Van een bestuurder mag worden verwacht dat hij zich voldoende op de hoogte stelt van de geldende regels met betrekking tot de parkeerregulering en dat hij zich aan die regels houdt. Indien eiser vorengenoemd onderzoek had ingesteld, had hij kunnen weten dat voor het parkeren op de onderhavige plaats en tijdstip parkeerbelasting verschuldigd was. De gevolgen van het nalaten van vorengenoemd onderzoek komen naar het oordeel van de rechtbank geheel voor rekening en risico van eiser.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende heeft gesteld dat hij niet kon weten dat de verplichting parkeerbelasting te voldoen, gold op de plaats waar zijn auto stond geparkeerd. De heffingsambtenaar heeft in dit verband opgemerkt dat in het centrum van Amsterdam parkeerbelasting wordt geheven en dat er geen reden is om te veronderstellen dat op deze plek in het centrum, vlak bij het station, hierop een uitzondering zou gelden. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende er ten onrechte vanuit gegaan dat hij kon veronderstellen dat op de plek waar belanghebbende heeft geparkeerd, geen belasting zou worden geheven. Belanghebbende had in redelijkheid kunnen begrijpen dat op deze locatie parkeerbelasting was verschuldigd.

5.2. Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, de parkeerautomaat die hij is gepasseerd niet was verlicht en dat het zicht vanwege de regen slecht was. Het Hof overweegt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de gevolgen van het feit dat belanghebbende heeft nagelaten te onderzoeken of er ter plaatse sprake was van betaald parkeren, voor rekening en risico van belanghebbende komen. De overwegingen van de rechtbank in onderdeel 7 van haar uitspraak maakt het Hof tot de zijne.

5.3. Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals belanghebbende onweersproken heeft gesteld, naderhand een extra aanduiding is aangebracht bij de ingang van de straat die hij heeft gebruikt om de door hem gekozen parkeerplaats te bereiken.

Slotsom

5.4. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, J.P. Kruimel en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van R.J. Wessel, als griffier. De beslissing is op 14 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.