Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8508

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
23-004850-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woningoverval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004850-11

datum uitspraak: 13 juni 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 8 november 2011 in de strafzaak onder de parketnummers 14-810363-11 en 14-015087-02 (TUL) tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

adres: thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

25 oktober 2011 en op de terechtzitting in hoger beroep van 30 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

primair:

hij op of omstreeks 12 mei 2011 in de gemeente Heerhugowaard,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

A. een geldbedrag van 970 euro, althans enig geldbedrag en/of een bankpas en/of een werkpas, althans een of meer goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

B. een geldbedrag van (ongeveer) 900 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [benadeelde] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 1] hebben/heeft vastgegrepen/vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- die [benadeelde] hebben/heeft vastgepakt en/of op een bed geduwd of gegooid en/of (vervolgens) van dat bed getrokken en/of meermalen met een (bier)flesje op/tegen het hoofd en/of de rug en/of elders op/tegen het lichaam geslagen en/of geschopt en/of

- de telefoon uit de hand(en) van die [slachtoffer 2] hebben/heeft geslagen en/of die [slachtoffer 2] op een bank hebben/heeft geduwd;

subsidiair:

hij op of omstreeks 12 mei 2011 in de gemeente Heerhugowaard,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorend aan [benadeelde] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, vergezellen of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], zulks met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) van de andere deelnemer(s) aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

met zijn mededader(s), althans alleen naar de woning van [benadeelde] ([adres]) is gegaan en die woning is binnengegaan, waarna hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgegrepen/vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- die [benadeelde] heeft/hebben vastgepakt en/of op bed geduwd of gegooid en/of (vervolgens) van dat bed getrokken en/of meermalen met een (bier)flesje op/tegen het hoofd en/of de rug en/of elders op/tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of geschopt en/of

- de telefoon uit de hand(en) van [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen en/of [slachtoffer 2] op een bank heeft/hebben geduwd en/of

- (op luide toon) om geld gevraagd en/of

- in de (broek)zakken van [benadeelde] en [slachtoffer 1] gevoeld;

2.

hij op of omstreeks 12 mei 2011 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk en wederrechtelijk een kledingkast en/of een (rails van een) kledingkastdeur en/of een flatscreen en/of een geluidsbox, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie komt.

Vrijspraak

Het hof is - anders dan de advocaat-generaal en met de raadsman - van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, dat de verdachte en/of zijn medeverdachte geld en/of goederen heeft dan wel hebben weggenomen uit de woning.

Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

subsidiair:

hij op 12 mei 2011 in de gemeente Heerhugowaard,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, toebehorend aan [benadeelde],

en die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en vergezellen van geweld tegen [benadeelde] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zulks met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

met zijn mededader naar de woning van [benadeelde] ([adres]) is gegaan en die woning is binnengegaan, waarna hij, verdachte, of zijn mededader

- die [slachtoffer 1] heeft vastgegrepen en

- die [benadeelde] heeft vastgepakt en op bed gegooid en vervolgens van dat bed getrokken en met een bierflesje op het hoofd en de rug geslagen en tegen het lichaam geschopt en

- de telefoon uit de handen van [slachtoffer 2] heeft geslagen en [slachtoffer 2] op een bank heeft geduwd en

- op luide toon om geld heeft gevraagd en

- in de broekzakken van [benadeelde] en [slachtoffer 1] heeft gevoeld;

2.

hij op 12 mei 2011 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk en wederrechtelijk rails van een kledingkastdeur en een geluidsbox, toebehorende aan [benadeelde] en/of [slachtoffer 2], heeft vernield.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 mei 2012 is de verdachte eerder strafrechtelijk veroordeeld. Deze veroordeling dateert echter van 20 december 2002. Uit de stukken blijkt dat de verdachte in 2010 in Nederland is teruggekeerd, na een jarenlange gevangenisstraf uitgezeten te hebben in Peru na een veroordeling terzake van een drugs gerelateerd feit.

De verdachte en zijn mededader hebben zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld in een woning. De verdachte is vrijwel direct bij binnenkomst overgaan tot het gebruiken van geweld. De verdachte heeft één van de slachtoffers met een bierflesje tegen het hoofd geslagen en heeft tegen zijn lichaam geschopt. De verdachte en zijn mededader hebben enkel oog gehad voor hun financiële belangen, zonder stil te staan bij de ernstige - met name psychische - gevolgen die een dergelijk feit kan hebben voor de slachtoffers. De ervaring leert dat ervaringen als deze diep ingrijpen in de levens van de slachtoffers, die daarvan mogelijk ook in de toekomst de nadelige gevolgen zullen ervaren.

Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededader een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid in hun woning. Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde] blijkt dat het incident een grote impact op hem heeft gehad en dat hij om die reden zelfs kort na het gebeuren is verhuisd.

Daarnaast veroorzaken feiten als deze maatschappelijke onrust en brengen ze een gevoel van onveiligheid teweeg.

Hoewel het hof minder bewezen acht dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat, alles afwegende en met name gelet op de aard van het misdrijf en de belangen van de slachtoffers, de door de rechtbank opgelegde straf passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.350,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het oorspronkelijke bedrag van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, aangezien voor de beoordeling nadere instructie, gevolgd door hoor en wederhoor, zou zijn vereist. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Alkmaar van 20 december 2002 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] terzake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Alkmaar van 20 december 2002, parketnummer 14-015087-02, te weten de tenuitvoerlegging van: gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Dit arrest is gewezen door de tiende meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.H. van Asperen, mr. P.C. Römer en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. S.M. van Zanten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 juni 2012.