Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8075

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
23-002769-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BM8472, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:891, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag en poging doodslag op hulpverleners. Samenloop. Straftoemeting. Weigerende observandus en TBS: grondslag voor oplegging maatregel en motivering ter zake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002769-10

datum uitspraak: 12 juni 2012 (promis)

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-528423-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 juni 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2011 en – na heropening van het onderzoek op 16 december 2010 – op de terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht) die [slachtoffer 1] in de hals, in elk geval in het lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 15 juni 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht) in de rug en/of nek en/of hals en/of (linker)borst, in elk geval in het lichaam, van die de [slachtoffer 2] en/of in de nek en/of schouder, in elk geval in het lichaam, van de [slachtoffer 3] heeft gestoken en/of gesneden;

3.

hij op 15 juni 2009 te Amsterdam, een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (met inscriptie "X-treme"), waarvan gelet op de aard en omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel.

4.

hij op of omstreeks 01 augustus 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4] eenmaal of meermalen aan de haren heeft gerukt en/of (door het huis) getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3. Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere overwegingen en beslissingen komt dan de rechtbank ten aanzien van achtereenvolgens de toepasselijke samenloopregeling, de op te leggen straf en de vordering tot oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling

4. Het bewijs

4.1 Voorbedachte raad

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van achtereenvolgens de als feit 1 ten laste gelegde moord op [slachtoffer 1] en de als feit 2 bewezen verklaarde pogingen tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Hiertoe heeft de advocaat-generaal het volgende aangevoerd.

Op grond van de in de loop van het voorbereidende onderzoek door getuigen afgelegde verklaringen dient ervan uit te worden gegaan dat de verdachte kort voor het steekincident in het kantoor van het zogenoemde Poortgebouw op een stoel heeft gezeten, dat hij vervolgens een mes uit zijn rechterbroekzak heeft gepakt, dit mes heeft opengeklapt, is opgestaan en om het L-vormige bureau is heengelopen in de richting van [slachtoffer 1]. De verdachte is daarbij langs [slachtoffer 3] gelopen. De verdachte heeft [slachtoffer 1] vervolgens viermaal in het lichaam gestoken. Vervolgens heeft de verdachte zich op [slachtoffer 2] gericht en ook haar (vijf) steekwonden toegebracht. Daarna heeft de verdachte (twee) steekwonden toegebracht aan [slachtoffer 3].

De gang van zaken in het kantoor wijst erop dat de verdachte op verschillende momenten gelegenheid heeft gehad zich te beraden op de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daden en zich daarvan rekenschap te geven. Derhalve is geen andere conclusie gerechtvaardigd dan dat sprake is van voorbedachte raad en daarmee van moord c.q. poging tot moord. De advocaat-generaal acht het in dit verband van belang dat de verdachte tijdens het incident niets heeft gezegd noch heeft geschreeuwd, waardoor de indruk is gewekt dat de verdachte tijdens het gewelddadige incident koelbloedig en emotieloos te werk is gegaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat niet meer kan worden vastgesteld dan dat de verdachte een woede-uitbarsting heeft gehad en in een opwelling gehandeld heeft. Van het bestaan hebben van gelegenheid voor beraad is niet gebleken, zodat de onder 1. en 2. ten laste gelegde voorbedachte raad niet bewezen kan worden verklaard.

Het oordeel van het hof

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die vóór of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals die hierna in paragraaf 4. zullen worden gebezigd gaat het hof - voor zover hier van belang – uit van de volgende gang van zaken.

De verdachte heeft kort voor het steekincident een gesprek gevoerd met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Tijdens dit gesprek is het gedrag van de verdachte ter sprake gebracht en is de verdachte medegedeeld dat hij in het weekend mogelijk niet meer in het opvangcentrum kon verblijven. De verdachte is hierop boos en agressief geworden, waarop het gesprek door de begeleiders is beëindigd en de verdachte is verzocht om naar buiten te gaan om even af te koelen. De verdachte is hierop boos naar boven gelopen om - volgens eigen zeggen – een zakje wiet te pakken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg geopperd dat de verdachte naar zijn kamer is gelopen om het mes -waarmee hij zijn latere slachtoffers heeft neergestoken- te pakken. De inhoud van het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het onderschrijven van deze stelling, zodat – bij gebrek aan overig bewijs – ervan uit dient te worden gegaan dat de verdachte het mes reeds bij zich droeg toen hij het kantoor van de conciërge inliep, zoals door hem ook is verklaard op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 juni 2010.

De verdachte was nog steeds boos en "opgefokt" toen hij plaatsnam achter het bureau van de conciërge, zo blijkt uit de inhoud van diverse, door getuigen afgelegde verklaringen. Hij was naar eigen zeggen bang dat hij uit de opvang weggestuurd zou worden. Hij heeft in het kantoor eerst nog een telefoongesprek gevoerd met een medewerkster bij de Bascule. [slachtoffer 2] heeft ook kort met haar gesproken. Na dit gesprek is de verdachte wederom gevraagd om naar buiten te gaan om af te koelen. Op dat moment, in ieder geval vrijwel direct daarop volgend, is de verdachte uit zijn stoel gekomen, is hij om [slachtoffer 3] gelopen en is hij [slachtoffer 1] met het mes dat hij volgens eigen zeggen in zijn rechter broekzak droeg te lijf gegaan. Aansluitend heeft de verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gestoken.

De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat er op enig moment iets bij hem knapte en er een knop omging, dat hij daarop zijn mes heeft gepakt en hij in het wilde weg heeft gestoken.

[slachtoffer 3] heeft op 7 oktober 2009 als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris het volgende verklaard:

“Nadat [verdachte] de hoorn had neergelegd kwam hij in mijn beleving ineens om mij heen en schoot op mijn twee collega’s af. Het was voor mij iets van pats boem. Het gebeurde in een oogwenk”,

en:

”In mijn beleving ging alles in één beweging door. Wij kwamen naar elkaar toe en ik zie het als één doorgaand geheel, als één actie. In mijn beleving was het één maai. Ik heb niet gezien dat er momenten waren waarop niets gebeurde.”

Het verloop van deze feitelijke gebeurtenissen, die elkaar binnen zeer korte tijd opvolgden, wijst erop dat de verdachte in een plotselinge uitbarsting van agressie en kennelijk in een gemoedsopwelling heeft gehandeld. Daarom is niet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op zijn daden met gevolg dat voor hem de gelegenheid heeft bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daden en zich daarvan rekenschap te geven.

Dat de verdachte tijdens het steken op getuigen een koelbloedige en vrijwel emotieloze indruk heeft gemaakt, zoals door de advocaat-generaal is betoogd, maakt dit oordeel niet anders. Nog daargelaten de juistheid van die observaties en de interpretatie daarvan, valt niet in te zien waarom in de omstandigheden van dit geval juist die indruk die de verdachte op anderen heeft gemaakt zou bijdragen aan de conclusie dat bij hem wél van kalm beraad sprake is geweest.

Hieruit volgt dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde bestanddeel ‘voorbedachte rade’ als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet voor bewezenverklaring in aanmerking komt, zodat het hof de verdachte in zoverre zal vrijspreken.

4.2. De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 15 juni 2009 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes die [slachtoffer 1] in het lichaam gestoken en gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

hij op 15 juni 2009 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een mes, in de rug en nek en hals en linkerborst van die [slachtoffer 2] en in de nek en schouder van die [slachtoffer 3] heeft gestoken.

3.

hij op 15 juni 2009 te Amsterdam, een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een mes, met inscriptie "X-treme", waarvan gelet op de aard en omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel.

4.

hij op 1 augustus 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4] aan de haren heeft gerukt en door het huis getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4.3. De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde:

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 juni 2010. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op de vraag van de voorzitter of ik kan vertellen wat er op 15 juni 2009 (het hof begrijpt: in het Poortgebouw aan de [adres] in Amsterdam) is gebeurd, antwoord ik dat wij om drie uur een gesprek hadden. Daarbij waren mevrouw [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 2]) en mevrouw [slachtoffer 1] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 1]) aanwezig. Dit gesprek verliep voor mij niet volgens wens. Blijkbaar mocht ik niet uitslapen in het weekend. Ik werd boos, omdat mij onrecht werd aangedaan. Later werd ik zo boos dat de vraag was of ik mocht blijven. Toen is er bij mij een knop omgegaan en heb ik iedereen (het hof begrijpt: [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]) neergestoken. Tijdens het gesprek in de keuken ben ik ook boos geworden. Na dit gesprek ben ik naar mijn kamer gegaan en heb ik een zakje wiet gepakt. Ik wilde ook even tot rust komen. Ik ben vervolgens naar beneden gegaan en naar het kantoortje gelopen. Op dat moment waren naast de man (het hof begrijpt: [getuige], mevrouw [slachtoffer 2], mevrouw [slachtoffer 3] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 3]) en mevrouw [slachtoffer 1] in het kantoortje aanwezig. Ik zat op een stoel achter het bureau. Het klopt dat het kantoortje vrij klein is en dat er twee in een L-vorm opgestelde tafels staan. De anderen stonden op een rijtje met hun rug naar de muur toe. Op een gegeven moment voelde ik mij zo onder druk gezet dat ik mevrouw [betrokkene]heb gebeld. Ik heb haar gevraagd of zij hen kon overhalen om mij in het Poortgebouw te laten blijven. Ik wilde dat zij voor mij zou bemiddelen. Dit gesprek werd afgewimpeld door mevrouw [slachtoffer 2]. Daarna werd nogmaals tegen mij gezegd dat ik naar buiten moest om rustig te worden. Ik zei dat ik daar niet rustig van werd, maar zij wilden niet luisteren. Op een gegeven moment is er iets geknapt, heb ik het mes gepakt en de mensen neergestoken. Ik had het mes in mijn rechterbroekzak. Dit is het mes dat later op mijn aanwijzen door de politie is gevonden. Het was een klapmes dat je met één hand in een vloeiende beweging open kunt slaan. Ik herinner mij dat ik in het wilde weg heb gestoken. Ik ben weggerend naar het Amstelstation. Het mes had ik al bij me. Ik had het voor mijn veiligheid, als bescherming als dakloze.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 7 oktober 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. C. Klomp, rechter-com¬mis¬saris, belast met de behan¬deling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 oktober 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 3]:

Ik ben van beroep pedagogisch medewerker B. Ik ben sinds vijftien jaar verbonden aan deze instelling (het hof begrijpt: bij Jongerenopvang Spirit te Amsterdam). Ik heb [verdachte] (het hof begrijpt hier en verder: [verdachte]) op een aantal momenten ontmoet. Dat was veelal kort.

Tijdens de ochtendvergadering (het hof begrijpt: van stafleden van Jongerenopvang Spirit te Amsterdam) op 15 juni 2009 is [verdachte] besproken. Wij hebben gesproken over een traject binnen de DWI, daar waren een aantal incidenten geweest. Besproken is of er een oplossing denkbaar was waarbij hij kon deelnemen aan een behandeling met behoud van uitkering. Dit was van belang omdat de mensen die bij ons verblijven een dagbesteding moeten hebben. We hebben besproken dat dit met [verdachte] zou worden besproken. We hebben niet besproken wat de consequenties zouden zijn indien [verdachte] dit voorstel zou afwijzen. We hebben ook met elkaar besproken dat er iets zou moeten worden gedaan aan de agressie.

De bespreking (het hof begrijpt: met de verdachte) zou ‘s middags om 15.00 uur plaatsvinden.

Hij werd opgehaald door één van de collega’s, die zei dat het tijd was. Hij reageerde daarop in de trant van “ik ben met iets bezig en je kunt nu wel even op mij wachten”. Wat later dan uiteindelijk gepland vond de bespreking plaats met [verdachte]. Aan die bespreking werd deelgenomen door [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 2]) en [slachtoffer 1] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 1]). Het gesprek vond plaats in de keuken. Ik bevond mij toen beneden bij de kantoorruimte. Ik heb een paar keer vanuit de hal door het raam van de deur gekeken hoe het gesprek verliep. Het was een soort bijgevoel om even te kijken hoe het liep. Ik heb het gesprek niet zelf gehoord. Ik hoorde af en toe wel een stemverheffing, waarin ik meende [verdachte] te herkennen. Ik had zo’n idee van “gaat het allemaal wel goed”, ik denk dat dat de reden was waarom ik af en toe om het hoekje keek. Ik had zeker niet het idee van of dat wel allemaal goed gaat. Hij stond en zat afwisselend toen ik keek. Het gesprek duurde tot ongeveer half vier.

Na afloop van het gesprek liep [verdachte] de trap op. Ik bleef beneden staan bij mijn collega’s. Toen [verdachte] de trap opliep maakte hij een boze indruk. Ik hoorde hem zeggen dat hij iets niet eerlijk vond en over naar buiten gaan. Na ongeveer vijf minuten kwam [verdachte] weer naar beneden. Hij zei dat hij wilde bellen. Hij mag in beginsel bellen. Hij liep het kantoor binnen en nam plaats achter de tafel. [verdachte] voerde een gesprek op een boze toon. In het kantoor waren ook nog [getuige] (het hof begrijpt: [getuige]), [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Nadat het telefoongesprek beëindigd was zeiden we dat het goed zou zijn als hij wat ging afkoelen. [verdachte] wilde niet naar buiten. Ik heb nog even gesuggereerd om even in de tuin te gaan, maar ook dat wilde hij niet. Hij wilde nog een keer bellen en ging ook bellen. Tijdens het gesprek gaf hij de hoorn aan [slachtoffer 2] en zei dat het voor haar was. [slachtoffer 2] heeft na een kort gesprekje de hoorn teruggegeven aan [verdachte]. Die beëindigde het gesprek en heeft vervolgens de hoorn neergelegd.

Nadat [verdachte] de hoorn had neergelegd kwam hij in mijn beleving ineens om mij heen en schoot op mijn twee collega’s af. Het was voor mij iets van pats boem. Het gebeurde in een oogwenk. Ik draaide mij om en zag [slachtoffer 1] wankelen. Ik had niet gezien dat ze gestoken was, maar ik zag wel een grote verwonding aan haar gezicht in een vorm van een snee aan de linkerkant. Zo zie ik het voor me. Ik zag vervolgens dat [verdachte] zich naar [slachtoffer 2] richtte. Ik zag toen voor het eerst een mes en ik zag dat hij met het mes [slachtoffer 2] stak. Ik zag [verdachte] een aantal keren uithalen. Ik probeerde [verdachte] bij [slachtoffer 2] weg te trekken. Vervolgens werd ik door hem gestoken. Eén keer bij mijn hals, één keer bij mijn schouder en één keer bij mijn schouderblad. Ik zag [verdachte] vervolgens gebaren in de trant van “kom maar op”. Hij heeft vervolgens de kantoorruimte verlaten.

In mijn beleving ging alles in één beweging door. Wij kwamen naar elkaar toe en zie het als één doorgaand geheel, als één actie. In mijn beleving was het één maai. Ik heb niet gezien dat er momenten waren waarop niets gebeurde.

3. Een proces-verbaal van aangifte van 24 juni 2009 met nummer 2009164476-42, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] (doorgenummerde dossierpagina’s 199-205). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik werk sinds begin februari 2008 bij het Poortgebouw als pedagogisch medewerker B . Ik begeleid de jongeren van punt a naar punt b van het plan dat we opgesteld hebben. In het Poortgebouw van Spirit vangen we jongeren op van 17 jaar tot 23 jaar. Hier werken we met de jongeren aan hun hele toekomst. Het Poortgebouw is eigenlijk een instroomhuis, met kans op doorstroom.

[slachtoffer 3] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 3]) is ook pedagogisch medewerker [slachtoffer 1] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 1]) was orthopedagoog, dat is een gedragsdeskundige. Zij begeleidde ons in de begeleiding van de jongeren. Als daartoe aanleiding bestond dan was zij er, ter ondersteuning een gesprek bijvoorbeeld.

[verdachte] (het hof begrijpt hier en verder: [verdachte]) was bij ons sinds 18 mei 2009, ik was zijn vaste begeleider. De intake vond plaats iets voor 18 mei 2009. [verdachte] had al schuldhulp, maar wilde ook hulp bij het vinden of vasthouden van een vaste baan en woning. Achteraf werd namelijk bekend dat [verdachte] steeds zijn baan verloor door agressieproblemen.

Op maandag 8 juni (het hof begrijpt: 8 juni 2009) had ik een gesprek met [verdachte]. Dit was een gewoon hulpverleningsgesprek, waarbij een formulier moest worden ingevuld. [verdachte] wilde geen informatie geven, bijvoorbeeld over zijn schulden. Ik mocht bijvoorbeeld niet invullen dat hij moeite had met agressie. Ik had dat op een diplomatieke wijze toch ingevuld. [verdachte] werd daar boos over en wilde die passage er hoe dan ook uit hebben. Ik gaf aan dat hij op deze manier niet in de hulpverlening kon blijven. Daar werd hij ook boos over. Hij zei tegen mij dat hij een andere begeleider wilde.

Woensdag 10 juni 2009 heb ik [verdachte] gebeld en een afspraak gemaakt voor een herstelgesprek.

Maandag 15 juni 2009 vond het herstelgesprek met [verdachte] plaats. [slachtoffer 1], mijn leidinggevende, zou hier ook bij aanwezig zijn. [verdachte] was toen in het gebouw, maar was bezig met zijn bankzaken. Hij zei toen heel dwingend dat hij bezig was en dat moest afmaken. Dat mocht hij van mij. Ik was nog alleen en heb gewacht tot [verdachte] naar mij toe zou komen. Omdat het te lang duurde ben ik hem uiteindelijke gaan halen samen met [slachtoffer 1]. [slachtoffer 3] was hier ook even bij.

[verdachte] had kennelijk problemen met zijn bankzaken en hij zei dat hij daarvan hoofdpijn en stress kreeg. We hebben hem opgehaald en zijn in de lunchruimte gaan zitten. We namen plaats aan tafel. [slachtoffer 1] zat links van mij en [verdachte] zat rechts van mij, schuin tegenover [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] leidde het gesprek. We hebben gesproken over zijn gedrag, we wilden hem laten inzien dat hij zich op deze plek, het Poortgebouw, niet zo agressief kon gedragen. [verdachte] was heel boos, maar nu meer over zijn eigen situatie. Hij schreeuwde steeds. Ik had niet het idee dat zijn agressie op ons gericht was. Het gesprek ging over zijn gedrag en dat hij dat moest veranderen. [verdachte] bleef maar tieren en schreeuwen. Toen werd hij wat rustiger. Daarna ging het gesprek erover dat [verdachte] in het weekend van 10.00 tot l6.30 uur niet binnen in het gebouw mocht zijn. Dit kwam omdat het personeel had aangegeven niet met [verdachte] alleen te willen zijn. [verdachte] stond vervolgens op. Hij liep rond en brieste. Ik stond ook op en zei tegen [verdachte] dat hij moest gaan zitten. [verdachte] schreeuwde: “Nee, jij gaat zitten!” Ik antwoordde dat we dan allebei moesten gaan zitten. Toen ging [verdachte] zitten. [verdachte] begon weer te tieren over:” Waarom ik, ik heb toch niets gedaan!“ Toen stond [verdachte] op.

Hij pakte zijn stoel op en deed alsof hij ging gooien. Hij maakte een wegwerpgebaar, maar hield zich uiteindelijk in en zette de stoel weer neer, Vervolgens schopte [verdachte] hard met zijn voet tegen de koelkastdeur. We stopten het gesprek hierop omdat [verdachte] door zijn boosheid niet meer te hanteren was. We zeiden tegen [verdachte] dat hij maar een blokje om moest om af te koelen. Wij zeiden tegen [verdachte] dat hij naar buiten moest. [verdachte] schreeuwde:” Nee, nee, ik vertrouw jullie niet!” [verdachte] is toen zelf naar [getuige] (het hof begrijpt hier en verder: [getuige]) de huismeester gelopen, die in zijn kantoor zat. [verdachte] zat tegenover [getuige]. [slachtoffer 3] was ook in de ruimte, zij stond achter mij. [slachtoffer 1] stond in de deuropening, of net erbuiten. [slachtoffer 1] stond wel zo dat de deuropening vrij was. Ik zag dat [verdachte] al de telefoon in zijn hand had, hij zei: “Ik ga [betrokkene] (het hof begrijpt hier en verder: [betrokkene]) bellen!”. [verdachte] zat tegenover [getuige]. Ik heb nog met [betrokkene] gesproken en daarna opgehangen. Wij hebben weer tegen [verdachte] gezegd dat hij naar buiten moest. [verdachte] zat op de stoel en balde zijn vuisten, zijn ogen spuwden vuur. Hij was heel erg giftig. Ik had het gevoel dat ik de situatie niet kon handelen. De situatie was behoorlijk geëscaleerd.

Het volgende moment stond ik met [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [getuige] in het kantoor. In mijn beleving, werd [slachtoffer 1] in een flits door [verdachte] besprongen. [slachtoffer 1] stond naast de deur, naast het zwarte kastje. Hij vloog haar naar haar keel. Ik zag iets zwarts, ik weet niet wat het was, maar het viel mij op. Het was bij [verdachte]. Ik zag dat [slachtoffer 1] terugdeinsde, naar de andere kast in de hoek. Daarna focuste ik me op [verdachte]. Het ging heel snel. Ik heb nog geprobeerd [verdachte] weg te halen. Ineens zag ik bloed op mijn T-shirt aan mijn linker zijkant. Ik ben toen achteruit gedeinsd. Ik stond voor het eerste bureau, gezien vanaf de ingang van het kantoor. Ik deinsde achteruit, achter de L-vormige opstelling van de bureaus in het kantoor. Ik weet niet hoe ik er kwam, maar ik stond opeens in die hoek. Toen ik daar stond zag ik een soort van interactie tussen [slachtoffer 3] en [verdachte]. Ik weet niet precies wat er gebeurde. In mijn beleving is [verdachte] nog twee keer naar mij toe gekomen. Ik zag steeds weer bloed op andere plekken op mijn lichaam. Ik heb geen mes gezien, maar ik wist dat ik gestoken werd.

Ik heb daarna nog [slachtoffer 1], samen met [getuige], een stukje van de muur afgetrokken. Ze lag namelijk met haar hoofd tegen de kast, met haar nek in een rare hoek. Hoe ze eruit zag en hoe ze lag zag er zorgelijk uit. De wond in haar nek was behoorlijk groot. Ik zag dat ze met haar ogen naar bovengedraaid lag. Ik hoorde dat ze gorgelende ademgeluiden maakte. Ik zag overal bloed. Mijn shirt en broek waren doorweekt van het bloed.

Later in het ziekenhuis bleek dat het hartzakje van mijn hart geraakt was door de steek in mijn borst. Dit zakje was volgelopen met bloed en daardoor kreeg ik moeite met ademen, Ik heb toen acuut hartchirurgie gehad.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 15 juni 2009 met nummer 2009164476-02, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde dossierpagina’s 46-50). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [getuige]:

Ik ben werkzaam als conciërge van Spirit Poortgebouw, een opvangcentrum voor jongeren, welke gevestigd is aan de Weesperzijde 110 te Amsterdam. In die hoedanigheid was ik vandaag, maandag 15 juni 2009, getuige van een steekincident. De dader heet [verdachte] (het hof begrijpt hier en verder: [verdachte]).

Op 15 juni 2009 liet ik [verdachte] binnen. Hij vertelde mij dat hij een afspraak had met [slachtoffer 1] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 1]), de orthopedagoog, en [slachtoffer 2] , een pedagogisch medewerkster. Toen [verdachte] binnen was ben ik naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gelopen, die op dat moment in overleg waren in de keuken/eetzaal om te zeggen dat [verdachte] er was. Het gesprek met [verdachte] zou in die ruimte plaatsvinden.

Na mijn mededeling ben ik weer naar mijn kantoor gelopen. Na enkele minuten kwam [verdachte] van de trap gelopen. [verdachte] liep naar de eetzaal waar het gesprek zou plaatsvinden. Hoewel het gesprek achter een gesloten deur plaatsvond, kon ik wel flarden van het gesprek volgen. Ik hoorde voornamelijk [verdachte] schreeuwen. Ik hoorde dat [verdachte] schreeuwde dat hij niet werd begrepen.

Het gesprek was afgelopen, de deur ging open en ik zag dat [verdachte], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de eetzaal verlieten. [verdachte] is toen even uit beeld geweest. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn mijn kantoor binnengelopen. [slachtoffer 3] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 3]) zat ook in mijn kantoor. Enkele minuten later zag ik dat [verdachte] het kantoor inliep.

[verdachte] ging tegenover mij aan het bureau zitten. Hij was erg opgefokt, want ik hoorde hem met verheven stem zeggen:”En ik ga niet naar buiten, want jullie laten me dan niet meer naar binnen”. [verdachte] richtte zich hierbij tot [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] ging in gesprek met [verdachte]. Zij vertelde hem dat hij even naar buiten moest om af te koelen en dat hij daarna weer naar binnen mocht.

[verdachte] vroeg vervolgens toestemming om te mogen bellen. Ik gaf hem die toestemming. [verdachte] nam de telefoon en belde iemand. Ik hoorde dat [verdachte] door de telefoon riep dat hij niet weg zou gaan, omdat hij er anders niet meer in zou mogen. [slachtoffer 2] sprak ook kort met de persoon aan de lijn en gaf toen de hoorn terug aan [verdachte]. [verdachte] sprak nog een paar woorden en gooide toen de hoorn op de haak. Vervolgens riep hij weer tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat hij niet weg zou gaan.

[slachtoffer 3] probeerde nog de boel te sussen door tegen [verdachte] te zeggen dat wanneer hij nu rustig naar buiten zou gaan om af te koelen, hij daarna weer binnen zou mogen komen. [verdachte] reageerde ook agressief tegen [slachtoffer 3]. Hij schreeuwde dat wanneer hij naar buiten zou gaan hij er niet meer in zou komen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben ook nog gezegd dat hij even naar buiten moest gaan. Ik bleef op dat moment rustig, ik was wel wat onder de indruk van het gedrag van [verdachte], zijn geschreeuw en zijn gespannen houding.

[verdachte] stond plotseling op en ik zag dat hij in de richting van [slachtoffer 1] liep. [verdachte] moest hiervoor eerst [slachtoffer 3] passeren. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand steekbewegingen maakte in de richting van [slachtoffer 1] lichaam ter hoogte van haar nek/hals en haar bovenlichaam, ter hoogte van haar borsten. Ik zag opeens bloed op de plaatsen waar [verdachte] haar geraakt had. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] riep: “hij heeft mij gestoken”. [slachtoffer 1] bleef op dat moment nog even staan.

Ik zag dat [slachtoffer 2] voor [slachtoffer 1] ging staan. Ik zag dat [verdachte] vervolgens ook meerdere steekbewegingen in de richting van de nek, hals en bovenlichaam, ter hoogte van de borsten, van [slachtoffer 2] maakte. Ik zag bloed op de plaatsen waar [slachtoffer 2] had geraakt. Het speelde zich allemaal in fracties van seconden af.

Ik zag vervolgens dat [slachtoffer 1] op de grond viel. Ik zag dat [slachtoffer 3] naast [slachtoffer 2] ging staan en dat zij met haar armen zwaaide om zich zelf te beschermen. [verdachte] maakte hierop ook meerdere steekbewegingen in de richting van [slachtoffer 3], ter hoogte van haar bovenlichaam en haar hals/nek. Kort hierna zag ik ook bij [slachtoffer 3] bloed op de plaatsen waar [verdachte] haar had geraakt. [verdachte] heeft tijdens het neersteken van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niets gezegd. Hij is opgestaan en heeft “gewoon” gestoken.

5. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2009 met nummer 2009164476-36, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] (doorgenummerde dossierpagina’s 106-107). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten:

Naar aanleiding van de steekpartij, welke plaatsgevonden heeft op maandag 15 juni 2009 omstreeks 15.30 uur, in het Spirit Poortgebouw aan de Weesperzijde 110 te Amsterdam, hebben wij, verbalisanten Purvis en Pistoor, op woensdag 17 juni 2009 een onderzoek naar het mes ingesteld.

Wij hebben verdachte [verdachte] op woensdag 17 juni 2009 omstreeks 19.45 uur opgehaald uit het cellencomplex aan de Elandsgracht te Amsterdam. Hij verklaarde aan te willen wijzen waar hij het mes weggegooid had.

Nadat wij verdachte [verdachte] opgehaald hadden, zijn wij wederom vanaf de [adres] naar de Wibautstraat toe gereden en vervolgens het Schollenbrugpad op gereden. Hier hoorden wij dat verdachte [verdachte] zei dat hij het mes in de bosschages van het aldaar gelegen talud had gegooid. Wij zijn de auto uit gestapt en wij hoorden dat verdachte [verdachte] zei dat hij het mes tussen begin Schollenbrugpad en de Overamstelstraat weggegooid had.

Ik, verbalisant Pistoor, ben op aanwijzingen van verdachte [verdachte] het talud opgelopen teneinde het mes te zoeken. Uiteindelijk vond ik een zwartkleurig metalen mes. Ik heb dit mes, nadat ik plastic handschoenen aangetrokken had, opgepakt en heb hem in een fouilleringszak gestopt.

In het cellencomplex hebben wij de verdachte [verdachte], na medegedeelde cautie, gevraagd of het mes dat wij in de bosschages van het talud aan het Schollenbrugpad aangetroffen hadden van hem was. Wij hoorden dat hij zei dat het mes van hem was. Wij hoorden dat hij zei dat dit het mes was waarmee hij gestoken had.

6. Een proces-verbaal van onderzoek wapen van 17 juni 2009 met nummer 2009164476-37, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde dossierpagina 109). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisant:

Ik, verbalisant, taakaccenthouder herkennen en beschrijven (vuur)wapens, verklaar het volgende.

Het op woensdag 17 juni 2009 bij [verdachte] in beslag genomen voorwerp is een opvouwbaar mes waarvan het lemmet één snijkant heeft.

Het lemmet heeft een lengte van 9 cm en heeft een breedte van 22 mm en is voorzien van de inscriptie X-treme. Het mes heeft een vergrendel mechanisme in opengeklapte toestand en is voorzien van een stootplaat. Het mes is geheel zwart van kleur.

Het mes is niet een stiletto, valmes of vlindermes als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie 1, onder 1, van de WWM.

7. Een geschrift, zijnde een schouwverslag betreffende een niet natuurlijke dood van 15 juni 2009, opgemaakt door R. Luif, Lijkschouwer van de gemeente Amsterdam Amstelland en Zaanstreek Waterland (doorgenummerde dossierpagina’s 76-78). Dit verslag houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van lijkschouwer:

Ondergetekende verklaart het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1], geboren op [1970] te Zandvoort persoonlijk te hebben geschouwd, en er niet van overtuigd te zijn, dat de dood door een natuurlijke oorzaak is ingetreden.

Bijzonderheden/gebeurtenis

Op werk tijdens gesprek met cliënt met agressieve buien door deze gestoken. Ter plaatse reanimatie door ambulance en in slechte conditie direct vervoerd naar OLVG ziekenhuis. Aldaar trage hartslag zonder waarneembare pols. Tekenen van verbloeding in borstholte links waarop drain in thorax gevolgd door openen borstholte. Deze was vol bloed en sleutelbeenslagader was zichtbaar doorsneden. Medisch kansloze verdere behandeling waarna om 16.52 uur behandeling gestaakt en patiënte overleden.

Bevindingen

3 scherprandige wonden gezien. Alle linkszijdig. Eén ervan bewezen diep doordringend. In ieder geval 1 slagader doorsneden welke, omdat de wond dieper ging richting borstkas, niet lokaal bleef maar kon blijven doorbloeden waardoor verbloeding. In thoraxdrain 800ml bloed, in borstholte nog redelijke hoeveelheid gezien door behandelend arts en in kleding en op brancard ook nog redelijke hoeveelheid wijzend op verbloeding.

Conclusie

Overleden aan verbloeding in borstholte links door doorsnijden linker ondersleutelbeen slagader welke ontlaste in borstholte door doordringen stekend voorwerp door longvliezen heen (klaplong veroorzakend).

8. Een deskundigenrapport van 24 juli 2009 naar aanleiding van de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1], opgemaakt door Dr. R. Visser, arts en patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed/belofte (ongenummerd). Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van voornoemde arts/patholoog, zakelijk weergegeven:

Vraagstelling

In opdracht van de officier van justitie te Den Haag werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.

Pathologie onderzoek

1. Het lijk was van een vrouw met

2. 1 steekletsel onder aan de hals, in het overgangsgebied naar linkerschouder, met een voetwaarts gericht steekkanaal (lengte: circa 10 cm) verlopend doorheen de ondersleutelbeensader en ondersleutelbeenslagader links, de borstwand tot in de bovenkwab van de linkerlong. In de omgeving bloeduitstorting.

3. 1 steek-snijwond ter plaatse van de linker gelaatshelft met een voetwaarts en onderhuids verlopend steekkanaal (tot in de voorzijde van de hals).

4. 1 steekletsel aan de buitenzijde van de linkerbovenarm, verlopend tot in het ondergelegen vet- en spierweefsel.

5. 1 steekletsel aan de linkerzijde van de borst met een middenwaarts, onderhuids verlopend steekkanaal.

6.Er was een toestand na aanbrengen van een grote huidsnede aan de linkerzijde van de borst, tussen 4 en 5 rib, met aan de huidsnede gerelateerd een huidsnede met een lengte van circa 1,5 cm (chirurgische handeling).

7. Er was perforatie van de linker longtop;

8. Er was aansnijden van de onderkwab van de linker long en aansnijden van het hartzakje (op 2 plaatsen);

9. Er was circa 570 cc bloed, en lucht, in de linker borstholte. De long was samengevallen en weinig luchthoudend. (“samengeklapte long”).

10. Weinig bloederig slijm in de grote luchtwegen.

11. Breuk van borstbeen, 3de t/m 8te rib rechts en 4 t/in 6de rib links.

Interpretatie

Volgens verkregen informatie zou [slachtoffer 1] meerdere keren zijn gestoken. Kort na aankomst in het ziekenhuis zou zij zijn overleden.

Voorafgaande aan de sectie werd het lijk met een röntgentoestel doorgelicht: hierbij werden geen voor metalen (bijvoorbeeld een mespunt) verdachte schaduwen gezien. Bij sectie werden 4 steken en steek/snijletsels gezien. 3 ervan waren betrekkelijk oppervlakkig (3, 4 en 5), maar één (sub 2) verliep door een middelgrote slagader en ader (sub 2) en longtop, leidend tot bloedverlies (deels in de borstholte) en samenklappen van de linker long.

Aard en ernst van dit letsel in combinatie met bloedverlies en weefselschade verklaart op zich het intreden van de dood. Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen, die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn. De letsels sub 6 zijn in het kader van medische handelingen toegebracht: volgens het schouwverslag (R. Luif, lijkschouwer van de gemeente Amsterdam Amstelland en Zaanstreek Waterland) zou de borstholte ter linkerzijde door de chirurg zijn geopend (z.g. “thoracotomie”) in verband met verwijderen van bloedophoping in de borstholte. De sub 11 genoemde breuken van borstbeen en ribben zijn opgeleverd door inwerking van uitwendig, mechanisch samendrukkend geweld en passen bij de door verbalisant gemelde reanimatiehandelingen.

Conclusie

Bij [slachtoffer 1], oud 38 jaren, werd het intreden van de dood verklaard door massaal bloedverlies en weefselschade als gevolg van klieving van de linker ondersleutelbeensslagader en ondersleutelbeensader.

9. Een geschrift, zijnde een brief van de forensische geneeskundige van het Nederlands Forensisch Instituut, D. Botter, gericht aan de officier van justitie mr. L.E.J. van Tilburg, van 17 november 2009 (ongenummerd). Deze brief houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de forensische geneeskundige:

Betreft

Beoordeling van de letsels bij mevrouw [slachtoffer 2], geboren [1977].

Vraagstelling

Waren de letsels bij mevrouw [slachtoffer 2] potentieel dodelijk?

Onderzoek

Ad a: het medisch dossier

Het medisch dossier vermeldt de medische verwikkelingen in de periode van 15 tot en met 30 juni 2009.

15-06-2009. Spoedopname in het VUmc wegens meerdere steekwonden.

Spoedoperatie in verband met harttamponade (vocht in ` hartzakje).

Ingreep: opening van de borstkas midden door het borstbeen.

Onderzoeksbevindingen bij operatie:

- 300cc bloed in het hartzakje,

- 200cc bloed in de rechter borstkas; twee steekgaten aan de achterzijde naast de wervelkolom,

- een klein defect aan de hartpunt.

Ad b: het formulier met medische informatie tbv de politie

De geneeskundige verklaring is ondertekend door D.P.B. Janssen, cardiothoracaal chirurg en gedateerd 16 juli 2009.

Beschrijving van de uitwendig waarneembare letsels:

1. Steekwond links in de nek,

2. Steekwond in de linker borst,

3. Steekwond net onder de linker borst;

4. Steekwond in rechter achterzijde borst;

5. Steekwond in rechter achterzijde borst.

Bespreking

Er vond onderzoek plaats naar de aard en ernst van letsels welke mevrouw [slachtoffer 2] op 15 juni 2009 zou hebben opgelopen door een geweldsincident waarbij zij meerdere steekletsels in het bovenlichaam zou hebben opgelopen. Uit het medisch dossier blijkt dat er vijf steekletsels waren: één in de hals en vier in de borstkas. Beeldvormend onderzoek liet zien dat er sprake was van een zogenaamde harttamponade: er was ophoping van bloed in het hartzakje. Er werd een spoedoperatie uitgevoerd, waarbij na opening van de borstkas het bloed verwijderd werd uit het hartzakje. Hierbij werd tevens 200cc bloed verwijderd uit de rechter helft van de borstkas.

Een harttamponade is een levensbedreigende situatie, aangezien het vocht tussen hart en hartzakje ruimte inneemt die het hart normaliter ter beschikking heeft om door middel van samentrekking en uitzetting zijn pompfunctie te vervullen. Door de ruimte-innemende werking neemt het pompvermogen van het hart af en worden toevoerende aders gecomprimeerd, hetgeen zal resulteren in een falende bloedcirculatie.

Bij diepere penetratie in het hart c.q. een hartkamer was de prognose veel slechter geweest vanwege de grote kans op snelle verbloeding.

Voor de overlevingskans is voorts de bereikbaarheid en beschikbaarheid van adequate medische hulpverlening van essentieel belang. Als laatste moet worden genoemd dat de noodzakelijke operatie risico’s heeft met betrekking tot complicaties en overlijden (infectie, nabloeding, etc.), De grootte van dit risico is niet nader aan te geven.

Beantwoording vraagstelling

De harttamponade die hij mevrouw [slachtoffer 2] was veroorzaakt door een steekletsel was potentieel dodelijk. Door adequaat medisch ingrijpen en een ongecompliceerd herstel zijn de lichamelijke gevolgen van het steekletsel geminimaliseerd.

10. Een geschrift, zijnde een brief van het Academisch Medisch Centrum van 15 juni 2009 betreffende medische informatie van [slachtoffer 3], opgemaakt door de traumatoloog J.S.K. Luitse (doorgenummerde dossierpagina’s 74-75). Deze brief houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de traumatoloog:

Amsterdam, 15 juni 2009

Betreft: [slachtoffer 3]

Geboren: [1960]

Opname indicatie

Na gesprek met patiënt gestoken door deze man nadat deze door het lint ging

Algemeen lichamelijk onderzoek

Letsels: 2 oppervlakkige steekwonden in de dorsale hals.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

11. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 augustus 2008 met nummer 2008214605-5, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] (doorgenummerde dossierpagina’s 12-14). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Mijn vriendin heet [slachtoffer 4]. Ik had vandaag (het hof begrijpt: op 1 augustus 2008 te Amsterdam) ruzie met haar. Wij hebben een tijdje geleden afspraken gemaakt, ook over dingen zoals seks. Mijn vriendin kwam de afspraken niet na en daarom werd ik kwaad. Ik heb haar bij haar haren gepakt. Ik heb mijn vriendin aan haar haren over de grond getrokken. Mijn vriendin is tijdens het duwen en trekken gevallen. Ik wil gewoon niet dat zij haar beloftes breekt. Er is vandaag gewoon iets bij mij geknapt.

12. Een proces-verbaal van verhoor van 1 augustus 2008 met nummer 2008214605-4, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [verbalisant] (doorgenummerde dossierpagina’s 003-005). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Op 1 augustus 2008 bevonden wij ons in uniform gekleed en met assistentiedienst belast op het politiebureau Waddenweg te Amsterdam. Daar kregen wij van een medewerker van de centrale meldkamer de opdracht te gaan naar de [adres] te Amsterdam. Ter plaatse aangekomen, werd ik, eerste verbalisant, aangesproken door een vrouw die opgaf te zijn genaamd: [slachtoffer 4].

Ik zag dat het slachtoffer huilde en behoorlijk over haar toeren was. Ik hoorde [slachtoffer 4] het volgende verklaren:

Mijn vriend en ik hadden zojuist in de woning ruzie. Mijn vriend heet [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]). Hij zei tegen mij dat ik mijn beloften niet was nagekomen. Ik moest seks met hem hebben, maar dat wilde ik niet. Hij heeft mij aan mijn haren vastgepakt en aan mijn haar over de grond door de woning getrokken. Ik voelde dat ik hierbij tegen meerdere dingen botste. Dit deed erg veel pijn. Ik heb hierdoor meerdere blauwe plekken op mijn armen.

Nadere bewijsoverweging

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

5. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van doodslag, poging tot doodslag en poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

6. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

7. Oplegging van straf, en maatregelen en beslissingen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen

7.1. Overwegingen ten aanzien van de straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte bij vonnis van 21 juni 2010 voor het onder 1, 2 en 4. ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook te noemen: Sr). Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de rechtbank de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] toegewezen tot respectievelijk een bedrag van € 21.276,21 en € 7.042,04, telkens onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr, en bepaald dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. De rechtbank heeft daarnaast de onttrekking aan het verkeer van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven messen, lifehammer en bevolen en ten aanzien van de overige voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast.

Tegen dit vonnis is door de officier van justitie en door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd primair dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 tot en met 4 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en dat hem de maatregel terbeschikkingstelling (hierna ook te noemen: TBS) wordt opgelegd, met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Indien de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van de verdachte niet wordt opgelegd vordert de advocaat-generaal subsidiair dat de verdachte voor voormelde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren.

Zowel bij toewijzing van het primair als subsidiair gevorderde dienen de vorderingen van de benadeelde partijen te worden toegewezen, telkens onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van het beslag heeft advocaat-generaal gevorderd dat het hof dezelfde beslissingen als de rechtbank zal nemen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander is gebleken uit de onderzoeken ter terechtzitting, uit het persoonsdossier van de verdachte en uit de hierna te bespreken rapporten Pro Justitia.

Het hof heeft bij het bepalen van de soort en duur van de op te leggen straf meer in het bijzonder het volgende overwogen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten. Terwijl aan hem door de Stichting Spirit opvang werd geboden in het zogenoemde Poortgebouw te Amsterdam, is hij tijdens een geprek met de latere slachtoffers, orthopedagoog [slachtoffer 1] en pedagogisch medewerker [slachtoffer 2] erg boos geworden. De aanleiding voor dit gesprek was gelegen in onder meer het waargenomen agressieve gedrag van de verdachte gedurende zijn verblijf in het Poortgebouw en de noodzaak tot het volgen van een agressieregulatietraining. Nadat dit gesprek is onderbroken met het oog op het bedaren van de verdachte is hij kort daarna in dat gebouw in een gespreksruimte teruggekeerd. In die ruimte bevonden zich, behalve de eerstgenoemden, ook nog anderen, onder wie het latere slachtoffer [slachtoffer 3]. Ook tijdens dat vervolggesprek is de door getuigen als “opgefokt” gekwalificeerde houding van de verdachte onderwerp van gesprek geweest. Nadat de verdachte met het oog op tussenkomst telefonisch contact heeft gezocht met een aan psychiatrisch zorgcentrum De Bascule verbonden medewerkster, heeft de verdachte, kennelijk ontstoken in razernij, een mes uit zijn broekzak tevoorschijn gehaald. Hij is op [slachtoffer 1] toegelopen en heeft haar fatale steekverwondingen toegebracht. Vervolgens heeft hij ook [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met het mes meermalen gestoken. Alhoewel beiden gewond, [slachtoffer 2] ernstig, hebben zij dit steken wonderwel overleefd.

Door aldus te handelen heeft de verdachte aan [slachtoffer 1] het leven, aan haar jonge dochters hun moeder, aan [naam echtgenoot] zijn vrouw, en aan haar ouders hun dochter ontnomen. Hij heeft de nabestaanden van [slachtoffer 1] onnoemlijk leed toegebracht, zoals daarvan mede en indringend blijkt uit hetgeen door de moeder van [slachtoffer 1] en de echtgenoot van [slachtoffer 1] ter terechtzitting van het hof is verwoord. Juist gelet op de evidentie van de aard en de omvang van dit door de verdachte veroorzaakte leed zal het hof aan de ernst van dit feit geen nadere overwegingen wijden.

De verdachte heeft met zijn handelen jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ieder van hen ernstig aangetast in hun fysieke integriteit. Hij heeft hen vooreerst pijn, letsel en littekens toegebracht. Net als [slachtoffer 1] waren zij in hun hoedanigheid van hulpverleensters doende. Door het buitengewoon agressieve en ongeremde gedrag van de verdachte zijn hun levens ingrijpend gewijzigd. De gevolgen van verdachtes handelen zijn groot geweest. Niet alleen door het louter slachtofferschap, maar ook door de verdere gevolgen daarvan. [slachtoffer 3] kon haar werk als hulpverleenster niet voortzetten en zag zich gesteld voor een posttraumatische stress-stoornis. [slachtoffer 2] heeft de gebeurtenis ternauwernood overleefd en zal haar verloren gevoel van onbevangenheid en veiligheid niet dan met grote moeite kunnen hervinden.

Voorts moet worden aangenomen dat de verdachte met zijn tegen hulpverleners gerichte geweld in het bijzonder bij die groep van maatschappelijke zorgverleners en overigens in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid heeft versterkt.

Ook het onder 4 bewezen geachte feit wordt gekenmerkt door een opvallende ongeremdheid. Omdat de toenmalige vriendin zich niet aan tot hun relatie te herleiden afspraken zou hebben gehouden is de verdachte in woede ontstoken en heeft hij haar bij de haren gepakt en over de grond getrokken.

Ten nadele van de verdachte weegt het hof dat blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 mei 2012 de verdachte eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld.

De aard en ernst van de bewezen geachte feiten in aanmerking genomen ligt de oplegging van een langjarige gevangenisstraf in de rede.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen geachte feit –een in de Wet wapens en munitie strafbaar gestelde en in die wet met een geldboete bedreigde overtreding- acht het hof afzonderlijke bestraffing in de vorm van de oplegging van een geldboete niet aangewezen. Het hof zal daarom de verdachte voor dit feit weliswaar schuldig verklaren, maar hem daarvoor niet ook een geldboete opleggen.

7.2 De vordering tot oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling

De inzet van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep strekt, naast de oplegging van gevangenisstraf, tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte, met bevel tot zijn verpleging. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd. De maatregel van terbeschikkingstelling kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in de artikelen 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis bestond. De vaststelling daarvan door de rechter zal in de regel zijn gegrond op de bevindingen, conclusies en adviezen van gedragskundigen, vervat in door deze opgestelde rapporten.

Het hof stelt allereerst vast dat de verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan verschillende onderzoeken als bedoeld in artikel 37, tweede lid, Sr, te weten het aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie: Pieter Baan Centrum, als ook tijdens het geding in hoger beroep aan psycholoog S.A. Moonen en aan psychiater A. de Kom opgedragen onderzoek. De aan het NIFP verbonden rapporteurs, psycholoog P.A.E.M.T. Cremers, en psychiater R.J.P. Rijnders, zijn ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep als deskundigen gehoord.

Bespreking van een verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte gesteld dat voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling geen ruimte is. Het hof heeft bij tussenarrest van 16 december 2011 rapportage gevraagd aan een tweetal deskundigen. Uit de bewoordingen in het tussenarrest volgt dat voor het hof onvoldoende duidelijk was of sprake is van een stoornis bij de verdachte. Nu echter de verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek van de psycholoog Moonen en de psychiater De Kom, en zij blijkens de door ieder van hen uitgebrachte rapporten de onderzoeksvragen niet hebben kunnen beantwoorden, is er niets nieuws op tafel gekomen en is het opleggen van de maatregel derhalve een gepasseerd station, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dat verweer. De lezing door de raadsman van het tussenarrest gaat er kennelijk van uit dat het hof bij tussenarrest van oordeel was dat het zonder beantwoording van de onderzoeksvragen geen ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte kan vaststellen. Die lezing is evenwel onjuist. Het hof heeft, gehoord de deskundigen ter terechtzitting, nader willen laten onderzoeken of de door onderzoekers genoemde impulsief agressieve gedragingen van de verdachte – waartoe het, indien bewezen, de ten laste gelegde gedragingen rekende – die volgens de deskundigen als pathologisch zijn geduid, zijn te herleiden tot een stoornis bij de verdachte. Nu de verdachte een zogenaamde weigerende observandus is en het opleggen van terbeschikkingstelling naar zijn aard een ingrijpende maatregel is, zoekt het hof om redenen van zorgvuldigheid voor zijn beslissing zoveel mogelijk houvast in medische rapporten. Daaruit volgt echter niet dat het hof bij tussenarrest van oordeel was dat het tot die vaststelling van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte niet in staat was. Nadere rapportages door Moonen en De Kom hadden immers een aanvulling kunnen vormen op onderzoeksmateriaal dat reeds voorhanden was.

7.2.1. Vaststelling van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte

Bespreking van een verweer

Ter terechtzitting van 1 juni 2012 heeft de raadsman van de verdachte subsidiair betoogd dat het hof niet kan toekomen aan het opleggen van de maatregel van TBS met bevel verpleging. In de onderhavige zaak kan door de rechter ten aanzien van de verdachte niet worden vastgesteld dat bij hem ten tijde van de bewezen te verklaren feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het staat, gegeven hetgeen ten aanzien van de persoon van de verdachte door deskundigen is gerapporteerd en verklaard, vast dat niet vaststaat dat er sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling. Dat betekent dat de agressie bij de verdachte een andere oorzaak heeft, een probleem dat, naar de verdediging hoopt, tijdens zijn detentie zal worden opgelost.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De raadsman gaat, gelet op de grondslag van dit onderdeel van het door hem gevoerde verweer er kennelijk van uit dat als voorwaarde voor de rechterlijke vaststelling van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte in de zin van artikel 37a, eerste lid, Sr heeft te gelden dat een daartoe strekkende vaststelling door en advies van een deskundige voorhanden is. Die stelling gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting.

De ‘vaststelling’ van het bestaan van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte in de zin van artikel 37a, eerste lid, Sr geschiedt bij uitstek door de rechter, en niet door een medicus of een gedragskundige. In zoverre is sprake van een juridisch oordeel. Daaraan doet niet af dat de rechter die vaststelling eerst doet – indien mogelijk – nadat hij terzake geadviseerd is door tenminste twee gedragskundigen van verschillende disciplines die betrokkene hebben onderzocht (artt, 37a, derde lid, Sr jo. 37, tweede lid, Sr). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 37, derde lid, Sr volgt, dat bewust is voorzien in de mogelijkheid om, in een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene aan ieder gedragskundig onderzoek weigert mee te werken, de maatregel van 37a, eerste lid, Sr door de rechter te laten opleggen, omdat de maatregel ‘er juist toe [strekt] de samenleving te beschermen tegen de gevaarlijkheid’ van de betrokkene. (MvT, Bijl. Hand. II, 1992-1993, 22 909, nr. 3, p. 4-6.)

Het hof heeft bij de beoordeling van de ruimte die het heeft om een ziekelijke stoornis of gebrekkige geestelijke ontwikkeling vast te stellen overigens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (laatstelijk arrest van 12 februari 2012, D.D. t. Litouwen) betrokken en het heeft daarin geen aanleiding gezien het bepaalde in artikel 37a Sr in verband met artikel 37 Sr in het onderhavige geval buiten toepassing te laten wegens strijd met het bepaalde in artikel 5 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat in een geval als het onderhavige de rechter weliswaar een stoornis of ziekte bij de betrokkene kan vaststellen, maar dat voor die vaststelling in het onderhavige geval onvoldoende grond is, wordt dat verweer evenmin gevolgd, en wordt daaromtrent hieronder het navolgende overwogen.

7.2.2. Grondslag voor de vaststelling van de stoornis en/of ziekte

7.2.2.1. Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft met verwijzing naar de inhoud van het op 2 maart 2010 gedateerde pro Justitia rapport van de aan het NIFP (locatie: Pieter Baan Centrum) verbonden rapporteurs P.A.E.M.T. Cremers, psycholoog, en R.J.P. Rijnders, psychiater (hierna ook te noemen: het PBC-rapport), en de door deze rapporteurs ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaringen gesteld dat ten aanzien van de verdachte moet worden aangenomen dat ten tijde van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten een ziekelijke stoornis bij de verdachte bestond. Hij heeft hierbij betrokken hetgeen ten aanzien van de persoon van de verdachte is gebleken gedurende de periode die aan die feiten is vooraf gegaan, in het bijzonder het gegeven dat initiatieven zijn ontplooid om de verdachte een psychiatrische behandeling te doen ondergaan.

Nu is voldaan aan de voor oplegging van de maatregel van TBS en het bevel tot verdachtes verpleging in de wet gestelde eisen, terwijl de oplegging van die maatregel en het geven van dat bevel geboden is, dient –naast de oplegging van gevangenisstraf- ook dit onderdeel van zijn primaire vordering te worden toegewezen.

7.2.2.2. Beoordeling door het hof

Het hof zal eerst overgaan tot een beschrijving van hetgeen ten aanzien van de persoon van de verdachte is gebleken. Vervolgens zal het hof weergeven welke conclusies het uit dat één en ander trekt. Daarna zal het hof die bevindingen en conclusies toetsen aan het wettelijk kader en beslissen op dit onderdeel van de vordering van de advocaat-generaal.

De persoon van de verdachte

In het onderhavige geval springt in het oog dat de in het bestek van de onderhavige zaak om hun rapport en advies gevraagde gedragskundigen door de stelselmatige weigering van de verdachte aan die onderzoeken zijn medewerking te verlenen in het door hen verrichte onderzoek zijn beknot. Het bestaan van een stoornis of ziekelijke ontwikkeling is door geen van hen vastgesteld en mitsdien is de oplegging van de maatregel van TBS niet geadviseerd. Bij de stukken in het dossier bevinden zich niet ook andere gedragskundige rapporten, aan de totstandkoming waarvan de verdachte zijn medewerking wél heeft verleend.

Bij de door het hof te beantwoorden vraag of niettegenstaande het ontbreken van een bevestigende deskundige vaststelling ter zake bij de verdachte ten tijde van het begaan van de feiten onder 1 en 2 een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis bestond, heeft het hof de inhoud van de na te melden rapporten en verklaringen betrokken.

a. Het rapport raadsonderzoek strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 september 2004

Dit rapport is opgemaakt naar aanleiding van een tegen de verdachte gerezen verdenking van mishandeling. In dit rapport is vermeld, onder meer:

Zijn er aanwijzingen voor onderliggende problemen en/of stoornissen die de jongere mogelijk in diens ontwikkeling bedreigen?

Het afgelopen jaar is er in de situatie van [verdachte] veel veranderd, wat mogelijkerwijs zijn invloed heeft gehad op [verdachte]. Hij is hier zelf niet zo open in, maar lijkt die emoties een beetje van zich af te houden. Vader lijkt hierbij wel de vinger aan de pols te houden, wat ook belangrijk is om te voorkomen dat [verdachte] zijn emoties gaat uiten in agressie. Tot nu toe is het echter gericht geweest op één persoon, waardoor de getoonde agressie ook specifiek op deze jongen gericht kan zijn.

b. Het rapport van Bureau Jeugdzorg van 8 november 2005

Dit rapport is opgemaakt naar aanleiding van het verloop van een opgelegde maatregel, de zogenoemde Maatregel Hulp en Steun. In dit rapport is vermeld als advies:

Advies

Mocht de kinderrechter besluiten om [verdachte] een straf op te leggen, dan adviseren wij u om dat te doen met het zich houden aan de Maatregel Hulp en Steun, ook als dat inhoudt behandeling bij De Waag dan wel De Bascule, en het uitvoeren van een Training Slachtoffer in Beeld, als bijzondere voorwaarden.

c. De brief van 23 maart 2006 van de Raad voor de Kinderbescherming aan de officier van justitie

Deze brief maakt melding van de door de verdachte afgeronde leerstraf. Als bijlage bij de bief is een op 16 maart 2006 gedateerd rapportageformulier gevoegd. Dit formulier houdt onder meer in de mening van de trainer:

[verdachte] verkeert in een psychische crisis. Hij loopt met veel verdriet en frustratie rond, die volgens hem wordt veroorzaakt door de situatie van zijn ouders.

d.Het rapport van Bureau Jeugdzorg van 25 oktober 2007

Dit rapport is uitgebracht over het verloop van een bijzondere voorwaarde. Deze voorwaarde is op 10 november 2005 door de kinderrechter verbonden aan een naar aanleiding van een straatroof aan de verdachte opgelegde straf. De periode over het verloop waarvan is gerapporteerd betreft 25 november 2005 tot en met 24 november 2007. In dit rapport is vermeld, onder meer:

Persoonlijkheidsontwikkeling en vrijetijdsbesteding

[verdachte] geeft aan dat de ontwikkelingen van het laatste jaar meer rust hebben gebracht in zijn emoties en het lukt hem beter om daarmee om te gaan. (…) [verdachte] is besproken dat hij een jongen is die sterk van zichzelf uit kan gaan. Dit kan op creatief gebied zijn drijfveer zijn. Tegelijk brengt het risico’s met zich mee als hij boos wordt of zich gekrenkt voelt. Hij kan dan zo vanuit zichzelf, ongeacht de gevolgen voor anderen, handelen, dat hij datgene wat hij heeft opgebouwd (school, werk, woning) in gevaar brengt en hij tevens een gevaar is voor anderen. (…)

[verdachte] is er, naar aanleiding van een aantal gesprekken, mee aakkoord gegaan om gesprekken te voeren met een behandelaar om de risico’s van zijn gedrag en ontwikkeling te bespreken en de positieve ontwikkelingen te ondersteunen en te beschermen. De Bascule heeft een advies uitgebracht omtrent een goede match en zij adviseren behandeling bij psychotherapeut dhr. Ripken. Mocht er ook een psychiater nodig zijn, dan heeft de Bascule die in huis. Het intakegesprek met dhr. Ripken heeft plaatsgevonden op 25 oktober jl. [verdachte] was echter niet gemotiveerd voor de gedragstherapie. Dhr. Ripken en de jeugdreclasseerder hebben daarom overlegd, omdat het kader ontbreekt om het verplicht te stellen.

Conclusie

[verdachte] heeft in de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling laten zien. Dit heeft hem veel gekost, gezien de moeilijkheden die hij is tegengekomen wat betreft het van school gestuurd worden, het overlijden van zijn vader, de verstoorde relatie met zijn moeder en het ontbreken van een vaste woon- en slaapplek. Tegelijkertijd erkent [verdachte] dat hij op zo’n manier met hoog opgelopen emoties omgaat, dat hij op die momenten zelf meer afbreekt dan opbouwt, waardoor hij ook zijn aandeel heeft gehad in de moeilijkheden.

(…)

In de persoonlijkheidsontwikkeling van [verdachte], zijn manier van denken en het omgaan met anderen, schuilen wel risico’s voor [verdachte] zelf en voor anderen. Om het risico op recidive te verminderen, is behandeling bij de Bascule van belang. [verdachte] hiervoor niet gemotiveerd is, zal de huidige jeugdreclasseerder vanuit haar nieuwe functie bij de Bascule contact met [verdachte] blijven houden in gesprek met dhr. Ripken.

e. Het vroeghulprapport van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering van 17 juni 2009

Dit rapport is in de onderhavige zaak uitgebracht. Daarin is vermeld, onder meer:

Justitie

De heer [verdachte] is eerder met Justitie in aanraking gekomen. Wij zien in het UJD dat betrokkene in 2004 voor het eerst met Justitie in aanraking is gekomen wegens openlijke geweldpleging. Vervolgens is in 2005 sprake van een straatroof en in 2006 en 2008 van vernieling. Vanwege de delicten tussen 2004 en 2005 is hij bekend als Harde Kern Jongere 18+. Cliënt is gedagvaard wegens huiselijk geweld gepleegd in 2008. Hij heeft onder andere meerdere werkstraffen, een boete, een toezicht bij de jeugdreclassering (Maatregel Hulp en Steun) en een leerstraf opgelegd gekregen. Informatie van straffen of het toezicht is bij ons bekend. Uit de ketenkaart blijkt dat de heer [verdachte] een verleden heeft bij Bureau Jeugdzorg en bij de Raad voor de Kinderbescherming heeft gehad. Tevens maakt cliënt melding van de betrokkenheid van de jeugdreclassering bij zijn huidige behandeling bij de Bascule vanwege agressieproblematiek. (…)

Lichamelijke en psychische gezondheid

(…) Volgens cliënt heeft hij nooit behandeling van een psycholoog of psychiater gehad omdat hij dit nooit wilde. (…) Cliënt zegt dat hij geestelijk in goede gezondheid verkeert. Wel geeft hij aan ingestemd te hebben met een behandeling op het gebied van agressieproblematiek bij de Bascule, een centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie. Volgens cliënt heeft hij afgelopen woensdag een intakegesprek gehad, en zou de behandeling op 17 juni 2009 starten. Het zou betrekking hebben op een behandeling op individuele basis. Wij hebben dit van cliënt niet mogen verifiëren.

Gespreksverloop en indruk uit gesprek

(…) De heer [verdachte] heeft in redelijk kort tijd een deel van zijn leven beschreven, voornamelijk gericht op huisvesting en zijn recente werkverleden. Hij liet zich hierin met moeite onderbreken. Indien wij een vraag stelden reageerde hij soms geagiteerd door opmerkingen als “dat heb ik toch net verteld”en “zoals ik net al 30 keer heb uitgelegd” en door opmerkingen te maken over “beter luisteren”. Ook werd zijn toon gedurende het gesprek steeds harder en bozer. (…) Toen cliënt iets vertelde en wij hierover aantekeningen maakten werd betrokkene erg boos, omdat dit niet de bedoeling was. Deze boosheid kwam voort uit het niets en rapporteur werd gesommeerd het opgeschrevene door te strepen. Dit werd ons op een luide en commanderende toon medegedeeld, zeker toen wij niet snel genoeg handelden. De houding van betrokkene omschrijven wij als intimiderend. (…)

Advies

(…) Gezien de ernst van het delict en zijn houding tijdens het gesprek adviseren wij u tevens rapportage bij het NIFP aan te vragen.

f. Hetgeen door de verdachte is verklaard en bij proces-verbaal is gerelateerd, voor zover hierna is weergeven met verwijzing naar de doorgenummerde bladzijde van het dossier.

Vanmiddag werd mij verteld dat ik mijn slaapplaats waarschijnlijk kwijt zou raken omdat ik zo agressief was. Ik heb namelijk heel veel agressie in mijn lichaam. Spirit was mijn laatste hoop en ik raakte helemaal in paniek. Ik werd heel boos omdat ik geen kans zag om mijn slaapplaats te behouden en heb drie begeleiders aangevallen met een mes wat ik altijd bij mij heb. (59)

Ik zou al agressietraining krijgen. Daar heb ik altijd nee tegen gezegd. Ik moest het nu doen. Ik merkte dat ik het nodig had. Ik zou het nemen. (83)

Luister, ik heb die agressie in me. Het is heel moeilijk om alles eruit te laten. Dat doe ik nooit, maar dit keer….ik weet niet zeker wat er is gebeurd…maar iets heeft die knop omgedraaid, dat alles los ging. Daarom had ik die agressietraining, snap je? (99)

Ja, ik wist wel dat ik agressief was. Maar ik heb niet tegen een deur geslagen of zo. Er was niets gebeurd, maar ze hebben wel de conclusie getrokken dat er iets was gebeurd.(217)

Achteraf denk ik dat ik haar leven heb gepakt, omdat ze mijn leven van mij afgepakt dreigde te worden. Blijkbaar heb ik deze agressie in mij en deze keer heb ik deze er wel uitgelaten. Andere keren, waaronder in de gevangenis heb ik mij wel kunnen beheersen.(…) Het klopt dat ik heb geprobeerd om mijn stiefvader uit het raam te duwen. Ik vond dat hij medeschuldig was aan de dood van mijn vader. Ik mag hem niet. Ook heb ik mijn stiefvader met een vork in zijn buik gestoken. Ik weet niet waarom ik dat heb gedaan. Het was uit boosheid. Ik neem aan dat er ook toen iets bij mij geknapt is. (proces-verbaal terechtzitting rechtbank)

g. Het PBC-rapport

Het hof merkt –ten overvloede- op dat ook de evenvermelde rapporten en processen-verbaal deel uitmaakten van het dossier zoals dat voor de rapporteurs beschikbaar is geweest. In het PBC-rapport is vermeld, onder meer:

7. Forensische analyse en beantwoording van de vraagstelling

(P.A.E.M.T. Cremers en R.J.P. Rijnders)

1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde?

Betrokkene is een 21-jarige, intelligente man, die op niet-pathologische gronden heeft geweigerd aan dit onderzoek mee te werken. Hoewel hij het contact zo veel mogelijk heeft afgehouden, zijn er op basis van de in verscheidene rapportonderdelen beschreven contactmomenten en het vrij uitgebreide milieuonderzoek wel enkele diagnostische overwegingen mogelijk. (…) Pas in zijn adolescentie ontstonden duidelijke psychische problemen. Ondergetekenden vermoeden dat stressoren als de echtscheiding van zijn ouders, het vermeende verraad van betrokkenes moeder en de fysieke aftakeling van zijn vader, culminerend in diens zelfverkozen dood, mede een ondermijnende invloed hebben gehad op betrokkenes rijping. Hij begon op school en thuis op te vallen in duurzaam driftig gedrag. De gedachte aan een oppositioneel opstandige gedragsstoornis dringt zich hierbij sterk op, maar retrospectief kan deze stoornis niet definitief worden vastgesteld aangezien een depressieve stoornis in de adolescentie (…) niet kan worden uitgesloten.(…) Op grond van het milieuonderzoek hebben ondergetekenden twijfels over betrokkenes identiteitsontwikkeling, maar het onderzoek is te beperkt dienaangaande duidelijke hypotheses te formuleren. (…)Uit het dossier blijken betrokkenes antisociale gedragingen en zijn opvallend impulsief gedrag, alsmede zijn gevoeligheid voor (schijnbare) krenkingen en afwijzingen. Ook tijdens zijn verblijf in het PBC reageert hij met impulsief agressief gedrag op een vermeende krenking. (…) De gedachte aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken dringt zich bij ondergetekenden op, maar het onderzoek is te beperkt om een dergelijke persoonlijkheidsstoornis bij betrokkene aan te tonen. Ondergetekenden tekenen hierbij aan dat zij er desondanks van zijn overtuigd –dit op grond van het milieuonderzoek en observaties alhier- dat voldoende aanwijzingen bestaan betrokkenes impulsief agressieve gedragingen als pathologisch te beschouwen. De context, echter, waarbinnen bedoelde impulsief agressieve gedragingen passen valt thans niet te duiden; daarvoor is uitgebreid nader onderzoek noodzakelijk. (…)

Hoewel uit het milieuonderzoek het beeld naar voren komt van een betrokkene die onder forse maatschappelijke druk leefde en daaronder ook leed, lijkt hij in conflictsituaties ook een bepaalde mate van controle over zijn gedragingen te hebben. (…) De sterke indruk bestaat dat hij –hoewel impulsief, driftig en temperamentvol- toch nog enige rem kan zetten op zijn uitingen van boosheid en agressie. Dat laat onverlet dat hij zeer agressief kan zijn, getuige het –vermoedelijk impulsief- steken van de vriend van zijn moeder en zijn poging laatstgenoemde uit het raam te duwen. (…)

Op grond van de diverse verklaringen in het dossier zien ondergetekenden aanleiding te veronderstellen dat betrokkene ten tijde van het sub 1 en 2 tenlastegelegde (indien bewezen) impulsief agressief is geweest. In de visie van ondergetekenden is deze impulsieve agressie gestoeld op pathologische gronden, maar –zoals hierboven beschreven- is het thans niet mogelijk de context van deze impulsieve agressie te duiden.(…)

Betrokkene claimt in het dossier tijdens het sub 1 en 2 ten laste gelegde te hebben gehandeld in een toestand van een zogenoemde black-out. Op grond van betrokkenes verklaringen bij de politieverhoren menen ondergetekenden dat er onvoldoende gronden zijn een dergelijke vorm van bewustzijnsdissociatie aanwezig te achten.

3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden)?

4. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:

a. op welke manier dat gebeurde

b. in welke mate dat gebeurde,

c. welke conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is?

Betrokkene is een man die krenkbaar kan reageren op vermeende aantasting van zijn gevoelens van eigenwaarde en op het idee te worden verlaten in de visie van ondergetekenden is betrokkenes impulsieve agressie gestoeld op pathologische gronden. In de aanloop van het sub 1 en 2 tenlastegelegde lijken thema’s als vermeende verstoting uit het opvanghuis, vrees voor verlating en voor verdere maatschappelijke teloorgang aanwezig. (…)

Hoewel ondergetekenden in het voorgaande wel in staat zijn de pathologische basis van betrokkenes impulsieve agressie te beschouwen, geldt dat niet voor de context waarbinnen deze impulsieve agressie ten tijde van het sub 1 en 2 tenlastegelegde zich afspeelde. Zo menen ondergetekenden enerzijds dat op basis van het dossier aanwijzingen bestaan dat betrokkene in de aanloop tot en tijdens het sub 1 en 2 tenlastegelegde in zijn handelen ook afwegingen heeft gemaakt, maar anderzijds zijn impulsieve agressie in substantiële mate heeft doorgewerkt (indien bewezen). Het is voor ondergetekenden echter niet mogelijk de mate waarin deze als pathologisch geduide agressie heeft doorgewerkt in het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde (indien bewezen) te concretiseren. (…) Op grond van het voorgaande kunnen ondergetekenden geen kwantificering geven van de mate van vermindering van de toerekeningsvatbaarheid tijdens de ten laste gelegde feiten (indien bewezen) en onthouden zich dan ook van advisering in dezen.

5. a. Welke factoren voorkomend uit de stoornis van onderzochte kunnen van belang zijn voor de kans op recidive?

b. Welke andere factoren en condities moeten hierbij in ogenschouw worden genomen?

c. Is iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en condities?

Zoals hierboven beschreven is er sprake van pathologisch geduide impulsieve agressiviteit met krenkbaarheid op vermeende afwijzing of verlating waarbij betrokkene vreest in een maatschappelijke teloorgang te geraken. Betrokkene zal na zijn detentie vermoedelijk maatschappelijk gezien aan de grond zitten. Het vergt weinig verbeelding dat hij zich snel onbegrepen en afgewezen zal voelen. Het is daarom in de ogen van ondergetekenden goed voorstelbaar dat hij in een dergelijke situatie een aanzienlijke kans heeft op recidivering van aan het tenlastegelegde gelijkwaardige feiten middels impulsief agressief gedrag. Hierbij tekenen ondergetekenden aan dat zij thans –op grond van de voorgaande overwegingen- niet in staat zijn de mate en ernst van dergelijk geopenbaard gedrag in pathologische zin te duiden, met andere woorden te bepalen in hoeverre betrokkene na zijn vrijlating uit detentie zich zal laten meeslepen door zijn impulsieve agressie. (…)

h. De door evengenoemde Cremers en Rijnders ter terechtzitting van het hof als deskundigen afgelegde verklaringen, meer in het bijzonder hetgeen hierna is weergegeven en ontleend aan het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal ter terechtzitting van 2 december 2011.

Rijnders verklaart -zakelijk weergegeven-:

Wij moeten dan wel voldoende inhoudelijk materiaal hebben om conclusies aan te verbinden. De impulsieve agressie bij verdachte vastgesteld is ernstig te noemen maar het speelt zich af binnen bepaalde grenzen. Hij verliest niet alle controle.

De voorzitter merkt op:

U noemt het wel pathologisch.

Rijnders verklaart -zakelijk weergegeven-:

In de zin van gestoord gedrag. Dat is niet synoniem met een ziekelijke stoornis.

De voorzitter vraagt:

U noemt het gedrag van verdachte impulsief agressief gedrag dat u als pathologisch beoordeelt. Er zijn bij u beiden als deskundigen wel gedachten ontstaan en ook in het rapport verwoord waar het een mogelijk bij de verdachte aanwezige stoornis. Moet dit zo worden begrepen dat van het bestaan van een stoornis bij verdachte kan worden uitgegaan, doch dat deze niet valt te rubriceren?

Cremers verklaart -zakelijk weergegeven-:

Wij hebben gefocust op zijn agressie. Het valt te vergelijken met: is er sprake van koorts omdat je griep hebt of is er sprake van een ontsteking. De vraag is dus of er sprake is van griep of van een ontsteking. Er is onderzoek nodig om een conclusie te kunnen trekken wat de oorzaak is. (…)

De voorzitter vraagt:

Ik kom terug op de zojuist gemaakte vergelijking. U stelt wel koorts vast. Durft u wel te zeggen dat koorts een uiting van ziekte is.

Cremers verklaart -zakelijk weergegeven-:

Ik denk dat die mogelijkheid er in zit. Vragen die daarbij beantwoord moeten worden zijn: Hoe lang houdt de koorts aan, hoe hoog is de koorts. Uitermate belangrijk om te weten waar de koorts vandaan komt.

Rijnders verklaart -zakelijk weergegeven-:

Ik zou nog even een stap terug willen gaan. Ik heb een cliënt gehad die werd gemarteld door hem in een deken te wikkelen en hem vervolgens in de zon te leggen. Ook hier geldt de context. Bij koorts wijst 95% op ziekte, 5% niet.

De voorzitter merkt op dat de deskundigen zelf gekozen hebben voor het woord pathologisch.

Rijnders verklaart -zakelijk weergegeven-:

Ik heb het woord gestoord genoemd. Gestoorde impulsieve agressie. Ook daar hebben wij naar gekeken. Wij hebben de finale stap echter niet kunnen maken. (…)

De voorzitter merkt nogmaals op dat er toch in het rapport gedacht wordt aan bepaalde stoornissen bij verdachte.

Cremers verklaart -zakelijk weergegeven

Dat hebben wij gedaan omdat wat wij gelezen hebben goed past bij bepaalde stoornissen. Die stoornissen hebben wij echter niet vastgesteld.

De voorzitter vraagt of het denkbaar is dat er bij verdachte geen stoornis aanwezig is.

Cremers verklaart -zakelijk weergegeven

Dat vind ik een lastige vraag om te beantwoorden. In theorie is dat mogelijk, het is echter niet erg waarschijnlijk. De kans dat verdachte lijdt aan een stoornis is groter. Ik moet vanuit mijn deskundigheid een theoretische slag om de arm houden. (…)

Rijnders verklaart -zakelijk weergegeven-:

U, voorzitter, zei net dat als je als leek naar de zaak kijkt je afvraagt wat er nog meer nodig is om een stoornis bij verdachte vast te stellen. Ik kan mij dat goed voorstellen. Als gedragsdeskundigen vraagt u ons om uitspraken te doen die wij kunnen onderbouwen. Verdachte is tijdens het gesprek dat aan de tenlastegelegde feiten direct vooraf ging nog naar boven gegaan. Verdachte heeft tijdens dat gesprek gevraagd om zijn hulpverlener, [betrokkene], werkzaam bij De Bascule, te bellen. Hij leek dus kennelijk naar een oplossing te zoeken. Ik kan op grond van dit gedrag niet onderbouwen dat verdachte alle controle was verloren.

De voorzitter vraagt of dit gedrag te herleiden is tot een stoornis indien men een slag om de arm houdt.

Rijnders verklaart -zakelijk weergegeven-:

Wij weten dat er mensen zijn die gedragingen vertonen die afschuwelijk zijn zonder dat er stoornis wordt vastgesteld. Er dient dan onderzoek verricht te worden, er wordt gekeken naar symptomen. Wij zijn wel ten aanzien van de verdachte ongerust; verdachte heeft ernstig gestoord gedrag vertoond. Wij hebben echter geen stoornis aangetoond. Indien wij die stoornis al hadden kunnen aantonen dan hadden wij nog moeten vaststellen dat die stoornis oorzaak was van de tenlastegelegde feiten. Het kan zijn dat er andere door ons niet vastgestelde aanleiding zijn geweest om tot “gestoorde gedragingen”te komen. (…)

De jongste raadsheer vraagt of het in dit geval mogelijk was geweest om de eerste vraag waarop in het slot van het rapport antwoord is gegeven eenvoudigweg met “nee” te beantwoorden.

Rijnders verklaart -zakelijk weergegeven-:

Ja, dat was denkbaar geweest. Wij wilden het gerechtshof echter deelgenoot maken van onze overwegingen.

De jongste raadsheer merkt op dat – teneinde het hof voor te lichten - het antwoord op de eerste vraag ook “nee, want” had kunnen zijn.

Rijnders verklaart -zakelijk weergegeven-:

Wij wilden, ondanks dat wij beperkt werden bij dit onderzoek door de weigering van verdachte om mee te werken, het hof toch betrekken in onze overwegingen.

7.2.3. De conclusie die het hof uit het voorgaande trekt

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte gedurende een langjarige periode kampt met een terugkerend onvermogen zijn gevoelens van agressie adequaat te reguleren. Reeds in 2004 wordt het gevaar onderkend dat de verdachte zijn emoties gaat uiten in agressie, in het jaar 2005 wordt door Bureau Jeugdzorg aan de kinderrechter in overweging gegeven aan strafoplegging een bijzondere voorwaarde te verbinden die de mogelijkheid van behandeling bij De Waag of De Bascule insluit. Gelet op het verloop van de periode 2005-2007 is door de reclassering met het oog op het beteugelen van recidivegevaar de noodzaak van therapeutische begeleiding en ondersteuning benadrukt. Tot een (psychiatrische) behandeling (in de vorm van begeleiding of anderszins) is het evenwel niet gekomen.

Ook de onder 1, 2 en 4 bewezen geachte feiten zijn naar hun aard evident agressief, terwijl de context waarin de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd rechtstreeks lijkt samen te hangen met een tot zijn agressief gedrag te herleiden problematiek. Immers, gelet op het van de verdachte waargenomen gedrag in het opvangcentrum Spirit, werd als voorwaarde voor zijn voortgezet verblijf aldaar de voorwaarde verbonden dat hij zich zou verbinden aan het volgen van een agressieregulatietraining.

Naar aanleiding van een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte is in het bestek van deze strafzaak gerapporteerd door aan het PBC verbonden deskundigen, zoals hiervoor op onderdelen is weergegeven. Het hof stelt op grond van de inhoud van het PBC-rapport, bezien in samenhang met hetgeen door de rapporteurs ter terechtzitting van het hof als deskundigen is verklaard, en gelet op hetgeen overigens omtrent de persoon van de verdachte is gebleken (in het bijzonder hetgeen hiervoor is weergegeven), vast dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de onder 1 en 2 ten laste van hem bewezen geachte feiten, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Het hof onderkent dat het PBC-onderzoek en –rapport als onvolkomen moet worden geduid, in zoverre dat door het uitblijven van de voor een methodologisch deugdelijk psychologisch en psychiatrisch onderzoek nodige medewerking van de verdachte daaraan, daaruit geen conclusies ten aanzien van het bestaan van een stoornis of ontwikkeling van de verdachte zijn getrokken en in dat rapport zijn neergelegd.

Echter, de pathologische duiding die niettegenstaande die beperkingen door de deskundigen aan verdachtes impulsief agressieve gedragingen volgens hun verklaarde overtuiging is gegeven, terwijl zij, hoewel geconfronteerd met de ten gevolge van verdachtes weigering ontstane methodologische beperkingen, niettemin ruimte zien en ook nemen om de zich aan hen als deskundigen opdringende gedachte aan het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken bij de verdachte met zoveel woorden uit te spreken, vormt - naast hetgeen hiervoor is weergegeven - de kern voor de vaststelling van het hof. De enkele omstandigheid dat de deskundigen de –zoals door één van hen ter terechtzitting van het hof is geformuleerd- finale stap niet hebben kunnen maken doet daaraan niet af. Het hof heeft bij dit oordeel voorts betrokken hetgeen door de verdachte is verklaard, in het bijzonder zoals hiervoor onder 7.2.2.2. onder f. is weergegeven.

Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of – ter bescherming van de maatschappij – een TBS met dwangverpleging aangewezen is. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Gebleken is dat bij de verdachte ten tijde van de onder 1 en 2 bewezen geachte feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of ziekelijke stoornis. Voorts is er – naar het oordeel van het hof –sprake van een aanzienlijk recidivegevaar. De inschatting van dat gevaar ontleent het hof aan de langjarige duur van het bestaan van agressieregulatieproblematiek, welke problematiek en duur naar het oordeel van het hof moeten worden geacht verbonden te zijn met het hiervoor vastgestelde bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis. Voorts neemt het hof over hetgeen door de deskundigen in het PBC-rapport is gereleveerd met betrekking tot de aanzienlijke kans van herhaling van aan het tenlastegelegde gelijkwaardige feiten middels impulsief agressief gedrag. Dat zij als deskundigen niet in staat zijn de mate en ernst van dergelijk geopenbaard gedrag in pathologische zin te duiden doet aan het oordeel van het hof niet af.

Het hof acht het, gelet op de aard, het aantal en de ernst van de onder 1 en 2 bewezen geachte feiten en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, niet verantwoord de verdachte, zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd – waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren –, in de maatschappij te laten terugkeren. De verdachte heeft door te volharden in zijn weigering medewerking te verlenen aan met het oog op rapportage door gedragskundigen (onder wie een psychiater) te verrichten onderzoek, iedere opening naar een onderzoek naar het bestaan van alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt. Daarbij komt, dat hij zich ter terechtzittingen van het hof door zich keer op keer op zijn zwijgrecht te beroepen, het aan het hof onmogelijk heeft gemaakt nader inzicht te verkrijgen in zijn persoon.

De door de verdachte begane feiten onder 1 en 2 zijn misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van die maatregel met dat bevel eist. Gelet op de bewezenverklaring zoals in paragraaf 4.2 van dit arrest is weergegeven onder 1 en 2, wordt de maatregel opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen, of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen.

7.3. Duur gevangenisstraf

In aanmerking genomen de noodzaak van het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel verpleging en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte acht het hof de oplegging van een langdurige gevangenisstraf aangewezen, doch van een minder lange duur dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Daartoe overweegt het hof dat voor zover bestraffing mede het strafdoel van beveiliging beoogt te dienen, dat doel toereikend wordt nagestreefd met de aan de verdachte op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling.

7.4. Beslag

Met betrekking tot het mes met inscriptie ‘X-treme’ (nummer 9) overweegt het hof dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten met behulp van dit voorwerp is begaan en dat het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet of het algemeen belang is.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten het aardappelschilmesje (nummer 4), de Life Hammer (nummer 5), het knipmes (nummer 7) en het stanleymes (nummer 8), zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen. Deze goederen kunnen gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm, dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Met betrekking tot de onder de verdachte in beslag genomen baseball-cap en papieren zakdoek (nummer 1 en 3), het onder de verdachte in beslag genomen GSM-toestel (nummer 2) en het onder de verdachte in beslag genomen drukwerk (nummer 6) overweegt het hof dat die voorwerpen terug dienen te worden gegeven aan de verdachte, nu niet is gebleken dat deze voorwerpen in verband kunnen worden gebracht met de bewezen verklaarde feiten.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen

8.1. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.615,13, vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts heeft de benadeelde partij vergoeding van gemaakte kosten ten behoeve van rechtsbijstand ten bedrage van € 1.799,28 gevorderd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 21.276,21 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de verdachte voorts veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag aan proceskosten en zij heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte heeft de vordering in hoger beroep niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 21.276,21. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft in haar vordering tevens een aantal schadeposten van haar partner opgenomen. Deze schadeposten komen in het strafproces niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal de benadeelde partij derhalve in dat deel van haar vordering – groot € 338,92 – niet-ontvankelijk verklaren.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

8.2. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.042,04, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte heeft de vordering in hoger beroep niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 45, 56, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet Wapens en Munitie.

10. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde:

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Bepaalt dat ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4. 1.00 STK aardappelschilmesje (3625914);

5. 1.00 STK Auto Life Hammer (3625914);

7. 1.00 STK Knipmes, kleur: zwart, grijze knoppen, drukmechanisme (3626015);

8. 2.00 STK Stanleymes NOBBY, kleur: wit (3636018);

9. 1.00 STK mes EXTREME, kleur: zwart (3626058).

Beveelt de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. 1.00 STK Baseballcap, kleur: zwart (364236);

2. 1.00 STK Zaktelefoon Nokia (3624237);

3. 1.00 STK zakdoek papier doordrenkt met bloed (3624193);

6. 4.00 STK Drukwerk (3626008).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] terzake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 21.276,21 (eenentwintigduizend tweehonderdzesenzeventig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 1.276,21 (duizend tweehonderdzesenzeventig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.799,28 (duizend zevenhonderdnegenennegentig euro en achtentwintig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 21.276,21 (eenentwintigduizend tweehonderdzesenzeventig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 1.276,21 (duizend tweehonderdzesenzeventig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 141 (honderdeenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.042,04 (zevenduizend tweeënveertig euro en vier cent) bestaande uit € 3.042,04 (drieduizend tweeënveertig euro en vier cent) materiële schade en

€ 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van € 7.042,04 (zevenduizend tweeënveertig euro en vier cent) bestaande uit € 3.042,04 (drieduizend tweeënveertig euro en vier cent) materiële schade en

€ 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. P.C. Römer en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 juni 2012.